Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2516
2026-07-01
Strafrecht; Materieel strafrecht
18-133515-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak verkrachting wegens gebrek aan steunbewijs. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2010:BM2452 Hoge Raad 13-07-2010
- ECLI:NL:HR:2018:717 Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:HR:2020:1095 Hoge Raad 23-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.075 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-133515-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koops, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Assen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
slaan in het gezicht, in elk geval op het lichaam en/of
dichtknijpen van de keel en/of
de woorden "houd je bek" althans woorden van gelijke strekking toe te voegen
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en/of houden en/of bewegen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aangeefster heeft gedurende het informatieve gesprek zeden en de later opgenomen aangifte steeds consistent, authentiek en gedetailleerd verklaard. Dit maakt de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar als bewijs. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in de reactie van verdachte op de beschuldigingen van aangeefster kort na het incident. Verdachte heeft op de beschuldigingen van aangeefster gereageerd dat hij inderdaad haar grenzen heeft opgezocht en deze heeft overschreden. In Whatsapp berichten biedt verdachte meerdere keren zijn excuses aan en geeft hij aan dat hij een fout heeft gemaakt. Verdachte ontkent in deze berichten niets van wat aangeefster heeft gezegd, in plaats daarvan bevestigt hij het verhaal van aangeefster. Deze bewoordingen passen niet bij de situatie dat er gedurende het gehele seksuele contact sprake zou zijn geweest van volledige wederzijdse instemming, zoals de verklaring van verdachte luidt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van aangeefster bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en zijn twijfelachtig. Daarnaast bevindt zich geen steunbewijs voor de aangifte in het dossier.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Ook in deze zaak is dit het geval. Volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, niet uitsluitend aannemen op basis van de verklaring van één getuige (het slachtoffer). Er moet, met andere woorden, ander bewijsmateriaal zijn dat de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteunt. Indien dit steunbewijs ontbreekt, zal de rechter de verdachte moeten vrijspreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is evenwel niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal.
Voldoende kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Voorwaarde hierbij is wel dat dit steunbewijs afkomstig is van een andere bron dan het slachtoffer en dat er niet een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van het slachtoffer en het steunbewijs. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval1.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank stelt voorop dat de door aangeefster gegeven informatie in het informatieve gesprek met de politie en daarna haar aangifte, authentiek overkomt en op essentiële onderdelen consistent is. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de ten laste gelegde handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte en aangeefster de bewuste avond een eerste date hadden. Zij hebben via Tinder een afspraak gemaakt bij een café in Groningen waar zij de hele avond hebben doorgebracht. Aangeefster heeft verklaard dat dit erg gezellig was en dat zij en verdachte met elkaar hadden gezoend. Aangeefster is vervolgens bij verdachte in de auto gestapt zodat hij haar kon thuisbrengen. Volgens aangeefster drong verdachte tijdens de rit naar huis meermaals aan op seks.
Aangeefster heeft ook consistent verklaard over haar eigen rol in de aanleiding naar het tenlastegelegde. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij aanvankelijk heeft geweigerd om seks met verdachte te hebben, maar dat ze uiteindelijk toch heeft ingestemd ondanks dat ze liever geen seks op de eerste date wilde. Zij heeft verklaard dat zij routeaanwijzingen heeft gegeven naar een plek langs de weg waar aangeefster en verdachte met de auto zouden kunnen parkeren om seks te hebben, dat zij zichzelf van haar kleding heeft ontdaan, ontbloot op de achterbank van de auto is gaan liggen en vervolgens de penis van verdachte naar haar vagina heeft begeleid om tot penetratie te kunnen komen. Vervolgens heeft aangeefster verklaard dat zij al snel merkte dat de penetratie haar pijn deed en dat zij dit verbaal kenbaar maakte door meerdere keren te vragen aan verdachte te stoppen, “auw” te roepen en zij daarnaast heeft geprobeerd hem van haar af te duwen. Volgens aangeefster stopte verdachte niet, waarna zij begon te huilen. Verdachte zou tegen aangeefster hebben gezegd hou je bek, haar een klap in het gezicht hebben gegeven en haar bij de keel hebben gegrepen.
