Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:3075
2026-07-24
Bestuursrecht
LEE 26/2216
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker stelt dat de drugs aanwezig waren voor gebruik op seksfeestjes. De voorzieningenrechter beoordeelt de evenredigheid van de sluiting.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.048 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2216
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I. Djordjevic),
en
de burgemeester van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigden: mr. K.G. Manting en mr. A. Brouwer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting De Huismeesters uit Groningen (verhuurder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over sluiting van de huurwoning van verzoeker op het [adres] op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid tot de sluiting kunnen overgaan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2.1.
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 9 juni 2026 heeft de politie op 22 januari 2026 de woning betreden en daar een handelshoeveelheid drugs
aangetroffen. Toen werd geconstateerd dat er GBL in de woning aanwezig was, een gasmasker en meerdere jerrycans. Ook werden meerdere waterflesjes aangetroffen waar een stroperige substantie in zat waarvan werd vermoed dat het GHB was. Naar verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de politie het binnentreden op 22 januari 2026 niet gemeld aan verweerder.
2.2.
De bestuurlijke rapportage vermeldt verder dat verzoeker op 9 juni 2026 om 3.08 uur in [andere plaats] op heterdaad is aangehouden. Later op de dag is de woning, met toestemming van verzoeker, doorzocht. Hierbij heeft politie het volgende aangetroffen: 8 stuks pillen, 1,1 gram witte poeder in gripzakje, 3,4 gram witte poeder in gripzakje, 5,1 gram kristallen (lichtbruin van kleur), 22,8 gram witte poeder in gripzakje met opdruk ‘M’, 42 gram witte poeder in gripzakje, 9646 gram bruine poeder in twee plastic zakjes, 915 gram wit poeder in plastic bak, 2 flesjes met dikke vloeibare substantie als inhoud (doorzichtig van kleur, mogelijk GHB) en 9,8 gram hasj in een gripzakje. Daarnaast heeft de politie aangetroffen een grote hoeveelheid ongebruikt verpakkingsmateriaal, waaronder ponypacks en gripzakjes, een mixer met daarin wit poeder, weegschaaltjes, lepels met poederresten en snuifbuisjes. Op het fornuis van de woning stonden twee pannen met daarin een doorzichtige vloeistof. Bij deze pannen bevonden zich een temperatuurmeter, strips ten behoeve van ph-metingen en flessen met gootsteenontstopper en gedemineraliseerd water (vermoedelijk voor het bereiden van GHB).
2.3.
Verweerder heeft op 13 juni 2026 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten. Bij besluit van 26 juni 2026, verzonden op 30 juni 2026, heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning vanaf 9 juli 2026 gesloten wordt voor een periode van zes maanden. Op genoemde datum is de sluiting ingegaan.
2.4.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Het toetsingskader bestaat voorts uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), in het bijzonder de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 en de andere uitspraken van die datum.
Procedureel
4.1.
Verzoeker stelt dat hij onvoldoende tijd heeft gekregen om op het voornemen te reageren.
4.2.
De voorzieningenrechter dat partijen verschillende lezingen hebben over de gang van zaken vanaf de datum van het voornemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen het voornemen gedateerd is op een zaterdag (13 juni 2026) zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker daadwerkelijk een week de tijd heeft gekregen om zijn zienswijze te geven. Wel is er tussen de vermoedelijke ontvangst van het voornemen en de daadwerkelijke sluiting een periode van ongeveer drie weken geweest waarin verzoeker alsnog zijn visie naar voren heeft kunnen brengen. De voorzieningenrechter ziet daarom in het mogelijke gebrek bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen aanleiding om een voorziening te treffen.
Bevoegdheid
5. Ter zitting heeft verzoeker erkend dat in de woning grote hoeveelheden drugs aanwezig waren en dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting. Gezien de aanwezigheid van drugs die zijn opgenomen op Lijst I en Lijst II van de Opiumwet stelt de voorzieningenrechter daarom vast dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Evenredigheid
6. Verzoeker betwist de evenredigheid van de woningsluiting wat betreft de aspecten noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
6.1.
Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Noodzakelijk
7.1.
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld (bijvoorbeeld blijkend uit verklaringen van buurtbewoners en het aantreffen van attributen), de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving recent al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel (bijvoorbeeld als opslaglocatie voor handel elders) en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
7.2.
