Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2022
2026-05-21
Bestuursrecht
25/1235
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Inbeslagname hond. Kostenverhaalbeschikking.
Citeert (8)
- ECLI:NL:RVS:2015:1447 Raad van State 06-05-2015
- ECLI:NL:RVS:2016:1044 Raad van State 20-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2024:4083 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4083 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2020:1266 Raad van State 20-05-2020
- ECLI:NL:RVS:2021:1389 Raad van State 30-06-2021
- ECLI:NL:RVS:2024:4083 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4083 Raad van State 09-10-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (37.476 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1235
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Warffum, eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Skála),
en
De burgemeester van de gemeente Groningen
(gemachtigden: M. Sieburgh en R. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de inbeslagname van eisers hond [naam] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Deze uitspraak gaat verder over de kostenverhaalbeschikking die de burgemeester aan eiser heeft gestuurd. Eiser voert ook daartegen gronden aan. Aan de hand van de aangevoerde gronden beoordeelt de rechtbank of de inbeslagname en de kostenverhaalbeschikking in rechte stand kunnen houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond wordt verklaard en de besluiten in stand blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 14 oktober 2024 heeft de burgemeester spoedeisende bestuursdwang toegepast. [naam] is op 14 oktober 2024 tijdelijk in beslag genomen. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt.
3. In het besluit van 11 november 2024 is [naam] definitief in beslag genomen. Tegen dit besluit is ook bezwaar gemaakt.
4. In het bestreden besluit op bezwaar van 12 maart 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 oktober 2024 en 11 november 2024 ongegrond verklaard.
4.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.2.
De burgemeester heeft op 1 mei 2025 de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 en het daartegen gerichte bezwaar van eiser op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
4.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst om de burgemeester in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. De burgemeester heeft de gevraagde stukken ingediend en de gemachtigde van eiser heeft op de stukken gereageerd.
4.5.
De rechtbank heeft vervolgens op 19 maart 2026 het onderzoek gesloten, met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er voor het bestreden besluit gebeurd?
5. Eiser is eigenaar van [naam] , een donkergekleurde bouvier. In het besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen [naam] gevaarlijk verklaard en een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] opgelegd. Dit op de grond dat [naam] op 13 juli, 23 oktober en 19 december 2023 bijtincidenten heeft veroorzaakt, waaronder één ernstig bijtincident.
6. In het besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven. De burgemeester heeft daarbij het besluit van 30 april 2024, dat ten onrechte was genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, bekrachtigd en tot het hare gemaakt.
7. Op 3 oktober 2024 heeft een hardloopster aan de politie gemeld dat zij op dezelfde dag in een natuurgebied in Waterhuizen is gebeten door een donkergekleurde hond. Zij heeft twee foto’s gemaakt van de hond en van de man die de hond bij zich had. Op 9 oktober 2024 heeft het slachtoffer een gesprek gehad met twee toezichthouders in dienst van de gemeente. Zij heeft daarbij de twee foto’s overgelegd. De toezichthouders hebben op de foto eiser en [naam] herkend. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij naar een huisarts is geweest.
8. [naam] is vervolgens op 14 oktober 2024 in beslag genomen en deze tijdelijke inbeslagname is door de burgemeester met het besluit van 14 oktober 2024 schriftelijk vastgelegd. De burgemeester heeft daarop een gedragsonderzoek laten uitvoeren.
9. Het riskassessmentteam van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (riskassessmentteam) heeft een risicoanalyse verricht. Uit het rapport van 7 november 2024 blijkt dat de kans op herhaalde bijtincidenten waarbij [naam] betrokken is als hoog wordt ingeschat. Verder wordt de invloed van de eigenaar als risicoverhogend ingeschat. Geconcludeerd is dat [naam] niet kan terugkeren naar zijn eigenaar. In het rapport staat dat gekeken zal worden of [naam] een sociale band kan aangaan met minimaal één verzorger, waarna gezocht kan worden naar een adoptant, waarbij [naam] als waak-/erfhond geplaatst kan worden. De optie van euthanasie resteert voor het geval dat niet slaagt.
