Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2064
2026-02-01
Strafrecht; Materieel strafrecht
18.344863.24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor dood door schuld. Verdachte heeft haar acht maanden oude baby bij haar in bed gelegd, terwijl zij wist dat hij in de ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen. Geen straf of maatregel, omdat het feit en de gevolgen daarvan een zodanige impact op verdachte hebben gehad dat het opleggen van een straf niet meer passend is en geen redelijk doel dient.
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.244 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.344863.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 1 juni 2026 (sluiten onderzoek). Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr.
T.H. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 2 januari 2024 te Groningen grovelijk/zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig haar kind genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023
terwijl zij (al dan niet) onder invloed was van cocaïne en/of (andere) verdovende middelen en/of daardoor niet, althans minder, in staat was alert en/of adequaat te reageren
bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten weten/vermoeden dat de (gerede) kans bestond dat die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen, althans dat dit een (zeer) onveilige slaapomgeving is voor kinderen van deze leeftijd en/of
( vervolgens) die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen en/of
( daardoor) die [slachtoffer] in een situatie heeft gebracht en/of gelaten waarin die [slachtoffer] een tekort aan zuurstof heeft gehad,
waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan (te weten het zuurstoftekort) is overleden.
Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de tenlastelegging (de rechtbank begrijpt: dagvaarding) nietig moet worden verklaard, omdat de tenlastelegging te onduidelijk is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging grammaticaal niet klopt, waardoor de begrijpelijkheid onder druk staat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Nog afgezien van het feit dat het onder druk staan van de begrijpelijkheid iets anders is dan dat de tenlastelegging onbegrijpelijk zou zijn, kan de rechtbank het verweer van de raadsman niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de tenlastelegging namelijk grammaticaal correct. Ook de overige argumenten leiden niet tot het oordeel dat de tenlastelegging onduidelijk is. Daarbij komt dat uit de behandeling ter zitting is gebleken dat geen onduidelijkheid bestond over de vraag voor welke gedraging verdachte zich moest verantwoorden.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het feit.
Primair heeft de raadsman aangevoerd dat het begrip schuld in de tenlastelegging niet voldoende is geconcretiseerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman verwezen naar zijn opmerkingen over de geldigheid van de dagvaarding.
Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van schuld van verdachte. Over het middelengebruik heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte onder invloed van middelen was en ook niet dat zij daardoor niet of minder in staat was adequaat te reageren. De raadsman heeft verder aangevoerd dat verdachte, vanwege eerdere ervaringen, de ruimte tussen het bed en de muur had opgevuld. Zij had dus maatregelen getroffen en daarom kan niet worden gesteld dat verdachte wist dat de kans bestond dat het slachtoffer in het gat tussen het bed en de muur terecht zou komen.
Daarbij komt dat uit het dossier niet duidelijk blijkt dat het slachtoffer in de ruimte tussen het bed en de muur is aangetroffen. Ten aanzien van de doodsoorzaak heeft de raadsman aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het slachtoffer door zuurstoftekort is overleden. Uit het rapport van de patholoog blijkt immers slechts dat verstikking als doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten. Ten slotte heeft de raadsman gesteld dat zelfs als wel kan worden bewezen dat verdachte door het in bed nemen van het slachtoffer een situatie heeft gecreëerd waarin hij door zuurstoftekort is overleden, dit geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid oplevert. Hij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNL:2025:1394).
Oordeel van de rechtbank
Op 2 januari 2024 is de acht maanden oude [slachtoffer] levenloos aangetroffen in de ouderslaapkamer in de woning van verdachte in Groningen. Verdachte, zijn moeder, had [slachtoffer] die nacht bij haar in bed gelegd. De rechtbank moet beoordelen of verdachte dusdanig aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld dat het overlijden van [slachtoffer] aan haar schuld te wijten is.
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 het volgende vast.
