Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3083
2026-07-20
Civiel recht
C/18/256368
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding over burengeschil m.b.t. camera’s met (mogelijk) zicht op tuin buren. Camera's moeten verwijderd worden of op maximaal 2,00 meter hoog bevestigd, aansluitend bij de maximale erfafscheidingshoogte volgens artikel 5:49 BW.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2002:AD9609 Hoge Raad 31-05-2002
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.822 tekens)
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/256368 / KG ZA 26-191
Vonnis in kort geding van 20 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats] ,
eiser,hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P. Prins,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden, hierna samen te noemen: [gedaagden] ,advocaat: mr. A. Ibn el Kadi.
1De procedure
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding van 19 maart 2026;- de conclusie van antwoord van 14 april 2026;
- het verwijzingsvonnis van 7 mei 2026;
- het oproepingsexploot van 5 juni 2026;- de mondelinge behandeling van 6 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eiser] .
2De feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagden] zijn buren. De tuinen aan de achterzijde van de woningen van [eiser] en [gedaagden] grenzen aan elkaar en worden gescheiden door een schutting. In de tuin van [gedaagden] zijn door [gedaagden] twee camera’s opgehangen. De eerste camera heeft een vaste stand en is bevestigd aan de gevel (boven de achterdeur), de tweede camera is beweegbaar en is bevestigd aan een schuur in de tuin. De camera’s hangen op een hoogte van - in ieder geval - 2,40 meter. De beide camera’s komen boven de schutting uit en zijn zichtbaar vanuit de tuin van [eiser] . De draaibare camera is tevens zichtbaar vanuit de slaapkamer van [eiser] .
2.2.
Partijen hebben voorafgaand aan deze procedure onderling gecorrespondeerd door middel van e-mails en brieven via hun rechtsbijstandsverzekeraars, respectievelijk Achmea ( [eiser] ) en Klaverblad ( [gedaagden] ).
2.3.
Achmea heeft op 26 augustus 2025 namens [eiser] diens bezorgdheid geuit over een mogelijke inbreuk door camerabeelden en verzocht om beeldmateriaal van 2 augustus 2025, op welke datum de beweegbare camera [eiser] beweerdelijk zou hebben gevolgd, en om informatie over het beeldbereik en eventuele geluidsopname van/door de beide camera’s.
2.4.
Hierop heeft Klaverblad op 10 oktober 2025 namens [gedaagden] geantwoord dat de camera’s geen geluid opnemen en zo zijn ingesteld dat de tuin van [eiser] niet in beeld wordt gebracht, zodat het onmogelijk is dat de beweegbare camera [eiser] heeft gevolgd. De camera’s worden enkel ter beveiliging ingezet en zullen niet worden verwijderd. Bij de brief is een screenshot van een van de camera’s gevoegd, waarop alleen de tuin van [gedaagden] zelf valt waar te nemen.
2.5.
Op 21 oktober 2025 heeft Achmea per e-mail opnieuw verzocht om volledige informatie over het bereik en de opnamemogelijkheden van de beide camera’s, zowel qua beeld (‘in alle hoeken en standen die technologisch mogelijk zijn’) als qua geluid.
2.6.
Klaverblad heeft hierop op 10 november 2025 geantwoord dat het verzoek disproportioneel is. Wel werden zes printscreens met datum en tijd gedeeld en werd bevestigd dat niet over de schutting wordt gefilmd en dat de tuin niet in beeld is.
2.7.
Partijen zijn, nadat zij hun standpunten nog eens hebben herhaald, niet tot een oplossing van het geschil gekomen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te gebieden de camera’s te verwijderen of zodanig aan te passen dat deze aantoonbaar niet meer op de woning van [eiser] gericht kunnen worden en geen geluid kunnen opnemen van het perceel van [eiser] , dit op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook vordert [eiser] dat [gedaagden] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] onder meer het volgende aan. [gedaagden] heeft twee camera’s aan zijn woning bevestigd die (mede) op de tuin van [eiser] zijn of kunnen worden gericht, maar eenvoudig anders zijn te plaatsen. Hierdoor kan [eiser] niet meer onbespied van zijn tuin gebruikmaken. Volgens [eiser] levert dit een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op en handelt [gedaagden] daarmee onrechtmatig.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en voert daartoe onder meer het volgende aan. De relatie tussen hen en [eiser] is verstoord. In het verleden heeft dit meermaals tot politiemeldingen geleid. [gedaagden] stelt dat de wijkagent hen naar aanleiding van de onenigheden heeft geadviseerd om ter preventie camera’s op te hangen. De camera’s zijn daarbij zo ingesteld dat ze enkel de eigen woning en tuin kunnen waarnemen. Geluidsopnames worden niet gemaakt.
4De beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is met de aard van het gevorderde gegeven.
