Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2147
2026-05-15
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
LEE 26/1305
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het bezwaar tegen het besluit van de NCG van 13 mei 2025 heeft daarom naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen. Weliswaar heeft verzoeker het verzoek ook gericht tegen het Instituut Mijnbouwschade (IMG), maar uit de gedingstukken is niet gebleken van relevante besluitvorming door het IMG.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.256 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1305
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.A. Westers)
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
voor deze de Nationaal Coördinator Groningen, verweerder
(gemachtigde: G.H. Poort-van Drempt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om onverwijld primair de voorlopige voorziening te treffen inhoudende het primaire besluit waarvan bezwaar te schorsen en bij wege van voorlopige voorziening de uitvoering van maatregel 28 voorlopig toe te wijzen, althans een zodanige voorziening als [de voorzieningenrechter] in goede justitie zal vermenen te behoren. Voorts verzoeken zij verweerders in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs zijn gemaakt te veroordelen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij besluit van 2 juli 2024 is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de hersteloperatie Groningen voor zover deze voor 2 juli 2024 was opgedragen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat.
4. [naam 1] is eigenaar van de woning aan [adres] . Met “Maatregel 28” beoogt verzoeker kennelijk te verwijzen naar de kamerbrief van 25 april 2023 over Nij Begun. Daarin staat het volgende te lezen over die maatregel.
“Maatregel 28
Woningen die nog versterkt moeten worden aardgasvrij(-gereed) maken
Voor bewoners die nog wachten op een ingrijpende (zware of middelzware) versterking van de woning wil het kabinet isolatiemaatregelen laten toepassen gelijktijdig met de versterking van hun huis. Het budget voor de NCG wordt hiervoor opgehoogd. Uitgangspunt bij deze aanpak is dat de versterking niet vertraagd wordt, en dat deze huizen uiterlijk in 2028 zijn versterkt en verduurzaamd naar het niveau van aardgasvrij of aardgasvrij gereed. De NCG zal samen met bewoners tot een maatwerkoplossing komen, voor de huizen die nog versterkt moeten worden. Uiteraard is deze koppeling niet verplicht. Bewoners kunnen zelf kiezen of ze gebruik willen maken van deze mogelijkheid tot verduurzaming.[…]”
5. Op 13 mei 2025 heeft verweerder een besluit genomen ( [nummer 1] ). Daaruit is het volgende citaat afkomstig.
“U bent eigenaar van de woning aan [adres] (Pand-ID nummer [nummer 2] ). Het is belangrijk dat u uw woning bij een (zware) aardbeving op tijd kunt verlaten. Uw woning moet daarom voldoen aan de veiligheidsnorm. Hiervoor zijn versterkingsmaatregelen nodig. Dit bleek uit ons eerdere onderzoek. Welke versterkingsmaatregelen nodig zijn leest u in dit versterkingsbesluit. In deze brief neem ik de volgende besluiten:
1. Uw woning voldoet niet aan de veiligheidsnorm.
2. Om ervoor te zorgen dat uw woning wel aan de veiligheidsnorm voldoet, zijn maatregelen nodig. Dat noemen we versterkingsmaatregelen. Deze maatregelen staan in de technische tekeningen van 26 maart 2021 en de memo van 31 mei 2021.
3. Het IMG voert de versterkingsmaatregelen voor u uit. Wij regelen en betalen dit. U krijgt hier daarom zelf geen geld voor.
4. Ik verbind voorwaarden aan het recht op vergoeding van de versterkingskosten.
Deze besluiten neem ik op grond van artikel 13j van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) en het besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019 (Mandaat).
[…]”
5.1.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
5.2.
Op 20 januari 2026 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - Herstel Groningen het volgende aan verzoeker meegedeeld over het bezwaar.
“Indieningstermijn bezwaarschrift
Een bezwaarschrift moet uiterlijk zes weken na de dag van verzending van het besluit, waartegen u bezwaar maakt, zijn ingediend (dit volgt uit artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht). Het besluit is verzonden op 13 mei 2025. Dat betekent dat u uiterlijk op 24 juni 2025 bezwaar had moeten maken. Uw bezwaarschrift tegen mijn besluit van 13 mei 2025 heb ik ontvangen op 19 januari 2026. U heeft uw bezwaarschrift dus niet op tijd ingediend.