10. Met het besluit van 11 november 2024 heeft de burgemeester verzoeker meegedeeld dat zij heeft besloten om [naam] definitief in beslag te nemen.
11. Verzoeker heeft tegen de besluiten van 14 oktober 2024 en 11 november 2024 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
12. Met de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 heeft de burgemeester besloten de kosten van de spoedbestuursdwang te verhalen op eiser. De burgemeester heeft het bedrag dat eiser moet betalen vastgesteld op € 2.487,85.
13. Op de beroepsgronden van eiser en zijn bezwaar tegen de kostenverhaalbeschikking zal hierna worden ingegaan.
Wat oordeelt de rechtbank?
14. De rechtbank beoordeelt hieronder het bestreden besluit van 12 maart 2025. Eiser heeft zijn beroepsgronden onderverdeeld in gronden tegen het besluit van 14 oktober 2024 en gronden tegen het besluit van 11 november 2024. De rechtbank zal deze verdeling aanhouden.
Het besluit van 14 oktober 2024
Wat heeft eiser aangevoerd?
15. Eiser voert aan dat hem ten onrechte een overtreding van het kort aanlijn- en muilkorfgebod is tegengeworpen. Allereerst stelt eiser daartoe dat de burgemeester het onbevoegd genomen besluit van 30 april 2024 enkel kan bekrachtigen en tot het hare kan maken als eiser daardoor niet wordt benadeeld. Eiser heeft aangevoerd dat hij door het onbevoegd genomen besluit is benadeeld, omdat het incident van 19 december 2023 wordt aangegrepen om [naam] gevaarlijk te verklaren en dit besluit door de bekrachtiging door de burgemeester gelegaliseerd wordt per 30 april 2024. Dit is in strijd met het adagium nulla poena sine lege.
Eiser wijst er verder op dat het besluit van 1 oktober 2024 niet is ondertekend door de burgemeester en dat niet is gebleken dat degene die het besluit wel heeft ondertekend daartoe bevoegd was.
Eiser stelt vervolgens dat hij het besluit van 1 oktober 2024 op 3 oktober 2024 nog niet had ontvangen. Daarmee gold volgens eiser nog niet de bekrachtiging door de burgemeester en was het kort aanlijn- en muilkorfgebod niet in werking getreden.
Eiser is daarnaast van mening dat het bijtincident op 3 oktober 2024 niet zodanig ernstig was dat het moest leiden tot de tijdelijke inbeslagname van [naam] .
Eiser voert tot slot aan dat de termijn tussen het bijtincident en de inbeslagname te lang was. Eiser stelt dat volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een termijn van vijf dagen aanvaardbaar is en een termijn van negen dagen te lang.
Is het besluit van 1 oktober 2024 bevoegd genomen?
15.1.
De rechtbank merkt op dat zij bij uitspraak van vandaag het beroep van eiser tegen het besluit van 1 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer LEE 24/4403. In die zaak heeft de rechtbank al overwogen dat het bevoegdheidsgebrek met het besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 is hersteld en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het bevoegdheidsgebrek doet er niet aan af dat de burgemeester ervan mocht uitgaan dat [naam] betrokken was bij het bijtincident van 19 december 2023. Bovendien is het adagium nulla poena sine lege in deze zaak niet van toepassing. De rechtbank heeft in die zaak ook al geoordeeld dat de juridisch adviseur die het besluit van 1 oktober 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd was. De beroepsgrond slaagt niet.
Gold het kort aanlijn- en muilkorfgebod op 3 oktober 2024?
15.2.
De rechtbank overweegt verder dat het kort aanlijn- en muilkorfgebod al met het besluit van 30 april 2024 in werking is getreden. Het besluit is niet van rechtswege nietig door het bevoegdheidsgebrek. Het bezwaar van eiser tegen het besluit schorst verder niet de werking van dat besluit. Dat eiser het besluit van 1 oktober 2024 ten tijde van het bijtincident op 3 oktober 2024 nog niet had ontvangen, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester [naam] in beslag nemen?