4.2.
Uitgangspunt in deze zaak is dat het weliswaar een ieder vrij staat om in de eigen tuin camera’s op te hangen, maar dat het richten van deze camera’s op de woning van een ander, waaronder begrepen een (besloten) tuin, in beginsel als een onrechtmatige inbreuk op het recht op privacy moet worden beschouwd. Dat is slechts anders wanneer er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, maar daarover is in deze zaak niets gesteld of gebleken.
4.3.
Iets anders is de vraag of c.q. onder welke omstandigheden de enkele technische mogelijkheid daartoe - die in de onderhavige zaak als zodanig niet is betwist - eveneens als een zodanige inbreuk heeft te gelden. Die vraag is van belang omdat [gedaagden] heeft betwist dat de camera’s op de woning en tuin van [eiser] zijn gericht en beeld en/of geluid van die zijde kunnen opnemen en [eiser] , behoudens een (beweerdelijk) voorval in augustus 2025, weinig tot niets heeft gesteld en/of onderbouwd omtrent een daadwerkelijke inbreuk als bedoeld onder r.o. 4.2.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder omstandigheden ook een vermeende/dreigende inbreuk op het recht op privacy als onrechtmatig kan worden beschouwd. Iedereen heeft er in beginsel belang bij zich in de eigen tuin onbespied te weten en niet te hoeven vrezen voor mogelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het feit dat, zoals in deze procedure genoegzaam is komen vast te staan, de verhoudingen tussen [eiser] en [gedaagden] in de loop der tijd zijn verslechterd en het feit dat de beide camera’s van [gedaagden] voor [eiser] goed zichtbaar zijn, zoals ook is gebleken uit diverse door [eiser] overgelegde foto’s, kan de voorzieningenrechter [eiser] in beginsel volgen in het door hem als zodanig ervaren ongemak dat voortvloeit uit - wat er verder zij van de bestaande instellingen daarvan - de mogelijkheid die deze camera’s in zich dragen om waar te nemen wat er zich in zijn eigen ( [eiser] ’s) tuin afspeelt.
4.5.
De voorzieningenrechter acht verder van belang dat [gedaagden] niet aannemelijk heeft kunnen maken dàt en waaròm de beide camera’s zich op een hoogte zouden moeten bevinden die boven de schutting uitstijgt. Dit vloeit niet voort uit het door [gedaagden] gestelde belang (beveiliging van de eigen tuin en woning) en ook de door [gedaagden] ter zitting hiervoor aangevoerde argumenten - de plaatsing van een trampoline en de hoogte van de deur/het kozijn in de achtergevel van [gedaagden] - kunnen de voorzieningenrechter niet overtuigen. De voorzieningenrechter ziet, mede in het licht van het hiervoor benoemde belang van [eiser] (het zich onbespied weten in de eigen tuin) niet in waarom niet van [gedaagden] kan worden gevergd dat de camera’s, voor zover deze niet worden verwijderd, zodanig worden verplaatst dat deze niet meer kunnen worden gericht op de tuin van [eiser] en vanuit die tuin niet meer zichtbaar zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter zal dan ook bepalen dat de camera’s van [gedaagden] dienen te worden verwijderd dan wel, indien [gedaagden] de camera’s wil blijven gebruiken, op een hoogte van maximaal 2,00 meter moeten worden geïnstalleerd. Bij de bepaling van die hoogte neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ingevolge artikel 5:49 Burgerlijk Wetboek de erfscheiding tussen twee erven in beginsel niet hoger mag zijn dan 2,00 meter. Op deze wijze wordt het belang van [gedaagden] bij de beveiliging van zijn eigendommen voldoende gewaarborgd, zonder dat het belang van [eiser] bij een (vermeend) onbespiede tuin onevenredig wordt geschaad.
4.7.
Wat betreft het gevorderde verbod op het kunnen maken van geluidsopnames, overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat hij hierbij, gelet op hetgeen ten aanzien van de plaatsing van de camera’s zal worden beslist en de herhaalde betwisting van [gedaagden] dat de camera’s geluid opnemen, waartegen [eiser] niets heeft aangevoerd, een voldoende en afzonderlijk belang heeft. De vordering van [eiser] wordt op dit punt dan ook afgewezen.
4.8.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximaliseerd als in het dictum is bepaald.
4.9.
Omdat het een burengeschil betreft, beide partijen ogenschijnlijk een rechtsbijstandsverzekering hebben en voorshands niet kan worden aangenomen dat de camera’s daadwerkelijk op de woning van [eiser] zijn gericht, acht de voorzieningenrechter het passend dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen: de proceskosten worden gecompenseerd.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera’s te verwijderen dan wel de positie van deze camera’s te verplaatsen naar een hoogte van maximaal 2,00 meter;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat [gedaagden] niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
j.s. (319)
Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609.