Ondanks dat u te laat bezwaar heeft gemaakt kan een bezwaarschrift in uitzonderlijke gevallen toch worden behandeld. U moet dan wel kunnen aantonen dat u niet in staat was om eerder een bezwaarschrift in te dienen (dit volgt uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht). Ik stel u in de gelegenheid om aan te geven waarom het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken is ingediend.
Termijn aanvulling
Ik stel u in de gelegenheid binnen 2 weken, vanaf de dag dat deze brief is verstuurd, de bovengenoemde informatie op te sturen. Als u tijdig de gevraagde informatie opstuurt, heeft u ook het recht om uw bezwaren mondeling toe te lichten.
Als u de gevraagde informatie niet of niet tijdig opstuurt, moet u er rekening mee houden dat ik uw bezwaarschrift dan niet inhoudelijk kan behandelen. Uw bezwaarschrift wordt dan niet-ontvankelijk verklaard.”
5.3.
Verzoeker heeft bij e-mailbericht, verzonden op 30 januari 2026, om 13:59 als volgt gereageerd.
“In het MVB besluit van 13 mei 2025 is geen beslissing genomen of mededeling gedaan over maatregel 28. Cliënten hebben derhalve bij schrijven van 24 november 2025 het verzoek gedaan om toepassing van de maatregel.
Deze aanvraag is door de gecombineerde uitvoering van herstel en versterking zowel door het IMG als NCG afgewezen. Ik verijs [sic] u hiervoor naar de correspondentie. Ook heeft de heer [naam 2] Team Impactvolle Dossiers NCG het standpunt van NCG en derhalve een weigering van het besluit na deze aanvraag bevestigd.
Van een bezwaar buiten de termijn van 6 weken is dan ook geen sprake. In ieder geval is deze omdat er niet door NCG eerder op is beslist en in het besluit geen mededeling van maatregel 28 met enig rechtsgevolg van weigering is gedaan, verschoonbaar.
[…]”
5.4.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 10 februari 2026, om 13:19 is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“[…]
Het is op dit moment echter niet geheel duidelijk hoe opvolging te geven op uw schrijven van 19 januari 2026. Mijn vraag aan u is of het bezwaar van 19 januari 2026 is aan te merken als een bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2025 met het kenmerk MVB-930010 of dat ik uw schrijven van 25 november 2025, dat is gericht aan de heer [naam 2] , moet aanmerken als een aanvraag.
Indien het schrijven van 19 januari 2026 aan te merken is als een bezwaar tegen het besluit met kenmerk MVB-930010, zal worden overgegaan tot de beoordeling van de termijnoverschrijding. Indien ik uw schrijven van 25 november 2025 moet aanmerken als een aanvraag, dan zal ik ervoor zorgen dat de aanvraag door de juiste afdeling in behandeling wordt genomen.
Ik zie uw reactie graag binnen twee weken en uiterlijk 24 februari 2026 tegemoet.”
5.5.
Bij e-mailbericht verzonden door de gemachtigde van verzoeker aan NCG Bezwaar & Beroep op 10 maart 2026 om 13:46 heeft de gemachtigde daar als volgt op gereageerd.
“In het besluit van 13 mei 2025 is geen beslissing genomen over maatregel 28, maar is enkel een vergoeding vastgesteld voor een deel van de versterkingswerkzaamheden.
Op 24 november 2025 hebben cliënten toepassing van maatregel 28 aangevraagd. Omdat er sprake is van een gecombineerde uitvoering van herstel en versterking, waarbij het IMG dit op zich heeft genomen is er zowel door het IMG als het NCG aangegeven/besloten, dat cliënten niet in aanmerking komen voor maatregel 28. Cliënten zijn het hier niet mee eens en tegen dit besluit richt zich het bezwaar.