15.3.
De Afdeling heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat bestuursdwang mag worden toegepast ter voorkoming van een herhaling van een overtreding. Bij een overtreding van een aanlijn- en muilkorfgebod is een burgemeester bevoegd de betreffende hond in beslag te nemen, om zo een herhaling van die overtreding en het daarmee veroorzaakte gevaar voor de veiligheid van de omgeving, te voorkomen.
15.4.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen vast staat dat [naam] het bijtincident op 3 oktober 2024 heeft veroorzaakt en dat de hond daarbij geen muilkorf droeg. Daarmee is de bevoegdheid van de burgemeester gegeven om [naam] in beslag te nemen.
15.5.
Op grond van artikel 10.2 van de Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023 (Beleidsregel) kan de burgemeester besluiten tot inbeslagname van de hond als de hond door de burgemeester is aangewezen als gevaarlijk waarbij een kort aanlijngebod en/of een muilkorfgebod van de hond is opgelegd en de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht. In artikel 1.2. van de Beleidsregel is bepaald dat van ernstig letsel sprake is wanneer bij een persoon medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident. Uit het mutatierapport van de politie van 4 oktober 2024 en het ambtelijk rapport van 10 oktober 2024 blijkt dat het slachtoffer van het bijtincident op 3 oktober 2024 in verband met haar verwondingen bij haar huisarts is geweest. Ook is een foto van de bijtwond (huiddoorbreking) overgelegd. De rechtbank is op grond van die stukken van oordeel dat er sprake was van voldoende feitelijke grondslag om spoedbestuursdwang toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is [naam] tijdig in beslag genomen?
15.6.
In reactie op de beroepsgrond dat de burgemeester [naam] niet op tijd in beslag heeft genomen, stelt de burgemeester zich op het standpunt dat de termijn tussen het bijtincident en de inbeslagname niet te lang was. De burgemeester stelt dat het pas duidelijk was dat het om de hond van eiser ging, toen de toezichthouders op 9 oktober 2024 met het slachtoffer hadden gesproken en het slachtoffer de foto van eiser en de hond had laten zien. Daarna is tijdig gereageerd, aldus de burgemeester.
15.7.
De rechtbank volgt hierin de burgemeester. Uit de stukken blijkt niet anders dan dat het de toezichthouders op 9 oktober 2024 duidelijk werd dat [naam] bij het bijtincident van 3 oktober 2024 betrokken was. Eiser heeft aanvullend de opdracht van de gemeente Groningen aan het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht van 17 oktober 2024 overgelegd. Hierin staat: ‘Proces-verbaal is opgevraagd d.d. 6 oktober 2024’. In reactie hierop heeft de burgemeester toegelicht dat de datum 6 oktober 2024 over het opvragen van het proces-verbaal waarschijnlijk een typefout is. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van de burgemeester te twijfelen. Nadat duidelijk was geworden dat [naam] bij het bijtincident op 3 oktober 2024 betrokken was, is het besluit tot tijdelijke inbeslagname tijdig afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Het besluit van 11 november 2024
Wat heeft eiser aangevoerd?
16. Eiser voert aan dat de burgemeester [naam] niet definitief in beslag mocht nemen, omdat de burgemeester alleen een zogenaamde lichte bevelsbevoegdheid heeft, waarop slechts bij extreme omstandigheden een uitzondering bestaat. De definitieve inbeslagname is een inbreuk op het eigendomsrecht van eiser en daartoe is de burgemeester niet bevoegd. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024.
Eiser stelt verder dat het besluit van 11 november 2024 door een daartoe niet bevoegde persoon is ondertekend.