Getuige [getuige] , de vader van [slachtoffer]2, heeft hem op 1 januari 2024 rond 19:00 uur of 20:00 uur naar bed gebracht en in zijn eigen ledikant gelegd. Rond 22:00 uur heeft [slachtoffer] nog een flesje gehad. Toen was er niets met hem aan de hand.3
Verdachte is in de nacht van 2 januari om ongeveer 00:15 uur gaan slapen. Zij heeft [slachtoffer] uit zijn ledikantje gehaald en bij haar in bed (een twijfelaar) gelegd, zoals ze dat wel vaker deed. Verdachte heeft die nacht heel diep geslapen.4 Verdachte lag in het midden van het bed, met haar hoofd op een kussen. [slachtoffer] lag aan haar linkerkant, aan de kant van de radiator. Ze lagen onder dezelfde deken.5
Het bed stond met het hoofdeinde tegen de muur en het onderste deel van de lange zijde tegen de radiator aan. Er ontstond zodoende een open ruimte tussen de radiator, het bovenste deel van de lange zijde van het bed (tot aan het hoofdeinde) en de muur. Dit betrof een ruimte van ongeveer 16,5 centimeter breed, 117 centimeter lang en 55 centimeter diep.6 Deze ruimte was opgevuld door verdachte.7 Bij het hoofdeinde was een kussen tussen de muur en het bed gedrukt en daarnaast tussen het kussen en de radiator een dekbed.8
[getuige] is op 2 januari 2024 om ongeveer 10:00 uur naar de slaapkamer gegaan.9 Hij trof verdachte aan in een diepe slaap.10 [slachtoffer] lag tussen het bed en de radiator.11 Hij lag met zijn beentjes omhoog klem tegen de radiator aan. Zijn hoofd lag achterover, op de deken die in het gat was gestopt. [getuige] heeft 112 gebeld en heeft geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren. Hij merkte dat [slachtoffer]
was overleden en al koud aanvoelde.12
Bij forensisch onderzoek is gezien dat er een gat zat tussen het eerdergenoemde kussen en dekbed in de open ruimte. Dit was een gat van ongeveer 20 centimeter breed en 30 centimeter diep.13 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [getuige] [slachtoffer] uit die ruimte heeft gehaald.14 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen.
Oorzaak van het overlijden
Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden naar het overlijden van [slachtoffer] . Het neuropathologisch onderzoek aan de hersenen en het ruggenmerg toonde bevindingen passend bij schade door zuurstoftekort. Deze neuropathologische bevindingen kunnen het overlijden zonder meer verklaren. Er is geen ziekelijke, traumatische of toxicologische doodsoorzaak gebleken. Een accidentele (of niet-accidentele) verstikking kan niet worden uitgesloten als doodsoorzaak.15 Belemmering van de ademhaling(sbewegingen) en/of afsluiten van de ademwegen hoeft geen zichtbare verschijnselen achter te laten.16 De patholoog heeft in het rapport opgemerkt dat er gelet op de verkregen informatie sprake was van een onveilige slaapomgeving met risico op overligging, buikligging of beknelling, wat kan resulteren in belemmering van de ademhalingsbewegingen en/of afsluiten van de ademwegen. Dit kan hebben geleid tot of hebben bijgedragen aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand met als gevolg schade aan het hersenweefsel door zuurstoftekort en het uiteindelijke overlijden.17
Uit het rapport leidt de rechtbank af dat het overlijden van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door een ziekelijke, traumatische of toxicologische oorzaak. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor een niet-accidentele verstikking, zoals smoren. De rechtbank beschouwt het forensisch pathologisch rapport in samenhang met de tactische bevindingen uit het dossier, te weten de verklaring van verdachte over hoe zij [slachtoffer] bij haar in bed had gelegd en de verklaring van [slachtoffer] over het aantreffen van [slachtoffer] . De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat de enige mogelijke conclusie is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een accidentele verstikking door de onveilige slaapsituatie.
Eerdere incidenten
[slachtoffer] was een beweeglijke slaper.18 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] al twee keer eerder in de ruimte tussen het bed en de muur was gevallen.19 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] een keer in het gat was gevallen en een keer voor het bed bij het voeteneind.20 [slachtoffer] heeft ook verklaard dat [slachtoffer] twee of drie keer eerder in de ruimte tussen het bed en de muur was gevallen. Hij heeft [slachtoffer] die keren uit het gat gehaald, terwijl verdachte sliep.21 [slachtoffer] had verdachte al een paar keer gewaarschuwd dat het verkeerd zou aflopen met zijn zoon.22 Ook heeft hij tegen verdachte gezegd dat ze [slachtoffer] beter aan de andere kant van het bed, aan haar rechterkant, kon leggen en dat het beter zou zijn als de ledikantjes aan de lange zijde van het bed werden gezet, zodat [slachtoffer] niet uit bed zou rollen.23
Schuld in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht (Sr)
Voor schuld als bestanddeel van de delictsomschrijving in artikel 307 Sr dient sprake te zijn van een grove of aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Van schuld is sprake als een verdachte een bepaald gevolg (zoals in dit geval het overlijden) niet heeft willen veroorzaken, maar het gevolg toch aan de verdachte kan worden verweten, omdat deze anders had moeten en kunnen handelen. Of sprake is van
dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
De schuld bestaat volgens de tenlastelegging kort gezegd uit het bij haar in bed leggen van [slachtoffer] terwijl verdachte (al dan niet) onder invloed van cocaïne niet in staat was alert te reageren en terwijl zij wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte niet of minder in staat was alert te reageren doordat zij onder invloed van cocaïne of andere middelen was. Uit toxicologisch onderzoek blijkt dat in het bloed van verdachte, dat op 2 januari 2024 om 12:08 uur was afgenomen, een lage concentratie cocaïne is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat zij in de avond en nacht van 31 december 2023 op 1 januari 2024 cocaïne heeft gebruikt. Uit het dossier blijkt echter niet wat het effect van het gebruik voor verdachte was en of het een nacht later van invloed is geweest op het gedrag van verdachte. De rechtbank kan dus niet vaststellen of verdachte door het cocaïnegebruik tijdens oudjaarsnacht niet of minder in staat was alert te reageren. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de gedragingen zoals omschreven in het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging.
