Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2552
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
18/219614-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor het medeplegen van doodslag, poging doodslag, meerdere malen gepleegd, en het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Vrijspraak medeplegen van (poging) moord omdat er geen sprake is van voorbedachte raad. Oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen, waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk deel worden bijzondere voorwaarden gekoppeld. Daarnaast oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2013:963 Hoge Raad 15-10-2013
- ECLI:NL:GHARL:2014:7466 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-10-2014
- ECLI:NL:HR:2022:958 Hoge Raad 28-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (92.944 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/219614-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/089993-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2026 en 2 juli 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving, ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) meermaals in de richting en/of op het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te schieten;
2) hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden, op een of meer momenten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer anderen, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven meermaals met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden en/of Schoonebeek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
4. een pistool, met de uiterlijke kenmerken van een Glock 26 Gen 5, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger/9 mm Parabellum, en/of
5. een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
3, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber CBC, van het kaliber 32 AUTO/7,65 mm Browning,
2, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber Norma, van het kaliber 9 mm Luger/9 mm Parabellum,
1 kogelpatroon, van het merk Sellier&Bellot, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
7, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk Norma, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
37, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk CBC, van het kaliber 7,65/.32, voorhanden heeft gehad.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer 1] , het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en verschillende soorten munitie.
Ten aanzien van feit 1 impliciet primair en feit 2 impliciet primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte en de medeverdachte hebben gehandeld met voorbedachte raad: verdachte en de medeverdachte wisten dat er in Coevorden een conflict gaande was tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Verdachte is vervolgens gewapend naar Coevorden gegaan, heeft daar de medeverdachte ontmoet en aan hem een vuurwapen doen overhandigen. Verdachte en de medeverdachte zijn vervolgens gezamenlijk naar de parkeerplaats gelopen waar het conflict zich afspeelde en zij hebben de situatie aldaar langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden. De medeverdachte heeft op enig moment een schot afgevuurd, maar dit schot had geen effect. Verdachte en de medeverdachte hebben de situatie toen wederom langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden en uiteindelijk hebben zij, nadat de medeverdachte had gezegd dat het nu of nooit was, er allebei voor gekozen om meerdere malen gericht te schieten op de groep mensen die op de parkeerplaats aanwezig waren. Uit deze gang van zaken blijkt dat verdachte en de medeverdachte zich enige tijd hebben kunnen beraden op het door hen te nemen besluit om te gaan schieten, dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven en dat zij dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Er is niet gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en van andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad is niet gebleken.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte heeft uit angst, paniek en adrenaline impulsief gehandeld in een hectische en chaotische conflictsituatie die zich steeds verder ontwikkelde. Verdachte heeft steeds duidelijk verklaard dat hij alleen geschoten heeft om de beangstigende situatie waarin zijn vriend zich bevond, te beëindigen. Het was niet zijn bedoeling dat daarbij iemand om het leven zou komen. Van een (van tevoren) beraamd plan of van een doordachte actie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven is geen sprake is geweest.
Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van doodslag heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Ten aanzien van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte op het moment van schieten niet wist wie er allemaal op de parkeerplaats aanwezig waren. Daarnaast biedt het procesdossier geen duidelijkheid over de precieze locatie waar de genoemde personen tijdens het schietincident stonden. Dit heeft tot gevolg dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht was op het van het leven beroven van specifiek deze personen. Verdachte moet daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging (partieel) worden vrijgesproken. Het medeplegen van een poging tot doodslag op een of meer anderen kan volgens de raadsvrouw wel wettig en overtuigend bewezen worden. De raadsvrouw heeft zich tot slot ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsoverweging feit 1 en feit 2
Niet ter discussie staat dat in de nacht van 19 juli 2025 in Coevorden een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte en de medeverdachte allebei vanuit een steeg meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een groep personen hebben geschoten die zich op een parkeerplaats bevonden. Deze groep bestond uit [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en -in de nabijheid van die groep- [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is daarop zwaargewond naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de kogel die [slachtoffer 1] (dodelijk) heeft geraakt zeer waarschijnlijk afkomstig is uit het vuurwapen waarmee verdachte zegt te hebben geschoten.
Opzet op de dood
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft geschoten met de bedoeling om iemand van het leven te beroven. Op de parkeerplaats vond een conflict plaats tussen een vriend van hem, [slachtoffer 2] , en drie andere personen. Toen hij van de medeverdachte vernam dat [slachtoffer 2] door twee van hen in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij vol adrenaline uit angst in de richting van de groep geschoten. Hij hoopte dat de groep hiervan zou schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het procesdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het overlijden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] -, is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit gevolg zal intreden. Nadat de medeverdachte met een vuurwapen drie keer in de richting van de groep [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en de zich in de nabijheid van die groep bevindende [slachtoffer 1] had geschoten, heeft verdachte ook met een vuurwapen twee keer bewust in de richting van die groep geschoten. Verdachte wist bovendien dat zijn vuurwapen geladen was met scherpe munitie. Onder deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een aanmerkelijke kans dat iemand uit die groep door een afgevuurde kogel dodelijk zou worden getroffen. Een vuurwapen is, naar zijn aard, gemaakt om dodelijk letsel te kunnen veroorzaken. Het gevaar van het handelen van verdachte moet voor hem, net als voor ieder ander die in een dergelijke situatie verkeert, duidelijk zijn geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht, dat het niet anders kan zijn geweest dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij iemand uit de groep dodelijk zou verwonden. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, voorts van oordeel dat het voorwaardelijk opzet van verdachte ook gericht was op de dood van (specifiek) [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] .
In zijn verhoor bij de politie op 31 juli 2025 heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 19 juli gebeld werd door [naam 1] . [naam 1] vertelde hem dat [slachtoffer 2] ruzie had met [slachtoffer 3] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ], dat [slachtoffer 2] gehouden werd en dat hij naar Coevorden moest komen om te helpen. Verdachte heeft tijdens dit verhoor voorts verklaard dat [medeverdachte] [ de rechtbank begrijpt: de medeverdachte] hoorde dat ze [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] in de kofferbak wilden doen. Of uit wouden kleden. Daar waren [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] en [slachtoffer 4] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ]. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zelf heeft gezien dat [slachtoffer 2] op de parkeerplaats aanwezig was. Hij heeft voorts verklaard dat de medeverdachte hem op enig moment vertelde dat [slachtoffer 3] er aan kwam lopen, dat [slachtoffer 1] tussen de autos stond en dat de medeverdachte hem die nacht ook steeds heeft bijgepraat over wat hij op de parkeerplaats zag en hoorde. Uit de verklaring van de medeverdachte blijkt dat hij, naast [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , ook [slachtoffer 4] op meerdere momenten op de parkeerplaats heeft gezien.1 Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte bekend moet zijn geweest met de namen van de personen die op de parkeerplaats aanwezig waren. Dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld waar de genoemde personen op
het moment van schieten precies hebben gestaan, doet aan het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet af. Verdachte heeft immers bewust in de richting van de groep geschoten.
Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte, heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven.
Geen voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Met andere woorden: dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als (poging tot) moord of als (poging tot) doodslag?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.2
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Omstreeks 01:52 uur is in het uitgaansgebied van Coevorden een conflict ontstaan tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .3 Dit conflict heeft zich gaandeweg verplaatst naar een parkeerterrein nabij de [adres] , waar zij omstreeks 02:01 uur zijn aangekomen. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] daarbij door [slachtoffer 3] werd vooruitgeduwd, toegeschreeuwd en bedreigd. Ook [slachtoffer 1] was bij het conflict op het parkeerterrein aanwezig.4 Verdachte en de medeverdachte waren niet bij het conflict betrokken. De medeverdachte heeft het conflict wel zien ontstaan en proberen te verhinderen, waarbij hij zou zijn bedreigd. Via anderen vernam de medeverdachte vervolgens dat het conflict zich steeds verder ontwikkelde en dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] iets wilden aandoen. De medeverdachte heeft daarom meerdere malen, al dan niet via tussenpersonen, geprobeerd om het conflict te de-escaleren. Dit is echter niet gelukt.5 Verdachte was op dat moment niet in Coevorden aanwezig. Hij werd die nacht gebeld door [naam 1] , die samen met de medeverdachte in de stad was. [naam 1] zou tegen hem hebben gezegd dat [slachtoffer 2] gedoe had met [slachtoffer 3] , dat verdachte naar Coevorden moest komen en dat hij een vuurwapen mee moest nemen.
Verdachte heeft vervolgens (in ieder geval) één vuurwapen en meerdere kogels opgehaald en is daarna samen met [naam 2] en [naam 3] in de auto naar Coevorden gereden. Verdachte wist dat in de auto nog een tweede vuurwapen aanwezig was en dat deze voor de medeverdachte was bedoeld.6 Omstreeks 02:25 uur hebben zij de medeverdachte en [naam 1] in de [adres] ontmoet. Er werd kort gesproken over de situatie van [slachtoffer 2] . Daarbij zou zijn gezegd dat [slachtoffer 2] werd vastgehouden en mishandeld.7 [naam 3] heeft de medeverdachte vervolgens, in opdracht van verdachte, een vuurwapen overhandigd. Verdachte en de medeverdachte zijn daarna nog enkele minuten in de [adres] blijven staan, waarna zij samen in de richting van de [adres] zijn gelopen.8 Om 02:32 uur liepen zij een steeg in die vanuit de [adres] toegang geeft tot het parkeerterrein waar het conflict plaatsvond. Het betreft een smalle, donkere steeg die aan weerszijden bebouwd is. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat om 02:33 uur vanuit de steeg één schot te horen is en dat verdachte en de medeverdachte daarna de steeg uitrennen.9 Zowel verdachte als de medeverdachte hebben verklaard dat dit schot een waarschuwingsschot in de lucht betrof, waarop door de personen op de parkeerplaats niet werd gereageerd.10 Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt voorts dat verdachte en de medeverdachte tussen 02:33 uur en 02:44 uur meerdere malen stilstaan op de hoek van de steeg en afwisselend heen en weer lopen tussen onder meer de steeg, de [adres] en het parkeerterrein van de hervormde kerk. Om 02:44 uur zijn zij weer op de hoek van de steeg gaan staan en daar zijn zij enkele minuten blijven staan.11 Toen de medeverdachte hoorde dat er vanaf de parkeerplaats geroepen werd dat [slachtoffer 2] zou worden uitgekleed en in de kofferbak van een auto zou worden gestopt heeft hij tegen verdachte gezegd dat het nu of nooit was. De medeverdachte heeft daarop meteen drie keer in de richting van het parkeerterrein geschoten. Omdat zijn vuurwapen vastliep, heeft hij enkele stappen achteruit gezet.
Verdachte heeft daarop een stap naar voren gezet, in de richting van de steeg, waarna hij twee keer in de richting van het parkeerterrein heeft geschoten. De medeverdachte heeft vervolgens hard kankerhoeren geroepen, waarna verdachte en de medeverdachte samen zijn weggerend.12
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet naar Coevorden is gegaan met de intentie om iemand van het leven te beroven. De bedoeling was om [slachtoffer 2] uit de conflictsituatie te halen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet met de medeverdachte heeft gesproken over de wijze waarop zij dit doel wilden bereiken. Er zijn geen plannen of afspraken gemaakt en er is niet gesproken over het eventuele gebruik van de meegebrachte vuurwapens, ook niet na het eerste waarschuwingsschot. Toen hij op een gegeven moment van de medeverdachte vernam dat [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij vol adrenaline en uit angst in de richting van de groep geschoten. Hij hoopte dat de groep hiervan zou schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan. Ook de medeverdachte heeft in zijn verhoren bij de politie telkens verklaard dat het nimmer de bedoeling is geweest om iemand dood te schieten. Het doel was om [slachtoffer 2] te helpen. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de vuurwapens. Hij heeft zelf geschoten omdat hij hoorde dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto wilden stoppen en hij hoopte dat dit hen zou afschrikken. Hij was op dat moment doodsbang.13
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande niet blijkt dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een (vooropgezet) plan of een intentie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven. Verdachte is die bewuste nacht weliswaar naar Coevorden gegaan met (in ieder geval) één vuurwapen en meerdere kogels op zak, maar hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet méér worden afgeleid dan dat verdachte (mogelijk) rekening hield met een gewelddadige escalatie van het conflict. In ieder geval blijkt hieruit niet zonder meer dat verdachte het vuurwapen heeft meegenomen omdat hij het plan had om iemand van het leven te beroven. Ook de omstandigheid dat er voor verdachte, gezien het tijdsverloop tussen het ophalen van een vuurwapen, het gezamenlijk (bewapend) naar de steeg lopen, het eerste waarschuwingsschot en het latere schieten, voldoende tijd en gelegenheid is geweest om zich te beraden op zijn handelen, acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van voorbedachte raad. Dat verdachte tijd en gelegenheid tot nadenken heeft gehad, betekent immers niet dat verdachte zich ook daadwerkelijk beraden heeft op een plan om iemand van het leven te beroven. Verdachte heeft dit steeds
stellig ontkend en uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte blijkt dat er gedurende die tijd tussen hen maar weinig overleg heeft plaatsgevonden.