Een aanvraag die nog in behandeling genomen moet worden is dan ook niet meer aan de orde.”
5.6.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 17 maart 2026, om 16:26, is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“Uit uw bericht begrijp ik dat ik uw schrijven van 19 januari 2026 op moet vatten als bezwaar. Op dit moment kan ik uw bezwaar echter nog niet in behandeling nemen. Het is mij namelijk nog onvoldoende duidelijk tegen welk besluit in de zin van de Awb u bezwaar maakt. Graag ontvang ik van u het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt met daarbij een kopie van het besluit. Ik zie uw reactie graag binnen twee weken en uiterlijk op 1 april 2026 tegemoet.”
5.7.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 8 april 2026, om 11:08 is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“In de e-mail van 17 maart 2026 heb ik u in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 2 weken, het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt aan te leveren. Tot op heden heb ik deze informatie nog niet van u ontvangen.
Hierbij stel ik u nog een keer in de gelegenheid binnen 2 weken, vanaf de dag dat deze e-mail is verstuurd, het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt of een kopie daarvan aan te leveren. Dit betekent dat u uiterlijk op 23 april 2026 deze informatie moet hebben opgestuurd. Als u de gevraagde informatie niet of niet tijdig opstuurt, moet u er rekening mee houden dat ik het bezwaarschrift niet inhoudelijk kan behandelen. Het bezwaarschrift wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. Mocht het u niet binnen deze termijn van 2 weken lukken, dan kunt u voor 23 april 2026 om een verlenging van deze termijn vragen.”
5.8.
Bij e-mailbericht van 17 april 2026 heeft de gemachtigde de gronden van het bezwaar aangevuld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigde daarbij niet kenbaar heeft gereageerd op de vraag van de NCG om een kenmerk te noemen van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt of daarbij een kopie van het besluit over te leggen.
5.9.
Bij brieven van 23 april 2026 en 4 mei 2026 is verzoeker namens de voorzieningenrechter in de gelegenheid gesteld om een ander besluit dan het besluit van 13 mei 2025 over te leggen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen ander besluit heeft overgelegd dan het besluit van 13 mei 2025.
5.10.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de toezending van het besluit van 13 mei 2025 niet betwist. Hij heeft dat besluit zelf in het geding gebracht. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat het besluit is bekendgemaakt door toezending daarvan op dinsdag 13 mei 2025. De eerste dag van de bezwaartermijn is daarom woensdag 14 mei 2025. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. De laatste dag van de bezwaartermijn was daarom dinsdag 24 juni 2025. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaarschrift gedateerd 19 januari 2026 is ingediend nadat de bezwaartermijn is verstreken.
5.11.
Ten aanzien van dit verzoek om een voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Hij vormt zich daartoe een oordeel over de mogelijke uitkomst in de hoofdzaak. Gerekend vanaf 25 juni 2025 bedraagt de termijnoverschrijding zes maanden en 25 dagen. Verzoeker heeft in de bezwaarfase niet gesteld dat en waarom redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Onder deze omstandigheden is het aannemelijk dat verweerder het bezwaar van 19 januari 2026 niet-ontvankelijk zal verklaren omdat de situatie bedoeld in artikel 6:11 van de Awb niet aannemelijk is geworden. Het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2025 heeft daarom naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen.
5.12.
Weliswaar heeft verzoeker het verzoek ook gericht tegen het Instituut Mijnbouwschade (IMG), maar uit de gedingstukken is niet gebleken van relevante besluitvorming door het IMG.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek zal afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
. Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001709, houdende departementale herindelingen met betrekking tot inburgering en hersteloperatie Groningen (Stcrt. 2024, 22504).
. Kamerstukken II 2022/23, 35561, nr. 17, p. 17, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35561-17.pdf
. Artikel 3:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
. Artikel 6:8, eerste lid van de Awb.
. Artikel 6:7 van de Awb.
. Vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, rechtsoverweging 3.5 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1305
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2026 in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.A. Westers)
en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
voor deze de Nationaal Coördinator Groningen, verweerder
(gemachtigde: G.H. Poort-van Drempt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om onverwijld primair de voorlopige voorziening te treffen inhoudende het primaire besluit waarvan bezwaar te schorsen en bij wege van voorlopige voorziening de uitvoering van maatregel 28 voorlopig toe te wijzen, althans een zodanige voorziening als [de voorzieningenrechter] in goede justitie zal vermenen te behoren. Voorts verzoeken zij verweerders in de kosten die in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs zijn gemaakt te veroordelen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij besluit van 2 juli 2024 is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de hersteloperatie Groningen voor zover deze voor 2 juli 2024 was opgedragen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat.
4. [naam 1] is eigenaar van de woning aan [adres] . Met “Maatregel 28” beoogt verzoeker kennelijk te verwijzen naar de kamerbrief van 25 april 2023 over Nij Begun. Daarin staat het volgende te lezen over die maatregel.
“Maatregel 28
Woningen die nog versterkt moeten worden aardgasvrij(-gereed) maken
Voor bewoners die nog wachten op een ingrijpende (zware of middelzware) versterking van de woning wil het kabinet isolatiemaatregelen laten toepassen gelijktijdig met de versterking van hun huis. Het budget voor de NCG wordt hiervoor opgehoogd. Uitgangspunt bij deze aanpak is dat de versterking niet vertraagd wordt, en dat deze huizen uiterlijk in 2028 zijn versterkt en verduurzaamd naar het niveau van aardgasvrij of aardgasvrij gereed. De NCG zal samen met bewoners tot een maatwerkoplossing komen, voor de huizen die nog versterkt moeten worden. Uiteraard is deze koppeling niet verplicht. Bewoners kunnen zelf kiezen of ze gebruik willen maken van deze mogelijkheid tot verduurzaming.[…]”
5. Op 13 mei 2025 heeft verweerder een besluit genomen ( [nummer 1] ). Daaruit is het volgende citaat afkomstig.
“U bent eigenaar van de woning aan [adres] (Pand-ID nummer [nummer 2] ). Het is belangrijk dat u uw woning bij een (zware) aardbeving op tijd kunt verlaten. Uw woning moet daarom voldoen aan de veiligheidsnorm. Hiervoor zijn versterkingsmaatregelen nodig. Dit bleek uit ons eerdere onderzoek. Welke versterkingsmaatregelen nodig zijn leest u in dit versterkingsbesluit. In deze brief neem ik de volgende besluiten:
1. Uw woning voldoet niet aan de veiligheidsnorm.
2. Om ervoor te zorgen dat uw woning wel aan de veiligheidsnorm voldoet, zijn maatregelen nodig. Dat noemen we versterkingsmaatregelen. Deze maatregelen staan in de technische tekeningen van 26 maart 2021 en de memo van 31 mei 2021.
3. Het IMG voert de versterkingsmaatregelen voor u uit. Wij regelen en betalen dit. U krijgt hier daarom zelf geen geld voor.
4. Ik verbind voorwaarden aan het recht op vergoeding van de versterkingskosten.
Deze besluiten neem ik op grond van artikel 13j van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) en het besluit mandaat, volmacht en machtiging EZK 2019 (Mandaat).
[…]”
5.1.
Op 19 januari 2026 heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
5.2.
Op 20 januari 2026 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties - Herstel Groningen het volgende aan verzoeker meegedeeld over het bezwaar.
“Indieningstermijn bezwaarschrift
Een bezwaarschrift moet uiterlijk zes weken na de dag van verzending van het besluit, waartegen u bezwaar maakt, zijn ingediend (dit volgt uit artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht). Het besluit is verzonden op 13 mei 2025. Dat betekent dat u uiterlijk op 24 juni 2025 bezwaar had moeten maken. Uw bezwaarschrift tegen mijn besluit van 13 mei 2025 heb ik ontvangen op 19 januari 2026. U heeft uw bezwaarschrift dus niet op tijd ingediend.