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte [slachtoffer] bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van verdachte schuld in de zin van artikel 307 Sr oplevert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft haar acht maanden oude baby naast zich in bed gelegd, aan de kant van het bed waar een open ruimte tussen het bed en de muur zat. Die open ruimte had verdachte opgevuld met een kussen en een deken. Verdachte is vervolgens in een diepe slaap gevallen. [slachtoffer] is de volgende ochtend levenloos aangetroffen in het beddengoed in de ruimte tussen het bed en de muur.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slapen met een baby in bed een onveilige situatie voor de baby oplevert. Door kussens en dekens is er verstikkingsgevaar, een baby kan uit bed vallen en bovendien kan iemand die diep slaapt niet adequaat reageren. Een baby is volledig afhankelijk en kan zichzelf niet behoeden voor verstikking. Verdachte wist dit ook; zij heeft ter zitting verklaard dat het niet veilig is om te slapen met een kind in bed.24 Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de hoogte was van het gevaar dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen. Dat was immers al een aantal keren gebeurd en verdachte was door [getuige] meermalen gewaarschuwd dat zij [slachtoffer] niet op die wijze bij haar in bed moest laten slapen.
De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte niet wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen, omdat zij maatregelen had getroffen om dat te voorkomen. Zij heeft de open ruimte opgevuld met een kussen en een dekbed en het is algemeen bekend dat juist die zachte materialen verstikkingsgevaar voor een baby kunnen opleveren. Door de open ruimte op die manier op te vullen, is de slaapomgeving nog onveiliger geworden. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verdachte dan ook voorzienbaar dat [slachtoffer] in het beddengoed in de open ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen en dat er verstikkingsgevaar bestond.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het voorgaande, in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld. Zij had op basis van de wetenschap dat zij een onveilige slaapsituatie voor [slachtoffer] had gecreëerd, anders moeten en kunnen handelen.
De rechtbank overweegt tenslotte dat er een causaal verband bestaat tussen het onvoorzichtige en onachtzame handelen van verdachte en het overlijden van [slachtoffer] . [slachtoffer] is overleden door accidentele verstikking door de onveilige slaapsituatie. Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte die onveilige situatie met haar handelen gecreëerd.
De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 2 januari 2024 te Groningen aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig haar kind genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023
bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist, dat de kans bestond dat die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen en
( vervolgens) die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen en
( daardoor) die [slachtoffer] in een situatie heeft gebracht en gelaten waarin die [slachtoffer] een tekort aan zuurstof heeft gehad,
waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan (te weten het zuurstoftekort) is overleden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Tevens heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gevorderd, met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen standpunt ingenomen over de strafmaat, maar heeft wel gesteld dat het in verband met de persoonlijke omstandigheden van verdachte passend is dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is geëist.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of een straf of maatregel moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en aard van het feit
Verdachte heeft haar acht maanden oude zoon [slachtoffer] bij haar in bed genomen, terwijl zij wist dat dit voor hem geen veilige slaapomgeving was. Zij heeft daarmee een onaanvaardbaar risico voor [slachtoffer] genomen en dat risico heeft zich in dit geval treurig genoeg ook daadwerkelijk verwezenlijkt, waardoor [slachtoffer] is overleden. Hoewel verdachte dit natuurlijk niet heeft gewild, is zij daarvoor in strafrechtelijke zin wel verantwoordelijk.