In de gedragingen van verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan het moment waarop zij beiden hebben geschoten, ziet de rechtbank voorts een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Uit het afwisselend heen en weer lopen en het op de hoek van de steeg stil blijven staan om de situatie te observeren, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en de medeverdachte zich met de situatie niet goed raad wisten. Dit beeld wordt verder versterkt doordat verdachte en de medeverdachte hebben verklaard dat zij pas in de richting van de groep hebben geschoten toen hen duidelijk werd dat, in hun beleving, het conflict ernstig dreigde te escaleren. Zij voelden zich op dat moment bang en in paniek en zij maakten zich grote zorgen over het lot van [slachtoffer 2] . Verdachte en de medeverdachte stonden op dat moment bovendien op een afstand van 45 meter tot de parkeerplaats. Zij hebben -door een donkere steeg- in de richting van de groep personen geschoten, maar niet gebleken is dat verdachte en de medeverdachte daarbij ook bewust gericht geschoten hebben op een of meer van die personen uit die groep. Ook in dit gegeven ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte past bij een situatie waarin hij het besluit om te schieten (impulsief) heeft genomen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Van een doordachte actie of een (vooropgezet) plan is de rechtbank niet gebleken. In dat geval zou het veel meer voor de hand hebben gelegen dat verdachte en de medeverdachte met hun (doorgeladen) vuurwapens naar de parkeerplaats zelf zouden zijn gelopen en dat zij vervolgens van geringe afstand gericht zouden hebben geschoten. Dit is wat verdachte en de medeverdachte juist niet hebben gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Conclusie
Nu niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zal hij
worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zoals onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 impliciet subsidiair aan hem is ten laste gelegd. Er is sprake van eendaadse samenloop.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de onder 1 en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 173 e.v. van deel 5 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025, inhoudende de verklaring van
[verdachte] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] ;
4. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI (Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden), zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 001),
d.d. 29 juli 2025, opgemaakt door drs. D.J. Rijken (arts en deskundige forensische pathologie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 301 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier;
5. een deskundigenrapport afkomstig van Eurofins/TMFI (Forensisch DNA-onderzoek), zaaknummer TMFI2025.3780-1, d.d. 28 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Hidding (forensisch DNA-deskundige), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 328
e.v. van deel 11 van voornoemd dossier;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI (Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Emlichheim (D) op 10 oktober 20215), zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 007), d.d. 3 december 2025, opgemaakt door W. Kerkhoff (NFI-deskundige wapens en munitie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 341 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier.
Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De door verdachte ter zitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] )
d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van deel 11 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Onderzoek wapens en munitie d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 218 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Partiële vrijspraak
Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij drie hulzen van het merk CBC (derde gedachtestreepje) en twee hulzen van het merk Norma (vierde gedachtestreepje) voorhanden heeft gehad. Deze hulzen zijn na het schietincident aangetroffen op de plaats delict en zijn afkomstig van de door verdachte en de medeverdachte afgeschoten patronen. Artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) schakelt onderdelen van munitie (waaronder hulzen) gelijk aan munitie, voor zover die onderdelen geschikt zijn om munitie van te maken. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 3 WWM blijkt dat lege hulzen van afgeschoten patronen niet zonder meer geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken en daarom in beginsel niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen.14 Nu er geen nader onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van hergebruik van de genoemde hulzen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze voldoen aan het wettelijk vereiste dat zij geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermaals in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten;
2) hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, meermaals met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op 19 juli 2025 te Schoonebeek, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
4. een pistool, met de uiterlijke kenmerken van een Glock 26 Gen 5, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger/9 mm Parabellum, en
5. een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
1 kogelpatroon, van het merk Sellier&Bellot, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
7 kogelpatronen, van het merk Norma, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
37 kogelpatronen, van het merk CBC, kaliber 7,65/.32 voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en feit 2 eendaadse samenloop van
feit 1impliciet subsidiair: medeplegen van doodslag
en
feit 2 impliciet subsidiair: medeplegen van een poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, met betrekking tot munitie van categorie III meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair en 3 ten laste gelegde feiten, met toepassing van het jeugdstrafrecht, wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest
heeft doorgebracht;
- een voorwaardelijke maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel)
onder de voorwaarden zoals geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de Jeugdreclassering. De officier vanjustitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat deze strafeis tegemoetkomt aan de ernst van de feiten. Daarnaast is oplegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornissen en de verwachte duur van het behandeltraject, is er geen ander passend alternatief dat waarborgt dat verdachte de noodzakelijke behandelingen daadwerkelijk krijgt én afrondt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat een straf die uitsluitend gericht is op vergelding onvoldoende recht doet aan de onderliggende problematiek van verdachte, zoals vastgesteld in het Pro Justitia rapport. Uit dit rapport volgt dat de feiten aan verdachte, vanwege deze problematiek, in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend. Verdachte is voorts gemotiveerd om aan zijn problematiek te werken en staat open
voor behandeling en begeleiding. Het op korte termijn starten van deze behandeling is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Hij is bovendien nog niet eerder veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 24 maanden. Het voorwaardelijke deel dient in te gaan op 31 augustus 2026, de dag dat verdachte terecht kan bij de verblijfslocatie en kan starten met dagbesteding. Aan het voorwaardelijk strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden gekoppeld worden zoals geadviseerd door de Raad en de jeugdreclassering. Daarnaast kan de (voorwaardelijke) jeugddetentie gecombineerd worden met een taakstraf en/of een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM).
Indien de rechtbank van oordeel is dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geboden is, heeft de raadsvrouw het voorwaardelijke verzoek gedaan om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en de NIFP-rapporteurs ter zitting te horen over de (on)mogelijkheden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat geen van de deskundigen heeft geadviseerd om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rapporteurs van het NIFP hebben in een zeer uitgebreid advies juist aangegeven een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend te achten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad), alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . In de nacht van 19 juli 2025 hebben verdachte en de medeverdachte allebei, vanuit een steeg, meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een groep personen op een parkeerplaats geschoten. Deze groep bestond uit [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en in de nabijheid van die groep - [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden.
Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht ontnomen: het recht op leven. Aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] is een onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het plotselinge verlies van hun geliefde zoon, broer, oom, neef en vriend voor altijd bij zich moeten dragen. De impact van de dood van [slachtoffer 1] op de levens van zijn nabestaanden is enorm. Uit het door de moeder en zus van [slachtoffer 1] uitgeoefende spreekrecht blijkt hoe groot het verdriet en het gemis van [slachtoffer 1] nog dagelijks is. [slachtoffer 1] was een jongen van 21 jaar oud die volop van het leven en zijn familie genoot en die vol plannen en toekomstdromen zat. Dat aan zijn jonge leven en zijn dromen op gewelddadige wijze een einde is gemaakt, is voor hen onverteerbaar.
Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet door een kogel (dodelijk) zijn geraakt. Zij hebben de schoten wel gehoord en hebben daarna gezien hoe [slachtoffer 1] op de grond viel en hevig bloedde. Ook enkele omwonenden die na het horen van de schoten zijn gaan kijken wat er aan de hand was, hebben het zwaargewonde lichaam van [slachtoffer 1] zien liggen. Voor ieder van hen moet dit een schokkende en beangstigende ervaring zijn geweest. Feiten als de onderhavige dragen voorts ook sterk bij aan gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving als geheel.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en verschillende soorten munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt in zijn algemeenheid reeds een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Dat dit risico zich in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 15 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het strafblad van verdachte werkt in zoverre niet strafverhogend.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages die in het kader van de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zijn opgemaakt:
het triple geïntegreerd onderzoek Pro Justitia d.d. 19 januari 2026, opgemaakt door K.F.J. Vonhögen, Kinder- en jeugdpsychiater, M. Dubbelaar, GZ-psycholoog en [naam 4] , forensisch milieuonderzoeker;
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 mei 2026, opgemaakt door [naam 5] , raadsonderzoeker;
het rapport van Jeugdbescherming Noord (GBM haalbaarheidsonderzoek), d.d. 22 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] , jeugdreclasseerders;
het rapport van Reclassering Nederland (deeladvies EM), d.d. 27 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 3] , reclasseringswerker.
Het advies van de psychiater, psycholoog en forensisch milieuonderzoeker
Uit het Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een normoverschrijdende-gedragsstoornis en een andere gespecificeerde psychotrauma-of stressorgerelateerde stoornis, veroorzaakt door een onveilige hechting. De stoornissen waren reeds aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op indirecte wijze beïnvloed. Verdachte heeft van jongs af aan gevoeld dat in zijn leefwereld sprake was van onveiligheid. Dit heeft in eerste instantie geleid tot een angstige constitutie en later juist tot een sterke behoefte aan controle en een sterke overtuiging dat hij zichzelf en anderen moet beschermen. Verdachte is daarnaast overalert op het detecteren van dreiging en geweld in zijn omgeving. Hij voelt zich daardoor veiliger in de omgang met antisociale jongeren omdat dit status en aanzien oplevert. Tegelijkertijd is hij vanwege een gebrekkig inschattingsvermogen kwetsbaar in situaties die hij als dreigend ervaart. Verdachte raakt verstrikt in zijn eigen denkpatroon dat hij niet aan de dreiging en/of het geweld kan ontsnappen en in zijn beleving kan hij niet anders dan daarin meegaan. Door de druk die hij op dat moment ervaart, staat ook zijn affectregulatie onder druk. Verdachte is vanuit zijn functiebeperkingen voorts onverschillig en zelfbepalend ten aanzien van maatschappelijke normen en waarden. Door zijn hang naar de antisociale, criminele wereld heeft hij aansluiting gezocht bij een verkeerde vriendengroep en is hij crimineel gedrag meer en meer als normaal gaan beschouwen (normvervaging). Deze keuze lijkt mede ingegeven door de ervaren status en erkenning en het verkrijgen van controle en autonomie. Het advies van de deskundigen is om verdachte de ten laste gelegde feiten licht verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als matig
tot hoog ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen en verdachte de kans te geven zich te ontwikkelen tot een volwassene die zich staande weet te houden in de maatschappij, adviseren zij een forensische behandeling gericht op het corrigeren en bijsturen van de disfunctionele en antisociale richting waarin de persoonlijkheid van verdachte zich ontwikkelt. Essentiële behandeldoelen daarbij zijn het versterken van de probleemoplossende vaardigheden van verdachte, het versterken van zijn emotieherkenning en emotieregulatie en het verminderen van zijn beïnvloedbaarheid. Aan deze doelen kan worden gewerkt middels cognitieve gedragstherapie in combinatie met psychomotore therapie. Daarnaast is een systematische gezinsinterventie geïndiceerd, gericht op het verwerken van de belaste jeugd- en verlieservaringen en (indien mogelijk) relatieherstel. De deskundigen adviseren om bovenstaande interventies op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Gelet op de aard en ernst van de problematiek van verdachte en het huidige risicoprofiel, wordt een PIJ-maatregel door de deskundigen niet passend geacht. De behandeling van de problematiek van verdachte kan volgens de deskundigen binnen een ambulant kader voldoende worden vormgegeven en de verwachting is dat het recidiverisico daarmee verlaagd wordt. Een GBM wordt door de deskundigen niet noodzakelijk geacht.