Uit de verklaringen van aangeefster komt het beeld naar voren dat aangeefster niet over één nacht ijs is gegaan bij het doen van aangifte. Er zit meer dan een jaar tussen de datum van het tenlastegelegde en het doen van aangifte. Aangeefster heeft daarover verklaard dat zij eerst niet wist of zij wel aangifte tegen verdachte wenste te doen. Dit omdat zij zichzelf aanvankelijk niet als slachtoffer zag, omdat zij in eerste instantie had ingestemd met de seks. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat zij het moeilijk vond om haar familie over de gebeurtenis te vertellen en dat zij na het volgen van therapie heeft besloten aangifte te doen als onderdeel van haar verwerkingsproces.
Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, zijn, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet aannemelijk geworden. De rechtbank betrekt daarbij dat aangeefster in de bewuste nacht een vriendin diverse spraakberichten heeft gestuurd en haar heeft verteld over deze seksuele ervaring. Ook in het spraakbericht valt op dat zij niet de volledige schuld bij verdachte wil leggen, omdat zij in eerste instantie heeft ingestemd met de seks. Deze beschrijving draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de authenticiteit van haar verklaring.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Dit gegeven alleen is echter, gelet op de hierboven weergegeven wettelijke bepaling, niet genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Onvoldoende steunbewijs
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de belastende verklaring van aangeefster over de verkrachting door verdachte voldoende steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt hiertoe als volgt.
De dag na de afspraak tussen verdachte en aangeefster, heeft verdachte via Whatsapp contact met aangeefster gezocht en gevraagd waarom aangeefster niet meer op zijn berichten reageerde. Aangeefster heeft verdachte geappt: Nou ik reageer niet omdat ik gister best wel van je gedrag ben geschrokken. Heb het heel gezellig met je gehad, maar vind zelf dat het op een vervelende manier is geëindigd. () Tijdens de "seks” ben je zwaar en meerdere keren over mijn grens heen gegaan. Ik heb duidelijk aangegeven wat ik wel en niet prettig
vond en hier luisterde jij niet naar. Ik gaf aan dat ik pijn had en vroeg meerdere keren om te stoppen, toch negeerde je dat. Verdachte heeft daarop gereageerd met: Het moment dat je de auto verliet begon mijn spijtgevoel omhoog te komen. Ik heb inderdaad je grenzen opgezocht en deze overschreden. Waar ik later pas achter kwam. Het is nooit mijn intentie geweest jou een slecht gevoel te geven over onze date of mij als persoon. Ik schaam me
enorm over het idee jou pijn gedaan te hebben.
Hierna appt aangeefster verdachte: Ik vraag mij alsmaar af of ik niet duidelijk genoeg was dat het pijn deed en dat ik wilde stoppen. Ik lag huilend onder je terwijl ik herhaaldelijk aan het vragen was of je wilde stoppen. Afvragend of ik het maar fijn moest vinden omdat
jij het heel graag wilde en jij het fijn vond. Eén van de weinige tekens die ik van jou kreeg was een klap in mijn gezicht met de woorden 'hou je bek'. Ik vraag mij steeds af of het mijn schuld is en wat ik anders had moeten doen. Verdachte stuurt daarop terug: Ik snap jou volkomen. Ik was te agressief in de auto het was nogmaals nooit mijn intentie jou pijn te laten lijden. Ik schaam me diep.
Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij met zijn reacties op de berichten van aangeefster haar erkenning voor haar gevoel wilde geven. Verdachte erkent daarmee geenszins dat hij aangeefster zou hebben verkracht, aldus verdachte. Het overschrijden van haar grenzen zag volgens verdachte op het tikje dat hij haar tijdens de seks in haar gezicht had gegeven. Volgens verdachte had hij met aangeefster afgesproken om ruige seks te hebben. Verdachte heeft benadrukt dat uit het appverkeer met aangeefster ook volgt dat hij graag met haar af wilde spreken om het uit te praten en om te kijken of ze nog een tweede date zouden kunnen hebben.