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/256368 / KG ZA 26-191
Vonnis in kort geding van 20 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats] ,
eiser,hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P. Prins,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats] ,
gedaagden, hierna samen te noemen: [gedaagden] ,advocaat: mr. A. Ibn el Kadi.
1De procedure
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding van 19 maart 2026;- de conclusie van antwoord van 14 april 2026;
- het verwijzingsvonnis van 7 mei 2026;
- het oproepingsexploot van 5 juni 2026;- de mondelinge behandeling van 6 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitnota van [eiser] .
2De feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagden] zijn buren. De tuinen aan de achterzijde van de woningen van [eiser] en [gedaagden] grenzen aan elkaar en worden gescheiden door een schutting. In de tuin van [gedaagden] zijn door [gedaagden] twee camera’s opgehangen. De eerste camera heeft een vaste stand en is bevestigd aan de gevel (boven de achterdeur), de tweede camera is beweegbaar en is bevestigd aan een schuur in de tuin. De camera’s hangen op een hoogte van - in ieder geval - 2,40 meter. De beide camera’s komen boven de schutting uit en zijn zichtbaar vanuit de tuin van [eiser] . De draaibare camera is tevens zichtbaar vanuit de slaapkamer van [eiser] .
2.2.
Partijen hebben voorafgaand aan deze procedure onderling gecorrespondeerd door middel van e-mails en brieven via hun rechtsbijstandsverzekeraars, respectievelijk Achmea ( [eiser] ) en Klaverblad ( [gedaagden] ).
2.3.
Achmea heeft op 26 augustus 2025 namens [eiser] diens bezorgdheid geuit over een mogelijke inbreuk door camerabeelden en verzocht om beeldmateriaal van 2 augustus 2025, op welke datum de beweegbare camera [eiser] beweerdelijk zou hebben gevolgd, en om informatie over het beeldbereik en eventuele geluidsopname van/door de beide camera’s.
2.4.
Hierop heeft Klaverblad op 10 oktober 2025 namens [gedaagden] geantwoord dat de camera’s geen geluid opnemen en zo zijn ingesteld dat de tuin van [eiser] niet in beeld wordt gebracht, zodat het onmogelijk is dat de beweegbare camera [eiser] heeft gevolgd. De camera’s worden enkel ter beveiliging ingezet en zullen niet worden verwijderd. Bij de brief is een screenshot van een van de camera’s gevoegd, waarop alleen de tuin van [gedaagden] zelf valt waar te nemen.
2.5.
Op 21 oktober 2025 heeft Achmea per e-mail opnieuw verzocht om volledige informatie over het bereik en de opnamemogelijkheden van de beide camera’s, zowel qua beeld (‘in alle hoeken en standen die technologisch mogelijk zijn’) als qua geluid.
2.6.
Klaverblad heeft hierop op 10 november 2025 geantwoord dat het verzoek disproportioneel is. Wel werden zes printscreens met datum en tijd gedeeld en werd bevestigd dat niet over de schutting wordt gefilmd en dat de tuin niet in beeld is.
2.7.
Partijen zijn, nadat zij hun standpunten nog eens hebben herhaald, niet tot een oplossing van het geschil gekomen.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te gebieden de camera’s te verwijderen of zodanig aan te passen dat deze aantoonbaar niet meer op de woning van [eiser] gericht kunnen worden en geen geluid kunnen opnemen van het perceel van [eiser] , dit op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook vordert [eiser] dat [gedaagden] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] onder meer het volgende aan. [gedaagden] heeft twee camera’s aan zijn woning bevestigd die (mede) op de tuin van [eiser] zijn of kunnen worden gericht, maar eenvoudig anders zijn te plaatsen. Hierdoor kan [eiser] niet meer onbespied van zijn tuin gebruikmaken. Volgens [eiser] levert dit een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op en handelt [gedaagden] daarmee onrechtmatig.
3.3.
[gedaagden] voert verweer en voert daartoe onder meer het volgende aan. De relatie tussen hen en [eiser] is verstoord. In het verleden heeft dit meermaals tot politiemeldingen geleid. [gedaagden] stelt dat de wijkagent hen naar aanleiding van de onenigheden heeft geadviseerd om ter preventie camera’s op te hangen. De camera’s zijn daarbij zo ingesteld dat ze enkel de eigen woning en tuin kunnen waarnemen. Geluidsopnames worden niet gemaakt.
4De beoordeling
4.1.
Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening is met de aard van het gevorderde gegeven.
4.2.