Verdachte vertoont geen diepgewortelde antisociale attitudes of een langdurig patroon van ernstig normoverschrijdend gedrag waarvoor een langdurig en zwaar kader noodzakelijk is.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Uit het rapport van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door mevrouw [naam 6] , raadsonderzoeker, ter terechtzitting is gegeven, volgt dat de Raad de inhoud van het Pro Justitia-rapport grotendeels onderschrijft. Er zijn grote zorgen over het functioneren van verdachte. Verdachte is een kwetsbare jongen die de gevolgen van een onverwerkt verleden met zich meedraagt. De onderliggende problematiek is tot nu toe onvoldoende behandeld. Om het recidiverisico te verlagen en om verdachte in staat te stellen een stabiele toekomst op te bouwen, is het van cruciaal belang dat er direct na de detentieperiode een beschermde woonplek met duidelijke regels, kaders en structuur voor verdachte beschikbaar is én dat er direct met de door het NIFP geadviseerde (forensische) behandeling wordt gestart. Gelet op de problematiek van verdachte, het recidiverisico en het verloop van een eerder opgelegd reclasseringstoezicht, is een stevig kader met een forse stok achter de deur noodzakelijk om te kunnen (blijven) werken aan gedragsverandering. De Raad adviseert daarom, anders dan het NIFP, om het geïndiceerde behandeltraject op te leggen in het kader van een GBM. Deze maatregel richt zich op gedragsverandering en heeft een dwingender karakter dan het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. In dat verband heeft de Raad er op gewezen dat een GBM de mogelijkheid biedt om consequenties te verbinden aan negatief gedrag, zoals een time-out, zonder dat dit tot gevolg heeft dat het behandeltraject direct wordt stopgezet. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel acht de Raad niet geïndiceerd. Verdachte is gemotiveerd voor een behandeling en hij stelt zich ook behandelbaar en begeleidbaar op. De Raad adviseert om de GBM op te leggen voor de duur van een jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met een jaar. Daarnaast adviseert de Raad om de maatregel en het bijbehorende programma dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gelet op de beperkte duur van de GBM adviseert de Raad voorts om het programma waaruit de GBM zal bestaan óók op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het behandeltraject langere tijd doorgang vindt. Om de ernst van het feit te benadrukken acht de Raad het tot slot aangewezen dat aan verdachte ook een onvoorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd.
Het advies van de jeugdreclassering
Mevrouw [reclasseringsmedewerker 2] en de heer [reclasseringsmedewerker 1] , beiden werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord, hebben ter terechtzitting benoemd dat de jeugdreclassering vraagtekens zet bij de haalbaarheid van een regulier kader waarin bijzondere voorwaarden worden gekoppeld aan een (deels) voorwaardelijke veroordeling, zoals door de deskundigen van het NIFP is geadviseerd. Zij hebben er op gewezen dat verdachte in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten reeds onder toezicht van de jeugdreclassering stond. Hoewel het contact met verdachte als positief werd ervaren, blijkt (achteraf) dat hij niet heeft verteld over de
(grote) problemen die op dat moment bij hem speelden. Ook is hij niet alle voorwaarden meteen goed nagekomen. De verwachting is daarom dat ook dit keer niet alle voorwaarden meteen in één keer goed zullen worden nageleefd en dat het door het NIFP geadviseerde behandeltraject met vallen en opstaan gepaard zal gaan. Indien als gevolg daarvan de behandeling zou worden stopgezet, is dat niet in het belang van verdachte. De jeugdreclassering sluit zich daarom aan bij het advies van de Raad om aan de doelstellingen van het NIFP te werken binnen het kader van een GBM én om het programma waaruit de GBM zal bestaan óók op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie. Dit kader biedt verdachte de ruimte om vertrouwen op te bouwen, verantwoordelijkheid te nemen en om tot duurzame gedragsverandering en ontwikkeling te komen. Er is reeds een passende woonplek voor verdachte gevonden. Verdachte kan per 31 augustus 2026 op deze locatie worden geplaatst. Er dient nog wel een intakegesprek plaats te vinden. Ook is er contact met een dagbestedingslocatie. Verdachte kan, na plaatsing, direct starten. De jeugdreclassering acht het van belang dat middels elektronische monitoring wordt gecontroleerd of verdachte de gestelde voorwaarden naleeft én dat de jeugdreclassering de mogelijkheid heeft om elektronische monitoring meerdere malen in te zetten als dit ondersteunend is aan het inperken van (eventuele) risicos. De mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is door de jeugdreclassering niet nader onderzocht.
De conclusies van de rechtbank
De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. De rechtbank waardeert het dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en dat hij verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Het is duidelijk dat verdachte de dood van [slachtoffer 1] nooit heeft gewild. Tegelijkertijd is het wel de harde werkelijkheid dat [slachtoffer 1] als gevolg van zijn handelen is overleden. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard over de achtergrond van zijn handelen. Hoewel deze (vermeende) achtergrond het handelen van verdachte op geen enkele wijze rechtvaardigt, heeft dit de keuze van verdachte om een vuurwapen mee te nemen én dit vuurwapen op enig moment ook te gebruiken wel beïnvloed. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden bij het bepalen van de (hoogte van) de straf.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt het advies van de deskundigen in het Pro Justitia rapport over en zal de bewezenverklaarde feiten in (licht) verminderde mate aan verdachte toerekenen. De rechtbank zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden bij de strafoplegging.
De straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en het leed dat aan de nabestaanden is toegebracht, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur zonder meer gerechtvaardigd. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten echter gepleegd toen hij zestien jaar oud was. Dit heeft tot gevolg dat in onderhavige zaak het jeugdstrafrecht van toepassing is. Op grond van artikel 77i van het Wetboek Strafrecht kan de rechtbank een minderjarige een vrijheidsstraf opleggen van maximaal twee jaren. De achtergrond hiervan is dat het jeugdstrafrecht een sterk pedagogisch karakter heeft. Bij de strafoplegging dient de ontwikkeling van de minderjarige en het belang van het voorkomen van nieuwe (soortgelijke) misdrijven in de toekomst voorop te staan. Tegen deze achtergrond bezien en gelet op hetgeen door de deskundigen naar voren is gebracht over de bij verdachte geconstateerde problematiek, is de rechtbank van oordeel dat het zwaartepunt van de straf op hulp en behandeling dient te liggen. Hierbij speelt ook een belangrijke rol dat verdachte bereid en gemotiveerd is om die hulp te aanvaarden en de behandeling te ondergaan. De rechtbank beseft dat in een zaak zoals deze de sterke focus op de toekomst van verdachte gevoelsmatig op gespannen voet kan staan met het leed dat de nabestaanden is toegebracht.
Alles afwegende, acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Daarnaast zullen aan dit voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden die door de Raad en de jeugdreclassering zijn geadviseerd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om verdachte te (blijven) motiveren zich in te zetten voor de hulp, behandeling en begeleiding die hem in het kader van de bijzondere voorwaarden geboden wordt en om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging doodslag (meerdere malen gepleegd). Gelet op het feit dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk en het risico op recidive momenteel als matig tot hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de jeugdreclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.
De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM)
De rechtbank is voorts van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, aanleiding geven tot het opleggen van een GBM in de zin van artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht. Uit het gemotiveerde advies van de Raad en de Jeugdreclassering blijkt dat deze maatregel ook in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Er bestaan grote zorgen over zijn functioneren. Zonder intensieve en langdurige behandeling is het risico dat verdachte opnieuw een (gewelddadig) strafbaar feit pleegt matig tot hoog.
Door de Raad en de Jeugdreclassering is daarom benadrukt dat het van groot belang is dat de behandeling daadwerkelijk plaatsvindt. De GBM geeft hiertoe bij uitstek een geschikt kader. Dit geldt temeer nu een eerder opgelegd regulier kader met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht onvoldoende bleek om verdachte ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen en om hem (blijvend) te motiveren tot gedragsverandering. Verdachte heeft ter terechtzitting bovendien aangegeven dat hij gemotiveerd is voor een GBM en dat hij daaraan wil meewerken. Dit is een goede uitgangspositie voor een succesvol behandeltraject. Ter invulling van de GBM zal de rechtbank de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de Jeugdreclassering overnemen en opleggen, welke voorwaarden eveneens als bijzondere voorwaarden zijn verbonden aan het voorwaardelijke strafdeel van verdachte.
Een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals door de officier van justitie is gevorderd, acht de rechtbank niet passend. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat alle deskundigen hebben geconcludeerd dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel, gelet op de aard en ernst van de problematiek van verdachte en zijn motivatie voor een behandeling, niet geïndiceerd is. Ook is aan verdachte nog niet eerder een maatregel opgelegd.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel
Gelet op de problematiek van verdachte en het matig tot hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan of zich belastend zal gedragen. De rechtbank zal daarom bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is en dus direct na de uitspraak ingaat. Het is ook in het belang van verdachte dat het programma op een zo kort mogelijke termijn van start gaat.
De op te leggen straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank - anders dan de officier van justitie- tot een vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde feit komt. Voorts houdt de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening met de door verdachte geschetste achtergrond van zijn handelen.
In beslag genomen goederen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen vuurwapens en munitie te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen vuurwapens, te weten een pistool met de uiterlijke kenmerken van een Glock model 26 Gen 5 (goednummer 1877433) en een pistool van het merk Blow/P29 (goednummer 1877437), de inbeslaggenomen munitie met goednummers 1877439, 1877435 en 1877436 en de
inbeslaggenomen hulzen met goednummers 1849455, 1849456, 1849457, 1849462 en 1849458 onttrekken aan het verkeer. De bewezenverklaarde feiten zijn met betrekking tot deze vuurwapens en munitie begaan. Daarnaast is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet en het algemeen belang.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich, door tussenkomst van mr. R. Spoelstra, advocaat te Groningen, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1.
[naam 7] , de vader van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 8] , de moeder van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 4.982,04 ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 9] , de zus van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 550,- ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 10] , de neef van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, met dien verstande dat verdachte telkens wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het gevorderde schadebedrag. De overige helft dient voor rekening te komen van de medeverdachte. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het toe te
wijzen schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de door [naam 7] en [naam 8] gevorderde affectieschade en de door [naam 8] gevorderde kosten voor de grafsteen, het rouwboeket en de grafbedekking, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de door [naam 8] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument, de grafdecoraties (beeldje aartsengel en gouden roos) en de door [naam 9] gevorderde kosten voor de bodycasting, heeft de raadsvrouw betwist dat deze onder de reikwijdte van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk wetboek (hierna: BW) vallen, en deze schadeposten daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Ten aanzien van de door [naam 9] en [naam 10] gevorderde shockschade, heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat het door de benadeelde partijen gestelde geestelijk letsel is veroorzaakt door een directe confrontatie met (de ernstige verwondingen van) het slachtoffer in het ziekenhuis. Dit is voor toekenning van shockschade wel vereist. Ten aanzien van de vordering van [naam 10] heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, de neef van het slachtoffer, tot de kring der gerechtigden voor een vergoeding van shockschade behoort. Dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer een voldoende nauwe en affectieve relatie heeft bestaan, is onvoldoende onderbouwd.
De raadsvrouw heeft tot slot verzocht de schadevergoeding niet hoofdelijk toe te wijzen, maar tussen verdachte en de medeverdachte te verdelen.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte. Dit betekent dat verdachte op grond van artikel 6:108 BW aansprakelijk is voor de schade die het directe gevolg is van dit overlijden.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, BW heeft een beperkte kring van nabestaanden recht op de vergoeding van affectieschade. De rechtbank stelt vast dat de benadeelden [naam 7] en [naam 8] , de ouders van [slachtoffer 1] , onder die kring van gerechtigden vallen. Nu de vorderingen in overeenstemming zijn met het Besluit vergoeding affectieschade en de verdediging zowel het bestaan als de hoogte van de vorderingen niet heeft betwist, zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen.
Uitvaartkosten
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 8] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van [slachtoffer 1] . Het betreft kosten voor de grafsteen, het rouwboeket en de grafbedekking. Verdachte is op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW verplicht tot vergoeding van deze kosten. Nu de hoogte daarvan niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de gevorderde
bedragen toewijzen. Ten aanzien van de door [naam 8] gevorderde kosten voor Decoratie (beeldje aartsengel) en Decoratie (gouden roos) en de door [naam 9] gevorderde kosten voor Gedenktekens thuis, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht het begrijpelijk en invoelbaar dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor grafdecoraties en herdenkingsbeelden ter gedachtenis aan hun overleden zoon en broer. De rechtbank is evenwel van oordeel deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. Deze kosten kunnen daarom niet worden aangemerkt als uitvaartkosten in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW. Hetzelfde geldt voor de door [naam 8] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen op deze punten dan ook afwijzen.
