Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3166
2026-07-24
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
26/2123
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom met betrekking tot herstel van een bres. waarbij een deel van de kade en de veiligheidszone is weggeslagen die in de voor de zandexploitatie benodigde ongrondingenvergunning is voorgeschreven. Verzoekster stelt dat de last onvoldoende duidelijk is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang, dat de uitspraak in het beroep niet kan worden afgewacht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:91 Raad van State 21-01-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.414 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2123
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
Sibelco Nederland N.V., uit Emmen, verzoekster
(gemachtigde: mr. C.J. Schipperus),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe
(gemachtigde: mr. C. Dijkstra ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: v.o.f. Echten uit Echten
(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de last onder dwangsom die aan v.o.f. Echten is opgelegd. Verzoekster vindt de last onder dwangsom onvoldoende duidelijk. Die onduidelijkheid ziet met name op de beslis- en eindtermijnen. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster is eigenaresse van het kadastrale perceel gemeente De Wijk, sectie K, nummer 479. Dit perceel grenst aan zandwinning van v.o.f. Echten. Op 6 november 2023 is bij de zandwinning door v.o.f Echten op het perceel De Wijk, sectie K, nummer 1157 een bres ontstaan, waarbij een deel van de kade en de veiligheidszone is weggeslagen, die in de voor de zandexploitatie benodigde ongrondingenvergunning is voorgeschreven.
2.1.
Op 12 november 2024 heeft het college toestemming verleend om te starten met herstel van deze bres.
2.2.
Op 21 augustus 2025 is tijdens de herstelwerkzaamheden een instabiliteit opgetreden, waardoor een nieuwe bres is ontstaan waarbij een deel van het perceel van verzoekster in de ontgrondingsplas terecht is gekomen.
2.3.
Verzoekster heeft op 5 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend onder meer omdat de v.o.f. Echten niet zou voldoen aan de voorschriften van de ontgrondingenvergunning. Verzoekster vroeg om de zandwinningsactiviteiten direct stil te leggen en handhavend op te treden tegen v.o.f. Echten.
2.4.
Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft het college dit verzoek afgewezen.
2.5.
Tegen dit besluit heeft verzoekster op 1 december 2025 een bezwaarschrift ingediend en op 9 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening met de uitspraak van 4 februari 2026 afgewezen, wegens het ontbreken van spoedeisend belang (zaaknummer LEE 25/5175).
2.7.
Op 16 februari 2026 is een hoorzitting gehouden bij de Commissie Rechtsbescherming van de provincie Drenthe (de commissie).
2.8.
Met het advies van 14 april 2026 heeft de commissie het college geadviseerd het besluit van 31 oktober 2025 te herroepen en het handhavingsverzoek toe te wijzen.
2.9.
Op 16 april 2026 is een contra-expertise uitgebracht door Fugro.
2.10.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2026 heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en een last onder dwangsom aan v.o.f. Echten opgelegd. Die last houdt ten eerste in dat v.o.f. Echten vóór 1 juli 2026 een deugdelijk en voor goedkeuring in aanmerking komend herstelplan voor de bres dient in te dienen bij het college. Indien niet vóór 1 juli 2026 een herstelplan is ingediend dat voldoet aan de in de last gestelde eisen, verbeurt v.o.f. Echten een dwangsom van € 25.000,- per periode van 7 dagen waarin niet aan de last is voldaan tot een maximumbedrag van € 100.000,-. Ten tweede dient v.o.f. Echten binnen 9 maanden na goedkeuring van het herstelplan door het college de volledige herstelwerkzaamheden ter herstel van de bres uit te voeren en afgerond te hebben. Indien v.o.f. Echten niet of niet tijdig aan deze last voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 100.000,- ineens.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen” dat vereist.
