Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2026:2217

2026-05-19 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/4513
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Uitspraakdatum
2026-05-19
Publicatiedatum
2026-06-09
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
25/4513
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Veroordeling PKV. Toekenning van een kostenvergoeding van € 32,07 voor de aanwezigheid van een deskundige tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase. Niet aannemelijk gemaakt dat niet wordt opgetreden op basis van no cure no pay. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt daarom vermenigvuldigd met 0,25.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.035 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: LEE 25/4513


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen



[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [naam 1] ),


en




de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.




Inleiding


1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 oktober 2025.



1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de WOZ-beschikking van de onroerende zaak [adres] (de woning) voor het jaar 2025 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.



1.3.
De heffingsambtenaar heeft eiser op 5 maart 2026 een schikkingsvoorstel gedaan waarbij de WOZ-waarde van de woning wordt aangepast naar € 325.000. De heffingsambtenaar heeft hierbij ook een voorstel gedaan voor de proceskostenvergoeding.



1.4.
De rechtbank heeft eiser vervolgens gevraagd of hij naar aanleiding van het bericht van de heffingsambtenaar (1.3.) het beroep wil handhaven of intrekken. Hierop heeft eiser aangegeven dat hij het niet eens is met de door de heffingsambtenaar voorgestelde proceskostenvergoeding.



1.5.
De rechtbank doet, met instemming van partijen, op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zonder zitting uitspraak.




Beoordeling door de rechtbank


2. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de WOZ-waarde van de woning op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2025. Deze zal worden vastgesteld op € 325.000. De heffingsambtenaar heeft toegezegd het griffierecht te vergoeden en hij heeft zich bereid verklaard de proceskosten te vergoeden. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de hoogte van de proceskostenvergoeding.




2.1.

De heffingsambtenaar heeft het volgende voorstel voor de proceskostenvergoeding aan eiser gedaan:

“- Indienen bezwaar 1 punt ad € 666,- x WOZ-factor 0,125 = € 83,25

- Hoorzitting 1 punt ad € 666,- x WOZ-factor 0,125 = € 83,25

- Indienen beroepsschrift 1 punt ad € 934,- x WOZ-factor 0.25 = € 233,50

-Taxatierapport 4 uur ad € 53,- + 21 % BTW = € 256,52

- griffierecht € 53,-


========

Totaal te vergoeden proceskosten € 709,52”




2.2.
Eiser heeft in reactie op het voorstel van de heffingsambtenaar - samengevat - aangevoerd dat de vergoeding voor de deskundige ten bedrage van € 32,07 ontbreekt en dat de vergoeding voor het indienen van het beroepschrift € 934 bedraagt, omdat de procedure niet onder een no cure no pay-afspraak valt.



2.3.
Uit de stukken die partijen over en weer hebben ingediend, leidt de rechtbank af dat het geschil zich beperkt tot de vragen of eiser recht heeft op een vergoeding voor de aanwezigheid van een deskundige tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase en of de correctiefactor uit artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ dient te worden toegepast over de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.



Kostenvergoeding deskundige hoorzitting

3.



3.1.
De gemachtigde van eiser heeft een deskundige, de heer [naam 2] (taxateur), meegebracht naar de hoorzitting in de bezwaarfase. Eiser heeft daarvoor in beroep een vergoeding verzocht van € 32,07.



3.2.
De heffingsambtenaar stelt dat een vergoeding voor de inbreng van de deskundige bij de hoorzitting niet van toepassing kan zijn, omdat deze werkzaamheden zijn verricht door de heer [naam 2] , die een huwelijkse relatie met de gemachtigde van eiser heeft, waardoor niet kan worden gesproken van een onafhankelijke deskundige.



3.3.
De rechtbank kent de verzochte vergoeding van € 32,07 toe. De rechtbank overweegt dat het gegeven dat sprake is van een huwelijkse relatie tussen [naam 1] en [naam 2] hier niet aan in de weg staat. De heer [naam 2] kwalificeert, in ieder geval vanuit het perspectief van eiser zelf gezien, als een onafhankelijke deskundige.



Bijzonder geval in de zin van artikel 30a van de Wet WOZ?

4.



4.1.
Op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25 indien het besluit genomen op grond van de Wet WOZ wordt vernietigd of gewijzigd, behoudens bijzondere omstandigheden.Er is sprake van een bijzonder geval als kennelijk geen sprake is van het volgende: aan de belanghebbende wordt rechtsbijstand verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel erin bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende. De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.



4.2.
Eiser heeft op 11 november 2025 beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stelt dat zij - door de veranderde wetgeving inzake de vergoeding van proceskosten - vanaf 2025 genoodzaakt is in de meeste beroepsprocedures cliënten zelf te laten bijdragen en niet meer standaard op basis van no cure no pay optreedt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de gemachtigde een factuur overgelegd die zij aan eiser heeft verstuurd, die een bedrag van € 250 (exclusief BTW) vermeldt met omschrijving ‘Kosten inzake indienen beroep inzake onjuiste WOZ-waarde [adres] ’.



4.3.
De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaakt dat niet wordt opgetreden op basis van no cure no pay. Met wat gemachtigde heeft aangevoerd, heeft zij geen concreet en eenduidig inzicht gegeven in haar bedrijfsmodel. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 25 april 2025 heeft gezegd, gaat het bij de beoordeling van het bedrijfsmodel om de algemene wijze waarop de gemachtigde inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Het overleggen van slechts één factuur biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidig beeld van het bedrijfsmodel. Bovendien volgt uit de overgelegde overeenkomst van opdracht/volmacht dat voor het instellen van het beroep juist wél een no cure no pay-afspraak is gemaakt tussen eiser en zijn gemachtigde. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de factuur van een eerdere datum is (29 oktober 2025) dan de ondertekende overeenkomst van opdracht/volmacht (11 november 2025). Alles bij elkaar is (de gemachtigde van) eiser niet in de bewijslast geslaagd dat sprake is van een bijzonder geval in de zin van artikel 30a van de Wet WOZ.



4.4.
De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt daarom vermenigvuldigd met 0,25 (artikel 30a , tweede lid, van de Wet WOZ) en bedraagt hiermee € 233,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934 per punt, een wegingsfactor 1 en een vermenigvuldigingsfactor 0,25).



Conclusie en gevolgen


5. Omdat de overeenstemming over de WOZ-waarde na het instellen van het beroep (zie 1.3) heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de WOZ-waarde verminderen naar € 325.000.

6. Partijen zijn het erover eens dat de proceskostenvergoeding voor het indienen van het bezwaar € 83,25 bedraagt, voor de hoorzitting € 83,25 en voor het taxatierapport € 256,52. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen. De proceskostenvergoeding voor de aanwezigheid van een deskundige tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase bedraagt € 32,07 (zie 3.3) en die voor het indienen van het beroepschrift € 233,50 (zie 4.4). Daarmee bedraagt de totale proceskostenvergoeding € 688,59. Verder dient de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de WOZ-waarde van de woning tot een bedrag van € 325.000;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 688,59 aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Sanna, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Veenstra, griffier.














griffier


rechter








Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2026.





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.


Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, r.o. 3.4.3.


Hoge Raad 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.