Het spreekt voor zich dat het overlijden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet (heeft) veroorzaakt bij de nabestaanden, waaronder bij verdachte zelf. Het grote verdriet en gemis is ook voelbaar verwoord in het laatste woord van de verdachte. Het moet een ondraaglijk verdriet zijn om te weten dat [slachtoffer] nooit ouder zal worden dan acht maanden en dat verdachte en de overige nabestaanden nooit zullen weten tot wat voor een persoon hij had kunnen opgroeien. De rechtbank realiseert zich dat wat de uitkomst van deze strafzaak ook is, dit het leed bij de nabestaanden niet weg zal kunnen nemen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 22 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. De rechtbank neemt haar strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 13 januari 2026. Uit dit rapport volgt dat de emotionele impact van het overlijden van [slachtoffer] op verdachte enorm was.
Sindsdien heeft verdachte hard aan zichzelf gewerkt. Zij is bijvoorbeeld al enkele jaren abstinent van alcohol en drugs en heeft in een vrijwillig kader hulp gezocht (en ontvangen) voor de behandeling van opgelopen (jeugd)traumas. Daarnaast is verdachte bezig met het op orde krijgen van haar schulden. Ook op de relatie met haar vriend, de vader van [slachtoffer] , is verbeterd. Gelet hierop wordt het recidiverisico door de reclassering op laag inschat en ziet de reclassering geen indicaties voor het adviseren van interventies of toezicht.
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel
Algemeen wordt aangenomen dat er grofweg drie doelen zijn van het opleggen van een straf (of maatregel): vergelding, generale preventie (waarmee wordt bedoeld dat een straf een afschrikwekkende werking heeft op de bevolking) en speciale preventie (oftewel; dat met een straf wordt voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt).
Vanuit het oogpunt van vergelding acht de rechtbank een straf niet passend. Verdachte heeft immers zelf al op een verschrikkelijke manier de gevolgen van haar handelen ondervonden: zij heeft haar acht maanden oude zoontje [slachtoffer] verloren. Zij heeft [slachtoffer] zonder kwade bedoelingen bij zich in bed gelegd en toen zij wakker werd is [slachtoffer] levenloos aangetroffen. Het gemis en de wetenschap dat zij schuldig is aan zijn overlijden zal verdachte voor altijd met zich mee moeten dragen. Het verliezen van een kind onder deze omstandigheden zal voor verdachte al voelen als de zwaarst mogelijke straf.
Vanuit het oogpunt van generale preventie acht de rechtbank het opleggen van een straf evenmin passend. De rechtbank gaat ervanuit dat het bewezenverklaarde al een waarschuwing op zich is: een jonge baby in een onveilige slaapomgeving brengen kan onomkeerbare gevolgen hebben en strafrechtelijke verantwoordelijkheid meebrengen.
Gelet op hetgeen verdachte is overkomen, het feit dat verdachte duidelijk heeft aangegeven nooit meer samen met een kind in bed te zullen slapen en de wijze waarop zij haar leven in positieve zin heeft omgegooid, ziet de rechtbank ook geen meerwaarde in een straf in het kader van speciale preventie.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan een zodanige impact op verdachte hebben gehad dat het opleggen van een straf niet meer passend is en geen redelijk doel dient. Verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevinden zich in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024001795 gesloten op 24 oktober 2024.
2 [ slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023 (het proces-verbaal van bevindingen van 4 januari
2024, p. 15).
3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
6 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119.
7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
8 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119 en het proces-verbaal
van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 51 en de verklaring van
verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
11 Het proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2024, p. 16.
12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 51.
13 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119.
14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 3 januari 2024, p. 88.
15 NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 12 juli 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p. 185 e.v.
16 Voorlopig rapport forensisch pathologisch onderzoek van 4 januari 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p.
153.
17 NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 12 juli 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p. 186.
18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79 en het proces-verbaal
van bevindingen van 4 januari 2024, p. 16.
19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 3 januari 2024, p. 87.
20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 52.
22 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
23 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 52 en de verklaring van
verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
24 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.344863.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2026 (inhoudelijke behandeling) en 1 juni 2026 (sluiten onderzoek). Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr.