Uitgangspunt in deze zaak is dat het weliswaar een ieder vrij staat om in de eigen tuin camera’s op te hangen, maar dat het richten van deze camera’s op de woning van een ander, waaronder begrepen een (besloten) tuin, in beginsel als een onrechtmatige inbreuk op het recht op privacy moet worden beschouwd. Dat is slechts anders wanneer er sprake is van een rechtvaardigingsgrond, maar daarover is in deze zaak niets gesteld of gebleken.
4.3.
Iets anders is de vraag of c.q. onder welke omstandigheden de enkele technische mogelijkheid daartoe - die in de onderhavige zaak als zodanig niet is betwist - eveneens als een zodanige inbreuk heeft te gelden. Die vraag is van belang omdat [gedaagden] heeft betwist dat de camera’s op de woning en tuin van [eiser] zijn gericht en beeld en/of geluid van die zijde kunnen opnemen en [eiser] , behoudens een (beweerdelijk) voorval in augustus 2025, weinig tot niets heeft gesteld en/of onderbouwd omtrent een daadwerkelijke inbreuk als bedoeld onder r.o. 4.2.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder omstandigheden ook een vermeende/dreigende inbreuk op het recht op privacy als onrechtmatig kan worden beschouwd. Iedereen heeft er in beginsel belang bij zich in de eigen tuin onbespied te weten en niet te hoeven vrezen voor mogelijke inbreuken op de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het feit dat, zoals in deze procedure genoegzaam is komen vast te staan, de verhoudingen tussen [eiser] en [gedaagden] in de loop der tijd zijn verslechterd en het feit dat de beide camera’s van [gedaagden] voor [eiser] goed zichtbaar zijn, zoals ook is gebleken uit diverse door [eiser] overgelegde foto’s, kan de voorzieningenrechter [eiser] in beginsel volgen in het door hem als zodanig ervaren ongemak dat voortvloeit uit - wat er verder zij van de bestaande instellingen daarvan - de mogelijkheid die deze camera’s in zich dragen om waar te nemen wat er zich in zijn eigen ( [eiser] ’s) tuin afspeelt.
4.5.
De voorzieningenrechter acht verder van belang dat [gedaagden] niet aannemelijk heeft kunnen maken dàt en waaròm de beide camera’s zich op een hoogte zouden moeten bevinden die boven de schutting uitstijgt. Dit vloeit niet voort uit het door [gedaagden] gestelde belang (beveiliging van de eigen tuin en woning) en ook de door [gedaagden] ter zitting hiervoor aangevoerde argumenten - de plaatsing van een trampoline en de hoogte van de deur/het kozijn in de achtergevel van [gedaagden] - kunnen de voorzieningenrechter niet overtuigen. De voorzieningenrechter ziet, mede in het licht van het hiervoor benoemde belang van [eiser] (het zich onbespied weten in de eigen tuin) niet in waarom niet van [gedaagden] kan worden gevergd dat de camera’s, voor zover deze niet worden verwijderd, zodanig worden verplaatst dat deze niet meer kunnen worden gericht op de tuin van [eiser] en vanuit die tuin niet meer zichtbaar zijn.
4.6.
De voorzieningenrechter zal dan ook bepalen dat de camera’s van [gedaagden] dienen te worden verwijderd dan wel, indien [gedaagden] de camera’s wil blijven gebruiken, op een hoogte van maximaal 2,00 meter moeten worden geïnstalleerd. Bij de bepaling van die hoogte neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat ingevolge artikel 5:49 Burgerlijk Wetboek de erfscheiding tussen twee erven in beginsel niet hoger mag zijn dan 2,00 meter. Op deze wijze wordt het belang van [gedaagden] bij de beveiliging van zijn eigendommen voldoende gewaarborgd, zonder dat het belang van [eiser] bij een (vermeend) onbespiede tuin onevenredig wordt geschaad.
4.7.
Wat betreft het gevorderde verbod op het kunnen maken van geluidsopnames, overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen aannemen dat hij hierbij, gelet op hetgeen ten aanzien van de plaatsing van de camera’s zal worden beslist en de herhaalde betwisting van [gedaagden] dat de camera’s geluid opnemen, waartegen [eiser] niets heeft aangevoerd, een voldoende en afzonderlijk belang heeft. De vordering van [eiser] wordt op dit punt dan ook afgewezen.
4.8.
De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximaliseerd als in het dictum is bepaald.
4.9.
Omdat het een burengeschil betreft, beide partijen ogenschijnlijk een rechtsbijstandsverzekering hebben en voorshands niet kan worden aangenomen dat de camera’s daadwerkelijk op de woning van [eiser] zijn gericht, acht de voorzieningenrechter het passend dat beide partijen hun eigen proceskosten dragen: de proceskosten worden gecompenseerd.
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de camera’s te verwijderen dan wel de positie van deze camera’s te verplaatsen naar een hoogte van maximaal 2,00 meter;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat [gedaagden] niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2026.
j.s. (319)
Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609.