Hoewel de reactie van verdachte op de berichten met expliciete verwijten van aangeefster over wat er volgens haar is voorgevallen op zijn minst opmerkelijk is te noemen, en goed past binnen wat aangeefster in haar aangifte heeft verklaard, bieden deze berichten naar het oordeel van de rechtbank geen directe en objectieve ondersteuning voor de in de tenlastelegging aan verdachte verweten verkrachting. Het enkele gegeven dat verdachte in zijn berichten de beschuldigingen niet tegenspreekt, maakt namelijk niet dat daar zonder meer een bepaalde betekenis aan kan worden toegekend. De rechtbank betrekt daarbij dat zich in het dossier een aanknopingspunt bevindt dat verdachte en aangeefster eerder die avond mogelijk wel zouden hebben gesproken over de wens tot het hebben van ruige seks. In de aan een vriendin van aangeefster gezonden spraakberichten wordt dat namelijk door aangeefster genoemd. Tegen die achtergrond kan niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte met zijn berichten aan aangeefster de door aangeefster gestelde gedragingen heeft willen erkennen. Weliswaar zou uit de berichten van verdachte kunnen volgen dat er seksuele grenzen zijn overschreden, maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte aangeefster door middel van geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen en daarmee onvoldoende als steunbewijs voor verkrachting.
Conclusie
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat steunbewijs voor de aangifte van aangeefster ontbreekt. Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv en zal de verdachte integraal worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 385,00 ter vergoeding van materiële schade en 5.950,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer]
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. H.R. Eising en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.
1 O.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452; HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en HR 23 juni
2020, ECLI:NL:HR:2020:1095.
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18-133515-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Koops, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 mei 2023 te Assen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
slaan in het gezicht, in elk geval op het lichaam en/of
dichtknijpen van de keel en/of
de woorden "houd je bek" althans woorden van gelijke strekking toe te voegen
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en/of houden en/of bewegen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Aangeefster heeft gedurende het informatieve gesprek zeden en de later opgenomen aangifte steeds consistent, authentiek en gedetailleerd verklaard. Dit maakt de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar als bewijs. Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster voldoende steun in de reactie van verdachte op de beschuldigingen van aangeefster kort na het incident. Verdachte heeft op de beschuldigingen van aangeefster gereageerd dat hij inderdaad haar grenzen heeft opgezocht en deze heeft overschreden. In Whatsapp berichten biedt verdachte meerdere keren zijn excuses aan en geeft hij aan dat hij een fout heeft gemaakt. Verdachte ontkent in deze berichten niets van wat aangeefster heeft gezegd, in plaats daarvan bevestigt hij het verhaal van aangeefster. Deze bewoordingen passen niet bij de situatie dat er gedurende het gehele seksuele contact sprake zou zijn geweest van volledige wederzijdse instemming, zoals de verklaring van verdachte luidt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De verklaringen van aangeefster bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en zijn twijfelachtig. Daarnaast bevindt zich geen steunbewijs voor de aangifte in het dossier.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Ook in deze zaak is dit het geval. Volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, niet uitsluitend aannemen op basis van de verklaring van één getuige (het slachtoffer). Er moet, met andere woorden, ander bewijsmateriaal zijn dat de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteunt. Indien dit steunbewijs ontbreekt, zal de rechter de verdachte moeten vrijspreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is evenwel niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal.