T.H. Pitstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 2 januari 2024 te Groningen grovelijk/zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig haar kind genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023
terwijl zij (al dan niet) onder invloed was van cocaïne en/of (andere) verdovende middelen en/of daardoor niet, althans minder, in staat was alert en/of adequaat te reageren
bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten weten/vermoeden dat de (gerede) kans bestond dat die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen, althans dat dit een (zeer) onveilige slaapomgeving is voor kinderen van deze leeftijd en/of
( vervolgens) die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen en/of
( daardoor) die [slachtoffer] in een situatie heeft gebracht en/of gelaten waarin die [slachtoffer] een tekort aan zuurstof heeft gehad,
waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan (te weten het zuurstoftekort) is overleden.
Geldigheid van de dagvaarding
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de tenlastelegging (de rechtbank begrijpt: dagvaarding) nietig moet worden verklaard, omdat de tenlastelegging te onduidelijk is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging grammaticaal niet klopt, waardoor de begrijpelijkheid onder druk staat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding geldig is. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en is van oordeel dat de dagvaarding geldig is en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
Nog afgezien van het feit dat het onder druk staan van de begrijpelijkheid iets anders is dan dat de tenlastelegging onbegrijpelijk zou zijn, kan de rechtbank het verweer van de raadsman niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de tenlastelegging namelijk grammaticaal correct. Ook de overige argumenten leiden niet tot het oordeel dat de tenlastelegging onduidelijk is. Daarbij komt dat uit de behandeling ter zitting is gebleken dat geen onduidelijkheid bestond over de vraag voor welke gedraging verdachte zich moest verantwoorden.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het feit.
Primair heeft de raadsman aangevoerd dat het begrip schuld in de tenlastelegging niet voldoende is geconcretiseerd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman verwezen naar zijn opmerkingen over de geldigheid van de dagvaarding.
Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van schuld van verdachte. Over het middelengebruik heeft hij aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte onder invloed van middelen was en ook niet dat zij daardoor niet of minder in staat was adequaat te reageren. De raadsman heeft verder aangevoerd dat verdachte, vanwege eerdere ervaringen, de ruimte tussen het bed en de muur had opgevuld. Zij had dus maatregelen getroffen en daarom kan niet worden gesteld dat verdachte wist dat de kans bestond dat het slachtoffer in het gat tussen het bed en de muur terecht zou komen.
Daarbij komt dat uit het dossier niet duidelijk blijkt dat het slachtoffer in de ruimte tussen het bed en de muur is aangetroffen. Ten aanzien van de doodsoorzaak heeft de raadsman aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat het slachtoffer door zuurstoftekort is overleden. Uit het rapport van de patholoog blijkt immers slechts dat verstikking als doodsoorzaak niet kan worden uitgesloten. Ten slotte heeft de raadsman gesteld dat zelfs als wel kan worden bewezen dat verdachte door het in bed nemen van het slachtoffer een situatie heeft gecreëerd waarin hij door zuurstoftekort is overleden, dit geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid oplevert. Hij heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNL:2025:1394).
Oordeel van de rechtbank
Op 2 januari 2024 is de acht maanden oude [slachtoffer] levenloos aangetroffen in de ouderslaapkamer in de woning van verdachte in Groningen. Verdachte, zijn moeder, had [slachtoffer] die nacht bij haar in bed gelegd. De rechtbank moet beoordelen of verdachte dusdanig aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld dat het overlijden van [slachtoffer] aan haar schuld te wijten is.
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 het volgende vast.
Getuige [getuige] , de vader van [slachtoffer]2, heeft hem op 1 januari 2024 rond 19:00 uur of 20:00 uur naar bed gebracht en in zijn eigen ledikant gelegd. Rond 22:00 uur heeft [slachtoffer] nog een flesje gehad. Toen was er niets met hem aan de hand.3
Verdachte is in de nacht van 2 januari om ongeveer 00:15 uur gaan slapen. Zij heeft [slachtoffer] uit zijn ledikantje gehaald en bij haar in bed (een twijfelaar) gelegd, zoals ze dat wel vaker deed. Verdachte heeft die nacht heel diep geslapen.4 Verdachte lag in het midden van het bed, met haar hoofd op een kussen. [slachtoffer] lag aan haar linkerkant, aan de kant van de radiator. Ze lagen onder dezelfde deken.5
Het bed stond met het hoofdeinde tegen de muur en het onderste deel van de lange zijde tegen de radiator aan. Er ontstond zodoende een open ruimte tussen de radiator, het bovenste deel van de lange zijde van het bed (tot aan het hoofdeinde) en de muur. Dit betrof een ruimte van ongeveer 16,5 centimeter breed, 117 centimeter lang en 55 centimeter diep.6 Deze ruimte was opgevuld door verdachte.7 Bij het hoofdeinde was een kussen tussen de muur en het bed gedrukt en daarnaast tussen het kussen en de radiator een dekbed.8
[getuige] is op 2 januari 2024 om ongeveer 10:00 uur naar de slaapkamer gegaan.9 Hij trof verdachte aan in een diepe slaap.10 [slachtoffer] lag tussen het bed en de radiator.11 Hij lag met zijn beentjes omhoog klem tegen de radiator aan. Zijn hoofd lag achterover, op de deken die in het gat was gestopt. [getuige] heeft 112 gebeld en heeft geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren. Hij merkte dat [slachtoffer]
was overleden en al koud aanvoelde.12
Bij forensisch onderzoek is gezien dat er een gat zat tussen het eerdergenoemde kussen en dekbed in de open ruimte. Dit was een gat van ongeveer 20 centimeter breed en 30 centimeter diep.13 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [getuige] [slachtoffer] uit die ruimte heeft gehaald.14 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen.
