Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:2348

2026-05-13 Bestuursrecht LEE 24/1535
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-06-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
LEE 24/1535
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Woo-verzoek, 6:19 Awb besluit, immateriële schadevergoeding

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.709 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen



Bestuursrecht



zaaknummer: LEE 24/1535


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [plaats], eiser,


en


de minister van Justitie en Veiligheid, de minister,
(gemachtigde: mr. drs. P.M. Timmer Arends).




Procesverloop


1. Eiser heeft op 21 maart 2023 een aanvraag ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser heeft verzocht om de openbaarmaking van alle stukken die zien op de communicatie met betrekking tot het voornemen om uitsupporters te weren bij voetbalwedstrijden in de Eredivisie in de periode van 1 januari 2022 tot en met 21 maart 2023. 1.1. Eiser heeft het verzoek gericht aan de minister van Justitie en Veiligheid maar de brief gestuurd naar het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De brief is daar op 28 maart 2023 ontvangen en op 17 mei 2023 met een begeleidende brief doorgestuurd naar het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op 25 mei 2023 heeft de minister eiser verzocht om precisering van het verzoek; eiser heeft hier op 31 mei 2023 op gereageerd.


1.2.
De minister heeft met het besluit van 25 juli 2023 een afwijzend besluit genomen op de aanvraag. Eiser heeft tegen dit besluit gemotiveerd bezwaar gemaakt en betoogd waarom hij van mening is dat zijn aanvraag ten onrechte niet is ingewilligd.



1.3.
Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 heeft de minister, onder herhaling van zijn eerdere standpunten, het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.



1.4.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de gronden aangevuld.


1.5.
Op 28 juli 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden omdat de minister recent ambtshalve kennis genomen had van informatie die aanleiding geeft voor een herstelbesluit.



1.6.
Bij besluit van 27 maart 2026 heeft de minister het bestreden besluit van 1 maart 2024 ingetrokken en opnieuw beslist op het bezwaar van eiser.


1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser was met bericht van verhindering niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.




Beoordeling door de rechtbank


Verzoek vrijstelling griffierecht
2. Het beoordelen van een beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht vindt plaats op basis van de financiële situatie op het moment dat het griffierecht betaald moet worden. Eiser heeft op 26 maart 2024 beroep ingesteld en diende op dat moment het verschuldigde griffierecht te voldoen. Eiser heeft verzocht om vrijstelling wegens betalingsonmacht. Gegeven het feit dat eiser op het moment van indiening van het beroep (nog) gedetineerd was, is op 30 april 2024 de beslissing genomen het verzoek om vrijstelling voorlopig toe te wijzen.


2.1.
De minister werpt de vraag op of de financiële positie van eiser een vrijstelling nog langer rechtvaardigt, temeer daar hij in beroep heeft verzocht om verletkosten te vergoeden. De minister stelt zich om die reden op het standpunt dat, nu eiser zelf aangeeft over (aanzienlijke) inkomsten te beschikken, hij niet (langer) kan worden vrijgesteld van griffierecht. Indien het griffierecht niet is betaald, is een beroep niet-ontvankelijk.



2.2.
De rechtbank beslist dat het verzoek om vrijstelling van de betaling van het griffierecht definitief wordt toegewezen. Niet omdat niet in geschil is dat thans een dergelijk verzoek niet langer zonder meer gehonoreerd zou worden, eiser is immers ook niet meer gedetineerd en geniet thans inkomsten, maar omdat de beoordeling van de inkomens- en vermogenspositie van eiser ten tijde van het indienen van het beroep (maart 2024) thans (ruim twee jaar later) niet meer opportuun wordt geacht. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.



Beroep tegen besluit van 1 maart 2024
3. Nu de minister het besluit van 1 maart 2024 op 27 maart 2026 heeft ingetrokken, is het door eiser daartegen ingestelde beroep reeds om die reden gegrond. Nu eiser niet heeft aangetoond belang te hebben bij een oordeel over de rechtmatigheid van het ingetrokken besluit, wordt het door de minister ingetrokken besluit niet alsnog door de rechtbank vernietigd.




Beroep tegen besluit van 27 maart 2026
4. De rechtbank stelt vast dat gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep van eiser van rechtswege (mede) betrekking heeft op het door de minister genomen besluit van 27 maart 2026. Gelet hierop, en anders dan door eiser bepleit, zal de rechtbank het besluit beoordelen, hoewel het is ingediend zonder rekening te houden met de termijn van 10 dagen voorafgaand aan de zitting. Eiser is niet in zijn procespositie geschaad, gelet op het volgende.



5. De minister heeft alsnog besloten tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van de documenten die vallen onder de reikwijdte van het verzoek van eiser. Daarmee stelt de minister zich op het standpunt dat hij alsnog volledig tegemoetgekomen is aan de bezwaren van eiser en dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.




