Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2456
2026-02-20
Civiel recht
11970591 \ AR VERZ 25-94
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Ernstig verwijtbaar handelen door werkgever onder meer door plots aan te sturen op ontslag en door melding van ongewenst gedrag niet conform de Gedragscode te behandelen. Billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto toegewezen. Geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen ten aanzien van andere functie.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2010:BN8536 Hoge Raad 26-11-2010
- ECLI:NL:HR:2022:63 Hoge Raad 21-01-2022
- ECLI:NL:HR:2017:1187 Hoge Raad 30-06-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (48.313 tekens)
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11970591 \ AR VERZ 25-94
Beschikking van 20 februari 2026
in de zaak van
BAAS B.V.,
te Rotterdam,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,
hierna te noemen: Baas,
gemachtigde: mr. R.I. van Amerongen,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. B. van der Vegt.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijke) tegenverzoeken;
- de aanvullende producties van de zijde van Baas;
- de aanvullende productie van de zijde van [verweerder] ;
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026, waar namens Baas is verschenen [naam 1] ( [functie 1] ), bijgestaan door mr. R.I. van Amerongen. [verweerder] is ook verschenen, bijgestaan door mr. B. van der Vegt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Baas ontwerpt, bouwt en onderhoudt de boven- en ondergrondse
infrastructuren in Nederland.
2.2.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1963, is op 1 januari 2024 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Baas in de functie van (medior) [functie 2] .
2.3.
Op 2 mei 2025 heeft [verweerder] gesolliciteerd op de vacature van [functie 3] die door Baas was uitgezet.
2.4.
Op 7 mei 2025 vond er een sollicitatiegesprek plaats tussen [verweerder] , de heer [naam 2] ( [functie 4] ) en mevrouw [naam 3] ( [functie 3] ).
2.5.
Op 26 mei 2025 vond er een tweede sollicitatiegesprek plaats waarbij [verweerder] , de heer [naam 4] ( [functie 4] ) en de heer [naam 5] ( [functie 4] ) aanwezig waren.
2.6.
Op 20 juni 2025 heeft de heer [naam 6] , de leidinggevende van [verweerder] in de functie van [functie 2] , telefonisch contact gehad met [verweerder] en aangegeven dat de heer [naam 7] ( [functie 5] ) de functie van Junior [functie 3] aan haar wilde aanbieden. De heer [naam 7] heeft vervolgens ook telefonisch deze functie aan [verweerder] aangeboden.
2.7.
Op 20 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 7] een e-mail verstuurd waarin zij onder meer heeft aangegeven dat zij de voorstellen van HRM nog niet heeft ontvangen. Verder heeft zij aangegeven dat de mondelinge voorstellen afwijken van de omschrijving en salarisschaal van de functie die in de vacaturetekst stond en die ook al mondeling aan haar was toegekend.
2.8.
Op 20 juni 2025 heeft de heer [naam 7] onder meer het volgende gereageerd:
“Het salarisvoorstel komt vanuit de business, HR in een adviserende rol, het voorstel is als volgt:
• Schaal 9 PO
: Junior [functie 3] - €3.604, 00 bruto per maand bij fulltime dienstverband.
Zoals ik in ons gesprek heb aangegeven is er ruimte om te starten in
schaal 9 P2
, wat neerkomt op €3.755,00 bruto per maand (fulltime). Dit is gebaseerd op het functie- en salarisgebouw dat wij hanteren.
Je start bij ons als Junior [functie 3] . In het functieprofiel zie je dat één van de functie-eisen drie jaar werkervaring in een vergelijkbare rol is. Kennis van vergunningen, stakeholdersmanagement en contractvormen UAV-GC is ook een vereiste. Hoewel je die ervaring en kennis nog niet hebt, hebben wij er alle vertrouwen in dat jij je de rol eigen zult maken en in de toekomst kan doorgroeien naar Medior [functie 3] .
Zoals afgesproken nemen we na het weekend de tijd om dit voorstel te bespreken. We willen er graag samen uitkomen en streven naar een wederzijds akkoord.
Wellicht ten overvloede en om misverstanden te voorkomen: zonder wederzijds akkoord op de voorgestelde arbeidsvoorwaarden kan je niet starten als [functie 3] .”
2.9.
Op 25 juni 2025 vond er een gesprek plaats waarbij [verweerder] , mevrouw [naam 3] , de heer [naam 7] en de heer [naam 8] ( [functie 6] ) aanwezig waren.
2.10.
Op 26 juni 2025 heeft de heer [naam 7] pro forma berekeningen en een pro forma loonstrook naar [verweerder] verstuurd.
2.11.
Op 26 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 7] gemaild dat de financiële overzichten volgens haar niet kloppen. Zij heeft aangegeven dat volgens haar de bijtelling van de auto niet klopt en het generatiepact niet is meegenomen in de berekening.
2.12.
Dezelfde dag heeft de heer [naam 7] richting [verweerder] onder andere het volgende gereageerd:
“
Salaris
De salarisberekening is altijd een benadering en bedoeld om je een globaal beeld te geven van je brutosalaris en de bijbehorende inhoudingen. Er zit altijd een bepaalde marge in, zowel naar boven als naar beneden. Het aanbod zelf is uiteraard bekend bij jou
Generatiepact
We zijn ons ervan bewust dat je gebruikmaakt van het generatiepact. Helaas houdt de HR-tool hier op dit moment geen rekening mee, waardoor deze component niet is meegenomen in de berekening.
(…)
De overige documenten zijn online beschikbaar en worden zo snel mogelijk ook per mail toegestuurd.
Gezien het eerdere gesprek met Karel, Hermien en mijzelf, en de informatie die inmiddels is gedeeld, gaan we ervan uit dat je over voldoende informatie beschikt om een besluit te nemen.
We horen graag uiterlijk morgenmiddag 27 juni 15:00 uur of je akkoord gaat met het voorstel. Mocht je besluiten om niet akkoord te gaan of van het aanbod af te zien, dan is dat uiteraard ook prima. In dat geval blijf je in je huidige functie en verandert er niets."
2.13.
Op 27 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 6] , haar leidinggevende in de functie van [functie 2] , laten weten dat haar vader de avond ervoor was komen te overlijden en dat zij niet kon reageren op het voorstel.
2.14.
Op 14 juli 2025 heeft [verweerder] per e-mail onder meer het volgende aan de heer [naam 7] verstuurd:
“Als volgt aanvaard ik de aangeboden functie van [functie 3] en ga daarbij akkoord met een tijdelijke periode in de functie van junior [functie 3] op basis van het gegeven voorstel met de vastgestelde gemaakte afspraken. Echter, wil ik voorafgaand een aantal belangrijke punten bespreken en op papier;
• Per ingang van welke datum ben ik volwaardig [functie 3] (op grond van de originele vacaturetekst)?
• Op welke wijze ga ik mijn functie als
junior
[functie 3] vervullen en wat worden mijn taken etc.?
• Welke ondersteuning kan ik verwachten?
• Het ontvangen van de
volledige
arbeidsvoorwaarden met daarin óók omschreven wat er wordt verwacht omtrent scholing etc.?”
2.15.
Op 17 juli 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , de heer [naam 7] en de heer [naam 8] , waarbij ook de partner van [verweerder] aanwezig was. In dat gesprek is door de heer [naam 7] aangegeven dat het aanbod voor de functie van Junior [functie 3] werd ingetrokken.
2.16.
Op 17 juli 2025 heeft [verweerder] een melding gedaan bij de externe vertrouwenspersoon, mevrouw [naam 9], van ongewenst gedrag van de heer [naam 7] . Mevrouw [naam 9] heeft deze melding van ongewenst gedrag met mevrouw [naam 1] ( [functie 1] ) besproken. Dezelfde dag heeft mevrouw [naam 1] de melding besproken met de heer [naam 7] .
2.17.
Op 18 juli 2025 heeft de heer [naam 7] een brief verzonden aan [verweerder] waarin hij onder meer het volgende aangeeft:
“Na zorgvuldige overweging zijn wij tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende basis is voor een voortzetting van onze samenwerking. Wij hebben daarom besloten de arbeidsovereenkomst met u te beëindigen.
Met ingang van vandaag wordt u vrijgesteld van werkzaamheden. Dit betekent tevens dat u gedurende deze periode niet op kantoor wordt verwacht.”
2.18.
