Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2696
2026-05-20
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/18/251692 / FA RK 26-229
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Rechtbank belast de moeder met eenhoofdig gezag omdat sprake is van een scheve machtsbalans tussen de ouders en van de moeder niet verwacht kan worden dat zij met de vader in gesprek gaat over de kinderen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHARL:2025:5305 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-08-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.640 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/18/251692 / FA RK 26-229
beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026
in de zaak van
[naam]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna ook te noemen de moeder,
advocaat mr. F. Stoelinga uit Leeuwarden,
tegen
[naam]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. H.C.L. Crozier uit Sneek.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 9 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 22 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 23 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 9 april 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 15 april 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 22 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de advocaat van de vader;
[naam raadsvertegenwoordiger] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
1.3.
De vader is juist opgeroepen, maar niet verschenen.
1.4.
Op 22 april 2026 heeft de rechtbank een bericht van de moeder ontvangen met in de bijlage de geboorteakte van [minderjarige 2] .
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die in 2022 is beëindigd.
2.2.
Partijen zijn de ouders van:
[naam minderjarige 1] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;
[naam minderjarige 2] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.5.
[minderjarige 1] is bij beschikking van 17 april 2020 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI). [minderjarige 2] is bij beschikking van 11 april 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 april 2026.
2.6.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 maart 2025 is bepaald dat er geen vaste zorgregeling geldt tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank om uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd;
te bepalen dat de moeder alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat dit ouderlijk gezag wordt aangetekend in het in artikel 1:244 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register.
3.2.
De advocaat heeft namens de vader mondeling verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De vader heeft het gevoel dat hij in de afgelopen jaren op afstand wordt gezet. Hij ervaart het verzoek van de moeder als de zoveelste poging om hem bij de kinderen weg te houden. Het ouderlijk gezag over de kinderen is het enige dat hij nog heeft en hij wil dit niet kwijt raken. Hij wijst erop dat het beëindigen van het gezag een ingrijpende maatregel is en vindt dat niet aan de wettelijke vereisten hiertoe is voldaan. Het enkele feit dat de ouders niet met elkaar communiceren
brengt niet mee dat het gezamenlijk gezag beëindigd moet worden. Ook werkt hij geen gezagsbeslissingen tegen.
3.3.
De Raad begrijpt het verzoek van de moeder, gelet op het beeld dat in de afgelopen jaren van de vader is ontstaan. De vader wordt er al jaren op gewezen dat hij hulpverlening voor zichzelf moet aangaan en pakt dit niet op. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en samen beslissingen te nemen over de kinderen. Daarnaast is het werken aan het verbeteren van het contact tussen de ouders een heel ver station. Daarbij liegen de dreigende berichten die de vader stuurt er niet om. De Raad denkt dat de kinderen er meer
aan hebben als de vader zich focust op het aangaan van hulpverlening voor zichzelf, en om omgang tussen hem en de kinderen ooit weer mogelijk te maken, dan dat hij zich bezig houdt met het behouden van zijn gezag.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vader met zijn gedrag richting de moeder, haar netwerk, de kinderen en de hulpverlening een grens overschrijdt. De vader uit al jarenlang bedreigingen. De moeder en de kinderen hebben daardoor een lange tijd op een geheime locatie verbleven. De vader is daarnaast in 2024 een contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar. Ondanks het opgelegde contactverbod, blijkt uit de door de moeder overgelegde stukken dat de vader niet stopt(e) met het zoeken van contact met de moeder en/of haar netwerk. De berichten die de vader richting het netwerk van de moeder stuurt zijn volstrekt onacceptabel. Ook is het onvoorspelbare en agressieve gedrag dat de vader in de aanwezigheid van de kinderen heeft vertoond onaanvaardbaar. De vader moet zich er bewust van zijn dat fysiek geweld, psychisch geweld en intiem terreur allemaal vormen zijn van huiselijk geweld.
4.2.
De rechtbank wijst in dat kader op het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Het verdrag benadrukt dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, ook slachtoffer zijn van huiselijk geweld. De vader beschadigt met zijn gedrag zowel de moeder als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.3.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing in het belang van het kind is. Voor de rechtbank betekent dit dat er bij de beslissingen in deze zaak rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en de kinderen gewaarborgd zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin is geoordeeld dat er niet te licht omgegaan moet worden met onderlinge verhoudingen tussen de ouders als in deze kwestie. Het gedrag van de vader en de voorgeschiedenis zijn voor de rechtbank aanleiding om niet te licht om te gaan met het wangedrag van de vader en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders.