Oorzaak van het overlijden
Er heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden naar het overlijden van [slachtoffer] . Het neuropathologisch onderzoek aan de hersenen en het ruggenmerg toonde bevindingen passend bij schade door zuurstoftekort. Deze neuropathologische bevindingen kunnen het overlijden zonder meer verklaren. Er is geen ziekelijke, traumatische of toxicologische doodsoorzaak gebleken. Een accidentele (of niet-accidentele) verstikking kan niet worden uitgesloten als doodsoorzaak.15 Belemmering van de ademhaling(sbewegingen) en/of afsluiten van de ademwegen hoeft geen zichtbare verschijnselen achter te laten.16 De patholoog heeft in het rapport opgemerkt dat er gelet op de verkregen informatie sprake was van een onveilige slaapomgeving met risico op overligging, buikligging of beknelling, wat kan resulteren in belemmering van de ademhalingsbewegingen en/of afsluiten van de ademwegen. Dit kan hebben geleid tot of hebben bijgedragen aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand met als gevolg schade aan het hersenweefsel door zuurstoftekort en het uiteindelijke overlijden.17
Uit het rapport leidt de rechtbank af dat het overlijden van [slachtoffer] niet kan worden verklaard door een ziekelijke, traumatische of toxicologische oorzaak. De rechtbank is verder van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor een niet-accidentele verstikking, zoals smoren. De rechtbank beschouwt het forensisch pathologisch rapport in samenhang met de tactische bevindingen uit het dossier, te weten de verklaring van verdachte over hoe zij [slachtoffer] bij haar in bed had gelegd en de verklaring van [slachtoffer] over het aantreffen van [slachtoffer] . De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat de enige mogelijke conclusie is dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een accidentele verstikking door de onveilige slaapsituatie.
Eerdere incidenten
[slachtoffer] was een beweeglijke slaper.18 Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] al twee keer eerder in de ruimte tussen het bed en de muur was gevallen.19 Ter zitting heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] een keer in het gat was gevallen en een keer voor het bed bij het voeteneind.20 [slachtoffer] heeft ook verklaard dat [slachtoffer] twee of drie keer eerder in de ruimte tussen het bed en de muur was gevallen. Hij heeft [slachtoffer] die keren uit het gat gehaald, terwijl verdachte sliep.21 [slachtoffer] had verdachte al een paar keer gewaarschuwd dat het verkeerd zou aflopen met zijn zoon.22 Ook heeft hij tegen verdachte gezegd dat ze [slachtoffer] beter aan de andere kant van het bed, aan haar rechterkant, kon leggen en dat het beter zou zijn als de ledikantjes aan de lange zijde van het bed werden gezet, zodat [slachtoffer] niet uit bed zou rollen.23
Schuld in de zin van artikel 307 Wetboek van Strafrecht (Sr)
Voor schuld als bestanddeel van de delictsomschrijving in artikel 307 Sr dient sprake te zijn van een grove of aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Van schuld is sprake als een verdachte een bepaald gevolg (zoals in dit geval het overlijden) niet heeft willen veroorzaken, maar het gevolg toch aan de verdachte kan worden verweten, omdat deze anders had moeten en kunnen handelen. Of sprake is van
dergelijke schuld in de zin van art. 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
De schuld bestaat volgens de tenlastelegging kort gezegd uit het bij haar in bed leggen van [slachtoffer] terwijl verdachte (al dan niet) onder invloed van cocaïne niet in staat was alert te reageren en terwijl zij wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte niet of minder in staat was alert te reageren doordat zij onder invloed van cocaïne of andere middelen was. Uit toxicologisch onderzoek blijkt dat in het bloed van verdachte, dat op 2 januari 2024 om 12:08 uur was afgenomen, een lage concentratie cocaïne is aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat zij in de avond en nacht van 31 december 2023 op 1 januari 2024 cocaïne heeft gebruikt. Uit het dossier blijkt echter niet wat het effect van het gebruik voor verdachte was en of het een nacht later van invloed is geweest op het gedrag van verdachte. De rechtbank kan dus niet vaststellen of verdachte door het cocaïnegebruik tijdens oudjaarsnacht niet of minder in staat was alert te reageren. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de gedragingen zoals omschreven in het eerste gedachtestreepje van de tenlastelegging.