Zoals uit de bestuurlijke rapportage blijkt (2.2.) en ter zitting is besproken, bevonden zich in de woning aanzienlijke hoeveelheden van verschillende drugs, met materialen om deze in kleinere hoeveelheden te verdelen en te verpakken. Daarnaast werd in de woning GHB bereid.
7.3.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat de drugs gebruikt worden op seksfeestjes waaraan hij met een groep van ongeveer zeventien mensen regelmatig deelneemt. Voorheen hadden ze de drugs per keer gekocht, maar dat leverde problemen op omdat ze werden beroofd door dealers. Daarom zijn ze het anders gaan organiseren, waarbij ze de drugs in grotere hoeveelheden kochten, wat zowel goedkoper als veiliger was. Bovendien hadden ze dan genoeg voor iedereen. Verzoeker had de taak op zich genomen om de drugs te bewaren. Dit deed hij alleen. Niemand kwam bij hem thuis.
7.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat het dossier geen meldingen van overlast rond de woning of aanloop naar de woning bevat. Dat de woning bekend stond als drugspand is niet gebleken. Ook is niet gebleken van een verband met de drugsoverlast en drugshandel op het nabijgelegen Martinikerkhof.
7.5.
Wel bevonden zich in de woning meerdere drugs in handelshoeveelheden, zowel softdrugs als harddrugs, die elders waren aangeschaft. Ook werd in de woning drugs (GHB) geproduceerd. De drugs waren niet alleen voor eigen gebruik door verzoeker, maar werden ook verpakt voor derden die daar, middels een bijdrage, voor betaalden. Dit betekent dat de woning een rol vervulde in een keten van drugshandel.
7.6.
Van belang is dat de politie op 22 januari 2026 al in de woning is geweest en daar drugs heeft aangetroffen, maar dat deze feitelijke waarschuwing voor verzoeker geen aanleiding is geweest om te stoppen met het aanschaffen, bewaren en bereiden van drugs.
7.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van de woning noodzakelijk gezien de in 7.5. en 7.6. genoemde aspecten. De betrokkenheid van de woning bij drugshandel duurt al langer voort en verzoeker is, waarschijnlijk door zijn verslaving aan meerdere drugs, niet in staat gebleken hieraan zelf een einde te maken. Pas doordat zijn woning is ontruimd, is de drugshandel gestopt. Gezien zijn verslaving is er een groot risico dat verzoeker terugvalt in hetzelfde patroon als hij in de woning blijft wonen. Om die reden kan niet worden volstaan met een lichter middel dan sluiting.
Evenwichtig
81. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de voor de bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Verschillende omstandigheden kunnen van belang zijn. Hiertoe behoren de mate van verwijtbaarheid van de betrokkenen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Relevant is dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. Door sluiting van de woning komt de huurder verder veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
8.2.
De voorzieningenrechter heeft er ook voor dat het voor verzoeker door zijn verslaving moeilijk is om zich niet met drugs in te laten, maar uiteindelijk ligt dit toch binnen zijn eigen verantwoordelijkheid. De ontstane situatie in de woning kan verzoeker daarom verweten worden.
8.3.
Verder is niet gebleken van een bijzondere binding met de woning. De uitleg van verzoeker dat juist in de woning een gevoel van rust over hem komt, is daarvoor onvoldoende. De door verzoeker genoemde mantelzorg voor zijn moeder en zijn broer heeft
geen direct verband met deze woning.
8.4.
Ter zitting is besproken dat de verhuurder, in geval van afwijzing van het verzoek, waarschijnlijk over zal gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Het verlies van de woning zal in dat geval voor verzoeker zeer ingrijpend zijn. Toch merkt de voorzieningenrechter dit niet aan als onevenwichtig gezien het grote algemene belang van bestrijding van drugshandel en omdat verweerder aan verzoeker hulp heeft geboden, door het inschakelen van WIJ Groningen, bij het zoeken van andere woonruimte.
Conclusie en gevolgen
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat de sluiting in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
GBL is een grondstof voor GHB maar kan ook zelfstandig als drugs worden gebruikt.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2216
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. I. Djordjevic),
en
de burgemeester van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigden: mr. K.G. Manting en mr. A. Brouwer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting De Huismeesters uit Groningen (verhuurder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over sluiting van de huurwoning van verzoeker op het [adres] op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid tot de sluiting kunnen overgaan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Totstandkoming van het besluit en procesverloop
2.1.