5.1.
Eiser heeft aangegeven niet inhoudelijk op het door de minister gestelde te willen reageren, omdat hij dit al in vele procedures heeft gedaan en het derhalve tot een herhaling van zetten zou komen.



5.2.
De rechtbank stelt vast dat uit een nieuwe zoekslag door de minister, anders dan gesteld in het besluit van 1 maart 2024, alsnog is gebleken dat er documenten zijn die vallen onder de reikwijdte van het verzoek van eiser. Deze 25 documenten zijn bij besluit van 27 maart 2026 alsnog (gedeeltelijk) openbaar gemaakt. Voor een deel van de informatie geldt dat deze reeds openbaar toegankelijk is. Er zijn geen documenten waarvan de openbaarmaking (geheel) is geweigerd.



5.3.
Gelet op de inhoud van het besluit van 27 maart 2026, de openbaar gemaakte informatie en het verhandelde ter zitting, komt de mededeling zoals weergegeven onder 5.2. de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. In hetgeen door eiser in deze procedure is gesteld ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister meer documenten openbaar had moeten maken of dat aannemelijk is dat er meer documenten onder hem berusten. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank dat de minister op goede gronden de informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt heeft en dat niet is gebleken dat een deel van de informatie ten onrechte is weggelakt.



5.4.
In beginsel heeft eiser het recht om op zijn bezwaar te worden gehoord. Nu alsnog door de minister een besluit is genomen waarbij geheel aan de inhoudelijke bezwaren van eiser tegemoetgekomen is, had de minister echter kunnen afzien van het horen van eiser. Temeer nu er reeds een beroepsprocedure aanhangig was waarin eiser in de gelegenheid gesteld is zijn gronden toe te lichten en het nieuw genomen besluit van rechtswege onderdeel werd van deze procedure. Ook deze grond kan in de omstandigheden zoals hier aan de orde niet leiden tot vernietiging van het besluit van 27 maart 2026.



Immateriële schadevergoeding

6. Eiser betoogt dat hij recht heeft op een immateriële schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. De besluitvorming heeft langer geduurd dan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.




6.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, overschreden, als de duur van de totale procedure te lang is. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vier jaar redelijk. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Hierbij mag de behandeling van het bezwaar hoogstens een half jaar duren, de behandeling van het beroep hoogstens anderhalf jaar duren en de behandeling van het hoger beroep hoogstens twee jaar duren.



6.2.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is voor eiser in onderhavige zaak gestart op het moment van ontvangst door de minister op 7 augustus 2023 van het bezwaarschrift van eiser. Tot het moment van de uitspraak (13 mei 2026) zijn in totaal 33 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaar is gelet hierop met negen maanden overschreden.6.3. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag € 1.000,-.


6.4.

De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. Hoewel de overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden in deze zaak weliswaar (grotendeels) in de rechterlijke fase is gelegen, betrekt de rechtbank hierbij dat het beroep van eiser gepland stond voor de mondelinge behandeling op de zitting van 30 juli 2025. Op verzoek van de minister is de zaak eerst aangehouden tot september 2025, waarna de minister aangaf nog enkele weken langer nodig te hebben voor nadere besluitvorming. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten om de behandeling van de zaak op de zitting van 2 april 2026 voort te zetten. In de week voorafgaand aan de zitting heeft de minister vervolgens alsnog het bestreden besluit van 1 maart 2024 ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn feitelijk veroorzaakt is door het aanhoudingsverzoek van en de nadere besluitvorming door de minister. Anders dan de minister bepleit, komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in zodanige mate is toe te schrijven aan het procesgedrag van eiser (in bezwaar), dat uitgegaan zou moeten worden van een overschrijding van (afgerond) minder dan twee periodes van een half jaar. Evenmin komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van het ontbreken van procesbelang of het maken van misbruik van procesrecht door eiser. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten. De rechtbank veroordeelt daarom de minister tot vergoeding van de immateriële schade aan eiser van € 1.000,-.


Verzoek reis- en verletkosten
7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten alsmede van de reiskosten die hij voor het bijwonen van de zitting moet maken.




7.1.
Eiser was met bericht van verhindering niet aanwezig op de zitting van 2 april 2026. Reeds om die reden kunnen de beide verzoeken niet worden toegewezen.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep tegen het bestreden besluit van1 maart 2024 is terecht ingediend en daarom gegrond. Het beroep tegen het besluit van 27 maart 2026 is ongegrond. Eiser heeft geen griffierecht betaald. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, nu van dergelijke kosten niet is gebleken. Wel krijgt eiser een vergoeding van de immateriële schade.









Beslissing


De rechtbank



verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 maart 2024 gegrond;


verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 27 maart 2026 ongegrond;


veroordeelt de minister tot betaling van € 1.000,- aan schadevergoeding aan eiser;


wijst de overige verzoeken af.






Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.















griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Eiser verwijst daarbij naar ARN 23/5016, r.o. 4.1.


Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.