Op 21 juli 2025 heeft [verweerder] een e-mail gestuurd naar de heer [naam 7] en de heer [naam 6] . Daarin heeft zij aangegeven dat zij wil werken en daarom wil weten waar zij als [functie 3] aan de slag kan. Daarbij verzoekt zij om werk gerelateerde informatie schriftelijk met haar te communiceren en geeft zij aan dat de overige communicatie via haar advocaat loopt.
2.19.
Er heeft mediation plaatsgevonden tussen partijen, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing.
2.20.
Bij e-mail van 8 oktober 2025 van de gemachtigde van Baas is aan [verweerder] excuses aangeboden en is een functie aangeboden als Junior [functie 3] binnen een andere regio en onder een andere [functie 5] dan de heer [naam 7] . [verweerder] heeft het aanbod voor de functie afgewezen. Nadien heeft Baas dit aanbod nogmaals herhaald, waarop [verweerder] dit nogmaals heeft afgewezen.
3Het verzoek en het (voorwaardelijke) tegenverzoek
In het verzoek
3.1.
Baas verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen Baas en [verweerder] , met ingang van de eerst mogelijke datum te ontbinden, nu vanwege de genoemde feiten en redelijke gronden voor ontslag, in redelijkheid niet van Baas gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren;
II. te bepalen dat [verweerder] , naast haar aanspraak op de wettelijke transitievergoeding:
primair: geen aanspraak heeft op enige billijke of andere aanvullende vergoeding,
subsidiair: indien zij wel aanspraak heeft op een billijke vergoeding, te bepalen dat deze maximaal drie bruto maandsalarissen bedraagt;
III. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[verweerder] verzoekt in het verzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden in te willigen, met dien verstande dat de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 april 2026 dient te worden gesteld, en voor het overige de verzoeken van Baas af te wijzen;
II. Baas te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 3.041,55 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.
In het tegenverzoek
3.3.
[verweerder] verzoekt bij wijze van zelfstandig tegenverzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Baas te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 235.000,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
II. Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. Baas te veroordelen tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 6.775,-.
In het voorwaardelijke tegenverzoek
3.4.
[verweerder] verzoekt, bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, voor het geval Baas van de haar geboden mogelijkheid als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW gebruikmaakt, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van artikel 7:671c BW te ontbinden met ingang van 1 april 2026 onder toewijzing van de hierna te formuleren verzoeken;
II. Baas ex artikel 7:673 lid 1 sub b te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 3.041,55 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. Baas te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 235.000,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. Baas te veroordelen tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 6.775,-.
In het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek
3.5.
[verweerder] verzoekt verder in het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Baas te veroordelen tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Baas daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,-;
II. Baas te veroordelen in de kosten van de procedure te vermeerderen met de nakosten ter grootte van € 173,- te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking - en voor het geval voldoening van de proceskosten en de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening tot de dag der algehele voldoening;
III. Baas te veroordelen tot betaling van, voor zover van toepassing, de wettelijke verhogingen en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen.
4De beoordeling
In het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is zoals bepaald in artikel 7:669 lid 1 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Verder dient te worden nagegaan of sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.
Er is geen sprake van een opzegverbod
4.2.
Niet gesteld of gebleken is dat het verzoek verband houdt met een opzegverbod. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat er geen opzegverbod aan de toewijzing van het ontbindingsverzoek in de weg staat.
Er is sprake van een verstoorde verhouding
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding, zodanig dat van Baas in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. Ook de kantonrechter is genoegzaam gebleken dat daarvan sprake is. Gelet op de verstoorde arbeidsverhouding ligt herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in de rede.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden
4.4.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Met inachtneming van een opzegtermijn van één maand zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 april 2026.
Ter discussie staat wat de hoogte van de transitievergoeding dient te zijn
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding.
Over de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding bestaat tussen partijen wel verschil van mening. Partijen verschillen namelijk van mening over de vraag of er overeenstemming is bereikt over de functie van Junior [functie 3] en of bij de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van het bij die functie behorende salaris of van het salaris dat hoort bij de functie van [functie 2] . Er dient dan ook beoordeeld te worden of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de functie van Junior [functie 3] .
Is er overeenstemming bereikt over de functie van Junior [functie 3] ?
4.6.
[verweerder] stelt dat zij op 26 juni 2025 een aanbod van Baas heeft ontvangen met betrekking tot de betreffende functie en dat zij dat aanbod op 14 juli 2025 heeft geaccepteerd, waarmee er een overeenkomst tot stand is gekomen. Baas betwist dat er een overeenkomst tot stand is gekomen. Baas voert aan dat geen sprake was van een volwaardig aanbod van haar zijde en dat er met de instemming van [verweerder] daarom geen overeenkomst tot stand had kunnen komen. Zij voert aan dat zij nog geen volwaardig arbeidsvoorwaardenpakket en geen functieomschrijving had gedeeld, dat de ingangsdatum nog niet bekend was en dat de uit te voeren werkzaamheden nog niet bekend waren. Verder voert Baas aan dat [verweerder] met haar e-mail van 14 juli 2025 het aanbod enkel voorwaardelijk heeft geaccepteerd en er niet is voldaan aan de voorwaarden. Door [verweerder] is het voorgaande betwist.
4.7.
Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat de punten waarover partijen het eens zijn, ten minste de (wettelijke) essentialia van de overeenkomst omvatten. Daarmee is slechts een ondergrens aangegeven. Voor partijen zullen vaak méér punten van wezenlijk belang zijn dan de wettelijke essentialia. In dat verband komt het aan op de bedoelingen van partijen, zoals zij die in de gegeven omstandigheden over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen moeten begrijpen. Daarbij is, naast de verdere omstandigheden van het geval, onder meer van belang welke betekenis toekomt aan hetgeen wel en niet is geregeld en of al dan niet een voornemen tot verder onderhandelen bestaat. Wanneer een partij behoort te begrijpen dat overeenstemming over een bepaald punt voor de ander van essentieel belang is en dat deze dat punt daarom nog in de onderhandelingen wil betrekken, kan van de totstandkoming van een (romp)overeenkomst geen sprake zijn, zolang partijen het niet ook over dat punt eens zijn geworden.
Er was sprake van een volwaardig aanbod van Baas
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de informatie die is verstrekt, sprake was van een volledig aanbod en dat met het aanvaarden van dat aanbod overeenstemming kon worden bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Dit blijkt ook uit de e-mail van de heer [naam 7] van 26 juni 2025 waaruit blijkt dat van [verweerder] acceptatie of afwijzing van het aanbod werd verlangd.
[verweerder] heeft het aanbod van Baas niet (onvoorwaardelijk) geaccepteerd
4.9.
De kantonrechter volgt Baas wel in haar stelling dat uit de e-mail van 14 juli 2025 van [verweerder] blijkt dat enkel sprake was van een voorwaardelijke aanvaarding. In die email staat eerst dat [verweerder] de aangeboden functie aanvaardt en dat zij akkoord gaat met een “tijdelijke periode in de functie van junior [functie 3] ” en vervolgens heeft zij vermeld: “Echter, wil ik voorafgaand een aantal belangrijke punten bespreken en op papier: …”. Door Baas is onweersproken naar voren gebracht dat het oorspronkelijke aanbod geen ‘tijdelijke’ functie inhield, inhoudende dat [verweerder] na een vooraf te bepalen termijn zou doorgroeien naar [functie 3] , waardoor op dat punt de aanvaarding dan ook afwijkt van het aanbod. Uit de tekst in de email blijkt ook dat [verweerder] een datum wilde bespreken en vastleggen waarop zij zou doorgroeien naar de functie van [functie 3] . De kantonrechter is van oordeel dat het al dan niet tijdelijk zijn van een overeenkomst wel een essentialia van de overeenkomst is. Aangezien op dat punt geen overeenstemming is bereikt, is de kantonrechter van oordeel dat geen overeenkomst tot stand is gekomen voor de functie van Junior [functie 3] .
Het salaris van [functie 2] zal als uitgangspunt worden genomen
4.10.
Voor de berekening van de transitievergoeding dient gelet op dit voorgaande te worden uitgegaan van het bij de functie van [functie 2] behorende salaris. De kantonrechter gaat uit van het salaris zoals opgenomen in de overgelegde loonstrook, dat wil zeggen € 2.744,00 te vermeerderen met vakantiegeld. Er zal daarom een bedrag van € 2.222,64, uitgaande van een dienstverband van twee jaar en drie maanden, worden toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 mei 2026.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld
4.11.
