Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:2954

2026-03-26 Strafrecht; Materieel strafrecht 18.172009.25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-03-26
Publicatiedatum
2026-07-20
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
18.172009.25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht; veroordeling medeplegen poging zware mishandeling, openlijke geweldpleging en mishandeling; benadeelde partij.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (40.224 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden


parketnummer 18.172009.25



Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte



[verdachte] ,


geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .




Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2026.



Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.




Tenlastelegging




Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân (in/binnen de woning aan de [adres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
(- zakelijk weergegeven -) meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:





hij op of omstreeks 24/25 mei 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam te slaan en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te schoppen;




2.
hij op of omstreeks 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (- zakelijk weergegeven -) in een wurggreep heeft vastgehouden en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of naar de grond heeft gebracht en/of meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




3.
hij op of omstreeks 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân op/aan/bij (een openbare weg) [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit (- zakelijk weergegeven -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd, althans het lichaam, slaan van die [slachtoffer 3] en/of het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam slaan en/of schoppen en/of het in de wurgreep nemen/houden en/of het naar de grond brengen van die [slachtoffer 2] ;




subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:





dan wel, en/of hij op of omstreeks 31 mei 2025/1 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door (- zakelijk weergegeven -) het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd,



althans het lichaam, slaan van die [slachtoffer 3] en/of het meermalen en/of met kracht op en/of tegen het hoofd en/of (elders) op en/of tegen het lichaam slaan en/of schoppen en/of het in de wurgreep nemen/houden en/of het naar de grond brengen van die [slachtoffer 2] .







Beoordeling van het bewijs



Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd van het onder feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair aangevoerd dat in beide zaken sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel; verdachte was zich bewust van deze kans en heeft deze kans aanvaard. Ten aanzien van de onder feit 3 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens zowel aangever [slachtoffer 3] als aangever [slachtoffer 2] .





Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.




Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aangever [slachtoffer 2] enkele klappen tegen zijn rug heeft gekregen, hetgeen geen aanmerkelijke kans oplevert op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.




De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde.







Oordeel van de rechtbank
Feit 1 primair
Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.



1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb [slachtoffer 1] vier klappen gegeven. Ik droeg een zwart shirt met rode tekst. Ik herken mijzelf op de camerabeelden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 mei 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025142915 d.d. 26 juni 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :


Op 24 mei 2025 was ik bij vrienden thuis. Dit was op het adres [adres] . Rond 23:15 uur werd [medeverdachte 1] opeens heel erg boos op mij. Ik zag dat [medeverdachte 1] mij vanuit het niets begon te slaan. Ik zag dat [medeverdachte 1] mij met kracht met gebalde vuisten met beide handen sloeg. Ik herinner mij dat ik plotseling vanuit alle kanten werd aangevallen door meerdere mensen tegelijk. Ik kan me herinneren dat ik vanaf alle kanten voelde dat ik werd geslagen.


3. Een naar wettelijke voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Waar gesproken wordt over NN1, wordt daarmee bedoeld de persoon welke gekleed is in een zwart t-shirt, met groot rood opdruk op de achterzijde van het shirt welke de gehele achterzijde bedekt.


Op de camerabeelden zag ik dat NN1 met zijn rechter vuist SL (de rechtbank begrijpt: slachtoffer) tegen zijn hoofd raakt. Op het beeld is te zien dat NN1, bij het geven van deze klap, zijn bovenlichaam volledig meebeweegt. Te zien is dat het hoofd van slachtoffer met veel kracht naar achter wordt geslagen. Na het ontvangen van deze klap is te zien dat slachtoffer zijn evenwicht verliest en naar de grond valt. Terwijl slachtoffer naar de grond valt, is te zien dat NN1 nogmaals met zijn rechterhand met gebalde vuist uithaalt. Ditmaal richting het bovenlichaam van slachtoffer. Terwijl slachtoffer zich overeind houdt aan de tafel is te zien dat NN1 met zijn rechterhand en gebalde vuist tweemaal tegen het achterhoofd van slachtoffer slaat. Hierna is te zien dat slachtoffer achterover valt. NN2 komt met zijn linkerbeen tegen het hoofd van slachtoffer aan. Op beeld is te zien dat ook dit gebeurt met veel kracht, gezien slachtoffer ook hier weer uit balans raakt en zijn hoofd met veel snelheid naar achteren klapt. Vervolgens is te zien dat NN2 afwisselend met zijn linker- en rechterarm en met gebalde vuist tegen het hoofd van slachtoffer slaat, waarbij in totaal 5 klappen worden uitgedeeld. NN3 slaat meerdere malen met zijn rechterarm en gebalde vuist met veel kracht tegen het achterhoofd van slachtoffer. NN3 slaat daarbij 4 keer tegen het achterhoofd van slachtoffer. Direct hierna is te zien dat NN3 met zijn linkerbeen tegen het bovenlichaam van slachtoffer aanschopt. Slachtoffer zit daarbij nog altijd op de grond. NN2 schopt, terwijl slachtoffer op de grond zit, met zijn rechterbeen tegen het hoofd van slachtoffer aan. Ook daarbij is te zien dat het hoofd met veel kracht wordt geraakt, waarbij het hoofd duidelijk en met veel kracht achterover klapte. NN4 komt naar voren en slaat met zijn linkerarm, met gebalde vuist, twee keer tegen het achterhoofd van slachtoffer aan. NN2 slaat vervolgens 7 keer tegen het achterhoofd van slachtoffer aan. Te zien is dat NN2 daarbij afwisselt met zijn linker- en rechterarm. NN2 slaat daarbij met gebalde vuisten. NN4 slaat vervolgens met zijn linkerarm en gebalde vuist weer met veel kracht tegen het hoofd van slachtoffer aan. NN4 slaat nogmaals met zijn linkerarm en gebalde vuist tegen het hoofd van slachtoffer aan. NN4 schopt met zijn linkerbeen tegen de rug van slachtoffer aan. NN2 slaat met zijn linkerarm en gebalde vuist weer tegen het hoofd van slachtoffer aan.






