Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2945
2026-04-24
Bestuursrecht
LEE 26/1245
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening. Sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet. Is de sluiting van de woning evenwichtig? Mantelzorger.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2019:2912 Raad van State 28-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2022:285 Raad van State 02-02-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:1911 Raad van State 06-07-2022
- ECLI:NL:RVS:2025:2922 Raad van State 16-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.652 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1245
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen),
en
de burgemeester van de gemeente Westerkwartier, de burgemeester
(gemachtigden: mr. S. Fokkert en mr. A. Veenstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [corporatie A uit vestigingsplaats] (de derde-partij)
(gemachtigde: [naam 1] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van een woning aan de [adres] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 maart 2026 heeft de burgemeester aangekondigd de woning gedurende 3 maanden te sluiten en gesloten te houden, ingaande 13 maart 2026 om 15:00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [naam 2] , de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij een beoordeling van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet geldt op basis van de rechtspraak een beoordelings- en toetsingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet in dit kader worden beoordeeld of sluiting van een pand geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse en het herstel van de openbare orde. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich er ten slotte van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de sluitingsduur zoals in dit geval in overeenstemming is met de duur die volgt uit de van toepassing zijnde beleidsregel.
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep (opgenomen in lijst II van de Opiumwet).
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met de “Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier) (de Beleidsregels). Volgens artikel 5.3.1. onder a van deze Beleidsregels wordt bij de verkoop, aflevering of verstrekking of het daartoe aanwezig hebben van softdrugs in/vanuit bewoonde panden anders dan een hennepkwekerij, bij een handelshoeveelheid van 6 tot en met 250 gram een sanctie opgelegd die varieert van een waarschuwing tot een sluiting voor een duur van maximaal drie maanden.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Is de sluiting van de woning een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken en was de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of de sluiting van de woning in dit geval evenwichtig is. Hierbij heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat de geschiktheid van de maatregel van de woningsluiting en de noodzaak van de sluiting van de woning niet in geschil zijn.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
9. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid, dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
9.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
10. Ten aanzien van de evenwichtigheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker in hoge mate verwijtbaar heeft gehandeld, nu hij gedurende langere tijd drugs heeft verhandeld en hij drugs verkoopt aan minderjarigen en hen in de gelegenheid stelt deze in de woning te gebruiken. Vervolgens geeft de burgemeester aan dat het hem ambtshalve bekend is dat de verhuurder de huurder uitsluit van de mogelijkheid om te huren voor drie jaar in de situatie dat het huurcontract wordt ontbonden omdat er drugs zijn gevonden. Met de aanwezigheid van de drugs en het feit dat minderjarigen bij verzoeker drugs kunnen gebruiken heeft verzoeker, aldus de burgemeester, bewust het risico genomen dat dit ernstige gevolgen kan hebben (voor zijn woonsituatie). Van bijzondere binding met de woning is de burgemeester niet gebleken. Voor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij zorg draagt voor iemand overweegt de burgemeester dat deze persoon niet staat ingeschreven op het adres.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker benoemde omstandigheden niet maken dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
11.1.
Verzoeker betoogt dat door de sluiting van zijn woning zowel hij als [naam 2] op straat komen te staan. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat [naam 2] naast hem woont, dat hij haar mantelzorger is en dat zij steeds meer zorg van verzoeker nodig heeft. Gelet hierop hebben verzoeker en [naam 2] het plan opgevat om [naam 2] te laten verhuizen naar de woning van verzoeker. Inmiddels heeft [naam 2] de huur van haar woning opgezegd in de veronderstelling dat zij kon verhuizen naar de woning van verzoeker. De voorzieningenrechter kent aan dit betoog niet de waarde toe die verzoeker hieraan graag gehecht zou zien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het is inherent is aan een sluiting van een pand, dat het pand enige tijd niet kan worden gebruikt en dat dit voor de betrokkene(n) tot nadeel leidt. Dit levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op die de sluiting onevenredig maakt. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet een pandgebonden maatregel betreft. Tegenover het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen blijven staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties worden voorkomen. In dit kader heeft de burgemeester erop gewezen dat de woning van verzoeker volop bekend is binnen het drugscircuit, dat meerdere getuigen hebben verklaard dat zij wiet en hasj bestellen bij verzoeker en dat zij dit in de woning kunnen afhalen. Ook blijkt uit de stukken dat de woning wordt beschreven als een ontmoetingsplek waar drugs kunnen worden gebruikt en dat drugs zijn verstrekt aan een minderjarige. Al deze omstandigheden heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen laten wegen. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter ook dat [naam 2] de huur van haar woning heeft opgezegd op het moment dat voor zowel haar als verzoeker kenbaar was dat de burgemeester voornemens was om de woning van verzoeker te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
11.2.