[verweerder] verzoekt in het tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding van € 235.000,00. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 onder c BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
4.12.
[verweerder] stelt dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij op 18 juli 2025 aan [verweerder] een brief heeft verstuurd waarin zij heeft aangegeven dat het dienstverband wordt beëindigd terwijl de dag daarvoor een melding van ongewenst gedrag door [verweerder] was ingediend en er niet eerst mediation had plaatsgevonden. Daarnaast stelt zij dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij achteraf onterechte verwijten heeft geconstrueerd, namelijk dat [verweerder] zou hebben geweigerd haar oude functie uit te voeren. Volgens [verweerder] heeft Baas ook ernstig verwijtbaar gehandeld door de gang van zaken rondom de sollicitatieprocedure en door haar niet te werk te stellen als (Junior) [functie 3] . Verder stelt [verweerder] dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de melding van ongewenst gedrag niet op vertrouwelijke en juiste manier te behandelen en door informatie te verstrekken over de mediation.
4.13.
Baas heeft niet goed gehandeld in de sollicitatieprocedure van [verweerder] op de vacature van [functie 3] . Pas in een laat stadium heeft Baas [verweerder] ervan op de hoogte gesteld dat aan haar een junior functie zou worden aangeboden. Vervolgens heeft Baas, na de e-mail van 14 juli 2025 van [verweerder] dit aanbod weer ingetrokken. Dit terwijl de onderhandelingen al in een ver gevorderd stadium waren en er verder niet is gebleken van een concrete aanleiding voor deze beslissing. De kantonrechter acht dit handelen verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar, omdat er nog geen volledige overeenstemming was bereikt over de betreffende functie.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas met het plots aansturen op het eindigen van het dienstverband met de brief op 18 juli 2025 wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Baas heeft het in deze procedure doen voorkomen alsof de brief een reactie was op het gesprek van 17 juli 2025, omdat [verweerder] in dat gesprek zou hebben geweigerd om de functie van [functie 2] nog uit te voeren, maar dat zij dit heeft geweigerd vindt geen steun in de van de zijde van Baas overgelegde gespreksverslagen of andere processtukken. Ook heeft [verweerder] dit voldoende gemotiveerd weersproken en heeft zij producties overgelegd waaruit blijkt dat zij op 17 juli 2025 met de heer [naam 6] contact heeft gehad over het uitvoeren van de functie van [functie 2] . Dat in het gesprek van 17 juli 2025 is besproken dat [verweerder] was vrijgesteld van werkzaamheden of dat het dienstverband zou worden beëindigd is door [verweerder] eveneens gemotiveerd betwist, valt ook niet af te leiden uit de gespreksverslagen en is ook in strijd met de e-mailcorrespondentie met de heer [naam 6] . Waaruit Baas zou hebben begrepen dat [verweerder] niet meer bij Baas zou willen werken is verder door Baas onvoldoende onderbouwd. Daarbij acht de kantonrechter ook ernstig verwijtbaar dat Baas in de persoon van de heer [naam 7] de brief heeft verstuurd terwijl hij wist dat er een klacht tegen hem was ingediend vanwege ongewenst gedrag.
4.15.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Baas dat de verstoorde verhoudingen ook zijn veroorzaakt door de wijze waarop [verweerder] handelde nadat zij gehoord had dat zij de door haar gewenste functie niet kreeg. [verweerder] is gedurende de sollicitatieprocedure aan het lijntje gehouden door Baas, kreeg vervolgens een functie aangeboden waar zij niet voor had gesolliciteerd en op het moment dat zij daar – begrijpelijkerwijs – kritische vragen over stelde werd het aanbod ingetrokken en werd haar na het indienen van een klacht bericht dat het dienstverband zou worden beëindigd. Het is invoelbaar dat [verweerder] (na een niet geslaagde mediation) niet meer open heeft gestaan voor herstel van de arbeidsverhouding met Baas. De wijze waarop de verhoudingen tussen partijen verstoord zijn geraakt is geheel te wijten aan Baas.
4.16.
Verder heeft [verweerder] gesteld dat Baas ook ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat de [functie 1] , mevrouw [naam 1] , de inhoud van de melding met de heer [naam 7] had besproken, terwijl [verweerder] daarvoor geen toestemming had gegeven. Dit is volgens [verweerder] in strijd met de Klokkenluidersregeling en de Gedragscode van Baas. Door Baas is daartegenover aangevoerd dat geen sprake was van een klokkenluidersmelding of melding van ongewenst gedrag in de zin van de Gedragscode en dat daarom geen toestemming gevraagd hoefde te worden voor het delen van informatie. Verder heeft Baas aangevoerd dat zij niet weet hoe zij anders onderzoek had kunnen doen naar de melding en dat zij het verder had willen bespreken met [verweerder] , maar dat ieder contact door haar werd geweigerd en zij toen al had aangegeven dat het contact via haar advocaat moest plaatsvinden.
4.17.
Dat sprake is van een melding in de zin van de Klokkenluidersregeling heeft [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij wel gesteld dat sprake was van een melding van een vermoeden van een onvolkomenheid of ongerechtigheid van algemene of operationele aard, die zodanig ernstig is dat deze buiten de reguliere werkprocessen valt en de verantwoordelijkheid van de direct leidinggevende overstijgt, maar heeft zij dit niet nader uitgewerkt. Door Baas is dit ook betwist. Dit is dus niet komen vast te staan.
4.18.
De kantonrechter is verder van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat sprake is van een melding in de zin van de Gedragscode, aangezien volgens artikel 2.3 van de Gedragscode ook een melding kan worden gedaan over iets “wat niet goed voelt” en er dus geen eisen worden gesteld aan de melding. Baas had op grond van artikel 2.4 van die Gedragscode de melding vertrouwelijk moeten behandelen. Ook had zij de identiteit van [verweerder] niet mogen delen, omdat [verweerder] niet had aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Baas (in de persoon van de [functie 1] ) heeft de melding echter besproken met de heer [naam 7] en de identiteit van [verweerder] gedeeld. Baas heeft dan ook in strijd gehandeld met de Gedragscode. De kantonrechter acht dit handelen ook ernstig verwijtbaar. Baas had (al dan niet door tussenkomst van de gemachtigde van [verweerder] ) met [verweerder] moeten communiceren over de (on)mogelijkheid van klachtbehandeling en de noodzaak van hoor- en wederhoor. Daarbij speelt in deze zaak ook een rol dat [verweerder] al voorafgaand aan het gesprek van 17 juli 2025 aan de [functie 1] had aangegeven dat zij zich niet prettig voelde over het gesprek dat gepland stond en aan [verweerder] door de [functie 1] is aangegeven dat het een ‘veilig gesprek’ zou worden. Onder deze omstandigheden bestond er extra aanleiding om de melding zorgvuldig op te pakken.
4.19.
Door [verweerder] is verder gesteld dat de melding niet op een juiste wijze is behandeld. Zij stelt dat er extern onderzoek had moeten plaatsvinden in plaats van onderzoek door de [functie 1] . De kantonrechter is van oordeel dat zonder nadere toelichting onduidelijk is waarom dit ernstig verwijtbaar zou zijn. Door [verweerder] is ook niet onderbouwd, anders dan aan de hand van de verklaring van mevrouw [naam 9] welke later is aangevuld, dat een extern onderzoek plaats had moeten vinden en waarom het interne onderzoek niet voldoende was.
4.20.
Tot slot is nog gesteld dat er informatie is verstrekt over het mediationtraject doordat Baas in haar pleitaantekeningen heeft aangegeven dat de heer [naam 7] heeft getracht om met mediation de verhoudingen te herstellen en dat daarmee in strijd is gehandeld met de geheimhoudingsplicht. Volgens [verweerder] heeft Baas ten aanzien hiervan ook ernstig verwijtbaar gehandeld. Voor zover Baas hiermee informatie heeft verstrekt die onder de geheimhoudingsplicht valt, acht de kantonrechter dit in dit geval niet (ernstig) verwijtbaar.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 50.000,00 bruto aan billijke vergoeding toe
4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas een billijke vergoeding aan [verweerder] verschuldigd is. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met de inkomsten die nog verkregen hadden kunnen worden op basis van het dienstverband, indien het ernstig verwijtbare handelen wordt weggedacht, welke andere inkomsten werknemer inmiddels heeft en met de inkomsten die hij of zij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bovendien kan de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding worden betrokken. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.22.