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte [slachtoffer] bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit handelen van verdachte schuld in de zin van artikel 307 Sr oplevert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft haar acht maanden oude baby naast zich in bed gelegd, aan de kant van het bed waar een open ruimte tussen het bed en de muur zat. Die open ruimte had verdachte opgevuld met een kussen en een deken. Verdachte is vervolgens in een diepe slaap gevallen. [slachtoffer] is de volgende ochtend levenloos aangetroffen in het beddengoed in de ruimte tussen het bed en de muur.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slapen met een baby in bed een onveilige situatie voor de baby oplevert. Door kussens en dekens is er verstikkingsgevaar, een baby kan uit bed vallen en bovendien kan iemand die diep slaapt niet adequaat reageren. Een baby is volledig afhankelijk en kan zichzelf niet behoeden voor verstikking. Verdachte wist dit ook; zij heeft ter zitting verklaard dat het niet veilig is om te slapen met een kind in bed.24 Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op de hoogte was van het gevaar dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen. Dat was immers al een aantal keren gebeurd en verdachte was door [getuige] meermalen gewaarschuwd dat zij [slachtoffer] niet op die wijze bij haar in bed moest laten slapen.
De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte niet wist dat de kans bestond dat [slachtoffer] tussen het bed en de muur terecht zou komen, omdat zij maatregelen had getroffen om dat te voorkomen. Zij heeft de open ruimte opgevuld met een kussen en een dekbed en het is algemeen bekend dat juist die zachte materialen verstikkingsgevaar voor een baby kunnen opleveren. Door de open ruimte op die manier op te vullen, is de slaapomgeving nog onveiliger geworden. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verdachte dan ook voorzienbaar dat [slachtoffer] in het beddengoed in de open ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen en dat er verstikkingsgevaar bestond.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op het voorgaande, in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld. Zij had op basis van de wetenschap dat zij een onveilige slaapsituatie voor [slachtoffer] had gecreëerd, anders moeten en kunnen handelen.
De rechtbank overweegt tenslotte dat er een causaal verband bestaat tussen het onvoorzichtige en onachtzame handelen van verdachte en het overlijden van [slachtoffer] . [slachtoffer] is overleden door accidentele verstikking door de onveilige slaapsituatie. Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte die onveilige situatie met haar handelen gecreëerd.
De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 2 januari 2024 te Groningen aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig haar kind genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023
bij haar in bed heeft gelegd, terwijl zij wist, dat de kans bestond dat die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht zou kunnen komen en
( vervolgens) die [slachtoffer] in de ruimte tussen het bed en de muur terecht is gekomen en
( daardoor) die [slachtoffer] in een situatie heeft gebracht en gelaten waarin die [slachtoffer] een tekort aan zuurstof heeft gehad,
waardoor het aan haar schuld te wijten is dat die [slachtoffer] aan de gevolgen daarvan (te weten het zuurstoftekort) is overleden.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Tevens heeft de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gevorderd, met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak geen standpunt ingenomen over de strafmaat, maar heeft wel gesteld dat het in verband met de persoonlijke omstandigheden van verdachte passend is dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf is geëist.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of een straf of maatregel moet worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en aard van het feit
Verdachte heeft haar acht maanden oude zoon [slachtoffer] bij haar in bed genomen, terwijl zij wist dat dit voor hem geen veilige slaapomgeving was. Zij heeft daarmee een onaanvaardbaar risico voor [slachtoffer] genomen en dat risico heeft zich in dit geval treurig genoeg ook daadwerkelijk verwezenlijkt, waardoor [slachtoffer] is overleden. Hoewel verdachte dit natuurlijk niet heeft gewild, is zij daarvoor in strafrechtelijke zin wel verantwoordelijk.