Voor zover verzoeker ten slotte nog heeft gesteld dat door de sluiting van zijn woning dakloosheid dreigt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De burgemeester dient bij het besluit tot sluiting van de woning de gevolgen van deze sluiting voor verzoeker mee te wegen in het kader van de evenwichtigheid van het besluit. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester dit heeft gedaan. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. Verder is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat hij hierin niet is geslaagd. Ten slotte betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat de burgemeester erop heeft gewezen dat verzoeker zich voor maatschappelijke opvang en/of andere hulpvragen binnen het Sociaal Domein (niet zijnde juridische hulpvragen) contact kan opnemen met het [email protected] en dat verzoeker zich – bij dreigende dakloosheid – kan melden bij de crisisopvang van Wender.
11.3.
Gelet op al het bovenstaande acht de voorzieningenrechter de sluiting van de woning evenwichtig.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester tot sluiting van de woning over heeft mogen gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie AbRS 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), AbRS 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en AbRS 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1911).
ECLI:NL:RVS:2025:2922.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1245
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. E.T. van Dalen),
en
de burgemeester van de gemeente Westerkwartier, de burgemeester
(gemachtigden: mr. S. Fokkert en mr. A. Veenstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [corporatie A uit vestigingsplaats] (de derde-partij)
(gemachtigde: [naam 1] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van een woning aan de [adres] (de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 maart 2026 heeft de burgemeester aangekondigd de woning gedurende 3 maanden te sluiten en gesloten te houden, ingaande 13 maart 2026 om 15:00 uur. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [naam 2] , de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van de derde-partij.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Niet in geschil is dat verzoeker, gelet op de aard van de zaak, een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek aan de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Bij een beoordeling van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet geldt op basis van de rechtspraak een beoordelings- en toetsingskader. Allereerst moet worden vastgesteld of de burgemeester bevoegd is om tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet in dit kader worden beoordeeld of sluiting van een pand geschikt en noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse en het herstel van de openbare orde. Als de burgemeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich er ten slotte van te vergewissen dat de sluiting evenwichtig is, ook als de sluitingsduur zoals in dit geval in overeenstemming is met de duur die volgt uit de van toepassing zijnde beleidsregel.
Was de burgermeester bevoegd om de woning te sluiten?
5. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om tot woningsluiting over te gaan. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het aantreffen van een handelshoeveelheid hennep (opgenomen in lijst II van de Opiumwet).
Is de sluiting in overeenstemming met het gemeentelijke beleid?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden in overeenstemming is met de “Beleidsregels van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier) (de Beleidsregels). Volgens artikel 5.3.1. onder a van deze Beleidsregels wordt bij de verkoop, aflevering of verstrekking of het daartoe aanwezig hebben van softdrugs in/vanuit bewoonde panden anders dan een hennepkwekerij, bij een handelshoeveelheid van 6 tot en met 250 gram een sanctie opgelegd die varieert van een waarschuwing tot een sluiting voor een duur van maximaal drie maanden.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van de sluitingsbevoegdheid?
7. Over het gebruikmaken van de bevoegdheid overweegt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) in de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is voor het beëindigen, tenietdoen of voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van de woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn. Het gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat de burgemeester de betrokken belangen af moet wegen. De bestuursrechter toetst aan de hand van de verzoeksgronden of de burgemeester tot zijn besluit heeft mogen komen. Omdat een woningsluiting een forse inbreuk kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing bij woningsluitingen doorgaans indringend zijn. Uit het evenredigheidsbeginsel vloeit voort dat onnodig zware gevolgen voorkomen moeten worden. De beoordeling van de evenredigheid vergt daarom van zowel het bestuur als de bestuursrechter een scherp inzicht in alle relevante feiten en omstandigheden en een afgewogen en deugdelijk gemotiveerd oordeel over de vraag welke gevolgen voor welke belanghebbenden (nog) wel of juist niet (meer) evenredig zijn.
Is de sluiting van de woning een geschikt middel om de beoogde doelen te bereiken en was de sluiting van de woning noodzakelijk?
8. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of de sluiting van de woning in dit geval evenwichtig is. Hierbij heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat de geschiktheid van de maatregel van de woningsluiting en de noodzaak van de sluiting van de woning niet in geschil zijn.
Was de sluiting van de woning evenwichtig?
9. Over de evenwichtigheid overweegt de AbRS in de overzichtsuitspraak dat bij de beoordeling van de evenwichtigheid de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid, dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt.