Bewijsoverweging

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met anderen, in de woning geweld heeft gepleegd tegen aangever [slachtoffer 1] . Aangever is daarbij meerdere keren met kracht geslagen en geschopt, waaronder tegen zijn hoofd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.




De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat verdachte de wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden



waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het behoudens contra indicaties niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.




De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte, het meermalen met kracht slaan tegen het (achter)hoofd, tezamen met de door de medeverdachten jegens het slachtoffer gepleegde geweldshandelingen, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien was die kans voorzienbaar voor verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt te worden als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd.





De rechtbank stelt verder vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedragingen onder feit 1 primair sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachten hebben immers allemaal geweld gebruikt tegen aangever.




Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] , dan ook wettig en overtuigend bewezen.





Feit 2 en feit 3
Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.




Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.



1. De door verdachte op de terechtzitting van 12 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Er kwam een man op ons afrennen. Uit reactie heb ik hem een klap gegeven. [medeverdachte 1] sprong er toen bij. Ik herken mijzelf en [medeverdachte 1] op de beelden. Ik droeg een zwarte jas en een ketting en heb langer haar dan [medeverdachte 1] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 31 mei 2025 bevond ik mij op [adres] . Ik zag een man en twee jongens. Zij waren in gesprek en vervolgens sloegen de twee jongens de man. Ik sprak de twee jongens aan dat ze moesten stoppen. Vervolgens stond ik tegenover een van de twee jongens en deze sloeg mij direct. Hij sloeg mij vol in mijn


gezicht. Daarna werd ik door de andere jongen ook aangevallen. Ik heb meerdere klappen gehad van beide jongens. Ik ben naar de grond gewerkt en heb toen ook klappen gehad.


3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 31 mei 2025 omstreeks 23:45 uur kwam ik aan in Sneek. Ik zag twee jongens. Ik kan de jongens als volgt omschrijven, verdachte 1, blond haar met krullen, slank postuur, donkere kleding, ongeveer 16/18 jaar oud, verdachte 2, rossig haar gemillimeterd, steviger postuur, donkere kleding, ongeveer 16/18 jaar oud. Ik ben geslagen door verdachte 1. Ik voelde dat hij met kracht op mijn hoofd sloeg met gebalde vuist, hierdoor voelde ik direct pijn aan mijn hoofd. Ik zag vervolgens dat een voor mij onbekende getuige kwam aanlopen. Ik zag dat de getuige slachtoffer werd van de mishandeling door beide verdachten. Ik zag dat beide verdachten hem meermaals sloegen. Ik zag dat hij op de grond belande en op de grond ook werd aangevallen door beide verdachten. Hij werd meermaals geslagen en geschopt.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :
Ik zag dat jongen 1 begon met slaan. [slachtoffer 2] liep er vervolgens op af. Ik zag dat beide jongens nu ook op [slachtoffer 2] in begonnen te slaan. Ik zag vervolgens dat [slachtoffer 2] op de grond viel. Beide jongens begonnen toen [slachtoffer 2] te schoppen terwijl hij op de grond lag.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 143 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :


Videofragment 1
Op het eerste videofragment zien wij aangever [slachtoffer 2] over de weg rennen in de richting van [slachtoffer 3] en de twee jongens. Vervolgens loopt deze jongen (verdachte 1) naar aangever [slachtoffer 2] en wij zien dat hij zonder aanleiding aangever [slachtoffer 2] slaat met gebalde vuist in de richting van zijn gezicht.
Verdachte 1, draagt donkere jas, donkere broek, slank postuur, blond haar met krulletjes.