Het spreekt voor zich dat het overlijden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet (heeft) veroorzaakt bij de nabestaanden, waaronder bij verdachte zelf. Het grote verdriet en gemis is ook voelbaar verwoord in het laatste woord van de verdachte. Het moet een ondraaglijk verdriet zijn om te weten dat [slachtoffer] nooit ouder zal worden dan acht maanden en dat verdachte en de overige nabestaanden nooit zullen weten tot wat voor een persoon hij had kunnen opgroeien. De rechtbank realiseert zich dat wat de uitkomst van deze strafzaak ook is, dit het leed bij de nabestaanden niet weg zal kunnen nemen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 22 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. De rechtbank neemt haar strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin mee bij de bepaling van de straf.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 13 januari 2026. Uit dit rapport volgt dat de emotionele impact van het overlijden van [slachtoffer] op verdachte enorm was.
Sindsdien heeft verdachte hard aan zichzelf gewerkt. Zij is bijvoorbeeld al enkele jaren abstinent van alcohol en drugs en heeft in een vrijwillig kader hulp gezocht (en ontvangen) voor de behandeling van opgelopen (jeugd)traumas. Daarnaast is verdachte bezig met het op orde krijgen van haar schulden. Ook op de relatie met haar vriend, de vader van [slachtoffer] , is verbeterd. Gelet hierop wordt het recidiverisico door de reclassering op laag inschat en ziet de reclassering geen indicaties voor het adviseren van interventies of toezicht.
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel
Algemeen wordt aangenomen dat er grofweg drie doelen zijn van het opleggen van een straf (of maatregel): vergelding, generale preventie (waarmee wordt bedoeld dat een straf een afschrikwekkende werking heeft op de bevolking) en speciale preventie (oftewel; dat met een straf wordt voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt).
Vanuit het oogpunt van vergelding acht de rechtbank een straf niet passend. Verdachte heeft immers zelf al op een verschrikkelijke manier de gevolgen van haar handelen ondervonden: zij heeft haar acht maanden oude zoontje [slachtoffer] verloren. Zij heeft [slachtoffer] zonder kwade bedoelingen bij zich in bed gelegd en toen zij wakker werd is [slachtoffer] levenloos aangetroffen. Het gemis en de wetenschap dat zij schuldig is aan zijn overlijden zal verdachte voor altijd met zich mee moeten dragen. Het verliezen van een kind onder deze omstandigheden zal voor verdachte al voelen als de zwaarst mogelijke straf.
Vanuit het oogpunt van generale preventie acht de rechtbank het opleggen van een straf evenmin passend. De rechtbank gaat ervanuit dat het bewezenverklaarde al een waarschuwing op zich is: een jonge baby in een onveilige slaapomgeving brengen kan onomkeerbare gevolgen hebben en strafrechtelijke verantwoordelijkheid meebrengen.
Gelet op hetgeen verdachte is overkomen, het feit dat verdachte duidelijk heeft aangegeven nooit meer samen met een kind in bed te zullen slapen en de wijze waarop zij haar leven in positieve zin heeft omgegooid, ziet de rechtbank ook geen meerwaarde in een straf in het kader van speciale preventie.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan een zodanige impact op verdachte hebben gehad dat het opleggen van een straf niet meer passend is en geen redelijk doel dient. Verdachte zal daarom wel schuldig worden verklaard, maar er zal geen straf of maatregel worden opgelegd.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.V. Nolta, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.
1. De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt. De genoemde paginas bevinden zich in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024001795 gesloten op 24 oktober 2024.
2 [ slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2023 (het proces-verbaal van bevindingen van 4 januari
2024, p. 15).
3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
6 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119.
7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
8 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119 en het proces-verbaal
van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79.
9 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 51 en de verklaring van
verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
11 Het proces-verbaal van bevindingen van 4 januari 2024, p. 16.
12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 51.
13 Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 8 januari 2024, p. 119.
14 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 3 januari 2024, p. 88.
15 NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 12 juli 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p. 185 e.v.
16 Voorlopig rapport forensisch pathologisch onderzoek van 4 januari 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p.
153.
17 NFI-rapport forensisch pathologisch onderzoek van 12 juli 2024, door drs. I.H.R. Hundscheid, p. 186.
18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 2 januari 2024, p. 79 en het proces-verbaal
van bevindingen van 4 januari 2024, p. 16.
19 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 3 januari 2024, p. 87.
20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 52.
22 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 januari 2024, p. 44.
23 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 4 januari 2024, p. 52 en de verklaring van
verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.
24 De verklaring van verdachte ter terechtzitting op 11 mei 2026.