9.1.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden. En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
10. Ten aanzien van de evenwichtigheid heeft de burgemeester in het bestreden besluit overwogen dat verzoeker in hoge mate verwijtbaar heeft gehandeld, nu hij gedurende langere tijd drugs heeft verhandeld en hij drugs verkoopt aan minderjarigen en hen in de gelegenheid stelt deze in de woning te gebruiken. Vervolgens geeft de burgemeester aan dat het hem ambtshalve bekend is dat de verhuurder de huurder uitsluit van de mogelijkheid om te huren voor drie jaar in de situatie dat het huurcontract wordt ontbonden omdat er drugs zijn gevonden. Met de aanwezigheid van de drugs en het feit dat minderjarigen bij verzoeker drugs kunnen gebruiken heeft verzoeker, aldus de burgemeester, bewust het risico genomen dat dit ernstige gevolgen kan hebben (voor zijn woonsituatie). Van bijzondere binding met de woning is de burgemeester niet gebleken. Voor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij zorg draagt voor iemand overweegt de burgemeester dat deze persoon niet staat ingeschreven op het adres.
11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door verzoeker benoemde omstandigheden niet maken dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
11.1.
Verzoeker betoogt dat door de sluiting van zijn woning zowel hij als [naam 2] op straat komen te staan. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat [naam 2] naast hem woont, dat hij haar mantelzorger is en dat zij steeds meer zorg van verzoeker nodig heeft. Gelet hierop hebben verzoeker en [naam 2] het plan opgevat om [naam 2] te laten verhuizen naar de woning van verzoeker. Inmiddels heeft [naam 2] de huur van haar woning opgezegd in de veronderstelling dat zij kon verhuizen naar de woning van verzoeker. De voorzieningenrechter kent aan dit betoog niet de waarde toe die verzoeker hieraan graag gehecht zou zien. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het is inherent is aan een sluiting van een pand, dat het pand enige tijd niet kan worden gebruikt en dat dit voor de betrokkene(n) tot nadeel leidt. Dit levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op die de sluiting onevenredig maakt. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet een pandgebonden maatregel betreft. Tegenover het belang van verzoeker om in zijn woning te kunnen blijven staat het algemene belang bij het herstel en behoud van de openbare orde, dat de burgemeester voorstaat. Door de sluiting wordt de woning uit het criminele milieu onttrokken. Hiermee kunnen potentiële, openbare orde verstorende situaties worden voorkomen. In dit kader heeft de burgemeester erop gewezen dat de woning van verzoeker volop bekend is binnen het drugscircuit, dat meerdere getuigen hebben verklaard dat zij wiet en hasj bestellen bij verzoeker en dat zij dit in de woning kunnen afhalen. Ook blijkt uit de stukken dat de woning wordt beschreven als een ontmoetingsplek waar drugs kunnen worden gebruikt en dat drugs zijn verstrekt aan een minderjarige. Al deze omstandigheden heeft de burgemeester naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder mogen laten wegen. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter ook dat [naam 2] de huur van haar woning heeft opgezegd op het moment dat voor zowel haar als verzoeker kenbaar was dat de burgemeester voornemens was om de woning van verzoeker te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
11.2.
Voor zover verzoeker ten slotte nog heeft gesteld dat door de sluiting van zijn woning dakloosheid dreigt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De burgemeester dient bij het besluit tot sluiting van de woning de gevolgen van deze sluiting voor verzoeker mee te wegen in het kader van de evenwichtigheid van het besluit. Uit de gedingstukken blijkt dat de burgemeester dit heeft gedaan. Ook heeft verzoeker niet aangetoond dat hij niet in staat is om vervangende woonruimte te vinden. Verder is niet gebleken dat verzoeker heeft geprobeerd om vervangende woonruimte te vinden en dat hij hierin niet is geslaagd. Ten slotte betrekt de voorzieningenrechter bij zijn oordeel dat de burgemeester erop heeft gewezen dat verzoeker zich voor maatschappelijke opvang en/of andere hulpvragen binnen het Sociaal Domein (niet zijnde juridische hulpvragen) contact kan opnemen met het [email protected] en dat verzoeker zich – bij dreigende dakloosheid – kan melden bij de crisisopvang van Wender.
11.3.
Gelet op al het bovenstaande acht de voorzieningenrechter de sluiting van de woning evenwichtig.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het bovenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester tot sluiting van de woning over heeft mogen gaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie AbRS 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), AbRS 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en AbRS 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1911).
ECLI:NL:RVS:2025:2922.