Een belangrijk gezichtspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ter bepaling hiervan moet de kantonrechter een schatting maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als deze niet als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Baas zou zijn geëindigd. Door [verweerder] is gesteld dat zij naar verwachting tot haar pensioen bij Baas had kunnen blijven. Door Baas is dit betwist en is aangevoerd dat de verhouding tussen [verweerder] en haar leidinggevenden (de heer [naam 7] en de heer [naam 8] ) niet goed was, hetgeen blijkt uit het feit dat ze een klacht tegen hen heeft ingediend, waardoor het niet waarschijnlijk was dat zij tot haar pensioen daar zou blijven werken. Door [verweerder] is evenwel toegelicht dat er ten opzichte van de heer [naam 8] geen melding is ingediend.
4.23.
De kantonrechter gaat er wel van uit dat, het ernstig verwijtbare handelen weggedacht, [verweerder] tot aan haar pensioen bij Baas had kunnen werken. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen na een open gesprek dan wel mediation, de niet naar behoren verlopen sollicitatieprocedure achter zich hadden kunnen laten en dat [verweerder] haar werkzaamheden als [functie 2] had kunnen voortzetten. [verweerder] werkte naar tevredenheid in die functie en de heer [naam 7] (met wie de verhoudingen stroef waren als gevolg van de manier waarop de sollicitatieprocedure was doorlopen) was daar niet haar leidinggevende. Door Baas is weliswaar aangevoerd dat door de houding en gebrek aan flexibiliteit van [verweerder] de bom ook was gebarsten in haar oude functie, maar zij heeft niet concreet gemaakt dat dit in die functie voor problemen heeft dan wel zou hebben gezorgd.
4.24.
Verder acht de kantonrechter in het kader van de in de toekomst te verwachten inkomsten van belang dat door [verweerder] is toegelicht dat zij in het verleden in verschillende sectoren functies heeft bekleed, waaronder als WMO-consulente. Zij heeft evenwel ook toegelicht dat zij in het verleden veel heeft moeten solliciteren voordat zij functies verkreeg en dat zij bij Baas is terechtgekomen omdat zij iemand kende die daar werkte. Tevens heeft zij toegelicht dat zij aan een potentiële nieuwe werkgever uitleg zal moeten geven over het vertrek bij Baas hetgeen wellicht ook niet het vinden van een nieuwe baan zal bespoedigen. De kantonrechter acht het gelet op dit voorgaande en gelet op haar leeftijd (62 jaar) voor haar niet heel eenvoudig om een nieuwe baan tegen soortgelijke betaling te vinden. De kantonrechter acht het wel waarschijnlijk dat [verweerder] in een periode van 1,5 jaar (na 1 april 2026) een dergelijke baan zou kunnen vinden.
4.25.
De kantonrechter houdt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding verder nog rekening met de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van Baas, zoals die hiervoor is beschreven en met de omstandigheid dat aan [verweerder] reeds een transitievergoeding van € 2.222,64 bruto is toegekend.
4.26.
Door Baas is nog aangevoerd dat er zes maanden aan salaris moeten worden verrekend, omdat [verweerder] sinds juli 2025 niet aan het werk is en zij met haar ruzies meerdere leidinggevenden dusdanig heeft geraakt dat zij langere tijd niet volledig konden werken. De kantonrechter is echter van oordeel dat Baas hiermee de plank misslaat. [verweerder] is niet werkzaam geweest als gevolg van de (ernstig) verwijtbare handelingen van Baas. Daarom is sprake van omstandigheden die niet voor rekening van [verweerder] komen in de zin van artikel 7:628 BW. Verrekening, dan wel rekening houden met die omstandigheden bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding, is aldus niet aan de orde. De kantonrechter is ook van oordeel dat [verweerder] geen verwijt treft van de ontstane situatie.
4.27.
De kantonrechter acht gelet op alle omstandigheden een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto passend en dit bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Baas krijgt de mogelijkheid om het verzoek in te trekken
4.28.
Baas krijgt de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 6 maart 2026 in te trekken, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden (artikel 7:686a lid 6 BW).
In geval van intrekking door Baas wordt het tegenverzoek tot ontbinding toegewezen
4.29.
Wanneer Baas haar verzoek niet binnen de daarvoor gestelde termijn intrekt, heeft [verweerder] geen belang (meer) bij haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is dan immers al ontbonden op verzoek van Baas. De door [verweerder] verzochte ontbinding zal in dat geval dan ook worden afgewezen. Voor zover Baas haar verzoek wél tijdig intrekt, zal de kantonrechter het verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat zich hier omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of op korte tijd behoort te eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW). Baas is in dat geval eveneens de hiervoor genoemde transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW) en billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 sub b BW) aan [verweerder] verschuldigd.
4.30.
Als Baas haar verzoek intrekt, en het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] dus zal worden toegewezen, krijgt [verweerder] de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 20 maart 2026 in te trekken, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden (artikel 7:686a lid 6 BW).
Baas is geen achterstallig salaris verschuldigd
4.31.
[verweerder] heeft verder verzocht om Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto. Zij stelt dat zij, nu er overeenstemming was bereikt over de functie van Junior [functie 3] , ook recht heeft op het salaris wat daarbij hoort vanaf 14 juli 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Zoals hiervoor is geoordeeld, is de kantonrechter van oordeel dat geen overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot die functie. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Baas is gehouden tot het voldoen van een eindafrekening en verstrekken van een specificatie
4.32.
Verder heeft [verweerder] verzocht om Baas te veroordelen tot het voldoen van een eindafrekening alsmede het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking op straffe van een dwangsom. De kantonrechter is van oordeel dat Baas gehouden is om alle nog openstaande looncomponenten te betalen aan [verweerder] en daarvan een specificatie te verstrekken, maar niet binnen de door [verweerder] genoemde termijn. Het dienstverband is immers nog niet geëindigd. De termijn zal worden bepaald op een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal de verzochte dwangsom afwijzen, aangezien er geen aanleiding is om te veronderstellen dat Baas hiertoe niet vrijwillig zal overgaan. Het verzoek zal met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.
Baas is gehouden om de buitengerechtelijke kosten te betalen
4.33.
[verweerder] verzoekt verder om Baas te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van een bedrag van € 6.775,00. [verweerder] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te wijzen vergoeding zal aansluiting worden gezocht bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 1.569,64 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Baas wordt veroordeeld in de proceskosten
4.34.
De proceskosten komen voor rekening van Baas, omdat Baas overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Baas. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] in het verzoek worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. Vanwege de nauwe samenhang met het verzoek worden de proceskosten in het (voorwaardelijke) tegenverzoek vastgesteld op nihil. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
stelt Baas in de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 6 maart 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij;
Voor het geval Baas het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
5.3.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 2.222,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.4.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.5.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.6.
veroordeelt Baas tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen een maand na 1 april 2026;
5.7.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.9.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst af het meer of anders verzochte;
Voor het geval Baas het verzoek binnen die termijn intrekt:
5.11.
stelt [verweerder] in de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 20 maart 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij;
Voor het geval [verweerder] haar verzoek vervolgens niet binnen die termijn intrekt:
5.12.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
5.13.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 2.222,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.14.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.15.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.16.
veroordeelt Baas tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen een maand na 1 april 2026;
5.17.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.18.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.19.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.20.
wijst af het meer of anders verzochte;
Voor het geval [verweerder] haar verzoek binnen die termijn (ook) intrekt:
5.21.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.22.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.23.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.24.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.25.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
52952
HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8536.
HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 (New Hairstyle).
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer / rekestnummer: 11970591 \ AR VERZ 25-94
Beschikking van 20 februari 2026
in de zaak van
BAAS B.V.,
te Rotterdam,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,
hierna te noemen: Baas,
gemachtigde: mr. R.I. van Amerongen,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het (voorwaardelijke) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. B. van der Vegt.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijke) tegenverzoeken;
- de aanvullende producties van de zijde van Baas;
- de aanvullende productie van de zijde van [verweerder] ;
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026, waar namens Baas is verschenen [naam 1] ( [functie 1] ), bijgestaan door mr. R.I. van Amerongen. [verweerder] is ook verschenen, bijgestaan door mr. B. van der Vegt. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
2.1.