Blijkens een bestuurlijke rapportage van de politie van 9 juni 2026 heeft de politie op 22 januari 2026 de woning betreden en daar een handelshoeveelheid drugs
aangetroffen. Toen werd geconstateerd dat er GBL in de woning aanwezig was, een gasmasker en meerdere jerrycans. Ook werden meerdere waterflesjes aangetroffen waar een stroperige substantie in zat waarvan werd vermoed dat het GHB was. Naar verweerder ter zitting heeft gesteld, heeft de politie het binnentreden op 22 januari 2026 niet gemeld aan verweerder.
2.2.
De bestuurlijke rapportage vermeldt verder dat verzoeker op 9 juni 2026 om 3.08 uur in [andere plaats] op heterdaad is aangehouden. Later op de dag is de woning, met toestemming van verzoeker, doorzocht. Hierbij heeft politie het volgende aangetroffen: 8 stuks pillen, 1,1 gram witte poeder in gripzakje, 3,4 gram witte poeder in gripzakje, 5,1 gram kristallen (lichtbruin van kleur), 22,8 gram witte poeder in gripzakje met opdruk ‘M’, 42 gram witte poeder in gripzakje, 9646 gram bruine poeder in twee plastic zakjes, 915 gram wit poeder in plastic bak, 2 flesjes met dikke vloeibare substantie als inhoud (doorzichtig van kleur, mogelijk GHB) en 9,8 gram hasj in een gripzakje. Daarnaast heeft de politie aangetroffen een grote hoeveelheid ongebruikt verpakkingsmateriaal, waaronder ponypacks en gripzakjes, een mixer met daarin wit poeder, weegschaaltjes, lepels met poederresten en snuifbuisjes. Op het fornuis van de woning stonden twee pannen met daarin een doorzichtige vloeistof. Bij deze pannen bevonden zich een temperatuurmeter, strips ten behoeve van ph-metingen en flessen met gootsteenontstopper en gedemineraliseerd water (vermoedelijk voor het bereiden van GHB).
2.3.
Verweerder heeft op 13 juni 2026 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning te sluiten. Bij besluit van 26 juni 2026, verzonden op 30 juni 2026, heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning vanaf 9 juli 2026 gesloten wordt voor een periode van zes maanden. Op genoemde datum is de sluiting ingegaan.
2.4.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Het toetsingskader bestaat voorts uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), in het bijzonder de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 en de andere uitspraken van die datum.
Procedureel
4.1.
Verzoeker stelt dat hij onvoldoende tijd heeft gekregen om op het voornemen te reageren.
4.2.
De voorzieningenrechter dat partijen verschillende lezingen hebben over de gang van zaken vanaf de datum van het voornemen. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen het voornemen gedateerd is op een zaterdag (13 juni 2026) zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker daadwerkelijk een week de tijd heeft gekregen om zijn zienswijze te geven. Wel is er tussen de vermoedelijke ontvangst van het voornemen en de daadwerkelijke sluiting een periode van ongeveer drie weken geweest waarin verzoeker alsnog zijn visie naar voren heeft kunnen brengen. De voorzieningenrechter ziet daarom in het mogelijke gebrek bij de voorbereiding van het bestreden besluit geen aanleiding om een voorziening te treffen.
Bevoegdheid
5. Ter zitting heeft verzoeker erkend dat in de woning grote hoeveelheden drugs aanwezig waren en dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting. Gezien de aanwezigheid van drugs die zijn opgenomen op Lijst I en Lijst II van de Opiumwet stelt de voorzieningenrechter daarom vast dat verweerder bevoegd is tot woningsluiting over te gaan op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
Evenredigheid
6. Verzoeker betwist de evenredigheid van de woningsluiting wat betreft de aspecten noodzakelijkheid en evenwichtigheid.
6.1.
Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Noodzakelijk
7.1.
Over de noodzakelijkheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel, als een last onder dwangsom of een waarschuwing, had kunnen en moeten volstaan. De burgemeester betrekt de effecten op de omgeving van de overtredingen van de Opiumwet. Verschillende omstandigheden zijn van belang, waaronder de aard en de hoeveelheid van de aangetroffen drugs, de risico’s daarvan op verdere criminaliteit, of het gaat om hard- of softdrugs, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld (bijvoorbeeld blijkend uit verklaringen van buurtbewoners en het aantreffen van attributen), de feitelijke bekendheid als drugspand, de toeloop, overlast en (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, of er in de nabije omgeving recent al vaker drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit hebben voorgedaan, of aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel (bijvoorbeeld als opslaglocatie voor handel elders) en of de woning eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Ten slotte dient de burgemeester, net als bij de geschiktheid, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid het tijdsverloop te betrekken.