Eiser voert daarnaast aan dat de burgemeester niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de risicoanalyse van het riskassessmentteam van 7 november 2024 door deskundigen te laten toetsen. Eiser stelt bovendien dat het besluit van 11 november 2024 op grond van de door hem overgelegde contra-expertise van drs. D.J.U. Planta van 16 maart 2025 niet in stand kan blijven.
Eiser stelt ten slotte dat bij een evenredige belangenafweging het voordeel van de twijfel aan eiser en [naam] gegund had moeten worden en besloten had moeten worden om [naam] aan eiser terug te geven, eventueel onder te stellen voorwaarden.
Was de burgemeester bevoegd om [naam] definitief in beslag te nemen?
16.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van de burgemeester die is geregeld in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet ook wel de lichte bevelsbevoegdheid wordt genoemd. De lichte bevelsbevoegdheid biedt geen grondslag voor het gebruik daarvan ten behoeve van permanente herplaatsing of euthanasie, zo volgt uit uitspraken van de Afdeling. De rechtbank stelt vast dat de burgemeester in deze zaak [naam] in beslag heeft genomen met toepassing van artikel 5:31 van de Awb. Uit uitspraken van de Afdeling volgt dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om de hond op grond van hoofdstuk 5 van de Awb in beslag te nemen. De Afdeling heeft in een latere uitspraak ook geoordeeld dat bij de bevoegdheid om een hond in beslag te nemen ook de bevoegdheid bestaat om de hond te herplaatsen of in te laten slapen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit door een bevoegd persoon genomen?
16.2.
In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Groningen van 20 februari 2025 is uiteengezet dat het afdelingshoofd Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte dat het besluit van 11 november 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is op grond van artikel 6 van het Algemeen mandaatbesluit 2023 in samenhang met onderdeel 9 (Uitvoering van de APV), hoofdstuk 2, onderdeel 11 van de regeling Ondermandaat directie Veiligheid 2023 van de gemeente Groningen. Dit advies is door de burgemeester overgenomen. De rechtbank is gebleken dat deze beide regelingen zijn gepubliceerd en de rechtbank is uit de door de burgemeester genoemde artikelen/onderdelen gebleken dat het afdelingshoofd dat het besluit van 11 november 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester zich baseren op de risicoanalyse van het riskassessmentteam?
16.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de burgemeester de risicoanalyse door deskundigen had moeten laten toetsen. Het is de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan eiser vindt dat dit had gemoeten. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
16.4.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester aan haar vergewisplicht heeft voldaan. Eiser heeft een reactie van Planta op de risicoanalyse van het riskassessmentteam kunnen indienen en de burgemeester heeft het team dat de risicoanalyse van [naam] heeft verricht daarop laten reageren.
16.5.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester zich op de risicoanalyse van het riskassessment mocht baseren. De reactie van Planta doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt dat Planta met name ingaat op de uitgevoerde gedragstest. Planta stelt dat uit de in-verblijf gedragstest die is uitgevoerd geen valide uitspraak kan worden gedaan over het risico van [naam] . Uit het rapport van de risicoanalyse en de reactie van het riskassessmentteam op de bevindingen van Planta volgt echter dat de gedragstest slechts een gering onderdeel vormt van een risicoanalyse. De kans op en impact van een bijtincident worden bepaald op basis van vijf bronnen: informatie over bijtincidenten, informatie over de situatie van de eigenaar van de hond, informatie over de gezondheidstoestand van de hond, informatie van de vaste verzorger bij de opslaghouder van de hond en informatie uit de gestandaardiseerde gedragstest. Uit het rapport van de risicoanalyse volgt dat de conclusie van het riskassessment op informatie uit al deze bronnen is gebaseerd. Bovendien heeft het riskassessmentteam in het rapport van de risicoanalyse uiteengezet dat de uitgevoerde gedragstest is gevalideerd.