Baas ontwerpt, bouwt en onderhoudt de boven- en ondergrondse
infrastructuren in Nederland.
2.2.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1963, is op 1 januari 2024 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Baas in de functie van (medior) [functie 2] .
2.3.
Op 2 mei 2025 heeft [verweerder] gesolliciteerd op de vacature van [functie 3] die door Baas was uitgezet.
2.4.
Op 7 mei 2025 vond er een sollicitatiegesprek plaats tussen [verweerder] , de heer [naam 2] ( [functie 4] ) en mevrouw [naam 3] ( [functie 3] ).
2.5.
Op 26 mei 2025 vond er een tweede sollicitatiegesprek plaats waarbij [verweerder] , de heer [naam 4] ( [functie 4] ) en de heer [naam 5] ( [functie 4] ) aanwezig waren.
2.6.
Op 20 juni 2025 heeft de heer [naam 6] , de leidinggevende van [verweerder] in de functie van [functie 2] , telefonisch contact gehad met [verweerder] en aangegeven dat de heer [naam 7] ( [functie 5] ) de functie van Junior [functie 3] aan haar wilde aanbieden. De heer [naam 7] heeft vervolgens ook telefonisch deze functie aan [verweerder] aangeboden.
2.7.
Op 20 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 7] een e-mail verstuurd waarin zij onder meer heeft aangegeven dat zij de voorstellen van HRM nog niet heeft ontvangen. Verder heeft zij aangegeven dat de mondelinge voorstellen afwijken van de omschrijving en salarisschaal van de functie die in de vacaturetekst stond en die ook al mondeling aan haar was toegekend.
2.8.
Op 20 juni 2025 heeft de heer [naam 7] onder meer het volgende gereageerd:
“Het salarisvoorstel komt vanuit de business, HR in een adviserende rol, het voorstel is als volgt:
• Schaal 9 PO
: Junior [functie 3] - €3.604, 00 bruto per maand bij fulltime dienstverband.
Zoals ik in ons gesprek heb aangegeven is er ruimte om te starten in
schaal 9 P2
, wat neerkomt op €3.755,00 bruto per maand (fulltime). Dit is gebaseerd op het functie- en salarisgebouw dat wij hanteren.
Je start bij ons als Junior [functie 3] . In het functieprofiel zie je dat één van de functie-eisen drie jaar werkervaring in een vergelijkbare rol is. Kennis van vergunningen, stakeholdersmanagement en contractvormen UAV-GC is ook een vereiste. Hoewel je die ervaring en kennis nog niet hebt, hebben wij er alle vertrouwen in dat jij je de rol eigen zult maken en in de toekomst kan doorgroeien naar Medior [functie 3] .
Zoals afgesproken nemen we na het weekend de tijd om dit voorstel te bespreken. We willen er graag samen uitkomen en streven naar een wederzijds akkoord.
Wellicht ten overvloede en om misverstanden te voorkomen: zonder wederzijds akkoord op de voorgestelde arbeidsvoorwaarden kan je niet starten als [functie 3] .”
2.9.
Op 25 juni 2025 vond er een gesprek plaats waarbij [verweerder] , mevrouw [naam 3] , de heer [naam 7] en de heer [naam 8] ( [functie 6] ) aanwezig waren.
2.10.
Op 26 juni 2025 heeft de heer [naam 7] pro forma berekeningen en een pro forma loonstrook naar [verweerder] verstuurd.
2.11.
Op 26 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 7] gemaild dat de financiële overzichten volgens haar niet kloppen. Zij heeft aangegeven dat volgens haar de bijtelling van de auto niet klopt en het generatiepact niet is meegenomen in de berekening.
2.12.
Dezelfde dag heeft de heer [naam 7] richting [verweerder] onder andere het volgende gereageerd:
“
Salaris
De salarisberekening is altijd een benadering en bedoeld om je een globaal beeld te geven van je brutosalaris en de bijbehorende inhoudingen. Er zit altijd een bepaalde marge in, zowel naar boven als naar beneden. Het aanbod zelf is uiteraard bekend bij jou
Generatiepact
We zijn ons ervan bewust dat je gebruikmaakt van het generatiepact. Helaas houdt de HR-tool hier op dit moment geen rekening mee, waardoor deze component niet is meegenomen in de berekening.
(…)
De overige documenten zijn online beschikbaar en worden zo snel mogelijk ook per mail toegestuurd.
Gezien het eerdere gesprek met Karel, Hermien en mijzelf, en de informatie die inmiddels is gedeeld, gaan we ervan uit dat je over voldoende informatie beschikt om een besluit te nemen.
We horen graag uiterlijk morgenmiddag 27 juni 15:00 uur of je akkoord gaat met het voorstel. Mocht je besluiten om niet akkoord te gaan of van het aanbod af te zien, dan is dat uiteraard ook prima. In dat geval blijf je in je huidige functie en verandert er niets."
2.13.
Op 27 juni 2025 heeft [verweerder] aan de heer [naam 6] , haar leidinggevende in de functie van [functie 2] , laten weten dat haar vader de avond ervoor was komen te overlijden en dat zij niet kon reageren op het voorstel.
2.14.
Op 14 juli 2025 heeft [verweerder] per e-mail onder meer het volgende aan de heer [naam 7] verstuurd:
“Als volgt aanvaard ik de aangeboden functie van [functie 3] en ga daarbij akkoord met een tijdelijke periode in de functie van junior [functie 3] op basis van het gegeven voorstel met de vastgestelde gemaakte afspraken. Echter, wil ik voorafgaand een aantal belangrijke punten bespreken en op papier;
• Per ingang van welke datum ben ik volwaardig [functie 3] (op grond van de originele vacaturetekst)?
• Op welke wijze ga ik mijn functie als
junior
[functie 3] vervullen en wat worden mijn taken etc.?
• Welke ondersteuning kan ik verwachten?
• Het ontvangen van de
volledige
arbeidsvoorwaarden met daarin óók omschreven wat er wordt verwacht omtrent scholing etc.?”
2.15.
Op 17 juli 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , de heer [naam 7] en de heer [naam 8] , waarbij ook de partner van [verweerder] aanwezig was. In dat gesprek is door de heer [naam 7] aangegeven dat het aanbod voor de functie van Junior [functie 3] werd ingetrokken.
2.16.
Op 17 juli 2025 heeft [verweerder] een melding gedaan bij de externe vertrouwenspersoon, mevrouw [naam 9], van ongewenst gedrag van de heer [naam 7] . Mevrouw [naam 9] heeft deze melding van ongewenst gedrag met mevrouw [naam 1] ( [functie 1] ) besproken. Dezelfde dag heeft mevrouw [naam 1] de melding besproken met de heer [naam 7] .
2.17.
Op 18 juli 2025 heeft de heer [naam 7] een brief verzonden aan [verweerder] waarin hij onder meer het volgende aangeeft:
“Na zorgvuldige overweging zijn wij tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende basis is voor een voortzetting van onze samenwerking. Wij hebben daarom besloten de arbeidsovereenkomst met u te beëindigen.
Met ingang van vandaag wordt u vrijgesteld van werkzaamheden. Dit betekent tevens dat u gedurende deze periode niet op kantoor wordt verwacht.”
2.18.
Op 21 juli 2025 heeft [verweerder] een e-mail gestuurd naar de heer [naam 7] en de heer [naam 6] . Daarin heeft zij aangegeven dat zij wil werken en daarom wil weten waar zij als [functie 3] aan de slag kan. Daarbij verzoekt zij om werk gerelateerde informatie schriftelijk met haar te communiceren en geeft zij aan dat de overige communicatie via haar advocaat loopt.
2.19.
Er heeft mediation plaatsgevonden tussen partijen, maar dit heeft niet geleid tot een oplossing.
2.20.
Bij e-mail van 8 oktober 2025 van de gemachtigde van Baas is aan [verweerder] excuses aangeboden en is een functie aangeboden als Junior [functie 3] binnen een andere regio en onder een andere [functie 5] dan de heer [naam 7] . [verweerder] heeft het aanbod voor de functie afgewezen. Nadien heeft Baas dit aanbod nogmaals herhaald, waarop [verweerder] dit nogmaals heeft afgewezen.
3Het verzoek en het (voorwaardelijke) tegenverzoek
In het verzoek
3.1.