Voldoende kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Voorwaarde hierbij is wel dat dit steunbewijs afkomstig is van een andere bron dan het slachtoffer en dat er niet een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van het slachtoffer en het steunbewijs. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval1.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
De rechtbank stelt voorop dat de door aangeefster gegeven informatie in het informatieve gesprek met de politie en daarna haar aangifte, authentiek overkomt en op essentiële onderdelen consistent is. Zij heeft consistent en consequent verklaard over de aard van de ten laste gelegde handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte en aangeefster de bewuste avond een eerste date hadden. Zij hebben via Tinder een afspraak gemaakt bij een café in Groningen waar zij de hele avond hebben doorgebracht. Aangeefster heeft verklaard dat dit erg gezellig was en dat zij en verdachte met elkaar hadden gezoend. Aangeefster is vervolgens bij verdachte in de auto gestapt zodat hij haar kon thuisbrengen. Volgens aangeefster drong verdachte tijdens de rit naar huis meermaals aan op seks.
Aangeefster heeft ook consistent verklaard over haar eigen rol in de aanleiding naar het tenlastegelegde. Zo heeft aangeefster verklaard dat zij aanvankelijk heeft geweigerd om seks met verdachte te hebben, maar dat ze uiteindelijk toch heeft ingestemd ondanks dat ze liever geen seks op de eerste date wilde. Zij heeft verklaard dat zij routeaanwijzingen heeft gegeven naar een plek langs de weg waar aangeefster en verdachte met de auto zouden kunnen parkeren om seks te hebben, dat zij zichzelf van haar kleding heeft ontdaan, ontbloot op de achterbank van de auto is gaan liggen en vervolgens de penis van verdachte naar haar vagina heeft begeleid om tot penetratie te kunnen komen. Vervolgens heeft aangeefster verklaard dat zij al snel merkte dat de penetratie haar pijn deed en dat zij dit verbaal kenbaar maakte door meerdere keren te vragen aan verdachte te stoppen, “auw” te roepen en zij daarnaast heeft geprobeerd hem van haar af te duwen. Volgens aangeefster stopte verdachte niet, waarna zij begon te huilen. Verdachte zou tegen aangeefster hebben gezegd hou je bek, haar een klap in het gezicht hebben gegeven en haar bij de keel hebben gegrepen.
Uit de verklaringen van aangeefster komt het beeld naar voren dat aangeefster niet over één nacht ijs is gegaan bij het doen van aangifte. Er zit meer dan een jaar tussen de datum van het tenlastegelegde en het doen van aangifte. Aangeefster heeft daarover verklaard dat zij eerst niet wist of zij wel aangifte tegen verdachte wenste te doen. Dit omdat zij zichzelf aanvankelijk niet als slachtoffer zag, omdat zij in eerste instantie had ingestemd met de seks. Daarnaast heeft aangeefster verklaard dat zij het moeilijk vond om haar familie over de gebeurtenis te vertellen en dat zij na het volgen van therapie heeft besloten aangifte te doen als onderdeel van haar verwerkingsproces.
Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, zijn, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet aannemelijk geworden. De rechtbank betrekt daarbij dat aangeefster in de bewuste nacht een vriendin diverse spraakberichten heeft gestuurd en haar heeft verteld over deze seksuele ervaring. Ook in het spraakbericht valt op dat zij niet de volledige schuld bij verdachte wil leggen, omdat zij in eerste instantie heeft ingestemd met de seks. Deze beschrijving draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de authenticiteit van haar verklaring.
De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Dit gegeven alleen is echter, gelet op de hierboven weergegeven wettelijke bepaling, niet genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Onvoldoende steunbewijs
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de belastende verklaring van aangeefster over de verkrachting door verdachte voldoende steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt hiertoe als volgt.
