Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:3165

2026-07-14 Bestuursrecht; Omgevingsrecht 26/1763
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
26/1763
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening over een verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van keerwanden, het deels verwijderen van een zandwal, het bouwen van een kas, het realiseren van straatwerk, het verplaatsen van zonnepanelen en het realiseren van een tijdelijke inrit. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verlening van de vergunning in de weg staat.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.827 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 26/1763


uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand
(gemachtigden: E. Kleinheerenbrink, J. Kantens en L. van der Tol).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder).



Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van keerwanden, het deels verwijderen van een zandwal, het bouwen van een kas, het realiseren van straatwerk, het verplaatsen van zonnepanelen en het realiseren van een tijdelijke inrit op een perceel in [plaats]. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.



1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Verzoekers wonen op het adres [adres] in [woonplaats] . Zij zijn het niet eens met de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor activiteiten op het naastgelegen perceel met het adres [adres] in [woonplaats] .



2.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 20 mei 2026 verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor het plaatsen van keerwanden, het deels verwijderen van een zandwal, het bouwen van een kas, het realiseren van straatwerk, het verplaatsen van zonnepanelen en het tijdelijk realiseren van een inrit. De omgevingsvergunning ziet onder andere op het binnenplans afwijken van de regels van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan.



2.2.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.3.
Het verzoek is door de rechtbank Overijssel doorgezonden naar rechtbank Noord-Nederland, omdat een van de verzoekers bij de rechtbank Overijssel werkzaam is geweest.



2.4.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigden van het college en vergunninghouder met zijn partner, [naam]




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Spoedeisend belang


3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter neemt gelet op de ingrijpendheid van het plaatsen van de keerwanden en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden, in dit geval spoedeisend belang aan.



Evidente privaatrechtelijke belemmering


4. Verzoekers stellen dat de betonnen keerwanden in hun tuin worden geplaatst en daarom sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Verzoekers wijzen op een ruilovereenkomst van 15 april 2005 tussen de voormalige bewoners van [adres] en [adres] , waaruit blijkt dat dit stuk grond in hun eigendom is. De percelen zijn gescheiden door een hoge zandwal die door de vorige eigenaar van [adres] is neergelegd ter afscheiding van de percelen. Deze zandwal ligt hier al meer dan 18 jaar. De keerwanden worden aan hun kant van de zandwal geplaatst, op het tuinpad dat zij als achteruitgang voor hun perceel gebruiken. Verzoekers waren zich er tot december 2025 niet van bewust dat de kadastrale erfgrens afweek van de feitelijke erfgrens. Zij stellen ten tijde van het verkrijgen van het stukje grond te goeder trouw te zijn geweest en door verkrijgende verjaring eigenaar te zijn geworden van het stukje grond. In elk geval is sprake van bevrijdende verjaring, omdat er meer dan 20 jaar is verstreken sinds de dag van de grondruil.


4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het college is er op basis van de kadastrale gegevens, waaronder de kadastrale kaart, van uitgegaan dat de grond waarop de keerwanden worden geplaatst in eigendom is van vergunninghouder. Zonder nader onderzoek kan niet worden vastgesteld dat deze grond in eigendom is van verzoekers.


5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het in beginsel niet aan de bestuursrechter om in een bestuursrechtelijke procedure een oordeel te geven over de vraag of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan een voorgenomen activiteit. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om deze vraag te beantwoorden. Dit kan anders zijn als de gestelde privaatrechtelijke belemmering een evident karakter heeft. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming niet geeft en ook niet hoeft te geven.




5.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verlening van de vergunning in de weg staat.



5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat zonder nader onderzoek naar de ruilovereenkomst van 2005 niet kan worden vastgesteld dat het stuk perceel op grond van die overeenkomst in eigendom is van verzoekers. Dit zou namelijk onder andere het inmeten van een (nieuwe) erfgrens vergen, waarvoor het Kadaster moet worden ingeschakeld. Bovendien is onduidelijk wat de status is van de door verzoekers overgelegde kaarten die bij de ruilovereenkomst zouden horen, nu de ruilovereenkomst verwijst naar een ‘door de comparanten ondertekende situatieschets’ en de door verzoekers overgelegde kaarten niet ondertekend zijn. Ook dat vergt nader onderzoek.



5.3.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat voor een eventueel geslaagd beroep op verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek nodig is dat verzoekers de grond gedurende tien jaar onafgebroken te goeder trouw in bezit hebben. Dit kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld. Daarnaast is de vraag of verzoekers, al dan niet door verkrijgende of bevrijdende verjaring, eigenaar van de grond zijn een privaatrechtelijke kwestie die bij de burgerlijke rechter aan de orde moet worden gesteld als daarover een verschil van mening bestaat. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de verleende omgevingsvergunning te schorsen in afwachting van de afhandeling van het bezwaar.




Conclusie en gevolgen


6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.











Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1186, 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6360, 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:961 en 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:499.


Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3319, r.o. 6.2.