Uit het rapport van de risicoanalyse volgt verder dat er bij [naam] in zijn verblijf naar zijn gedrag is gekeken, omdat [naam] geen vertrouwde sociale band met een of meer verzorgers is aangegaan. De rechtbank ziet in de reactie van Planta geen reden om hieraan te twijfelen. In het rapport van de risicoanalyse is namelijk uiteengezet dat uit wetenschappelijke literatuur bekend is dat het bij de meeste dieren een aantal dagen tot ongeveer twee weken duurt, voordat het stressniveau is gedaald en dat dit het beste moment is om te testen.
De rechtbank merkt daar nog bij op dat Planta [naam] niet zelf heeft gezien en onderzocht en dat het riskassessmentteam in de reactie van Planta geen reden heeft gezien om zijn conclusies te wijzigen.
Het riskassessmentteam moet deskundig worden geacht. Eiser heeft (met de reactie van Planta) niet aannemelijk gemaakt dat aan die deskundigheid en de bevindingen van dat team moet worden getwijfeld. De burgemeester mocht dus uitgaan van de risicoanalyse van het riskassessmentteam, ook als het gaat om de conclusies dat [naam] niet kan terugkeren naar eiser, en dat euthanasie overblijft als [naam] niet kan worden herplaatst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit evenredig?
16.6.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit om [naam] definitief in beslag te nemen, evenredig is. Het besluit is volgens de burgemeester geschikt om de overtreding van het kort aanlijn- en muilkorfgebod te beëindigen. Gebleken is dat minder vergaande middelen niet voldoende waren om een nieuw bijtincident te voorkomen. De burgemeester stelt dat het grote aantal bijtincidenten dat in korte tijd heeft plaatsgevonden en het getoonde gebrek aan verantwoordelijkheid bij eiser is meegewogen.
16.7.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de vrees heeft mogen aannemen voor nieuwe overtredingen van het kort aanlijn- en muilkorfgebod en voor nieuwe bijtincidenten, gelet op het rapport van de risicoanalyse van 7 november 2024. De burgemeester heeft daarbij het aantal bijtincidenten in korte tijd waarbij [naam] betrokken was en de (bagatelliserende) houding van eiser mogen betrekken. Zo heeft eiser geen verantwoordelijkheid genomen na het bijtincident van 3 oktober 2024. De burgemeester heeft het belang van de veiligheid mogen laten prevaleren. Het in beslag nemen van [naam] is onder deze omstandigheden in verhouding tot het daarmee te dienen doel, namelijk het voorkomen van nieuwe overtredingen en bijtincidenten. De rechtbank weegt mee dat de burgemeester heeft aangegeven dat zijn uitgangspunt is om [naam] te herplaatsen en dat hij euthanasie als laatste middel ziet.
16.8.
De rechtbank volgt tot slot niet eisers stelling dat de burgemeester van zijn bevoegdheid tot inbeslagname gebruik heeft gemaakt in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. De burgemeester heeft haar bevoegdheid om [naam] in beslag te nemen niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, namelijk het voorkomen van nieuwe bijtincidenten en daarmee het bevorderen van de veiligheid in de gemeente. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025
17. De burgemeester heeft in de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 de dierenartskosten, opvangkosten, transportkosten en de kosten voor de afgenomen risicoanalyse in verband met de inbeslagname van [naam] bij eiser in rekening gebracht. Eiser bestrijdt de door de burgemeester vastgestelde hoogte van de kosten.
17.1.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeester kosten die in verband met de inbeslagname van [naam] zijn gemaakt in de periode 14 oktober 2024 tot en met 11 november 2024 bij eiser in rekening heeft gebracht. Het gaat om de kosten van vervoer en opslag in verband met het eerste pension waar [naam] heeft verbleven (van 14 oktober 2024 tot 18 oktober 2024), de kosten van vervoer en opslag in verband met het tweede pension waar [naam] heeft verbleven (van 18 oktober tot en met 11 november 2024), de dierenartskosten en de kosten van de risicoanalyse door de Faculteit Diergeneeskundige van de Universiteit Utrecht. De burgemeester heeft ter onderbouwing van de door haar vastgestelde hoogte van de kosten de facturen die zij heeft ontvangen meegezonden.