7.2.
Zoals uit de bestuurlijke rapportage blijkt (2.2.) en ter zitting is besproken, bevonden zich in de woning aanzienlijke hoeveelheden van verschillende drugs, met materialen om deze in kleinere hoeveelheden te verdelen en te verpakken. Daarnaast werd in de woning GHB bereid.
7.3.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat de drugs gebruikt worden op seksfeestjes waaraan hij met een groep van ongeveer zeventien mensen regelmatig deelneemt. Voorheen hadden ze de drugs per keer gekocht, maar dat leverde problemen op omdat ze werden beroofd door dealers. Daarom zijn ze het anders gaan organiseren, waarbij ze de drugs in grotere hoeveelheden kochten, wat zowel goedkoper als veiliger was. Bovendien hadden ze dan genoeg voor iedereen. Verzoeker had de taak op zich genomen om de drugs te bewaren. Dit deed hij alleen. Niemand kwam bij hem thuis.
7.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat het dossier geen meldingen van overlast rond de woning of aanloop naar de woning bevat. Dat de woning bekend stond als drugspand is niet gebleken. Ook is niet gebleken van een verband met de drugsoverlast en drugshandel op het nabijgelegen Martinikerkhof.
7.5.
Wel bevonden zich in de woning meerdere drugs in handelshoeveelheden, zowel softdrugs als harddrugs, die elders waren aangeschaft. Ook werd in de woning drugs (GHB) geproduceerd. De drugs waren niet alleen voor eigen gebruik door verzoeker, maar werden ook verpakt voor derden die daar, middels een bijdrage, voor betaalden. Dit betekent dat de woning een rol vervulde in een keten van drugshandel.
7.6.
Van belang is dat de politie op 22 januari 2026 al in de woning is geweest en daar drugs heeft aangetroffen, maar dat deze feitelijke waarschuwing voor verzoeker geen aanleiding is geweest om te stoppen met het aanschaffen, bewaren en bereiden van drugs.
7.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de sluiting van de woning noodzakelijk gezien de in 7.5. en 7.6. genoemde aspecten. De betrokkenheid van de woning bij drugshandel duurt al langer voort en verzoeker is, waarschijnlijk door zijn verslaving aan meerdere drugs, niet in staat gebleken hieraan zelf een einde te maken. Pas doordat zijn woning is ontruimd, is de drugshandel gestopt. Gezien zijn verslaving is er een groot risico dat verzoeker terugvalt in hetzelfde patroon als hij in de woning blijft wonen. Om die reden kan niet worden volstaan met een lichter middel dan sluiting.
Evenwichtig
81. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat de voor de bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Verschillende omstandigheden kunnen van belang zijn. Hiertoe behoren de mate van verwijtbaarheid van de betrokkenen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Relevant is dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. Door sluiting van de woning komt de huurder verder veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
8.2.
De voorzieningenrechter heeft er ook voor dat het voor verzoeker door zijn verslaving moeilijk is om zich niet met drugs in te laten, maar uiteindelijk ligt dit toch binnen zijn eigen verantwoordelijkheid. De ontstane situatie in de woning kan verzoeker daarom verweten worden.
8.3.
Verder is niet gebleken van een bijzondere binding met de woning. De uitleg van verzoeker dat juist in de woning een gevoel van rust over hem komt, is daarvoor onvoldoende. De door verzoeker genoemde mantelzorg voor zijn moeder en zijn broer heeft
geen direct verband met deze woning.
8.4.
Ter zitting is besproken dat de verhuurder, in geval van afwijzing van het verzoek, waarschijnlijk over zal gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst. Het verlies van de woning zal in dat geval voor verzoeker zeer ingrijpend zijn. Toch merkt de voorzieningenrechter dit niet aan als onevenwichtig gezien het grote algemene belang van bestrijding van drugshandel en omdat verweerder aan verzoeker hulp heeft geboden, door het inschakelen van WIJ Groningen, bij het zoeken van andere woonruimte.
Conclusie en gevolgen
9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat de sluiting in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
GBL is een grondstof voor GHB maar kan ook zelfstandig als drugs worden gebruikt.
ECLI:NL:RVS:2025:2922.