Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2955
2026-03-26
Strafrecht; Materieel strafrecht
18.171992.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdstrafrecht; vrijspraak medeplegen poging doodslag; veroordeling medeplegen poging zware mishandeling; benadeelde partij.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.561 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.171992.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de (tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de (tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (in/binnen de woning aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde, nu op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld of verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad op de dood van aangever en de handelingen die door verdachte zijn verricht, het schoppen tegen de rug, niet hadden kunnen leiden tot de dood van aangever. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag (feit 1 primair)
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd, namelijk poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld op welke wijze er tegen het hoofd van aangever is geschopt, zodat zij niet kan vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het schoppen tegen het hoofd zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair en feit 2 primair)
Bewijsmiddelen
De rechtbank volstaat ten aanzien van de hierna onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025142915 d.d. 26 juni 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, zowel binnen als buiten de woning geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . Aangever is daarbij meerdere keren geslagen en geschopt, waarbij hij voornamelijk tegen zijn hoofd is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op beide momenten, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, het binnen de woning met kracht slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het lichaam, en het buiten de woning schoppen tegen het lichaam, tezamen met de door de medeverdachten jegens het slachtoffer gepleegde geweldshandelingen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met name het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever, zoals onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste is gelegd.
De rechtbank stelt verder vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n), zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling telkens sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte(n) hebben immers allemaal geweld gebruikt tegen aangever.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, buiten de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - naar de grond heeft gebracht en vervolgens meermalen en tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair
hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, in de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair medeplegen van poging tot zware mishandeling;
primair medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 primair wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 34 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden verbonden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf van 60 uren en een leerstraf van 20 uren, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] , aan verdachte wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie en een leerstraf van 20 uren. Een forse werkstraf naast een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, een leerstraf en de reeds ingezette hulpverlening, zou verdachte kunnen overvragen en is daarom niet passend.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in de nacht van 24 op 25 mei 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer] . Tijdens een avond waarop verdachte, aangever en anderen als vrienden bijeen waren, is een handgemeen ontstaan tussen aangever en een medeverdachte. Hierop zagen verdachte en zijn medeverdachten aanleiding om fors en buitenproportioneel geweld toe te passen tegen aangever. Ook wanneer aangever weerloos op de grond terecht komt, gaat het geweld tegen hem door. Toen aangever de woning had verlaten, is verdachte achter hem aangelopen en heeft hij, samen met een ander, opnieuw geweld gepleegd tegen hem door hem naar de grond te werken en te schoppen. Met zijn handelen heeft verdachte een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Als gevolg van de mishandeling heeft aangever meerdere haematomen in het gezicht en een hersenschudding opgelopen. Dat de gevolgen voor aangever niet vele malen ernstiger zijn geweest, is een geluk en niet aan verdachte te danken. Dat het feit voor aangever bovendien ontzettend beangstigend en vernederend is geweest, is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk en rekent hem dit aan.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 12 januari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 februari 2026. Uit het rapport blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 6 juni 2026 geschorst. Uit het rapport blijkt dat de schorsingsperiode overwegend positief is verlopen. De afgelopen twee maanden lijkt verdachte op het gebied van school, werk en houding enigszins af te glijden, waardoor de Raad het noodzakelijk acht dat het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering zal worden voortgezet. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden meewerken aan hulpverlening, het volgen van onderwijs en/of dagbesteding, behandeling bij Accare en de meldplicht bij de jeugdreclassering.
Ter zitting heeft de Raad het advies nader toegelicht. De Raad heeft naar voren gebracht dat Accare diagnostisch onderzoek heeft verricht, maar dat de uitkomst hiervan nog niet bekend is. Verdachte volgt
geen onderwijs meer en werkt vijf dagen per week. Uit de instrumenten komt naar voren dat een leerstraf passend zou zijn. Het advies dient dan ook in die zin te worden gewijzigd dat de Raad een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] , en een voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden, zoals geformuleerd in het rapport, passend vindt.
Op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank de navolgende straf passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte geen langere jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 4 dagen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad in haar rapport geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen. De rechtbank komt daarmee tot een hogere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Een werkstraf van kortere duur doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Tot slot zal de rechtbank een leerstraf aan verdachte opleggen voor de duur van 20 uren, te weten het volgen van het leerproject [leerproject] .
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 108,17 ter vergoeding van materiële schade en 1.550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen kan worden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu verdachte geen contact meer heeft met de medeverdachten en het niet wenselijk is dat zij opnieuw contact met elkaar zullen krijgen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is
van de bewezen verklaarde feiten. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
1.550,00 billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toewijzen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsman is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. De rechtbank overweegt dat, naast het eerder genoemde uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, artikel 6:166, tweede lid, BW aangeeft hoe de onderlinge verdeling van de schade tussen verdachten behoort plaats te vinden. Daarin staat dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij op basis van de omstandigheden van het geval een andere verdeling billijk is. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld waarin de verdachte en de medeverdachten allemaal een actieve bijdrage hebben gehad, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de verdachten vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte samen met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schalde zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 34 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen zal melden bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, op het adres [adres] , zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken.
dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering nodig vindt.
dat de veroordeelde onderwijs en/of dagbesteding heeft.
dat de veroordeelde zich onder behandeling stelt van Accare of een soortgelijke instantie, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.
Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te Leeuwarden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] voor de duur van 20 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer], feit 1 subsidiair en feit 2 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
- het bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 108,17 aan materiële schade en 1.550,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S.T. Kooistra en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.171992.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door A.R. Posthuma.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de (tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (buiten de (tuin/achterplaats van de) woning aan en/of in de steeg bij de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) naar de grond heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen en/of met kracht tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (in/binnen de woning aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde, nu op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld of verdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen oogmerk heeft gehad op de dood van aangever en de handelingen die door verdachte zijn verricht, het schoppen tegen de rug, niet hadden kunnen leiden tot de dood van aangever. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak poging doodslag (feit 1 primair)
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem onder feit 1 primair ten laste is gelegd, namelijk poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe dat op basis van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld op welke wijze er tegen het hoofd van aangever is geschopt, zodat zij niet kan vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever door het schoppen tegen het hoofd zou kunnen komen te overlijden. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de ten laste gelegde poging tot doodslag.
Bewezenverklaring poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair en feit 2 primair)
Bewijsmiddelen
De rechtbank volstaat ten aanzien van de hierna onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025142915 d.d. 26 juni 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, zowel binnen als buiten de woning geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . Aangever is daarbij meerdere keren geslagen en geschopt, waarbij hij voornamelijk tegen zijn hoofd is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op beide momenten, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, het binnen de woning met kracht slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het lichaam, en het buiten de woning schoppen tegen het lichaam, tezamen met de door de medeverdachten jegens het slachtoffer gepleegde geweldshandelingen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat met name het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever, zoals onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste is gelegd.
De rechtbank stelt verder vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n), zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling telkens sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte(n) hebben immers allemaal geweld gebruikt tegen aangever.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder feit 1 subsidiair en het onder feit 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair
hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, buiten de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - naar de grond heeft gebracht en vervolgens meermalen en tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair
hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, in de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair medeplegen van poging tot zware mishandeling;
primair medeplegen van poging tot zware mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 primair wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 34 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden verbonden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf van 60 uren en een leerstraf van 20 uren, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] , aan verdachte wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie en een leerstraf van 20 uren. Een forse werkstraf naast een voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, een leerstraf en de reeds ingezette hulpverlening, zou verdachte kunnen overvragen en is daarom niet passend.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in de nacht van 24 op 25 mei 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer] . Tijdens een avond waarop verdachte, aangever en anderen als vrienden bijeen waren, is een handgemeen ontstaan tussen aangever en een medeverdachte. Hierop zagen verdachte en zijn medeverdachten aanleiding om fors en buitenproportioneel geweld toe te passen tegen aangever. Ook wanneer aangever weerloos op de grond terecht komt, gaat het geweld tegen hem door. Toen aangever de woning had verlaten, is verdachte achter hem aangelopen en heeft hij, samen met een ander, opnieuw geweld gepleegd tegen hem door hem naar de grond te werken en te schoppen. Met zijn handelen heeft verdachte een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Als gevolg van de mishandeling heeft aangever meerdere haematomen in het gezicht en een hersenschudding opgelopen. Dat de gevolgen voor aangever niet vele malen ernstiger zijn geweest, is een geluk en niet aan verdachte te danken. Dat het feit voor aangever bovendien ontzettend beangstigend en vernederend is geweest, is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk en rekent hem dit aan.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 12 januari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 27 februari 2026. Uit het rapport blijkt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 6 juni 2026 geschorst. Uit het rapport blijkt dat de schorsingsperiode overwegend positief is verlopen. De afgelopen twee maanden lijkt verdachte op het gebied van school, werk en houding enigszins af te glijden, waardoor de Raad het noodzakelijk acht dat het toezicht en de begeleiding van de jeugdreclassering zal worden voortgezet. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden meewerken aan hulpverlening, het volgen van onderwijs en/of dagbesteding, behandeling bij Accare en de meldplicht bij de jeugdreclassering.
Ter zitting heeft de Raad het advies nader toegelicht. De Raad heeft naar voren gebracht dat Accare diagnostisch onderzoek heeft verricht, maar dat de uitkomst hiervan nog niet bekend is. Verdachte volgt
geen onderwijs meer en werkt vijf dagen per week. Uit de instrumenten komt naar voren dat een leerstraf passend zou zijn. Het advies dient dan ook in die zin te worden gewijzigd dat de Raad een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] , en een voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarden, zoals geformuleerd in het rapport, passend vindt.
Op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank de navolgende straf passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte geen langere jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 4 dagen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de door de Raad in haar rapport geformuleerde bijzondere voorwaarden verbinden waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen. De rechtbank komt daarmee tot een hogere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Een werkstraf van kortere duur doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. Tot slot zal de rechtbank een leerstraf aan verdachte opleggen voor de duur van 20 uren, te weten het volgen van het leerproject [leerproject] .
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 108,17 ter vergoeding van materiële schade en 1.550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen kan worden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen. De raadsman verzoekt de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu verdachte geen contact meer heeft met de medeverdachten en het niet wenselijk is dat zij opnieuw contact met elkaar zullen krijgen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is
van de bewezen verklaarde feiten. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
1.550,00 billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toewijzen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsman is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. De rechtbank overweegt dat, naast het eerder genoemde uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, artikel 6:166, tweede lid, BW aangeeft hoe de onderlinge verdeling van de schade tussen verdachten behoort plaats te vinden. Daarin staat dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij op basis van de omstandigheden van het geval een andere verdeling billijk is. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld waarin de verdachte en de medeverdachten allemaal een actieve bijdrage hebben gehad, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de verdachten vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte samen met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schalde zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 34 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijdstippen zal melden bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, op het adres [adres] , zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en werkt mee aan de gemaakte afspraken.
dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering nodig vindt.
dat de veroordeelde onderwijs en/of dagbesteding heeft.
dat de veroordeelde zich onder behandeling stelt van Accare of een soortgelijke instantie, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt.
Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid te Leeuwarden, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, bestaande uit het volgen van het leerproject [leerproject] voor de duur van 20 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer], feit 1 subsidiair en feit 2 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
- het bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 108,17 aan materiële schade en 1.550,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. S.T. Kooistra en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.