Videofragment 2
Hierbij is te zien dat verdachte 1 en verdachte 2 met aangever [slachtoffer 2] in een gevecht zijn verwikkeld. Bij het begin van het fragment zien wij verdachte 1 met aangever [slachtoffer 2] op de grond. Verdachte 2 begint vervolgens op aangever [slachtoffer 2] in te slaan. Hij slaat hem op zijn gezicht met gebalde vuist. Verdachte 2 pakt aangever [slachtoffer 2] bij zijn nek en neemt hem in een wurggreep.
Terwijl verdachte 2 aangever [slachtoffer 2] nog in een wurggreep heeft en aangever hierdoor gebukt staat, slaat verdachte 1 vijfmaal met gebalde vuist op de rug van aangever. Aangever weet weer overeind te komen en wordt nog steeds door beide verdachten aangevallen. Verdachte 1 slaat aangever nogmaals met gebalde vuist in zijn gezicht.



6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 juni 2025, opgenomen op pagina 233 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :


P: Wie schopte er tegen dit slachtoffer als laatste? V: Dat was ik tegen zijn maag.





Bewijsoverweging ten aanzien van aangever [slachtoffer 2]




Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met een ander, geweld heeft gepleegd jegens aangever [slachtoffer 2] . Dit geweld bestond onder meer uit het met kracht slaan tegen het hoofd en lichaam, het schoppen in de maag en het toepassen van een wurggreep. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat aangever tegen zijn hoofd is geschopt. Zoals hiervoor onder feit 1 overwogen is, is om tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling te kunnen komen, vereist dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangever. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Naar het oordeel van de rechtbank roept het gepleegde geweld de aanmerkelijke kans in het leven dat aangever zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Aangever wordt met kracht op de rug geslagen en met kracht in zijn maag geschopt. Verdachte heeft die kans ook bewust aanvaard. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden, is de rechtbank niet gebleken.





De rechtbank stelt daarnaast vast dat ten aanzien van de bewezenverklaarde gedraging onder feit 2 sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte, zodat ten aanzien van de poging zware mishandeling sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben beide geweld gebruikt tegen aangever.




Aangezien het geweld op de openbare weg heeft plaatsgevonden en verdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld, komt de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging jegens aangever [slachtoffer 2] , zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 2 primair en het onder feit 3 primair ten laste gelegde ten aanzien van aangever [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.





Bewijsoverweging ten aanzien van aangever [slachtoffer 3]

Hoewel zowel aangever [slachtoffer 2] , als getuige [getuige] verklaren dat aangever [slachtoffer 3] door twee verdachten is geslagen, gaat de rechtbank uit van de gedetailleerde en specifieke verklaring van aangever [slachtoffer 3] , waaruit volgt dat hij eenmaal is geslagen. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte degene moet zijn geweest die aangever heeft geslagen. De rechtbank kan echter onvoldoende vaststellen dat de medeverdachte een voldoende wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld jegens aangever [slachtoffer 3] . De rechtbank is daarmee van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor de openlijke geweldpleging jegens aangever [slachtoffer 3] , zoals onder feit 3 primair ten laste is gelegd. De rechtbank zal verdachte hier dan ook partieel van vrijspreken.




De rechtbank komt daarentegen wel tot een bewezenverklaring van mishandeling van aangever [slachtoffer 3] , zoals onder feit 3 subsidiair ten laste is gelegd. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het medeplegen.







Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 24/25 mei 2025 te Sneek, in de woning aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

​
hij op 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - zakelijk weergegeven - in een wurggreep heeft vastgehouden en meermalen en met kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam heeft geslagen en naar de grond heeft gebracht en meermalen en met kracht tegen het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair
hij op 31 mei 2025/ 1 juni 2025 te Sneek, aan [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit - zakelijk weergegeven - het meermalen en met kracht tegen het hoofd slaan en tegen het lichaam slaan en schoppen en het in de wurgreep nemen/houden en het naar de grond brengen van [slachtoffer 2] ;


3. subsidiair
hij op 31 mei 2025/1 juni 2025 te Sneek, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door - zakelijk weergegeven - tegen het hoofd te slaan van [slachtoffer 3] .


Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.




Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.







Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:


primair medeplegen van poging tot zware mishandeling;


medeplegen van poging tot zware mishandeling;


primair openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;


3. subsidiair mishandeling.



De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 2 en feit 3 primair sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.




Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.




Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.





Strafmotivering



Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 34 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat, naast de jeugddetentie, ook een werkstraf van 100 uren aan verdachte wordt opgelegd.





Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels voorwaardelijke werkstraf passend zou zijn, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde en gelet op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad).





Oordeel van de rechtbank


Algemeen

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.







Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de nacht van 24 op 25 mei 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] . Tijdens een avond waarop verdachte, aangever en anderen als vrienden bijeen waren, is een handgemeen ontstaan tussen aangever en een medeverdachte. Hierop zagen verdachte en zijn medeverdachten aanleiding om fors en buitenproportioneel geweld toe te passen tegen aangever. Ook wanneer aangever weerloos op de grond terecht komt, gaat het geweld tegen hem door. Met zijn handelen heeft verdachte een forse en grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Als gevolg van de mishandeling heeft aangever meerdere haematomen in het gezicht en een hersenschudding opgelopen. Dat de gevolgen voor aangever niet vele malen ernstiger zijn geweest, is een geluk en niet aan verdachte te danken. Dat het feit voor het slachtoffer bovendien ontzettend beangstigend en vernederend is geweest, is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding.




Een week later, in de nacht van 31 mei op 1 juni 2025, heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een geweldsmisdrijf. Verdachte en zijn medeverdachte zorgden voor overlast op het treinstation.
Wanneer een omstander verdachte aanspreekt op zijn gedrag, kiest verdachte ervoor geweld toe te passen. Een omstander wil het slachtoffer te hulp schieten, maar wordt door verdachte en zijn medeverdachte eveneens belaagd. Verdachte en zijn medeverdachte hebben hierbij fors geweld toegepast.



Met zijn handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers. De feiten zijn daarnaast gepleegd in de openbare ruimte en zorgen daarmee voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de feiten zijn gepleegd op een treinstation, een plek waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. De rechtbank neemt dit alles verdachte kwalijk en rekent hem dit aan.





Persoon van verdachte

Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 12 februari 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.




De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 20 februari 2026. De voorlopige hechtenis van verdachte is onder voorwaarden geschorst. Het schorsingstoezicht is positief verlopen. Verdachte heeft zijn leven positief en stabiel ingericht. De Raad schat het risico op recidive in als laag. Gelet op het huidig functioneren van verdachte en het lage recidiverisico acht de Raad toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering niet nodig. Bij veroordeling adviseert de Raad een deels voorwaardelijke werkstraf. De Raad acht een voorwaardelijke jeugddetentie niet passend, gelet op het feit dat verdachte first offender is, verdachte nadien niet opnieuw in aanraking is geweest met politie en het positieve verloop van de schorsingsperiode.





Op te leggen straf

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Ondanks het advies van de Raad, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie, gelet op de ernst van de feiten, passend. De rechtbank zal verdachte geen langere jeugddetentie opleggen dan dat het voorarrest heeft geduurd. Aan verdachte wordt een deels voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 3 dagen. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf van 140 uren op aan verdachte. De rechtbank komt daarmee tot een hogere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist. Een werkstraf van kortere duur doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.




Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 33 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en oplegging daarvan geboden is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 140 uren opleggen.







Benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 108,17 ter vergoeding van materiële schade en 1.550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.



Standpunt van de officier van justitie




De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen kan worden te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.





Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden, gelet op de rol van verdachte. Aangever is buiten de woning wederom mishandeld, waarbij verdachte niet betrokken is geweest. De raadsman heeft daarnaast verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, gelet op het karakter van het jeugdstrafrecht en het feit dat verdachte geen contact meer heeft met de medeverdachten.





Oordeel van de rechtbank


Materiële schade

De rechtbank is ten aanzien van de materiële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.





Immateriële schade

De rechtbank is ten aanzien van de immateriële schade van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
1.550,00 billijk. De rechtbank zal dit bedrag niet matigen, zoals door de raadsman is betoogd. Verdachte is weliswaar niet betrokken geweest bij de mishandeling die buiten de woning heeft plaatsgevonden, maar heeft binnen in de woning fors geweld toegepast waardoor de benadeelde partij letsel heeft opgelopen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde immateriële schade geheel toewijzen.







Hoofdelijkheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsman is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. De rechtbank overweegt dat, naast het eerder genoemde uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, artikel 6:166, tweede lid, BW aangeeft hoe de onderlinge verdeling van de schade tussen verdachten behoort plaats te vinden. Daarin staat dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij op basis van de omstandigheden van het geval een andere verdeling billijk is. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld waarin de verdachte en de medeverdachten allemaal een actief aandeel hebben gehad, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de verdachten vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte samen met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.



Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.





Schadevergoedingsmaatregel

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.





Veroordeling in kosten

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.





Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.







Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.









Uitspraak






De rechtbank



Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.




Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.



Veroordeelt verdachte tot:







een jeugddetentie voor de duur van 33 dagen.



Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 30 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.




Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.







Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 140 uren.



Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.




Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.




Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] , feit 1 primair





Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:




het bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent);


de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;


de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.




Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.658,17 (zegge: duizend zeshonderd achtenvijftig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 108,17 aan materiële schade en 1.550,00 aan immateriële schade.




Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.




Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.




Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. K. Bunk, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2026.