4.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarigen toekomt. Gelet op artikel 1:251a, eerste lid BW kan de rechter hiertoe overgaan indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De ouders zijn niet in staat om op een constructieve en gelijkwaardige wijze met elkaar te communiceren. De rechtbank is - anders dan de vader stelt - van oordeel dat door het wangedrag van de vader sprake is van een scheve machtsbalans op basis waarvan niet van de moeder verwacht kan worden dat zij met de vader in gesprek gaat over de kinderen. Daardoor is het voor de moeder onmogelijk om met de vader gezamenlijk gezagsbeslissingen voor de kinderen te nemen. Het gedrag van de vader maakt bovendien dat voortzetten van het gezamenlijk gezag voor veel onrust zorgt bij de moeder en dit (in)direct ook voor onrust zorgt bij de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het verleden veel meegemaakt en hebben nu baat bij emotionele veiligheid. Daaronder valt ook dat het voor de kinderen duidelijk is wie over hen de belangrijke beslissingen mag nemen. Daarnaast heeft de vader al een lange tijd geen contact en/of omgang met de kinderen, waardoor hij onvoldoende zicht heeft op hun behoeften en ontwikkeling. Hij kan onder die omstandigheden ook niet goed beoordelen wat in het belang van de kinderen is. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie van de vader in de nabije toekomst zal veranderen. De situatie dat de vader dreigementen uit en agressief en onvoorspelbaar is vanwege zijn persoonlijke problematiek duurt al geruime tijd. De vader is in de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen op het belang van het aangaan van hulpverlening voor zijn agressie/emotieregulatie problematiek. Hij heeft dit tot nu toe niet gedaan. Bovendien is het de vraag of hij kan profiteren van deze hulpverlening.
4.6.
De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag beëindigen. Gelet op het feit dat de moeder de volledige zorg voor de kinderen draagt, de voorgeschiedenis van dit gezin en de hiervoor geschetste omstandigheden en juridische kaders, is het in het belang van de kinderen dat de moeder met het gezag wordt belast. De rechtbank zal daarom de moeder voortaan alleen belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder over de minderjarigen:
- [naam minderjarige 1] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;
- [naam minderjarige 2] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ;
en bepaalt dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de genoemde minderjarigen zal zijn belast, voor zover haar bevoegdheid daartoe niet door een eerder rechterlijke beslissing is uitgesloten;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
draagt de griffier op om van deze beslissing aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Schoo, (kinder)rechter, bijgestaan door E. Massink de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5305.
Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/18/251692 / FA RK 26-229
beschikking van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026
in de zaak van
[naam]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna ook te noemen de moeder,
advocaat mr. F. Stoelinga uit Leeuwarden,
tegen
[naam]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. H.C.L. Crozier uit Sneek.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 9 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 22 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 23 januari 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 9 april 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 15 april 2026;
het bericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 22 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de advocaat van de vader;
[naam raadsvertegenwoordiger] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
1.3.
De vader is juist opgeroepen, maar niet verschenen.
1.4.
Op 22 april 2026 heeft de rechtbank een bericht van de moeder ontvangen met in de bijlage de geboorteakte van [minderjarige 2] .
2De feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, die in 2022 is beëindigd.
2.2.
Partijen zijn de ouders van:
[naam minderjarige 1] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;
[naam minderjarige 2] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.5.
[minderjarige 1] is bij beschikking van 17 april 2020 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI). [minderjarige 2] is bij beschikking van 11 april 2022 onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 april 2026.
2.6.
Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 27 maart 2025 is bepaald dat er geen vaste zorgregeling geldt tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt de rechtbank om uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt beëindigd;
te bepalen dat de moeder alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat dit ouderlijk gezag wordt aangetekend in het in artikel 1:244 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register.
3.2.
De advocaat heeft namens de vader mondeling verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De vader heeft het gevoel dat hij in de afgelopen jaren op afstand wordt gezet. Hij ervaart het verzoek van de moeder als de zoveelste poging om hem bij de kinderen weg te houden. Het ouderlijk gezag over de kinderen is het enige dat hij nog heeft en hij wil dit niet kwijt raken. Hij wijst erop dat het beëindigen van het gezag een ingrijpende maatregel is en vindt dat niet aan de wettelijke vereisten hiertoe is voldaan. Het enkele feit dat de ouders niet met elkaar communiceren
brengt niet mee dat het gezamenlijk gezag beëindigd moet worden. Ook werkt hij geen gezagsbeslissingen tegen.
3.3.
De Raad begrijpt het verzoek van de moeder, gelet op het beeld dat in de afgelopen jaren van de vader is ontstaan. De vader wordt er al jaren op gewezen dat hij hulpverlening voor zichzelf moet aangaan en pakt dit niet op. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en samen beslissingen te nemen over de kinderen. Daarnaast is het werken aan het verbeteren van het contact tussen de ouders een heel ver station. Daarbij liegen de dreigende berichten die de vader stuurt er niet om. De Raad denkt dat de kinderen er meer
aan hebben als de vader zich focust op het aangaan van hulpverlening voor zichzelf, en om omgang tussen hem en de kinderen ooit weer mogelijk te maken, dan dat hij zich bezig houdt met het behouden van zijn gezag.