4. Verzoekster stelt dat al langdurig onzekerheid bestaat over het herstel van de bres, die al in 2023 is ontstaan. De last onder dwangsom geeft geen duidelijkheid over wanneer de bres is hersteld en ook vraagt verzoekster zich af of herstel van de bres uitvoerbaar is gelet op de beschikbaarheid van materiaal. Er is in de last geen termijn opgenomen waarbinnen het college, na ontvangst van het herstelplan, het herstelplan moet hebben goedgekeurd. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter het college een termijn tot 1 september 2026 op te leggen om te beslissing over de goedkeuring van het herstelplan. Aan v.o.f. Echten moet een termijn tot 1 juni 2027 worden opgelegd om de herstelwerkzaamheden uit te voeren.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang, dat de uitspraak in het beroep niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat niet is gebleken dat het moeten afwachten van de goedkeuring van het herstelplan door het college leidt tot onomkeerbare gevolgen voor verzoekster. Door verzoekster is niet onderbouwd dat het mogelijk langer wachten op herstel van de bres tot feitelijke gevolgen leidt, anders dan financiële gevolgen die op zichzelf geen spoedeisend belang opleveren. Het ter zitting ingenomen standpunt dat verdere bresval niet is uitgesloten, is niet onderbouwd. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster zo snel mogelijkheid zekerheid wil over het herstel van de bres, levert dit op zichzelf geen spoedeisend belang op. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het herstelplan op 30 juni 2026 is ingediend en direct door het college ter beoordeling is voorgelegd bij de Fugro. Het college heeft ter zitting aangegeven dat het dossier prioriteit heeft en dat het streven is om binnen 8 weken na ontvangst van het herstelplan een beslissing over de goedkeuring daarvan te nemen. Het verdere tijdpad hangt ervan af of het herstelplan direct kan worden goedgekeurd of nog aanpassingen nodig heeft. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat het college op dit moment voortvarend optreedt in het dossier. Bovendien ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te veronderstellen dat niet kritisch naar het herstelplan wordt gekeken, aangezien het herstelplan aan Fugro wordt voorgelegd.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Dat betekent dat de last onder dwangsom zoals die nu is opgelegd in stand blijft en hier geen wijzigingen in worden aangebracht. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91.
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2123
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
Sibelco Nederland N.V., uit Emmen, verzoekster
(gemachtigde: mr. C.J. Schipperus),
en
het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe
(gemachtigde: mr. C. Dijkstra ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: v.o.f. Echten uit Echten
(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de last onder dwangsom die aan v.o.f. Echten is opgelegd. Verzoekster vindt de last onder dwangsom onvoldoende duidelijk. Die onduidelijkheid ziet met name op de beslis- en eindtermijnen. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster is eigenaresse van het kadastrale perceel gemeente De Wijk, sectie K, nummer 479. Dit perceel grenst aan zandwinning van v.o.f. Echten. Op 6 november 2023 is bij de zandwinning door v.o.f Echten op het perceel De Wijk, sectie K, nummer 1157 een bres ontstaan, waarbij een deel van de kade en de veiligheidszone is weggeslagen, die in de voor de zandexploitatie benodigde ongrondingenvergunning is voorgeschreven.
2.1.
Op 12 november 2024 heeft het college toestemming verleend om te starten met herstel van deze bres.
2.2.
Op 21 augustus 2025 is tijdens de herstelwerkzaamheden een instabiliteit opgetreden, waardoor een nieuwe bres is ontstaan waarbij een deel van het perceel van verzoekster in de ontgrondingsplas terecht is gekomen.
2.3.
Verzoekster heeft op 5 september 2025 een handhavingsverzoek ingediend onder meer omdat de v.o.f. Echten niet zou voldoen aan de voorschriften van de ontgrondingenvergunning. Verzoekster vroeg om de zandwinningsactiviteiten direct stil te leggen en handhavend op te treden tegen v.o.f. Echten.
2.4.
Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft het college dit verzoek afgewezen.
2.5.