Ondanks dat u te laat bezwaar heeft gemaakt kan een bezwaarschrift in uitzonderlijke gevallen toch worden behandeld. U moet dan wel kunnen aantonen dat u niet in staat was om eerder een bezwaarschrift in te dienen (dit volgt uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht). Ik stel u in de gelegenheid om aan te geven waarom het bezwaarschrift niet binnen de termijn van zes weken is ingediend.
Termijn aanvulling
Ik stel u in de gelegenheid binnen 2 weken, vanaf de dag dat deze brief is verstuurd, de bovengenoemde informatie op te sturen. Als u tijdig de gevraagde informatie opstuurt, heeft u ook het recht om uw bezwaren mondeling toe te lichten.
Als u de gevraagde informatie niet of niet tijdig opstuurt, moet u er rekening mee houden dat ik uw bezwaarschrift dan niet inhoudelijk kan behandelen. Uw bezwaarschrift wordt dan niet-ontvankelijk verklaard.”
5.3.
Verzoeker heeft bij e-mailbericht, verzonden op 30 januari 2026, om 13:59 als volgt gereageerd.
“In het MVB besluit van 13 mei 2025 is geen beslissing genomen of mededeling gedaan over maatregel 28. Cliënten hebben derhalve bij schrijven van 24 november 2025 het verzoek gedaan om toepassing van de maatregel.
Deze aanvraag is door de gecombineerde uitvoering van herstel en versterking zowel door het IMG als NCG afgewezen. Ik verijs [sic] u hiervoor naar de correspondentie. Ook heeft de heer [naam 2] Team Impactvolle Dossiers NCG het standpunt van NCG en derhalve een weigering van het besluit na deze aanvraag bevestigd.
Van een bezwaar buiten de termijn van 6 weken is dan ook geen sprake. In ieder geval is deze omdat er niet door NCG eerder op is beslist en in het besluit geen mededeling van maatregel 28 met enig rechtsgevolg van weigering is gedaan, verschoonbaar.
[…]”
5.4.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 10 februari 2026, om 13:19 is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“[…]
Het is op dit moment echter niet geheel duidelijk hoe opvolging te geven op uw schrijven van 19 januari 2026. Mijn vraag aan u is of het bezwaar van 19 januari 2026 is aan te merken als een bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2025 met het kenmerk MVB-930010 of dat ik uw schrijven van 25 november 2025, dat is gericht aan de heer [naam 2] , moet aanmerken als een aanvraag.
Indien het schrijven van 19 januari 2026 aan te merken is als een bezwaar tegen het besluit met kenmerk MVB-930010, zal worden overgegaan tot de beoordeling van de termijnoverschrijding. Indien ik uw schrijven van 25 november 2025 moet aanmerken als een aanvraag, dan zal ik ervoor zorgen dat de aanvraag door de juiste afdeling in behandeling wordt genomen.
Ik zie uw reactie graag binnen twee weken en uiterlijk 24 februari 2026 tegemoet.”
5.5.
Bij e-mailbericht verzonden door de gemachtigde van verzoeker aan NCG Bezwaar & Beroep op 10 maart 2026 om 13:46 heeft de gemachtigde daar als volgt op gereageerd.
“In het besluit van 13 mei 2025 is geen beslissing genomen over maatregel 28, maar is enkel een vergoeding vastgesteld voor een deel van de versterkingswerkzaamheden.
Op 24 november 2025 hebben cliënten toepassing van maatregel 28 aangevraagd. Omdat er sprake is van een gecombineerde uitvoering van herstel en versterking, waarbij het IMG dit op zich heeft genomen is er zowel door het IMG als het NCG aangegeven/besloten, dat cliënten niet in aanmerking komen voor maatregel 28. Cliënten zijn het hier niet mee eens en tegen dit besluit richt zich het bezwaar.
Een aanvraag die nog in behandeling genomen moet worden is dan ook niet meer aan de orde.”
5.6.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 17 maart 2026, om 16:26, is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“Uit uw bericht begrijp ik dat ik uw schrijven van 19 januari 2026 op moet vatten als bezwaar. Op dit moment kan ik uw bezwaar echter nog niet in behandeling nemen. Het is mij namelijk nog onvoldoende duidelijk tegen welk besluit in de zin van de Awb u bezwaar maakt. Graag ontvang ik van u het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt met daarbij een kopie van het besluit. Ik zie uw reactie graag binnen twee weken en uiterlijk op 1 april 2026 tegemoet.”