4De beoordeling
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vader met zijn gedrag richting de moeder, haar netwerk, de kinderen en de hulpverlening een grens overschrijdt. De vader uit al jarenlang bedreigingen. De moeder en de kinderen hebben daardoor een lange tijd op een geheime locatie verbleven. De vader is daarnaast in 2024 een contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar. Ondanks het opgelegde contactverbod, blijkt uit de door de moeder overgelegde stukken dat de vader niet stopt(e) met het zoeken van contact met de moeder en/of haar netwerk. De berichten die de vader richting het netwerk van de moeder stuurt zijn volstrekt onacceptabel. Ook is het onvoorspelbare en agressieve gedrag dat de vader in de aanwezigheid van de kinderen heeft vertoond onaanvaardbaar. De vader moet zich er bewust van zijn dat fysiek geweld, psychisch geweld en intiem terreur allemaal vormen zijn van huiselijk geweld.
4.2.
De rechtbank wijst in dat kader op het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden, en waarin aandacht wordt besteed aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Het verdrag benadrukt dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, ook slachtoffer zijn van huiselijk geweld. De vader beschadigt met zijn gedrag zowel de moeder als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.3.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing in het belang van het kind is. Voor de rechtbank betekent dit dat er bij de beslissingen in deze zaak rekening mee zal moeten worden gehouden dat de rechten en de veiligheid van de moeder en de kinderen gewaarborgd zijn. De rechtbank verwijst daarbij naar jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin is geoordeeld dat er niet te licht omgegaan moet worden met onderlinge verhoudingen tussen de ouders als in deze kwestie. Het gedrag van de vader en de voorgeschiedenis zijn voor de rechtbank aanleiding om niet te licht om te gaan met het wangedrag van de vader en de verstoorde verstandhouding tussen de ouders.
4.4.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarigen toekomt. Gelet op artikel 1:251a, eerste lid BW kan de rechter hiertoe overgaan indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De ouders zijn niet in staat om op een constructieve en gelijkwaardige wijze met elkaar te communiceren. De rechtbank is - anders dan de vader stelt - van oordeel dat door het wangedrag van de vader sprake is van een scheve machtsbalans op basis waarvan niet van de moeder verwacht kan worden dat zij met de vader in gesprek gaat over de kinderen. Daardoor is het voor de moeder onmogelijk om met de vader gezamenlijk gezagsbeslissingen voor de kinderen te nemen. Het gedrag van de vader maakt bovendien dat voortzetten van het gezamenlijk gezag voor veel onrust zorgt bij de moeder en dit (in)direct ook voor onrust zorgt bij de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het verleden veel meegemaakt en hebben nu baat bij emotionele veiligheid. Daaronder valt ook dat het voor de kinderen duidelijk is wie over hen de belangrijke beslissingen mag nemen. Daarnaast heeft de vader al een lange tijd geen contact en/of omgang met de kinderen, waardoor hij onvoldoende zicht heeft op hun behoeften en ontwikkeling. Hij kan onder die omstandigheden ook niet goed beoordelen wat in het belang van de kinderen is. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie van de vader in de nabije toekomst zal veranderen. De situatie dat de vader dreigementen uit en agressief en onvoorspelbaar is vanwege zijn persoonlijke problematiek duurt al geruime tijd. De vader is in de afgelopen jaren herhaaldelijk gewezen op het belang van het aangaan van hulpverlening voor zijn agressie/emotieregulatie problematiek. Hij heeft dit tot nu toe niet gedaan. Bovendien is het de vraag of hij kan profiteren van deze hulpverlening.
4.6.
De rechtbank zal daarom het gezamenlijk gezag beëindigen. Gelet op het feit dat de moeder de volledige zorg voor de kinderen draagt, de voorgeschiedenis van dit gezin en de hiervoor geschetste omstandigheden en juridische kaders, is het in het belang van de kinderen dat de moeder met het gezag wordt belast. De rechtbank zal daarom de moeder voortaan alleen belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag van de vader en de moeder over de minderjarigen:
- [naam minderjarige 1] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ;
- [naam minderjarige 2] [achternaam] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] ;
en bepaalt dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de genoemde minderjarigen zal zijn belast, voor zover haar bevoegdheid daartoe niet door een eerder rechterlijke beslissing is uitgesloten;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
draagt de griffier op om van deze beslissing aantekening te maken in het gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. W. Schoo, (kinder)rechter, bijgestaan door E. Massink de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5305.