Tegen dit besluit heeft verzoekster op 1 december 2025 een bezwaarschrift ingediend en op 9 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening met de uitspraak van 4 februari 2026 afgewezen, wegens het ontbreken van spoedeisend belang (zaaknummer LEE 25/5175).
2.7.
Op 16 februari 2026 is een hoorzitting gehouden bij de Commissie Rechtsbescherming van de provincie Drenthe (de commissie).
2.8.
Met het advies van 14 april 2026 heeft de commissie het college geadviseerd het besluit van 31 oktober 2025 te herroepen en het handhavingsverzoek toe te wijzen.
2.9.
Op 16 april 2026 is een contra-expertise uitgebracht door Fugro.
2.10.
Met het bestreden besluit van 27 mei 2026 heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en een last onder dwangsom aan v.o.f. Echten opgelegd. Die last houdt ten eerste in dat v.o.f. Echten vóór 1 juli 2026 een deugdelijk en voor goedkeuring in aanmerking komend herstelplan voor de bres dient in te dienen bij het college. Indien niet vóór 1 juli 2026 een herstelplan is ingediend dat voldoet aan de in de last gestelde eisen, verbeurt v.o.f. Echten een dwangsom van € 25.000,- per periode van 7 dagen waarin niet aan de last is voldaan tot een maximumbedrag van € 100.000,-. Ten tweede dient v.o.f. Echten binnen 9 maanden na goedkeuring van het herstelplan door het college de volledige herstelwerkzaamheden ter herstel van de bres uit te voeren en afgerond te hebben. Indien v.o.f. Echten niet of niet tijdig aan deze last voldoet, verbeurt zij een dwangsom van € 100.000,- ineens.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen” dat vereist.
4. Verzoekster stelt dat al langdurig onzekerheid bestaat over het herstel van de bres, die al in 2023 is ontstaan. De last onder dwangsom geeft geen duidelijkheid over wanneer de bres is hersteld en ook vraagt verzoekster zich af of herstel van de bres uitvoerbaar is gelet op de beschikbaarheid van materiaal. Er is in de last geen termijn opgenomen waarbinnen het college, na ontvangst van het herstelplan, het herstelplan moet hebben goedgekeurd. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter het college een termijn tot 1 september 2026 op te leggen om te beslissing over de goedkeuring van het herstelplan. Aan v.o.f. Echten moet een termijn tot 1 juni 2027 worden opgelegd om de herstelwerkzaamheden uit te voeren.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zodanig spoedeisend belang, dat de uitspraak in het beroep niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat niet is gebleken dat het moeten afwachten van de goedkeuring van het herstelplan door het college leidt tot onomkeerbare gevolgen voor verzoekster. Door verzoekster is niet onderbouwd dat het mogelijk langer wachten op herstel van de bres tot feitelijke gevolgen leidt, anders dan financiële gevolgen die op zichzelf geen spoedeisend belang opleveren. Het ter zitting ingenomen standpunt dat verdere bresval niet is uitgesloten, is niet onderbouwd. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster zo snel mogelijkheid zekerheid wil over het herstel van de bres, levert dit op zichzelf geen spoedeisend belang op. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het herstelplan op 30 juni 2026 is ingediend en direct door het college ter beoordeling is voorgelegd bij de Fugro. Het college heeft ter zitting aangegeven dat het dossier prioriteit heeft en dat het streven is om binnen 8 weken na ontvangst van het herstelplan een beslissing over de goedkeuring daarvan te nemen. Het verdere tijdpad hangt ervan af of het herstelplan direct kan worden goedgekeurd of nog aanpassingen nodig heeft. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat het college op dit moment voortvarend optreedt in het dossier. Bovendien ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te veronderstellen dat niet kritisch naar het herstelplan wordt gekeken, aangezien het herstelplan aan Fugro wordt voorgelegd.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Dat betekent dat de last onder dwangsom zoals die nu is opgelegd in stand blijft en hier geen wijzigingen in worden aangebracht. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.S. Schür, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91.