Shockschade
De benadeelde partijen [naam 9] en [naam 10] hebben shockschade gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het bewezen verklaarde handelen van verdachte of door een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Uit deze emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer is gedood of (ernstig) verwond. Het bestaan van dit geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, dient naar objectieve maatstaven te kunnen worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar is daartoe niet beperkt.
Voldoende is dat de hevige emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.15
Uit de namens de benadeelde partijen overlegde stukken blijkt dat zij in de nacht van 19 juli 2025 zijn geïnformeerd over het schietincident waarbij hun broer en neef ernstig gewond is geraakt. Zij zijn direct daarop naar het ziekenhuis gegaan. Daar zijn zij geconfronteerd met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] , die op dat moment in een comateuze toestand verkeerde. [naam 9] , de zus van [slachtoffer 1] , is daarnaast aanwezig geweest bij het moment dat de artsen de behandeling van [slachtoffer 1] hebben gestaakt, waarna hij is overleden.
De rechtbank stelt voorop dat het (plotselinge) overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van een gewelddadig strafbaar feit voor zijn familie onmiskenbaar een uiterst ingrijpende gebeurtenis is. De hevige emoties en het intense verdriet die daarvan het gevolg zijn, zijn zonder meer invoelbaar. Ook de confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] moet voor hen een zeer aangrijpende ervaring zijn geweest. De rechtbank kan op grond van de overlegde medische stukken echter niet vaststellen dat bij de benadeelde partijen sprake is van geestelijk letsel als gevolg van deze confrontatie. Uit de stukken is af te leiden dat benadeelde [slachtoffer 1] veel verdriet heeft van het overlijden van haar jongere broer en dat zij dit verlies moeilijk kan verwerken. Sinds zijn overlijden slaapt ze slecht. Ze heeft nachtmerries en herbelevingen. Ze verwijt zichzelf dat ze het incident niet heeft kunnen voorkomen.
Daarnaast speelt ze de uitvaart nog vaak af in haar gedachten. Ook benadeelde [naam 10] heeft erg geworsteld met het verlies van zijn neef. Voor het verwerken van dit verlies is EMDR als behandelmethodiek ingezet. De behandeling richtte zich daarbij op een specifiek beeld van de uitvaart van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze informatie onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen het geestelijk letsel dat het gevolg is van het verdriet over het overlijden van [slachtoffer 1] (als gevolg van een strafbaar feit) en het letsel dat (mogelijk) het gevolg is van de directe confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] in het ziekenhuis. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat het geestelijk letsel van de benadeelden het directe gevolg is van deze confrontatie, hetgeen wel vereist is om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding van shockschade.
Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partijen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op en hier zal dan ook geen gelegenheid voor worden
gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Niet hoofdelijk
Verdachte heeft het strafbare feit waaruit de schade is ontstaan samen met een ander gepleegd. Zij zijn daarom naar civielrechtelijke maatstaven in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. De rechtbank ziet echter aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 7] en [naam 8] niet hoofdelijk toe te wijzen. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn beïnvloedbaarheid (met name door negatieve sociale contacten) en zijn beperkte financiële draagkracht, acht de rechtbank het onwenselijk dat verdachte verantwoordelijk is voor het betalen van het gehele schadebedrag en dat hij contact moet hebben met de medeverdachte om de onderlinge betalingen af te stemmen. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de benadeelde partijen evenredig over verdachte en de medeverdachte verdelen.
Conclusie
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot het betalen van 8.750,- aan [naam 7] . Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade). De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen tot het betalen van 10.980,91 aan [naam 8] . Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade (grafsteen, rouwboeket en grafbedekking) en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade). De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling 18/089993-24
Bij onherroepelijk vonnis van 8 augustus 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 augustus 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 7 mei 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de aan de voorwaardelijk straf gekoppelde proeftijd te verlengen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het op dit moment niet duidelijk is of verdachte de werkstraf kan uitvoeren op de locatie waar hij, na afloop van de strafzaak, in het kader van de (eventueel) op te leggen (bijzondere) voorwaarden zal
verblijven of dagbesteding zal hebben. De raadsvrouw heeft benadrukt dat dit, gelet op de beïnvloedbaarheid van verdachte, wel wenselijk is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen. Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank in het ontbreken van zekerheid over de vraag of verdachte de werkstraf kan uitvoeren op of in de directe nabijheid van de locatie waar hij in het kader van de (eventueel) op te leggen (bijzondere) voorwaarden zal verblijven of dagbesteding zal hebben, geen aanleiding om de vordering af te wijzen of de opgelegde proeftijd te verlengen. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de Jeugdreclassering ter terechtzitting heeft benoemd dat bij het zoeken naar een voor verdachte geschikte plek rekening kan worden gehouden met hetgeen hierover door de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 55, 57, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wb, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair is ten laste gelegd spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
- een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 315 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Veroordeelde meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan afspraken en aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dit kader geeft;
2. Veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde (forensische) behandeling, door een door de jeugdreclassering aan te wijzen zorginstelling. De behandeling is (in ieder geval) gericht op systeemgerichte gezinsinterventie, individuele schematherapie, cognitieve gedragstherapie en psychomotorische therapie en duurt zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
3. Veroordeelde verblijft bij [adres] te [plaats] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de
jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;
4. Veroordeelde zich gedurende de met de jeugdreclassering afgesproken tijdsblokken bevindt op het adres [adres] ( [adres] ). Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan de elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatiegebod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
5. Veroordeelde zich niet bevindt binnen een straal van tien kilometer rondom [plaats] , [plaats] en [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het gebied is weergegeven op een kaart die als bijlage bij dit vonnis is gevoegd. Na voorafgaande toestemming van de jeugdreclassering kan op het locatieverbod een uitzondering worden gemaakt voor familiebezoek. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatieverbod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatieverbod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
6. Veroordeelde (volgens rooster) onderwijs volgt, werkt en/of een andere dagbesteding heeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van de naleving van deze verplichting kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
7. Veroordeelde geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod door middel van speeksel- en urinecontroles. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en op welke wijze veroordeelde wordt gecontroleerd;
8. Veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, ook het online sociale netwerk, op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt;
9. Veroordeelde inzicht geeft in zijn financiën op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt. Veroordeelde werkt mee aan hulpverlening gericht op zijn financiën (zoals budgetbeheer) indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
10. Veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opneemt, zoekt
of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , ook niet wanneer voornoemde personen daartoe zelf initiatief nemen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen te Assen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
- De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar
Deze maatregel bestaat eruit dat:
1. Veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde (forensische) behandeling. De behandeling is (in ieder geval) gericht op systeemgerichte gezinsinterventie, individuele schematherapie, cognitieve gedragstherapie en psychomotorische therapie;
2. Veroordeelde verblijft bij [adres] te [plaats] of een soortgelijke instelling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;
3. Veroordeelde zich gedurende de met de jeugdreclassering afgesproken tijdsblokken bevindt op het adres [adres] ( [adres] ). Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan de elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatiegebod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
4. Veroordeelde zich niet bevindt binnen een straal van tien kilometer rondom [plaats] , [plaats] en [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het gebied is weergegeven op een kaart die als bijlage bij dit vonnis is gevoegd. Na voorafgaande toestemming van de jeugdreclassering kan op het locatieverbod een uitzondering worden gemaakt voor familiebezoek. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatieverbod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
5. Veroordeelde (volgens rooster) onderwijs volgt, werkt en/of een andere dagbesteding heeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van de naleving van deze verplichting kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
6. Veroordeelde geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod door middel van speeksel- en urinecontroles;
7. Veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, ook het online sociale netwerk, op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt;
8. Veroordeelde inzicht geeft in zijn financiën op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt. Veroordeelde werkt mee aan hulpverlening gericht op zijn financiën (zoals budgetbeheer) indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
9. Veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opneemt, zoekt
of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , ook niet wanneer voornoemde personen daartoe zelf initiatief nemen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen te Assen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 maanden als de veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is;
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
een vuurwapen met goednummer 1877433;
een vuurwapen met goednummer 1877437;
munitie met goednummer 1877439;
munitie met goednummer 1877435;
munitie met goednummer 1877436;
een huls met goednummer 1849455;
een huls met goednummer 1849456;
een huls met goednummer 1849457;
een huls met goednummer 1849462;
een huls met goednummer 1849458.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair
[naam 7]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 7] te betalen:
het bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro). Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 7] aan de Staat te betalen een bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
[naam 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 8] te betalen:
het bedrag van 10.980,91 (zegge: tienduizendnegenhonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent). Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade);
de wettelijke rente, te weten:
over het bedrag 8.750,- (affectieschade) vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
over het bedrag 1.985,- (materiële schade; grafsteen) vanaf 30 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;
over het bedrag 209,50 (materiële schade; rouwboeket) vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag van algehele vergoeding;
over het bedrag 36,41 (materiële schade; grafbedekking) vanaf 24 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering af van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade Decoratie (beeldje aartsengel), Decoratie (gouden roos) en verzekering grafmonument.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.980,91 (zegge: tienduizendnegenhonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald. Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade);
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
[naam 9]
Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade (shockschade) niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
[naam 10]
Verklaart de vordering van [naam 10] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij zijn eigen proceskosten draagt.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18089993-24:
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 augustus 2024 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevindein zich - tenzij anders aangegeven in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
2 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.
3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 74 e.v. van deel 1 van het procesdossier.
4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 179 e.v. van deel 1 van het procesdossier, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 192 e.v. van deel 1 van het procesdossier, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 197 e.v. van deel 1 van het procesdossier en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 208 e.v. van deel 2 van het procesdossier.
5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op
pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2026, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
6 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met
het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 december 2025, opgenomen op pagina 5
e.v. (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal bij het procesdossier.
7 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026.
8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 236 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier, het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] , d.d. 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van deel 7 van het procesdossier.
9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, d.d. 24 juli 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van deel 1 van het procesdossier.
10 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met
het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdosier.
11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.
12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met de door verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring, het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025.
13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op
pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
14 Kamerstukken II, 1976-1977, 14413 nr 3, p. 26. Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-
Leeuwarden van 2 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2014:7466.
15 HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18/219614-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/089993-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2026 en 2 juli 2026 (sluiting onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Breukink, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving, ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een of meer vuurwapen(s) meermaals in de richting en/of op het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te schieten;
2) hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden, op een of meer momenten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer anderen, te weten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven meermaals met een of meer vuurwapen(s) in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Coevorden en/of Schoonebeek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
4. een pistool, met de uiterlijke kenmerken van een Glock 26 Gen 5, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger/9 mm Parabellum, en/of
5. een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
3, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber CBC, van het kaliber 32 AUTO/7,65 mm Browning,
2, althans een hoeveelheid, hulzen, van het merk en het kaliber Norma, van het kaliber 9 mm Luger/9 mm Parabellum,
1 kogelpatroon, van het merk Sellier&Bellot, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
7, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk Norma, van het kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
37, althans een hoeveelheid, kogelpatronen, van het merk CBC, van het kaliber 7,65/.32, voorhanden heeft gehad.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord op [slachtoffer 1] , het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en het onder 3 ten laste gelegde medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens en verschillende soorten munitie.
Ten aanzien van feit 1 impliciet primair en feit 2 impliciet primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte en de medeverdachte hebben gehandeld met voorbedachte raad: verdachte en de medeverdachte wisten dat er in Coevorden een conflict gaande was tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Verdachte is vervolgens gewapend naar Coevorden gegaan, heeft daar de medeverdachte ontmoet en aan hem een vuurwapen doen overhandigen. Verdachte en de medeverdachte zijn vervolgens gezamenlijk naar de parkeerplaats gelopen waar het conflict zich afspeelde en zij hebben de situatie aldaar langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden. De medeverdachte heeft op enig moment een schot afgevuurd, maar dit schot had geen effect. Verdachte en de medeverdachte hebben de situatie toen wederom langere tijd nauwlettend in de gaten gehouden en uiteindelijk hebben zij, nadat de medeverdachte had gezegd dat het nu of nooit was, er allebei voor gekozen om meerdere malen gericht te schieten op de groep mensen die op de parkeerplaats aanwezig waren. Uit deze gang van zaken blijkt dat verdachte en de medeverdachte zich enige tijd hebben kunnen beraden op het door hen te nemen besluit om te gaan schieten, dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven en dat zij dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Er is niet gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en van andere contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad is niet gebleken.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte heeft uit angst, paniek en adrenaline impulsief gehandeld in een hectische en chaotische conflictsituatie die zich steeds verder ontwikkelde. Verdachte heeft steeds duidelijk verklaard dat hij alleen geschoten heeft om de beangstigende situatie waarin zijn vriend zich bevond, te beëindigen. Het was niet zijn bedoeling dat daarbij iemand om het leven zou komen. Van een (van tevoren) beraamd plan of van een doordachte actie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven is geen sprake is geweest.
Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van doodslag heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Ten aanzien van het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte op het moment van schieten niet wist wie er allemaal op de parkeerplaats aanwezig waren. Daarnaast biedt het procesdossier geen duidelijkheid over de precieze locatie waar de genoemde personen tijdens het schietincident stonden. Dit heeft tot gevolg dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht was op het van het leven beroven van specifiek deze personen. Verdachte moet daarom van dit gedeelte van de tenlastelegging (partieel) worden vrijgesproken. Het medeplegen van een poging tot doodslag op een of meer anderen kan volgens de raadsvrouw wel wettig en overtuigend bewezen worden. De raadsvrouw heeft zich tot slot ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsoverweging feit 1 en feit 2
Niet ter discussie staat dat in de nacht van 19 juli 2025 in Coevorden een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij verdachte en de medeverdachte allebei vanuit een steeg meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een groep personen hebben geschoten die zich op een parkeerplaats bevonden. Deze groep bestond uit [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en -in de nabijheid van die groep- [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is daarop zwaargewond naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de kogel die [slachtoffer 1] (dodelijk) heeft geraakt zeer waarschijnlijk afkomstig is uit het vuurwapen waarmee verdachte zegt te hebben geschoten.
Opzet op de dood
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet heeft geschoten met de bedoeling om iemand van het leven te beroven. Op de parkeerplaats vond een conflict plaats tussen een vriend van hem, [slachtoffer 2] , en drie andere personen. Toen hij van de medeverdachte vernam dat [slachtoffer 2] door twee van hen in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij vol adrenaline uit angst in de richting van de groep geschoten. Hij hoopte dat de groep hiervan zou schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het procesdossier niet kan worden afgeleid dat verdachte “vol” opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het overlijden van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] -, is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat dit gevolg zal intreden. Nadat de medeverdachte met een vuurwapen drie keer in de richting van de groep [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en de zich in de nabijheid van die groep bevindende [slachtoffer 1] had geschoten, heeft verdachte ook met een vuurwapen twee keer bewust in de richting van die groep geschoten. Verdachte wist bovendien dat zijn vuurwapen geladen was met scherpe munitie. Onder deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een aanmerkelijke kans dat iemand uit die groep door een afgevuurde kogel dodelijk zou worden getroffen. Een vuurwapen is, naar zijn aard, gemaakt om dodelijk letsel te kunnen veroorzaken. Het gevaar van het handelen van verdachte moet voor hem, net als voor ieder ander die in een dergelijke situatie verkeert, duidelijk zijn geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht, dat het niet anders kan zijn geweest dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij iemand uit de groep dodelijk zou verwonden. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, voorts van oordeel dat het voorwaardelijk opzet van verdachte ook gericht was op de dood van (specifiek) [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] .
In zijn verhoor bij de politie op 31 juli 2025 heeft verdachte verklaard dat hij in de nacht van 19 juli gebeld werd door [naam 1] . [naam 1] vertelde hem dat [slachtoffer 2] ruzie had met [slachtoffer 3] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ], dat [slachtoffer 2] gehouden werd en dat hij naar Coevorden moest komen om te helpen. Verdachte heeft tijdens dit verhoor voorts verklaard dat [medeverdachte] [ de rechtbank begrijpt: de medeverdachte] hoorde dat ze [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] in de kofferbak wilden doen. Of uit wouden kleden. Daar waren [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ] en [slachtoffer 4] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ]. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zelf heeft gezien dat [slachtoffer 2] op de parkeerplaats aanwezig was. Hij heeft voorts verklaard dat de medeverdachte hem op enig moment vertelde dat [slachtoffer 3] er aan kwam lopen, dat [slachtoffer 1] tussen de autos stond en dat de medeverdachte hem die nacht ook steeds heeft bijgepraat over wat hij op de parkeerplaats zag en hoorde. Uit de verklaring van de medeverdachte blijkt dat hij, naast [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , ook [slachtoffer 4] op meerdere momenten op de parkeerplaats heeft gezien.1 Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte bekend moet zijn geweest met de namen van de personen die op de parkeerplaats aanwezig waren. Dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld waar de genoemde personen op
het moment van schieten precies hebben gestaan, doet aan het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet af. Verdachte heeft immers bewust in de richting van de groep geschoten.
Gelet op voorgaande overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte, heeft geprobeerd [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven.
Geen voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Met andere woorden: dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als (poging tot) moord of als (poging tot) doodslag?
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.2
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Omstreeks 01:52 uur is in het uitgaansgebied van Coevorden een conflict ontstaan tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .3 Dit conflict heeft zich gaandeweg verplaatst naar een parkeerterrein nabij de [adres] , waar zij omstreeks 02:01 uur zijn aangekomen. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 2] daarbij door [slachtoffer 3] werd vooruitgeduwd, toegeschreeuwd en bedreigd. Ook [slachtoffer 1] was bij het conflict op het parkeerterrein aanwezig.4 Verdachte en de medeverdachte waren niet bij het conflict betrokken. De medeverdachte heeft het conflict wel zien ontstaan en proberen te verhinderen, waarbij hij zou zijn bedreigd. Via anderen vernam de medeverdachte vervolgens dat het conflict zich steeds verder ontwikkelde en dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] iets wilden aandoen. De medeverdachte heeft daarom meerdere malen, al dan niet via tussenpersonen, geprobeerd om het conflict te de-escaleren. Dit is echter niet gelukt.5 Verdachte was op dat moment niet in Coevorden aanwezig. Hij werd die nacht gebeld door [naam 1] , die samen met de medeverdachte in de stad was. [naam 1] zou tegen hem hebben gezegd dat [slachtoffer 2] gedoe had met [slachtoffer 3] , dat verdachte naar Coevorden moest komen en dat hij een vuurwapen mee moest nemen.
Verdachte heeft vervolgens (in ieder geval) één vuurwapen en meerdere kogels opgehaald en is daarna samen met [naam 2] en [naam 3] in de auto naar Coevorden gereden. Verdachte wist dat in de auto nog een tweede vuurwapen aanwezig was en dat deze voor de medeverdachte was bedoeld.6 Omstreeks 02:25 uur hebben zij de medeverdachte en [naam 1] in de [adres] ontmoet. Er werd kort gesproken over de situatie van [slachtoffer 2] . Daarbij zou zijn gezegd dat [slachtoffer 2] werd vastgehouden en mishandeld.7 [naam 3] heeft de medeverdachte vervolgens, in opdracht van verdachte, een vuurwapen overhandigd. Verdachte en de medeverdachte zijn daarna nog enkele minuten in de [adres] blijven staan, waarna zij samen in de richting van de [adres] zijn gelopen.8 Om 02:32 uur liepen zij een steeg in die vanuit de [adres] toegang geeft tot het parkeerterrein waar het conflict plaatsvond. Het betreft een smalle, donkere steeg die aan weerszijden bebouwd is. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat om 02:33 uur vanuit de steeg één schot te horen is en dat verdachte en de medeverdachte daarna de steeg uitrennen.9 Zowel verdachte als de medeverdachte hebben verklaard dat dit schot een waarschuwingsschot in de lucht betrof, waarop door de personen op de parkeerplaats niet werd gereageerd.10 Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt voorts dat verdachte en de medeverdachte tussen 02:33 uur en 02:44 uur meerdere malen stilstaan op de hoek van de steeg en afwisselend heen en weer lopen tussen onder meer de steeg, de [adres] en het parkeerterrein van de hervormde kerk. Om 02:44 uur zijn zij weer op de hoek van de steeg gaan staan en daar zijn zij enkele minuten blijven staan.11 Toen de medeverdachte hoorde dat er vanaf de parkeerplaats geroepen werd dat [slachtoffer 2] zou worden uitgekleed en in de kofferbak van een auto zou worden gestopt heeft hij tegen verdachte gezegd dat het nu of nooit was. De medeverdachte heeft daarop meteen drie keer in de richting van het parkeerterrein geschoten. Omdat zijn vuurwapen vastliep, heeft hij enkele stappen achteruit gezet.
Verdachte heeft daarop een stap naar voren gezet, in de richting van de steeg, waarna hij twee keer in de richting van het parkeerterrein heeft geschoten. De medeverdachte heeft vervolgens hard kankerhoeren geroepen, waarna verdachte en de medeverdachte samen zijn weggerend.12
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet naar Coevorden is gegaan met de intentie om iemand van het leven te beroven. De bedoeling was om [slachtoffer 2] uit de conflictsituatie te halen. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet met de medeverdachte heeft gesproken over de wijze waarop zij dit doel wilden bereiken. Er zijn geen plannen of afspraken gemaakt en er is niet gesproken over het eventuele gebruik van de meegebrachte vuurwapens, ook niet na het eerste waarschuwingsschot. Toen hij op een gegeven moment van de medeverdachte vernam dat [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto zou worden gestopt, heeft hij vol adrenaline en uit angst in de richting van de groep geschoten. Hij hoopte dat de groep hiervan zou schrikken en dat zij [slachtoffer 2] zouden laten gaan. Ook de medeverdachte heeft in zijn verhoren bij de politie telkens verklaard dat het nimmer de bedoeling is geweest om iemand dood te schieten. Het doel was om [slachtoffer 2] te helpen. De medeverdachte heeft voorts verklaard dat er geen afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de vuurwapens. Hij heeft zelf geschoten omdat hij hoorde dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto wilden stoppen en hij hoopte dat dit hen zou afschrikken. Hij was op dat moment doodsbang.13
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande niet blijkt dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een (vooropgezet) plan of een intentie om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven. Verdachte is die bewuste nacht weliswaar naar Coevorden gegaan met (in ieder geval) één vuurwapen en meerdere kogels op zak, maar hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet méér worden afgeleid dan dat verdachte (mogelijk) rekening hield met een gewelddadige escalatie van het conflict. In ieder geval blijkt hieruit niet zonder meer dat verdachte het vuurwapen heeft meegenomen omdat hij het plan had om iemand van het leven te beroven. Ook de omstandigheid dat er voor verdachte, gezien het tijdsverloop tussen het ophalen van een vuurwapen, het gezamenlijk (bewapend) naar de steeg lopen, het eerste waarschuwingsschot en het latere schieten, voldoende tijd en gelegenheid is geweest om zich te beraden op zijn handelen, acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van voorbedachte raad. Dat verdachte tijd en gelegenheid tot nadenken heeft gehad, betekent immers niet dat verdachte zich ook daadwerkelijk beraden heeft op een plan om iemand van het leven te beroven. Verdachte heeft dit steeds
stellig ontkend en uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachte blijkt dat er gedurende die tijd tussen hen maar weinig overleg heeft plaatsgevonden.
In de gedragingen van verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan het moment waarop zij beiden hebben geschoten, ziet de rechtbank voorts een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Uit het afwisselend heen en weer lopen en het op de hoek van de steeg stil blijven staan om de situatie te observeren, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte en de medeverdachte zich met de situatie niet goed raad wisten. Dit beeld wordt verder versterkt doordat verdachte en de medeverdachte hebben verklaard dat zij pas in de richting van de groep hebben geschoten toen hen duidelijk werd dat, in hun beleving, het conflict ernstig dreigde te escaleren. Zij voelden zich op dat moment bang en in paniek en zij maakten zich grote zorgen over het lot van [slachtoffer 2] . Verdachte en de medeverdachte stonden op dat moment bovendien op een afstand van 45 meter tot de parkeerplaats. Zij hebben -door een donkere steeg- in de richting van de groep personen geschoten, maar niet gebleken is dat verdachte en de medeverdachte daarbij ook bewust gericht geschoten hebben op een of meer van die personen uit die groep. Ook in dit gegeven ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte past bij een situatie waarin hij het besluit om te schieten (impulsief) heeft genomen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging. Van een doordachte actie of een (vooropgezet) plan is de rechtbank niet gebleken. In dat geval zou het veel meer voor de hand hebben gelegen dat verdachte en de medeverdachte met hun (doorgeladen) vuurwapens naar de parkeerplaats zelf zouden zijn gelopen en dat zij vervolgens van geringe afstand gericht zouden hebben geschoten. Dit is wat verdachte en de medeverdachte juist niet hebben gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Conclusie
Nu niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zal hij
worden vrijgesproken van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zoals onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 impliciet subsidiair aan hem is ten laste gelegd. Er is sprake van eendaadse samenloop.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht de onder 1 en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke handelingen duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 oktober 2025, opgenomen op pagina 173 e.v. van deel 5 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025, inhoudende de verklaring van
[verdachte] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] ;
4. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI (Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden), zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 001),
d.d. 29 juli 2025, opgemaakt door drs. D.J. Rijken (arts en deskundige forensische pathologie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 301 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier;
5. een deskundigenrapport afkomstig van Eurofins/TMFI (Forensisch DNA-onderzoek), zaaknummer TMFI2025.3780-1, d.d. 28 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Hidding (forensisch DNA-deskundige), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 328
e.v. van deel 11 van voornoemd dossier;
6. een deskundigenrapport afkomstig van het NFI (Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van vuurwapens in Emlichheim (D) op 10 oktober 20215), zaaknummer 2025.07.21.001 (aanvraagnummer 007), d.d. 3 december 2025, opgemaakt door W. Kerkhoff (NFI-deskundige wapens en munitie), op de door hem of haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 341 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier.
Bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit
De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
De door verdachte ter zitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] )
d.d. 22 oktober 2025, opgenomen op pagina 139 e.v. van deel 11 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Onderzoek wapens en munitie d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 218 e.v. van deel 11 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Partiële vrijspraak
Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij drie hulzen van het merk CBC (derde gedachtestreepje) en twee hulzen van het merk Norma (vierde gedachtestreepje) voorhanden heeft gehad. Deze hulzen zijn na het schietincident aangetroffen op de plaats delict en zijn afkomstig van de door verdachte en de medeverdachte afgeschoten patronen. Artikel 3, tweede lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) schakelt onderdelen van munitie (waaronder hulzen) gelijk aan munitie, voor zover die onderdelen geschikt zijn om munitie van te maken. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 3 WWM blijkt dat lege hulzen van afgeschoten patronen niet zonder meer geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken en daarom in beginsel niet onder de reikwijdte van dit artikel vallen.14 Nu er geen nader onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid van hergebruik van de genoemde hulzen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze voldoen aan het wettelijk vereiste dat zij geschikt zijn om (opnieuw) munitie van te maken. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meermaals in de richting van die [slachtoffer 1] te schieten;
2) hij op 19 juli 2025 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] van het leven te beroven, meermaals met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en of [slachtoffer 4] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij op 19 juli 2025 te Schoonebeek, wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
4. een pistool, met de uiterlijke kenmerken van een Glock 26 Gen 5, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger/9 mm Parabellum, en
5. een pistool (omgebouwd gaspistool), van het merk Blow, model P29, kaliber 7,65 mm Browning/.32, zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,
en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
1 kogelpatroon, van het merk Sellier&Bellot, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
7 kogelpatronen, van het merk Norma, kaliber 9x19 mm/9 mm Luger,
37 kogelpatronen, van het merk CBC, kaliber 7,65/.32 voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en feit 2 eendaadse samenloop van
feit 1impliciet subsidiair: medeplegen van doodslag
en
feit 2 impliciet subsidiair: medeplegen van een poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, met betrekking tot munitie van categorie III meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair en 3 ten laste gelegde feiten, met toepassing van het jeugdstrafrecht, wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest
heeft doorgebracht;
- een voorwaardelijke maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel)
onder de voorwaarden zoals geformuleerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de Jeugdreclassering. De officier vanjustitie heeft gevorderd deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat deze strafeis tegemoetkomt aan de ernst van de feiten. Daarnaast is oplegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Gelet op de door de deskundigen vastgestelde stoornissen en de verwachte duur van het behandeltraject, is er geen ander passend alternatief dat waarborgt dat verdachte de noodzakelijke behandelingen daadwerkelijk krijgt én afrondt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat een straf die uitsluitend gericht is op vergelding onvoldoende recht doet aan de onderliggende problematiek van verdachte, zoals vastgesteld in het Pro Justitia rapport. Uit dit rapport volgt dat de feiten aan verdachte, vanwege deze problematiek, in licht verminderde mate kunnen worden toegerekend. Verdachte is voorts gemotiveerd om aan zijn problematiek te werken en staat open
voor behandeling en begeleiding. Het op korte termijn starten van deze behandeling is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Hij is bovendien nog niet eerder veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit. Gelet op het voorgaande heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 24 maanden. Het voorwaardelijke deel dient in te gaan op 31 augustus 2026, de dag dat verdachte terecht kan bij de verblijfslocatie en kan starten met dagbesteding. Aan het voorwaardelijk strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden gekoppeld worden zoals geadviseerd door de Raad en de jeugdreclassering. Daarnaast kan de (voorwaardelijke) jeugddetentie gecombineerd worden met een taakstraf en/of een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM).
Indien de rechtbank van oordeel is dat oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel geboden is, heeft de raadsvrouw het voorwaardelijke verzoek gedaan om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en de NIFP-rapporteurs ter zitting te horen over de (on)mogelijkheden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat geen van de deskundigen heeft geadviseerd om een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. De rapporteurs van het NIFP hebben in een zeer uitgebreid advies juist aangegeven een voorwaardelijke PIJ-maatregel niet passend te achten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad), alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van een poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . In de nacht van 19 juli 2025 hebben verdachte en de medeverdachte allebei, vanuit een steeg, meerdere malen met een vuurwapen in de richting van een groep personen op een parkeerplaats geschoten. Deze groep bestond uit [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en in de nabijheid van die groep - [slachtoffer 1] . Een van de afgevuurde kogels heeft [slachtoffer 1] in zijn hoofd geraakt. [slachtoffer 1] is zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht, waar hij enkele uren later aan zijn verwondingen is overleden.
Met zijn handelen heeft verdachte [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht ontnomen: het recht op leven. Aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] is een onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het plotselinge verlies van hun geliefde zoon, broer, oom, neef en vriend voor altijd bij zich moeten dragen. De impact van de dood van [slachtoffer 1] op de levens van zijn nabestaanden is enorm. Uit het door de moeder en zus van [slachtoffer 1] uitgeoefende spreekrecht blijkt hoe groot het verdriet en het gemis van [slachtoffer 1] nog dagelijks is. [slachtoffer 1] was een jongen van 21 jaar oud die volop van het leven en zijn familie genoot en die vol plannen en toekomstdromen zat. Dat aan zijn jonge leven en zijn dromen op gewelddadige wijze een einde is gemaakt, is voor hen onverteerbaar.
Verdachte mag van geluk spreken dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] niet door een kogel (dodelijk) zijn geraakt. Zij hebben de schoten wel gehoord en hebben daarna gezien hoe [slachtoffer 1] op de grond viel en hevig bloedde. Ook enkele omwonenden die na het horen van de schoten zijn gaan kijken wat er aan de hand was, hebben het zwaargewonde lichaam van [slachtoffer 1] zien liggen. Voor ieder van hen moet dit een schokkende en beangstigende ervaring zijn geweest. Feiten als de onderhavige dragen voorts ook sterk bij aan gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving als geheel.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en verschillende soorten munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt in zijn algemeenheid reeds een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Dat dit risico zich in de onderhavige zaak ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 15 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Het strafblad van verdachte werkt in zoverre niet strafverhogend.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages die in het kader van de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zijn opgemaakt:
het triple geïntegreerd onderzoek Pro Justitia d.d. 19 januari 2026, opgemaakt door K.F.J. Vonhögen, Kinder- en jeugdpsychiater, M. Dubbelaar, GZ-psycholoog en [naam 4] , forensisch milieuonderzoeker;
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 mei 2026, opgemaakt door [naam 5] , raadsonderzoeker;
het rapport van Jeugdbescherming Noord (GBM haalbaarheidsonderzoek), d.d. 22 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] , jeugdreclasseerders;
het rapport van Reclassering Nederland (deeladvies EM), d.d. 27 mei 2026, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 3] , reclasseringswerker.
Het advies van de psychiater, psycholoog en forensisch milieuonderzoeker
Uit het Pro Justitia rapport volgt dat bij verdachte sprake is van een normoverschrijdende-gedragsstoornis en een andere gespecificeerde psychotrauma-of stressorgerelateerde stoornis, veroorzaakt door een onveilige hechting. De stoornissen waren reeds aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte op indirecte wijze beïnvloed. Verdachte heeft van jongs af aan gevoeld dat in zijn leefwereld sprake was van onveiligheid. Dit heeft in eerste instantie geleid tot een angstige constitutie en later juist tot een sterke behoefte aan controle en een sterke overtuiging dat hij zichzelf en anderen moet beschermen. Verdachte is daarnaast overalert op het detecteren van dreiging en geweld in zijn omgeving. Hij voelt zich daardoor veiliger in de omgang met antisociale jongeren omdat dit status en aanzien oplevert. Tegelijkertijd is hij vanwege een gebrekkig inschattingsvermogen kwetsbaar in situaties die hij als dreigend ervaart. Verdachte raakt verstrikt in zijn eigen denkpatroon dat hij niet aan de dreiging en/of het geweld kan ontsnappen en in zijn beleving kan hij niet anders dan daarin meegaan. Door de druk die hij op dat moment ervaart, staat ook zijn affectregulatie onder druk. Verdachte is vanuit zijn functiebeperkingen voorts onverschillig en zelfbepalend ten aanzien van maatschappelijke normen en waarden. Door zijn hang naar de antisociale, criminele wereld heeft hij aansluiting gezocht bij een verkeerde vriendengroep en is hij crimineel gedrag meer en meer als normaal gaan beschouwen (normvervaging). Deze keuze lijkt mede ingegeven door de ervaren status en erkenning en het verkrijgen van controle en autonomie. Het advies van de deskundigen is om verdachte de ten laste gelegde feiten licht verminderd toe te rekenen. Het recidiverisico wordt als matig
tot hoog ingeschat. Om het recidiverisico te verminderen en verdachte de kans te geven zich te ontwikkelen tot een volwassene die zich staande weet te houden in de maatschappij, adviseren zij een forensische behandeling gericht op het corrigeren en bijsturen van de disfunctionele en antisociale richting waarin de persoonlijkheid van verdachte zich ontwikkelt. Essentiële behandeldoelen daarbij zijn het versterken van de probleemoplossende vaardigheden van verdachte, het versterken van zijn emotieherkenning en emotieregulatie en het verminderen van zijn beïnvloedbaarheid. Aan deze doelen kan worden gewerkt middels cognitieve gedragstherapie in combinatie met psychomotore therapie. Daarnaast is een systematische gezinsinterventie geïndiceerd, gericht op het verwerken van de belaste jeugd- en verlieservaringen en (indien mogelijk) relatieherstel. De deskundigen adviseren om bovenstaande interventies op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Gelet op de aard en ernst van de problematiek van verdachte en het huidige risicoprofiel, wordt een PIJ-maatregel door de deskundigen niet passend geacht. De behandeling van de problematiek van verdachte kan volgens de deskundigen binnen een ambulant kader voldoende worden vormgegeven en de verwachting is dat het recidiverisico daarmee verlaagd wordt. Een GBM wordt door de deskundigen niet noodzakelijk geacht.
Verdachte vertoont geen diepgewortelde antisociale attitudes of een langdurig patroon van ernstig normoverschrijdend gedrag waarvoor een langdurig en zwaar kader noodzakelijk is.
Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming
Uit het rapport van de Raad en de mondelinge toelichting die daarop door mevrouw [naam 6] , raadsonderzoeker, ter terechtzitting is gegeven, volgt dat de Raad de inhoud van het Pro Justitia-rapport grotendeels onderschrijft. Er zijn grote zorgen over het functioneren van verdachte. Verdachte is een kwetsbare jongen die de gevolgen van een onverwerkt verleden met zich meedraagt. De onderliggende problematiek is tot nu toe onvoldoende behandeld. Om het recidiverisico te verlagen en om verdachte in staat te stellen een stabiele toekomst op te bouwen, is het van cruciaal belang dat er direct na de detentieperiode een beschermde woonplek met duidelijke regels, kaders en structuur voor verdachte beschikbaar is én dat er direct met de door het NIFP geadviseerde (forensische) behandeling wordt gestart. Gelet op de problematiek van verdachte, het recidiverisico en het verloop van een eerder opgelegd reclasseringstoezicht, is een stevig kader met een forse stok achter de deur noodzakelijk om te kunnen (blijven) werken aan gedragsverandering. De Raad adviseert daarom, anders dan het NIFP, om het geïndiceerde behandeltraject op te leggen in het kader van een GBM. Deze maatregel richt zich op gedragsverandering en heeft een dwingender karakter dan het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. In dat verband heeft de Raad er op gewezen dat een GBM de mogelijkheid biedt om consequenties te verbinden aan negatief gedrag, zoals een time-out, zonder dat dit tot gevolg heeft dat het behandeltraject direct wordt stopgezet. Een voorwaardelijke PIJ-maatregel acht de Raad niet geïndiceerd. Verdachte is gemotiveerd voor een behandeling en hij stelt zich ook behandelbaar en begeleidbaar op. De Raad adviseert om de GBM op te leggen voor de duur van een jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met een jaar. Daarnaast adviseert de Raad om de maatregel en het bijbehorende programma dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gelet op de beperkte duur van de GBM adviseert de Raad voorts om het programma waaruit de GBM zal bestaan óók op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie. Op deze wijze wordt gewaarborgd dat het behandeltraject langere tijd doorgang vindt. Om de ernst van het feit te benadrukken acht de Raad het tot slot aangewezen dat aan verdachte ook een onvoorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd.
Het advies van de jeugdreclassering
Mevrouw [reclasseringsmedewerker 2] en de heer [reclasseringsmedewerker 1] , beiden werkzaam als jeugdreclasseerder bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Noord, hebben ter terechtzitting benoemd dat de jeugdreclassering vraagtekens zet bij de haalbaarheid van een regulier kader waarin bijzondere voorwaarden worden gekoppeld aan een (deels) voorwaardelijke veroordeling, zoals door de deskundigen van het NIFP is geadviseerd. Zij hebben er op gewezen dat verdachte in de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten reeds onder toezicht van de jeugdreclassering stond. Hoewel het contact met verdachte als positief werd ervaren, blijkt (achteraf) dat hij niet heeft verteld over de
(grote) problemen die op dat moment bij hem speelden. Ook is hij niet alle voorwaarden meteen goed nagekomen. De verwachting is daarom dat ook dit keer niet alle voorwaarden meteen in één keer goed zullen worden nageleefd en dat het door het NIFP geadviseerde behandeltraject met vallen en opstaan gepaard zal gaan. Indien als gevolg daarvan de behandeling zou worden stopgezet, is dat niet in het belang van verdachte. De jeugdreclassering sluit zich daarom aan bij het advies van de Raad om aan de doelstellingen van het NIFP te werken binnen het kader van een GBM én om het programma waaruit de GBM zal bestaan óók op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie. Dit kader biedt verdachte de ruimte om vertrouwen op te bouwen, verantwoordelijkheid te nemen en om tot duurzame gedragsverandering en ontwikkeling te komen. Er is reeds een passende woonplek voor verdachte gevonden. Verdachte kan per 31 augustus 2026 op deze locatie worden geplaatst. Er dient nog wel een intakegesprek plaats te vinden. Ook is er contact met een dagbestedingslocatie. Verdachte kan, na plaatsing, direct starten. De jeugdreclassering acht het van belang dat middels elektronische monitoring wordt gecontroleerd of verdachte de gestelde voorwaarden naleeft én dat de jeugdreclassering de mogelijkheid heeft om elektronische monitoring meerdere malen in te zetten als dit ondersteunend is aan het inperken van (eventuele) risicos. De mogelijkheid van een voorwaardelijke PIJ-maatregel is door de jeugdreclassering niet nader onderzocht.
De conclusies van de rechtbank
De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. De rechtbank waardeert het dat verdachte ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven en dat hij verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Het is duidelijk dat verdachte de dood van [slachtoffer 1] nooit heeft gewild. Tegelijkertijd is het wel de harde werkelijkheid dat [slachtoffer 1] als gevolg van zijn handelen is overleden. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard over de achtergrond van zijn handelen. Hoewel deze (vermeende) achtergrond het handelen van verdachte op geen enkele wijze rechtvaardigt, heeft dit de keuze van verdachte om een vuurwapen mee te nemen én dit vuurwapen op enig moment ook te gebruiken wel beïnvloed. De rechtbank zal met deze omstandigheid rekening houden bij het bepalen van de (hoogte van) de straf.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt het advies van de deskundigen in het Pro Justitia rapport over en zal de bewezenverklaarde feiten in (licht) verminderde mate aan verdachte toerekenen. De rechtbank zal daarmee in strafmatigende zin rekening houden bij de strafoplegging.
De straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en het leed dat aan de nabestaanden is toegebracht, is naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur zonder meer gerechtvaardigd. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten echter gepleegd toen hij zestien jaar oud was. Dit heeft tot gevolg dat in onderhavige zaak het jeugdstrafrecht van toepassing is. Op grond van artikel 77i van het Wetboek Strafrecht kan de rechtbank een minderjarige een vrijheidsstraf opleggen van maximaal twee jaren. De achtergrond hiervan is dat het jeugdstrafrecht een sterk pedagogisch karakter heeft. Bij de strafoplegging dient de ontwikkeling van de minderjarige en het belang van het voorkomen van nieuwe (soortgelijke) misdrijven in de toekomst voorop te staan. Tegen deze achtergrond bezien en gelet op hetgeen door de deskundigen naar voren is gebracht over de bij verdachte geconstateerde problematiek, is de rechtbank van oordeel dat het zwaartepunt van de straf op hulp en behandeling dient te liggen. Hierbij speelt ook een belangrijke rol dat verdachte bereid en gemotiveerd is om die hulp te aanvaarden en de behandeling te ondergaan. De rechtbank beseft dat in een zaak zoals deze de sterke focus op de toekomst van verdachte gevoelsmatig op gespannen voet kan staan met het leed dat de nabestaanden is toegebracht.
Alles afwegende, acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen waarvan 315 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Daarnaast zullen aan dit voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden die door de Raad en de jeugdreclassering zijn geadviseerd. Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om verdachte te (blijven) motiveren zich in te zetten voor de hulp, behandeling en begeleiding die hem in het kader van de bijzondere voorwaarden geboden wordt en om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging doodslag (meerdere malen gepleegd). Gelet op het feit dat sprake is van problematiek waarvoor behandeling noodzakelijk en het risico op recidive momenteel als matig tot hoog wordt ingeschat, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna te stellen bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de jeugdreclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.
De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM)
De rechtbank is voorts van oordeel dat de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, aanleiding geven tot het opleggen van een GBM in de zin van artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht. Uit het gemotiveerde advies van de Raad en de Jeugdreclassering blijkt dat deze maatregel ook in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. Er bestaan grote zorgen over zijn functioneren. Zonder intensieve en langdurige behandeling is het risico dat verdachte opnieuw een (gewelddadig) strafbaar feit pleegt matig tot hoog.
Door de Raad en de Jeugdreclassering is daarom benadrukt dat het van groot belang is dat de behandeling daadwerkelijk plaatsvindt. De GBM geeft hiertoe bij uitstek een geschikt kader. Dit geldt temeer nu een eerder opgelegd regulier kader met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht onvoldoende bleek om verdachte ervan te weerhouden om nieuwe strafbare feiten te plegen en om hem (blijvend) te motiveren tot gedragsverandering. Verdachte heeft ter terechtzitting bovendien aangegeven dat hij gemotiveerd is voor een GBM en dat hij daaraan wil meewerken. Dit is een goede uitgangspositie voor een succesvol behandeltraject. Ter invulling van de GBM zal de rechtbank de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de Jeugdreclassering overnemen en opleggen, welke voorwaarden eveneens als bijzondere voorwaarden zijn verbonden aan het voorwaardelijke strafdeel van verdachte.
Een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals door de officier van justitie is gevorderd, acht de rechtbank niet passend. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat alle deskundigen hebben geconcludeerd dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel, gelet op de aard en ernst van de problematiek van verdachte en zijn motivatie voor een behandeling, niet geïndiceerd is. Ook is aan verdachte nog niet eerder een maatregel opgelegd.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel
Gelet op de problematiek van verdachte en het matig tot hoge recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan of zich belastend zal gedragen. De rechtbank zal daarom bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is en dus direct na de uitspraak ingaat. Het is ook in het belang van verdachte dat het programma op een zo kort mogelijke termijn van start gaat.
De op te leggen straf is lager dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank - anders dan de officier van justitie- tot een vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde feit komt. Voorts houdt de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening met de door verdachte geschetste achtergrond van zijn handelen.
In beslag genomen goederen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen vuurwapens en munitie te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de inbeslaggenomen vuurwapens, te weten een pistool met de uiterlijke kenmerken van een Glock model 26 Gen 5 (goednummer 1877433) en een pistool van het merk Blow/P29 (goednummer 1877437), de inbeslaggenomen munitie met goednummers 1877439, 1877435 en 1877436 en de
inbeslaggenomen hulzen met goednummers 1849455, 1849456, 1849457, 1849462 en 1849458 onttrekken aan het verkeer. De bewezenverklaarde feiten zijn met betrekking tot deze vuurwapens en munitie begaan. Daarnaast is het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd met de wet en het algemeen belang.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich, door tussenkomst van mr. R. Spoelstra, advocaat te Groningen, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1.
[naam 7] , de vader van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 8] , de moeder van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 4.982,04 ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 17.500,- ter vergoeding van affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 9] , de zus van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 550,- ter vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten) en 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [ [naam 10] , de neef van het overleden slachtoffer, tot een bedrag van 5.000,- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, met dien verstande dat verdachte telkens wordt veroordeeld tot betaling van de helft van het gevorderde schadebedrag. De overige helft dient voor rekening te komen van de medeverdachte. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het toe te
wijzen schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de door [naam 7] en [naam 8] gevorderde affectieschade en de door [naam 8] gevorderde kosten voor de grafsteen, het rouwboeket en de grafbedekking, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de door [naam 8] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument, de grafdecoraties (beeldje aartsengel en gouden roos) en de door [naam 9] gevorderde kosten voor de bodycasting, heeft de raadsvrouw betwist dat deze onder de reikwijdte van artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk wetboek (hierna: BW) vallen, en deze schadeposten daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Ten aanzien van de door [naam 9] en [naam 10] gevorderde shockschade, heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat het door de benadeelde partijen gestelde geestelijk letsel is veroorzaakt door een directe confrontatie met (de ernstige verwondingen van) het slachtoffer in het ziekenhuis. Dit is voor toekenning van shockschade wel vereist. Ten aanzien van de vordering van [naam 10] heeft de raadsvrouw voorts aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, de neef van het slachtoffer, tot de kring der gerechtigden voor een vergoeding van shockschade behoort. Dat tussen de benadeelde partij en het slachtoffer een voldoende nauwe en affectieve relatie heeft bestaan, is onvoldoende onderbouwd.
De raadsvrouw heeft tot slot verzocht de schadevergoeding niet hoofdelijk toe te wijzen, maar tussen verdachte en de medeverdachte te verdelen.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte. Dit betekent dat verdachte op grond van artikel 6:108 BW aansprakelijk is voor de schade die het directe gevolg is van dit overlijden.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid, BW heeft een beperkte kring van nabestaanden recht op de vergoeding van affectieschade. De rechtbank stelt vast dat de benadeelden [naam 7] en [naam 8] , de ouders van [slachtoffer 1] , onder die kring van gerechtigden vallen. Nu de vorderingen in overeenstemming zijn met het Besluit vergoeding affectieschade en de verdediging zowel het bestaan als de hoogte van de vorderingen niet heeft betwist, zal de rechtbank de gevorderde bedragen toewijzen.
Uitvaartkosten
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 8] kosten heeft gemaakt voor de uitvaart van [slachtoffer 1] . Het betreft kosten voor de grafsteen, het rouwboeket en de grafbedekking. Verdachte is op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW verplicht tot vergoeding van deze kosten. Nu de hoogte daarvan niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de gevorderde
bedragen toewijzen. Ten aanzien van de door [naam 8] gevorderde kosten voor Decoratie (beeldje aartsengel) en Decoratie (gouden roos) en de door [naam 9] gevorderde kosten voor Gedenktekens thuis, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank acht het begrijpelijk en invoelbaar dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor grafdecoraties en herdenkingsbeelden ter gedachtenis aan hun overleden zoon en broer. De rechtbank is evenwel van oordeel deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. Deze kosten kunnen daarom niet worden aangemerkt als uitvaartkosten in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW. Hetzelfde geldt voor de door [naam 8] gevorderde kosten voor de verzekering van het grafmonument. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen op deze punten dan ook afwijzen.