De dag na de afspraak tussen verdachte en aangeefster, heeft verdachte via Whatsapp contact met aangeefster gezocht en gevraagd waarom aangeefster niet meer op zijn berichten reageerde. Aangeefster heeft verdachte geappt: Nou ik reageer niet omdat ik gister best wel van je gedrag ben geschrokken. Heb het heel gezellig met je gehad, maar vind zelf dat het op een vervelende manier is geëindigd. () Tijdens de "seks” ben je zwaar en meerdere keren over mijn grens heen gegaan. Ik heb duidelijk aangegeven wat ik wel en niet prettig
vond en hier luisterde jij niet naar. Ik gaf aan dat ik pijn had en vroeg meerdere keren om te stoppen, toch negeerde je dat. Verdachte heeft daarop gereageerd met: Het moment dat je de auto verliet begon mijn spijtgevoel omhoog te komen. Ik heb inderdaad je grenzen opgezocht en deze overschreden. Waar ik later pas achter kwam. Het is nooit mijn intentie geweest jou een slecht gevoel te geven over onze date of mij als persoon. Ik schaam me
enorm over het idee jou pijn gedaan te hebben.
Hierna appt aangeefster verdachte: Ik vraag mij alsmaar af of ik niet duidelijk genoeg was dat het pijn deed en dat ik wilde stoppen. Ik lag huilend onder je terwijl ik herhaaldelijk aan het vragen was of je wilde stoppen. Afvragend of ik het maar fijn moest vinden omdat
jij het heel graag wilde en jij het fijn vond. Eén van de weinige tekens die ik van jou kreeg was een klap in mijn gezicht met de woorden 'hou je bek'. Ik vraag mij steeds af of het mijn schuld is en wat ik anders had moeten doen. Verdachte stuurt daarop terug: Ik snap jou volkomen. Ik was te agressief in de auto het was nogmaals nooit mijn intentie jou pijn te laten lijden. Ik schaam me diep.
Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij met zijn reacties op de berichten van aangeefster haar erkenning voor haar gevoel wilde geven. Verdachte erkent daarmee geenszins dat hij aangeefster zou hebben verkracht, aldus verdachte. Het overschrijden van haar grenzen zag volgens verdachte op het tikje dat hij haar tijdens de seks in haar gezicht had gegeven. Volgens verdachte had hij met aangeefster afgesproken om ruige seks te hebben. Verdachte heeft benadrukt dat uit het appverkeer met aangeefster ook volgt dat hij graag met haar af wilde spreken om het uit te praten en om te kijken of ze nog een tweede date zouden kunnen hebben.
Hoewel de reactie van verdachte op de berichten met expliciete verwijten van aangeefster over wat er volgens haar is voorgevallen op zijn minst opmerkelijk is te noemen, en goed past binnen wat aangeefster in haar aangifte heeft verklaard, bieden deze berichten naar het oordeel van de rechtbank geen directe en objectieve ondersteuning voor de in de tenlastelegging aan verdachte verweten verkrachting. Het enkele gegeven dat verdachte in zijn berichten de beschuldigingen niet tegenspreekt, maakt namelijk niet dat daar zonder meer een bepaalde betekenis aan kan worden toegekend. De rechtbank betrekt daarbij dat zich in het dossier een aanknopingspunt bevindt dat verdachte en aangeefster eerder die avond mogelijk wel zouden hebben gesproken over de wens tot het hebben van ruige seks. In de aan een vriendin van aangeefster gezonden spraakberichten wordt dat namelijk door aangeefster genoemd. Tegen die achtergrond kan niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte met zijn berichten aan aangeefster de door aangeefster gestelde gedragingen heeft willen erkennen. Weliswaar zou uit de berichten van verdachte kunnen volgen dat er seksuele grenzen zijn overschreden, maar dit is onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte aangeefster door middel van geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen en daarmee onvoldoende als steunbewijs voor verkrachting.
Conclusie
De rechtbank is, gelet op al het voorgaande, van oordeel dat steunbewijs voor de aangifte van aangeefster ontbreekt. Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv en zal de verdachte integraal worden vrijgesproken.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 385,00 ter vergoeding van materiële schade en 5.950,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer]
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Faber, voorzitter, mr. H.R. Eising en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. N.J. Aarts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juli 2026.
1 O.a. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452; HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717 en HR 23 juni
2020, ECLI:NL:HR:2020:1095.