Baas verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen Baas en [verweerder] , met ingang van de eerst mogelijke datum te ontbinden, nu vanwege de genoemde feiten en redelijke gronden voor ontslag, in redelijkheid niet van Baas gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren;
II. te bepalen dat [verweerder] , naast haar aanspraak op de wettelijke transitievergoeding:
primair: geen aanspraak heeft op enige billijke of andere aanvullende vergoeding,
subsidiair: indien zij wel aanspraak heeft op een billijke vergoeding, te bepalen dat deze maximaal drie bruto maandsalarissen bedraagt;
III. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[verweerder] verzoekt in het verzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden in te willigen, met dien verstande dat de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 april 2026 dient te worden gesteld, en voor het overige de verzoeken van Baas af te wijzen;
II. Baas te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 3.041,55 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.
In het tegenverzoek
3.3.
[verweerder] verzoekt bij wijze van zelfstandig tegenverzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Baas te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 235.000,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
II. Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. Baas te veroordelen tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 6.775,-.
In het voorwaardelijke tegenverzoek
3.4.
[verweerder] verzoekt, bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek, voor het geval Baas van de haar geboden mogelijkheid als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW gebruikmaakt, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond van artikel 7:671c BW te ontbinden met ingang van 1 april 2026 onder toewijzing van de hierna te formuleren verzoeken;
II. Baas ex artikel 7:673 lid 1 sub b te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 3.041,55 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. Baas te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding aan [verweerder] ter grootte van € 235.000,- bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
IV. Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
V. Baas te veroordelen tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 6.775,-.
In het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek
3.5.
[verweerder] verzoekt verder in het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. Baas te veroordelen tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen zeven dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Baas daarmee in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 25.000,-;
II. Baas te veroordelen in de kosten van de procedure te vermeerderen met de nakosten ter grootte van € 173,- te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking - en voor het geval voldoening van de proceskosten en de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening tot de dag der algehele voldoening;
III. Baas te veroordelen tot betaling van, voor zover van toepassing, de wettelijke verhogingen en de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen.
4De beoordeling
In het verzoek en in het (voorwaardelijke) tegenverzoek
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is zoals bepaald in artikel 7:669 lid 1 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). Verder dient te worden nagegaan of sprake is van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW of een vergelijkbaar opzegverbod.
Er is geen sprake van een opzegverbod
4.2.
Niet gesteld of gebleken is dat het verzoek verband houdt met een opzegverbod. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat er geen opzegverbod aan de toewijzing van het ontbindingsverzoek in de weg staat.
Er is sprake van een verstoorde verhouding
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde verhouding, zodanig dat van Baas in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. Ook de kantonrechter is genoegzaam gebleken dat daarvan sprake is. Gelet op de verstoorde arbeidsverhouding ligt herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in de rede.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden
4.4.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Met inachtneming van een opzegtermijn van één maand zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden per 1 april 2026.
Ter discussie staat wat de hoogte van de transitievergoeding dient te zijn
4.5.
Partijen zijn het erover eens dat [verweerder] recht heeft op een transitievergoeding.
Over de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding bestaat tussen partijen wel verschil van mening. Partijen verschillen namelijk van mening over de vraag of er overeenstemming is bereikt over de functie van Junior [functie 3] en of bij de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van het bij die functie behorende salaris of van het salaris dat hoort bij de functie van [functie 2] . Er dient dan ook beoordeeld te worden of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de functie van Junior [functie 3] .
Is er overeenstemming bereikt over de functie van Junior [functie 3] ?
4.6.
[verweerder] stelt dat zij op 26 juni 2025 een aanbod van Baas heeft ontvangen met betrekking tot de betreffende functie en dat zij dat aanbod op 14 juli 2025 heeft geaccepteerd, waarmee er een overeenkomst tot stand is gekomen. Baas betwist dat er een overeenkomst tot stand is gekomen. Baas voert aan dat geen sprake was van een volwaardig aanbod van haar zijde en dat er met de instemming van [verweerder] daarom geen overeenkomst tot stand had kunnen komen. Zij voert aan dat zij nog geen volwaardig arbeidsvoorwaardenpakket en geen functieomschrijving had gedeeld, dat de ingangsdatum nog niet bekend was en dat de uit te voeren werkzaamheden nog niet bekend waren. Verder voert Baas aan dat [verweerder] met haar e-mail van 14 juli 2025 het aanbod enkel voorwaardelijk heeft geaccepteerd en er niet is voldaan aan de voorwaarden. Door [verweerder] is het voorgaande betwist.
4.7.
Voor de totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat de punten waarover partijen het eens zijn, ten minste de (wettelijke) essentialia van de overeenkomst omvatten. Daarmee is slechts een ondergrens aangegeven. Voor partijen zullen vaak méér punten van wezenlijk belang zijn dan de wettelijke essentialia. In dat verband komt het aan op de bedoelingen van partijen, zoals zij die in de gegeven omstandigheden over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen moeten begrijpen. Daarbij is, naast de verdere omstandigheden van het geval, onder meer van belang welke betekenis toekomt aan hetgeen wel en niet is geregeld en of al dan niet een voornemen tot verder onderhandelen bestaat. Wanneer een partij behoort te begrijpen dat overeenstemming over een bepaald punt voor de ander van essentieel belang is en dat deze dat punt daarom nog in de onderhandelingen wil betrekken, kan van de totstandkoming van een (romp)overeenkomst geen sprake zijn, zolang partijen het niet ook over dat punt eens zijn geworden.
Er was sprake van een volwaardig aanbod van Baas
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de informatie die is verstrekt, sprake was van een volledig aanbod en dat met het aanvaarden van dat aanbod overeenstemming kon worden bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Dit blijkt ook uit de e-mail van de heer [naam 7] van 26 juni 2025 waaruit blijkt dat van [verweerder] acceptatie of afwijzing van het aanbod werd verlangd.
[verweerder] heeft het aanbod van Baas niet (onvoorwaardelijk) geaccepteerd
4.9.
De kantonrechter volgt Baas wel in haar stelling dat uit de e-mail van 14 juli 2025 van [verweerder] blijkt dat enkel sprake was van een voorwaardelijke aanvaarding. In die email staat eerst dat [verweerder] de aangeboden functie aanvaardt en dat zij akkoord gaat met een “tijdelijke periode in de functie van junior [functie 3] ” en vervolgens heeft zij vermeld: “Echter, wil ik voorafgaand een aantal belangrijke punten bespreken en op papier: …”. Door Baas is onweersproken naar voren gebracht dat het oorspronkelijke aanbod geen ‘tijdelijke’ functie inhield, inhoudende dat [verweerder] na een vooraf te bepalen termijn zou doorgroeien naar [functie 3] , waardoor op dat punt de aanvaarding dan ook afwijkt van het aanbod. Uit de tekst in de email blijkt ook dat [verweerder] een datum wilde bespreken en vastleggen waarop zij zou doorgroeien naar de functie van [functie 3] . De kantonrechter is van oordeel dat het al dan niet tijdelijk zijn van een overeenkomst wel een essentialia van de overeenkomst is. Aangezien op dat punt geen overeenstemming is bereikt, is de kantonrechter van oordeel dat geen overeenkomst tot stand is gekomen voor de functie van Junior [functie 3] .
Het salaris van [functie 2] zal als uitgangspunt worden genomen
4.10.
Voor de berekening van de transitievergoeding dient gelet op dit voorgaande te worden uitgegaan van het bij de functie van [functie 2] behorende salaris. De kantonrechter gaat uit van het salaris zoals opgenomen in de overgelegde loonstrook, dat wil zeggen € 2.744,00 te vermeerderen met vakantiegeld. Er zal daarom een bedrag van € 2.222,64, uitgaande van een dienstverband van twee jaar en drie maanden, worden toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 mei 2026.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld
4.11.
[verweerder] verzoekt in het tegenverzoek om toekenning van een billijke vergoeding van € 235.000,00. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (artikel 7:671b lid 9 onder c BW). Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
4.12.