5.7.
Bij e-mailbericht verzonden door NCG Bezwaar & Beroep aan de gemachtigde van verzoeker op 8 april 2026, om 11:08 is het volgende aan de gemachtigde meegedeeld.
“In de e-mail van 17 maart 2026 heb ik u in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van 2 weken, het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt aan te leveren. Tot op heden heb ik deze informatie nog niet van u ontvangen.
Hierbij stel ik u nog een keer in de gelegenheid binnen 2 weken, vanaf de dag dat deze e-mail is verstuurd, het kenmerk van het besluit waartegen u bezwaar maakt of een kopie daarvan aan te leveren. Dit betekent dat u uiterlijk op 23 april 2026 deze informatie moet hebben opgestuurd. Als u de gevraagde informatie niet of niet tijdig opstuurt, moet u er rekening mee houden dat ik het bezwaarschrift niet inhoudelijk kan behandelen. Het bezwaarschrift wordt dan niet-ontvankelijk verklaard. Mocht het u niet binnen deze termijn van 2 weken lukken, dan kunt u voor 23 april 2026 om een verlenging van deze termijn vragen.”
5.8.
Bij e-mailbericht van 17 april 2026 heeft de gemachtigde de gronden van het bezwaar aangevuld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gemachtigde daarbij niet kenbaar heeft gereageerd op de vraag van de NCG om een kenmerk te noemen van het besluit waartegen bezwaar is gemaakt of daarbij een kopie van het besluit over te leggen.
5.9.
Bij brieven van 23 april 2026 en 4 mei 2026 is verzoeker namens de voorzieningenrechter in de gelegenheid gesteld om een ander besluit dan het besluit van 13 mei 2025 over te leggen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen ander besluit heeft overgelegd dan het besluit van 13 mei 2025.
5.10.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de toezending van het besluit van 13 mei 2025 niet betwist. Hij heeft dat besluit zelf in het geding gebracht. De voorzieningenrechter houdt het er daarom voor dat het besluit is bekendgemaakt door toezending daarvan op dinsdag 13 mei 2025. De eerste dag van de bezwaartermijn is daarom woensdag 14 mei 2025. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. De laatste dag van de bezwaartermijn was daarom dinsdag 24 juni 2025. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaarschrift gedateerd 19 januari 2026 is ingediend nadat de bezwaartermijn is verstreken.
5.11.
Ten aanzien van dit verzoek om een voorlopige voorziening zal de voorzieningenrechter een voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven. Hij vormt zich daartoe een oordeel over de mogelijke uitkomst in de hoofdzaak. Gerekend vanaf 25 juni 2025 bedraagt de termijnoverschrijding zes maanden en 25 dagen. Verzoeker heeft in de bezwaarfase niet gesteld dat en waarom redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. Onder deze omstandigheden is het aannemelijk dat verweerder het bezwaar van 19 januari 2026 niet-ontvankelijk zal verklaren omdat de situatie bedoeld in artikel 6:11 van de Awb niet aannemelijk is geworden. Het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2025 heeft daarom naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen.
5.12.
Weliswaar heeft verzoeker het verzoek ook gericht tegen het Instituut Mijnbouwschade (IMG), maar uit de gedingstukken is niet gebleken van relevante besluitvorming door het IMG.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek zal afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
. Besluit van 2 juli 2024, nr. 2024001709, houdende departementale herindelingen met betrekking tot inburgering en hersteloperatie Groningen (Stcrt. 2024, 22504).
. Kamerstukken II 2022/23, 35561, nr. 17, p. 17, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35561-17.pdf
. Artikel 3:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
. Artikel 6:8, eerste lid van de Awb.
. Artikel 6:7 van de Awb.
. Vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, rechtsoverweging 3.5 (ECLI:NL:CBB:2024:31).
. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.