Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:2905

2026-07-02 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht 12063325 BU VERZ 26-95
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-02
Publicatiedatum
2026-07-16
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
12063325 BU VERZ 26-95
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1). Uit jurisprudentie volgt dat instemming van de CVOM nodig is voordat overgegaan kan worden tot digitale handhaving. De “goedkeuring” genoemd in het algemeen proces-verbaal kan volgens de kantonrechter niet worden gezien als instemming door de CVOM. Hierdoor is niet verifieerbaar of digitale handhaving in dit geval was toegestaan. Gegrond beroep.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.665 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden


Bestuursrecht



beschikkingsnummer: 273026791
zaaknummer: 12063325 BU VERZ 26-95




proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 2 juli 2026




in de zaak van





[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats],
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.




Inleiding


1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een geslotenverklaring die voor beide richtingen geldt negeren (bord C1)’, verricht op 31 maart 2025, om 14:19 uur, op de Singel in Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).



1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde namens betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.



1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 2 juli 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en de vertegenwoordigster van de officier van justitie, mr. K.S.L. Kattick.



1.3.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.



Standpunten




2. Gemachtigde voert aan dat de verbalisant niet bevoegd was om te handhaven. Ten grondslag aan de digitale handhaving op de Singel ligt het verkeersbesluit van 5 december 2023, waarmee volgens het algemeen proces-verbaal is ingestemd door de politie. Over de instemming door de CVOM wordt echter niets vermeld, hetgeen volgens gemachtigde opzienbarend is, omdat dit de bevoegde instantie is ingevolge de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. De CVOM is het bevoegde gezag dat instemming verleent, alvorens de buitengewoon opsporingsambtenaar kan handhaven, en niet de politie. Gemachtigde voert aan dat, nu de instemming van de CVOM nergens uit valt af te leiden en die van de politie wel is opgenomen in het algemeen proces-verbaal, gemotiveerd is betwist dat de vereiste instemming ontbreekt. Gemachtigde verwijst naar een arrest van het hof van 15 januari 2026 en een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2025.





Beoordeling door de kantonrechter



De gedraging




3. De kantonrechter overweegt dat uit de door gemachtigde aangehaalde jurisprudentie volgt dat instemming van de CVOM nodig is voordat overgegaan kan worden tot digitale handhaving en dat in de gevallen waarin dit niet blijkt uit de op de zaak betrekking hebbende gegevens, de boete niet in stand kan blijven.



3.1.
De vertegenwoordigster heeft op de zitting aangevoerd dat in de tweede alinea op pagina 2 van het algemeen proces-verbaal van de gemeente Súdwest-Fryslân van 28 oktober 2024 staat dat de start van de digitale handhaving is gepland vanaf 1 januari 2025, dat vanaf deze datum wordt gestart met het opleggen van beschikkingen en dat dit op basis is van een goedkeuring door de CVOM om te kunnen handhaven. Zij heeft aangevoerd dat deze goedkeuring moet worden gezien als de vereiste instemming door de CVOM.



3.2.
De kantonrechter gaat niet in mee in dit standpunt. Het hof heeft over de praktijk tot aan het arrest geoordeeld dat de werkwijze niet klopte en daarop heeft de CVOM die aangepast. Maar uit dit dossier – en uit het algemeen proces-verbaal– blijkt geen instemming en dus is niet verifieerbaar of digitale handhaving in dit geval was toegestaan. De kantonrechter is van oordeel dat het dossier een officiële brief van de CVOM met de vereiste instemming moet bevatten. Nu het dossier zo’n stuk niet bevat, kan de overtreding niet worden vastgesteld. De kantonrechter zal het beroep gegrond verklaren.



Proceskostenvergoeding



4. De kantonrechter veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene. Hij kent anderhalve punt met een waarde van € 666,00 toe voor het indienen van het administratief beroepschrift en het bijwonen van de telefonische hoorzitting en twee punten met een waarde van € 934,00 voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de inleidende beschikking als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past hij de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, van de Wahv toe op beide fasen.

5. De berekening is als volgt: (1,5 (procespunt) x € 666,00 (tarief) + 2 (procespunten) x € 934,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 358,38.



5.1.
Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.




Conclusie


De kantonrechter:




verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;


vernietigt die beslissing;


verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;


vernietigt die inleidende beschikking;


bepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;


veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 358,38;


verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.




Waarvan proces-verbaal,



R. de Hoop, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter






Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:

a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.


Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.



De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.




Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:217.


Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.


Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.