[verweerder] stelt dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij op 18 juli 2025 aan [verweerder] een brief heeft verstuurd waarin zij heeft aangegeven dat het dienstverband wordt beëindigd terwijl de dag daarvoor een melding van ongewenst gedrag door [verweerder] was ingediend en er niet eerst mediation had plaatsgevonden. Daarnaast stelt zij dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat zij achteraf onterechte verwijten heeft geconstrueerd, namelijk dat [verweerder] zou hebben geweigerd haar oude functie uit te voeren. Volgens [verweerder] heeft Baas ook ernstig verwijtbaar gehandeld door de gang van zaken rondom de sollicitatieprocedure en door haar niet te werk te stellen als (Junior) [functie 3] . Verder stelt [verweerder] dat Baas ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de melding van ongewenst gedrag niet op vertrouwelijke en juiste manier te behandelen en door informatie te verstrekken over de mediation.
4.13.
Baas heeft niet goed gehandeld in de sollicitatieprocedure van [verweerder] op de vacature van [functie 3] . Pas in een laat stadium heeft Baas [verweerder] ervan op de hoogte gesteld dat aan haar een junior functie zou worden aangeboden. Vervolgens heeft Baas, na de e-mail van 14 juli 2025 van [verweerder] dit aanbod weer ingetrokken. Dit terwijl de onderhandelingen al in een ver gevorderd stadium waren en er verder niet is gebleken van een concrete aanleiding voor deze beslissing. De kantonrechter acht dit handelen verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar, omdat er nog geen volledige overeenstemming was bereikt over de betreffende functie.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas met het plots aansturen op het eindigen van het dienstverband met de brief op 18 juli 2025 wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Baas heeft het in deze procedure doen voorkomen alsof de brief een reactie was op het gesprek van 17 juli 2025, omdat [verweerder] in dat gesprek zou hebben geweigerd om de functie van [functie 2] nog uit te voeren, maar dat zij dit heeft geweigerd vindt geen steun in de van de zijde van Baas overgelegde gespreksverslagen of andere processtukken. Ook heeft [verweerder] dit voldoende gemotiveerd weersproken en heeft zij producties overgelegd waaruit blijkt dat zij op 17 juli 2025 met de heer [naam 6] contact heeft gehad over het uitvoeren van de functie van [functie 2] . Dat in het gesprek van 17 juli 2025 is besproken dat [verweerder] was vrijgesteld van werkzaamheden of dat het dienstverband zou worden beëindigd is door [verweerder] eveneens gemotiveerd betwist, valt ook niet af te leiden uit de gespreksverslagen en is ook in strijd met de e-mailcorrespondentie met de heer [naam 6] . Waaruit Baas zou hebben begrepen dat [verweerder] niet meer bij Baas zou willen werken is verder door Baas onvoldoende onderbouwd. Daarbij acht de kantonrechter ook ernstig verwijtbaar dat Baas in de persoon van de heer [naam 7] de brief heeft verstuurd terwijl hij wist dat er een klacht tegen hem was ingediend vanwege ongewenst gedrag.
4.15.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van Baas dat de verstoorde verhoudingen ook zijn veroorzaakt door de wijze waarop [verweerder] handelde nadat zij gehoord had dat zij de door haar gewenste functie niet kreeg. [verweerder] is gedurende de sollicitatieprocedure aan het lijntje gehouden door Baas, kreeg vervolgens een functie aangeboden waar zij niet voor had gesolliciteerd en op het moment dat zij daar – begrijpelijkerwijs – kritische vragen over stelde werd het aanbod ingetrokken en werd haar na het indienen van een klacht bericht dat het dienstverband zou worden beëindigd. Het is invoelbaar dat [verweerder] (na een niet geslaagde mediation) niet meer open heeft gestaan voor herstel van de arbeidsverhouding met Baas. De wijze waarop de verhoudingen tussen partijen verstoord zijn geraakt is geheel te wijten aan Baas.
4.16.
Verder heeft [verweerder] gesteld dat Baas ook ernstig verwijtbaar heeft gehandeld doordat de [functie 1] , mevrouw [naam 1] , de inhoud van de melding met de heer [naam 7] had besproken, terwijl [verweerder] daarvoor geen toestemming had gegeven. Dit is volgens [verweerder] in strijd met de Klokkenluidersregeling en de Gedragscode van Baas. Door Baas is daartegenover aangevoerd dat geen sprake was van een klokkenluidersmelding of melding van ongewenst gedrag in de zin van de Gedragscode en dat daarom geen toestemming gevraagd hoefde te worden voor het delen van informatie. Verder heeft Baas aangevoerd dat zij niet weet hoe zij anders onderzoek had kunnen doen naar de melding en dat zij het verder had willen bespreken met [verweerder] , maar dat ieder contact door haar werd geweigerd en zij toen al had aangegeven dat het contact via haar advocaat moest plaatsvinden.
4.17.
Dat sprake is van een melding in de zin van de Klokkenluidersregeling heeft [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Zo heeft zij wel gesteld dat sprake was van een melding van een vermoeden van een onvolkomenheid of ongerechtigheid van algemene of operationele aard, die zodanig ernstig is dat deze buiten de reguliere werkprocessen valt en de verantwoordelijkheid van de direct leidinggevende overstijgt, maar heeft zij dit niet nader uitgewerkt. Door Baas is dit ook betwist. Dit is dus niet komen vast te staan.
4.18.
De kantonrechter is verder van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat sprake is van een melding in de zin van de Gedragscode, aangezien volgens artikel 2.3 van de Gedragscode ook een melding kan worden gedaan over iets “wat niet goed voelt” en er dus geen eisen worden gesteld aan de melding. Baas had op grond van artikel 2.4 van die Gedragscode de melding vertrouwelijk moeten behandelen. Ook had zij de identiteit van [verweerder] niet mogen delen, omdat [verweerder] niet had aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben. Baas (in de persoon van de [functie 1] ) heeft de melding echter besproken met de heer [naam 7] en de identiteit van [verweerder] gedeeld. Baas heeft dan ook in strijd gehandeld met de Gedragscode. De kantonrechter acht dit handelen ook ernstig verwijtbaar. Baas had (al dan niet door tussenkomst van de gemachtigde van [verweerder] ) met [verweerder] moeten communiceren over de (on)mogelijkheid van klachtbehandeling en de noodzaak van hoor- en wederhoor. Daarbij speelt in deze zaak ook een rol dat [verweerder] al voorafgaand aan het gesprek van 17 juli 2025 aan de [functie 1] had aangegeven dat zij zich niet prettig voelde over het gesprek dat gepland stond en aan [verweerder] door de [functie 1] is aangegeven dat het een ‘veilig gesprek’ zou worden. Onder deze omstandigheden bestond er extra aanleiding om de melding zorgvuldig op te pakken.
4.19.
Door [verweerder] is verder gesteld dat de melding niet op een juiste wijze is behandeld. Zij stelt dat er extern onderzoek had moeten plaatsvinden in plaats van onderzoek door de [functie 1] . De kantonrechter is van oordeel dat zonder nadere toelichting onduidelijk is waarom dit ernstig verwijtbaar zou zijn. Door [verweerder] is ook niet onderbouwd, anders dan aan de hand van de verklaring van mevrouw [naam 9] welke later is aangevuld, dat een extern onderzoek plaats had moeten vinden en waarom het interne onderzoek niet voldoende was.
4.20.
Tot slot is nog gesteld dat er informatie is verstrekt over het mediationtraject doordat Baas in haar pleitaantekeningen heeft aangegeven dat de heer [naam 7] heeft getracht om met mediation de verhoudingen te herstellen en dat daarmee in strijd is gehandeld met de geheimhoudingsplicht. Volgens [verweerder] heeft Baas ten aanzien hiervan ook ernstig verwijtbaar gehandeld. Voor zover Baas hiermee informatie heeft verstrekt die onder de geheimhoudingsplicht valt, acht de kantonrechter dit in dit geval niet (ernstig) verwijtbaar.
De kantonrechter wijst een bedrag van € 50.000,00 bruto aan billijke vergoeding toe
4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat Baas een billijke vergoeding aan [verweerder] verschuldigd is. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding kan rekening worden gehouden met de inkomsten die nog verkregen hadden kunnen worden op basis van het dienstverband, indien het ernstig verwijtbare handelen wordt weggedacht, welke andere inkomsten werknemer inmiddels heeft en met de inkomsten die hij of zij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bovendien kan de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding worden betrokken. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.22.