Shockschade
De benadeelde partijen [naam 9] en [naam 10] hebben shockschade gevorderd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van shockschade plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het bewezen verklaarde handelen van verdachte of door een directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. Uit deze emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dit zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer is gedood of (ernstig) verwond. Het bestaan van dit geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, dient naar objectieve maatstaven te kunnen worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar is daartoe niet beperkt.
Voldoende is dat de hevige emotionele schok heeft geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.15
Uit de namens de benadeelde partijen overlegde stukken blijkt dat zij in de nacht van 19 juli 2025 zijn geïnformeerd over het schietincident waarbij hun broer en neef ernstig gewond is geraakt. Zij zijn direct daarop naar het ziekenhuis gegaan. Daar zijn zij geconfronteerd met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] , die op dat moment in een comateuze toestand verkeerde. [naam 9] , de zus van [slachtoffer 1] , is daarnaast aanwezig geweest bij het moment dat de artsen de behandeling van [slachtoffer 1] hebben gestaakt, waarna hij is overleden.
De rechtbank stelt voorop dat het (plotselinge) overlijden van [slachtoffer 1] als gevolg van een gewelddadig strafbaar feit voor zijn familie onmiskenbaar een uiterst ingrijpende gebeurtenis is. De hevige emoties en het intense verdriet die daarvan het gevolg zijn, zijn zonder meer invoelbaar. Ook de confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] moet voor hen een zeer aangrijpende ervaring zijn geweest. De rechtbank kan op grond van de overlegde medische stukken echter niet vaststellen dat bij de benadeelde partijen sprake is van geestelijk letsel als gevolg van deze confrontatie. Uit de stukken is af te leiden dat benadeelde [slachtoffer 1] veel verdriet heeft van het overlijden van haar jongere broer en dat zij dit verlies moeilijk kan verwerken. Sinds zijn overlijden slaapt ze slecht. Ze heeft nachtmerries en herbelevingen. Ze verwijt zichzelf dat ze het incident niet heeft kunnen voorkomen.
Daarnaast speelt ze de uitvaart nog vaak af in haar gedachten. Ook benadeelde [naam 10] heeft erg geworsteld met het verlies van zijn neef. Voor het verwerken van dit verlies is EMDR als behandelmethodiek ingezet. De behandeling richtte zich daarbij op een specifiek beeld van de uitvaart van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze informatie onvoldoende onderscheid kan worden gemaakt tussen het geestelijk letsel dat het gevolg is van het verdriet over het overlijden van [slachtoffer 1] (als gevolg van een strafbaar feit) en het letsel dat (mogelijk) het gevolg is van de directe confrontatie met de ernstige verwondingen van [slachtoffer 1] in het ziekenhuis. Als gevolg hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat het geestelijk letsel van de benadeelden het directe gevolg is van deze confrontatie, hetgeen wel vereist is om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding van shockschade.
Een eventuele nadere onderbouwing door de benadeelde partijen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op en hier zal dan ook geen gelegenheid voor worden
gegeven. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Niet hoofdelijk
Verdachte heeft het strafbare feit waaruit de schade is ontstaan samen met een ander gepleegd. Zij zijn daarom naar civielrechtelijke maatstaven in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. De rechtbank ziet echter aanleiding om de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 7] en [naam 8] niet hoofdelijk toe te wijzen. Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, zijn beïnvloedbaarheid (met name door negatieve sociale contacten) en zijn beperkte financiële draagkracht, acht de rechtbank het onwenselijk dat verdachte verantwoordelijk is voor het betalen van het gehele schadebedrag en dat hij contact moet hebben met de medeverdachte om de onderlinge betalingen af te stemmen. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de benadeelde partijen evenredig over verdachte en de medeverdachte verdelen.
Conclusie
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot het betalen van 8.750,- aan [naam 7] . Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade). De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen tot het betalen van 10.980,91 aan [naam 8] . Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade (grafsteen, rouwboeket en grafbedekking) en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade). De toe te wijzen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling 18/089993-24
Bij onherroepelijk vonnis van 8 augustus 2024 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 23 augustus 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 7 mei 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen omdat verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de aan de voorwaardelijk straf gekoppelde proeftijd te verlengen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat het op dit moment niet duidelijk is of verdachte de werkstraf kan uitvoeren op de locatie waar hij, na afloop van de strafzaak, in het kader van de (eventueel) op te leggen (bijzondere) voorwaarden zal
verblijven of dagbesteding zal hebben. De raadsvrouw heeft benadrukt dat dit, gelet op de beïnvloedbaarheid van verdachte, wel wenselijk is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen. Anders dan de raadsvrouw, ziet de rechtbank in het ontbreken van zekerheid over de vraag of verdachte de werkstraf kan uitvoeren op of in de directe nabijheid van de locatie waar hij in het kader van de (eventueel) op te leggen (bijzondere) voorwaarden zal verblijven of dagbesteding zal hebben, geen aanleiding om de vordering af te wijzen of de opgelegde proeftijd te verlengen. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de Jeugdreclassering ter terechtzitting heeft benoemd dat bij het zoeken naar een voor verdachte geschikte plek rekening kan worden gehouden met hetgeen hierover door de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 55, 57, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wb, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair is ten laste gelegd spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
- een jeugddetentie voor de duur van 720 dagen.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 315 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Veroordeelde meewerkt aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan afspraken en aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dit kader geeft;
2. Veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde (forensische) behandeling, door een door de jeugdreclassering aan te wijzen zorginstelling. De behandeling is (in ieder geval) gericht op systeemgerichte gezinsinterventie, individuele schematherapie, cognitieve gedragstherapie en psychomotorische therapie en duurt zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
3. Veroordeelde verblijft bij [adres] te [plaats] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de
jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;
4. Veroordeelde zich gedurende de met de jeugdreclassering afgesproken tijdsblokken bevindt op het adres [adres] ( [adres] ). Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan de elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatiegebod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
5. Veroordeelde zich niet bevindt binnen een straal van tien kilometer rondom [plaats] , [plaats] en [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het gebied is weergegeven op een kaart die als bijlage bij dit vonnis is gevoegd. Na voorafgaande toestemming van de jeugdreclassering kan op het locatieverbod een uitzondering worden gemaakt voor familiebezoek. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatieverbod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatieverbod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
6. Veroordeelde (volgens rooster) onderwijs volgt, werkt en/of een andere dagbesteding heeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband en duurt zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van de naleving van deze verplichting kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
7. Veroordeelde geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod door middel van speeksel- en urinecontroles. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en op welke wijze veroordeelde wordt gecontroleerd;
8. Veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, ook het online sociale netwerk, op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt;
9. Veroordeelde inzicht geeft in zijn financiën op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt. Veroordeelde werkt mee aan hulpverlening gericht op zijn financiën (zoals budgetbeheer) indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
10. Veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opneemt, zoekt
of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , ook niet wanneer voornoemde personen daartoe zelf initiatief nemen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen te Assen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
- De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 jaar
Deze maatregel bestaat eruit dat:
1. Veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde (forensische) behandeling. De behandeling is (in ieder geval) gericht op systeemgerichte gezinsinterventie, individuele schematherapie, cognitieve gedragstherapie en psychomotorische therapie;
2. Veroordeelde verblijft bij [adres] te [plaats] of een soortgelijke instelling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld;
3. Veroordeelde zich gedurende de met de jeugdreclassering afgesproken tijdsblokken bevindt op het adres [adres] ( [adres] ). Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan de elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatiegebod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
4. Veroordeelde zich niet bevindt binnen een straal van tien kilometer rondom [plaats] , [plaats] en [plaats] , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het gebied is weergegeven op een kaart die als bijlage bij dit vonnis is gevoegd. Na voorafgaande toestemming van de jeugdreclassering kan op het locatieverbod een uitzondering worden gemaakt voor familiebezoek. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op het locatiegebod. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van het locatieverbod kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
5. Veroordeelde (volgens rooster) onderwijs volgt, werkt en/of een andere dagbesteding heeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van deze verplichting. De elektronische monitoring vindt plaats in de vorm van een gps-enkelband. De jeugdreclassering kan elektronische monitoring meerdere malen inzetten, indien zij dit noodzakelijk acht om eventuele (recidive)risicos te beperken. Ter controle van de naleving van deze verplichting kan de jeugdreclassering de locatiegegevens op afstand uitlezen;
6. Veroordeelde geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod door middel van speeksel- en urinecontroles;
7. Veroordeelde inzicht geeft in zijn sociale netwerk, ook het online sociale netwerk, op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt;
8. Veroordeelde inzicht geeft in zijn financiën op het moment dat de jeugdreclassering hiernaar vraagt. Veroordeelde werkt mee aan hulpverlening gericht op zijn financiën (zoals budgetbeheer) indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
9. Veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opneemt, zoekt
of heeft met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , ook niet wanneer voornoemde personen daartoe zelf initiatief nemen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen te Assen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 maanden als de veroordeelde niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is;
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
een vuurwapen met goednummer 1877433;
een vuurwapen met goednummer 1877437;
munitie met goednummer 1877439;
munitie met goednummer 1877435;
munitie met goednummer 1877436;
een huls met goednummer 1849455;
een huls met goednummer 1849456;
een huls met goednummer 1849457;
een huls met goednummer 1849462;
een huls met goednummer 1849458.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair
[naam 7]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 7] te betalen:
het bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro). Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 7] aan de Staat te betalen een bedrag van 8.750,- (zegge: achtduizendzevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
[naam 8]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [naam 8] te betalen:
het bedrag van 10.980,91 (zegge: tienduizendnegenhonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent). Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade);
de wettelijke rente, te weten:
over het bedrag 8.750,- (affectieschade) vanaf 19 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
over het bedrag 1.985,- (materiële schade; grafsteen) vanaf 30 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;
over het bedrag 209,50 (materiële schade; rouwboeket) vanaf 22 juli 2025 tot aan de dag van algehele vergoeding;
over het bedrag 36,41 (materiële schade; grafbedekking) vanaf 24 april 2026 tot de dag van algehele vergoeding;
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering af van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade Decoratie (beeldje aartsengel), Decoratie (gouden roos) en verzekering grafmonument.
Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [naam 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 10.980,91 (zegge: tienduizendnegenhonderdtachtig euro en eenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor bepaald. Dit bedrag bestaat uit 2.230,91 aan materiële schade en 8.750,- aan immateriële schade (affectieschade);
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
[naam 9]
Verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade (shockschade) niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
[naam 10]
Verklaart de vordering van [naam 10] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij zijn eigen proceskosten draagt.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
18089993-24:
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 augustus 2024 aan verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevindein zich - tenzij anders aangegeven in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100/2025193176 (onderzoek Wodan) d.d. 18 december 2025. Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
2 HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963.
3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 74 e.v. van deel 1 van het procesdossier.
4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 179 e.v. van deel 1 van het procesdossier, in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 192 e.v. van deel 1 van het procesdossier, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 september 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 197 e.v. van deel 1 van het procesdossier en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen op pagina 208 e.v. van deel 2 van het procesdossier.
5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op
pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2026, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
6 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met
het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 30 december 2025, opgenomen op pagina 5
e.v. (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal bij het procesdossier.
7 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026.
8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ),
opgenomen op pagina 236 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier, het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] , d.d. 23 oktober 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van deel 7 van het procesdossier.
9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, d.d. 24 juli 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van deel 1 van het procesdossier.
10 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 28 mei 2026 in combinatie met
het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 148 e.v. van deel 6 van het procesdosier.
11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier.
12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2025 (beschrijving camerabeelden [adres] ), opgenomen
op pagina 247 e.v. van deel 2 van het procesdossier in combinatie met de door verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026 afgelegde verklaring, het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 18 december 2025.
13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 8 september 2025, opgenomen op
pagina 91 e.v. van deel 6 van het procesdossier.
14 Kamerstukken II, 1976-1977, 14413 nr 3, p. 26. Zie ook het arrest van het gerechtshof Arnhem-
Leeuwarden van 2 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2014:7466.
15 HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958