Een belangrijk gezichtspunt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de ‘waarde van de arbeidsovereenkomst’. Ter bepaling hiervan moet de kantonrechter een schatting maken van de vermoedelijke duur van de arbeidsovereenkomst als deze niet als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Baas zou zijn geëindigd. Door [verweerder] is gesteld dat zij naar verwachting tot haar pensioen bij Baas had kunnen blijven. Door Baas is dit betwist en is aangevoerd dat de verhouding tussen [verweerder] en haar leidinggevenden (de heer [naam 7] en de heer [naam 8] ) niet goed was, hetgeen blijkt uit het feit dat ze een klacht tegen hen heeft ingediend, waardoor het niet waarschijnlijk was dat zij tot haar pensioen daar zou blijven werken. Door [verweerder] is evenwel toegelicht dat er ten opzichte van de heer [naam 8] geen melding is ingediend.
4.23.
De kantonrechter gaat er wel van uit dat, het ernstig verwijtbare handelen weggedacht, [verweerder] tot aan haar pensioen bij Baas had kunnen werken. De kantonrechter gaat ervan uit dat partijen na een open gesprek dan wel mediation, de niet naar behoren verlopen sollicitatieprocedure achter zich hadden kunnen laten en dat [verweerder] haar werkzaamheden als [functie 2] had kunnen voortzetten. [verweerder] werkte naar tevredenheid in die functie en de heer [naam 7] (met wie de verhoudingen stroef waren als gevolg van de manier waarop de sollicitatieprocedure was doorlopen) was daar niet haar leidinggevende. Door Baas is weliswaar aangevoerd dat door de houding en gebrek aan flexibiliteit van [verweerder] de bom ook was gebarsten in haar oude functie, maar zij heeft niet concreet gemaakt dat dit in die functie voor problemen heeft dan wel zou hebben gezorgd.
4.24.
Verder acht de kantonrechter in het kader van de in de toekomst te verwachten inkomsten van belang dat door [verweerder] is toegelicht dat zij in het verleden in verschillende sectoren functies heeft bekleed, waaronder als WMO-consulente. Zij heeft evenwel ook toegelicht dat zij in het verleden veel heeft moeten solliciteren voordat zij functies verkreeg en dat zij bij Baas is terechtgekomen omdat zij iemand kende die daar werkte. Tevens heeft zij toegelicht dat zij aan een potentiële nieuwe werkgever uitleg zal moeten geven over het vertrek bij Baas hetgeen wellicht ook niet het vinden van een nieuwe baan zal bespoedigen. De kantonrechter acht het gelet op dit voorgaande en gelet op haar leeftijd (62 jaar) voor haar niet heel eenvoudig om een nieuwe baan tegen soortgelijke betaling te vinden. De kantonrechter acht het wel waarschijnlijk dat [verweerder] in een periode van 1,5 jaar (na 1 april 2026) een dergelijke baan zou kunnen vinden.
4.25.
De kantonrechter houdt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding verder nog rekening met de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van Baas, zoals die hiervoor is beschreven en met de omstandigheid dat aan [verweerder] reeds een transitievergoeding van € 2.222,64 bruto is toegekend.
4.26.
Door Baas is nog aangevoerd dat er zes maanden aan salaris moeten worden verrekend, omdat [verweerder] sinds juli 2025 niet aan het werk is en zij met haar ruzies meerdere leidinggevenden dusdanig heeft geraakt dat zij langere tijd niet volledig konden werken. De kantonrechter is echter van oordeel dat Baas hiermee de plank misslaat. [verweerder] is niet werkzaam geweest als gevolg van de (ernstig) verwijtbare handelingen van Baas. Daarom is sprake van omstandigheden die niet voor rekening van [verweerder] komen in de zin van artikel 7:628 BW. Verrekening, dan wel rekening houden met die omstandigheden bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding, is aldus niet aan de orde. De kantonrechter is ook van oordeel dat [verweerder] geen verwijt treft van de ontstane situatie.
4.27.
De kantonrechter acht gelet op alle omstandigheden een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto passend en dit bedrag zal worden toegewezen. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Baas krijgt de mogelijkheid om het verzoek in te trekken
4.28.
Baas krijgt de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 6 maart 2026 in te trekken, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden (artikel 7:686a lid 6 BW).
In geval van intrekking door Baas wordt het tegenverzoek tot ontbinding toegewezen
4.29.
Wanneer Baas haar verzoek niet binnen de daarvoor gestelde termijn intrekt, heeft [verweerder] geen belang (meer) bij haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst is dan immers al ontbonden op verzoek van Baas. De door [verweerder] verzochte ontbinding zal in dat geval dan ook worden afgewezen. Voor zover Baas haar verzoek wél tijdig intrekt, zal de kantonrechter het verzoek van [verweerder] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat zich hier omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of op korte tijd behoort te eindigen (artikel 7:671c lid 1 BW). Baas is in dat geval eveneens de hiervoor genoemde transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW) en billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 sub b BW) aan [verweerder] verschuldigd.
4.30.
Als Baas haar verzoek intrekt, en het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder] dus zal worden toegewezen, krijgt [verweerder] de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 20 maart 2026 in te trekken, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden (artikel 7:686a lid 6 BW).
Baas is geen achterstallig salaris verschuldigd
4.31.
[verweerder] heeft verder verzocht om Baas te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris over de periode gelegen tussen 14 juli 2025 en 1 april 2026, ter grootte van in totaal € 8.593,50 bruto. Zij stelt dat zij, nu er overeenstemming was bereikt over de functie van Junior [functie 3] , ook recht heeft op het salaris wat daarbij hoort vanaf 14 juli 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Zoals hiervoor is geoordeeld, is de kantonrechter van oordeel dat geen overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot die functie. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Baas is gehouden tot het voldoen van een eindafrekening en verstrekken van een specificatie
4.32.
Verder heeft [verweerder] verzocht om Baas te veroordelen tot het voldoen van een eindafrekening alsmede het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening binnen zeven dagen na dagtekening van de beschikking op straffe van een dwangsom. De kantonrechter is van oordeel dat Baas gehouden is om alle nog openstaande looncomponenten te betalen aan [verweerder] en daarvan een specificatie te verstrekken, maar niet binnen de door [verweerder] genoemde termijn. Het dienstverband is immers nog niet geëindigd. De termijn zal worden bepaald op een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal de verzochte dwangsom afwijzen, aangezien er geen aanleiding is om te veronderstellen dat Baas hiertoe niet vrijwillig zal overgaan. Het verzoek zal met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.
Baas is gehouden om de buitengerechtelijke kosten te betalen
4.33.
[verweerder] verzoekt verder om Baas te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van een bedrag van € 6.775,00. [verweerder] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te wijzen vergoeding zal aansluiting worden gezocht bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarom zal een bedrag van € 1.569,64 aan buitengerechtelijke kosten worden toegewezen. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Baas wordt veroordeeld in de proceskosten
4.34.
De proceskosten komen voor rekening van Baas, omdat Baas overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van Baas. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] in het verzoek worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. Vanwege de nauwe samenhang met het verzoek worden de proceskosten in het (voorwaardelijke) tegenverzoek vastgesteld op nihil. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
stelt Baas in de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 6 maart 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij;
Voor het geval Baas het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
5.3.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 2.222,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.4.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.5.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.6.
veroordeelt Baas tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen een maand na 1 april 2026;
5.7.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.8.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.9.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst af het meer of anders verzochte;
Voor het geval Baas het verzoek binnen die termijn intrekt:
5.11.
stelt [verweerder] in de gelegenheid om haar verzoek uiterlijk 20 maart 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij;
Voor het geval [verweerder] haar verzoek vervolgens niet binnen die termijn intrekt:
5.12.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
5.13.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 2.222,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;
5.14.
veroordeelt Baas om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.15.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.16.
veroordeelt Baas tot het voldoen van de eindafrekening, alsmede tot het verstrekken van een deugdelijke specificatie van de eindafrekening aan [verweerder] , zulks binnen een maand na 1 april 2026;
5.17.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.18.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.19.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.20.
wijst af het meer of anders verzochte;
Voor het geval [verweerder] haar verzoek binnen die termijn (ook) intrekt:
5.21.
veroordeelt Baas tot betaling van de door [verweerder] gemaakte buitengerechtelijke (incasso)kosten ter grootte van € 1.569,64, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling;
5.22.
veroordeelt Baas in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Baas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.23.
veroordeelt Baas in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking zijn voldaan;
5.24.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.25.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Boerlage-van den Bosch en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
52952
HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8536.
HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).
HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 (New Hairstyle).