17.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester met de overgelegde facturen de opbouw van de op eiser verhaalde kosten tot een bedrag van € 2.487,85 voldoende inzichtelijk gemaakt. Uit artikel 5:25 van de Awb en de Beleidsregel volgt dat de kosten van de inbeslagname, van de opslag en van het onderzoek van [naam] verhaalbaar zijn op eiser. Hetgeen eiser heeft aangevoerd biedt voor de rechtbank geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de kostenverhaalbeschikking niet op rechtmatige wijze tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en het kostenverhaalbesluit van 9 april 2025 in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort
aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter;
b. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of dat hij heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023
10.2
Bestuursdwang op grond van art. 5:31 Awb
De burgemeester is op grond van artikelen 5:29 en verder van de Awb bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften te beletten of te beëindigen. Zo nodig kunnen er hiertoe spoedmaatregelen worden genomen (5:31 Awb).
De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van de hond als:
•de hond door de burgemeester is aangewezen als gevaarlijk waarbij een kort aanlijngebod en/ of een muilkorfgebod van de hond is opgelegd op grond van artikel 2:59 APV of;
•de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht.
Bij bijtincidenten is de situatie veelal dermate spoedeisend dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen en dit dus achteraf plaatsvindt. Spoedeisende bestuursdwang kan bijvoorbeeld worden toegepast indien inbeslagname van de hond noodzakelijk is, maar er op het moment van de overtreding niet direct sprake is van verstoring van de openbare orde.
Kostenverhaal
De kosten van bestuursdwang zijn op grond van artikel 5:25 Algemene wet bestuursrecht verhaalbaar op de overtreder. In dit geval de eigenaar, houder of verzorger van de hond.
10.3
Inbeslagname
De inbeslagname mag in principe maximaal 4 weken duren, in uitzonderlijke gevallen kan dit langer duren. De hond ondergaat tijdens de inbeslagname een risico-assessment.
10.4
Inbeslagname door burgemeester (bij verstoring van de openbare orde)
De burgemeester is op grond van artikel 172 Gemeentewet bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van de hond bijvoorbeeld als:
•De eigenaar, houder of verzorger van een hond die door het college als gevaarlijke hond is aangewezen en handelt in strijd met artikel 2: 59 APV en vervolgens de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van (zeer) ernstig letsel of ernstige gevolgen.
•In geval van het niet naleven van regelgeving die noopt tot handhaving van de openbare orde. De houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan wordt eerst gevraagd om afstand te doen van zijn hond. De burgemeester geeft bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de hond.
•Bij inbeslagname dient de eigenaar of houder van de hond verzocht te worden om een afstand te doen van de hond (afstandsverklaring). Indien er geen afstand van de hond wordt gedaan, ontbreekt de bevoegdheid om de hond te herplaatsen of te euthanaseren.
Het is de taak van de gemeente om een instantie te regelen die de hond in beslag kan nemen en vervoeren. Dit bevel wordt gegeven nadat is gecontroleerd of alle beschikbare middelen van de APV reeds zijn toegepast.
De hond wordt ondergebracht op een geheime locatie. De hondenopvang vervoert de hond naar de aangegeven (geheime) locatie. De hond wordt vervolgens getest door een gedragsdeskundige. De kosten van vervoer, verblijf en test van de hond komen voor rekening van de eigenaar, houder of verzorger van de hond.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:21:
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:25
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.
3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.
4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.
5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.
6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast.
Artikel 5:29
1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.
2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.
3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.
4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan.
5. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Artikel 5:30
1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.
2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan.
5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5:31
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Artikel 5:31c
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.
Dat blijkt uit een mutatierapport van de politie van 4 oktober 2024.
Dat blijkt uit een ambtelijk rapport van 10 oktober 2024.
Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1447 en 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1044.
Op grond van artikel 6:16 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.
ECLI:NL:RVS:2024:4083.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1235
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Warffum, eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Skála),
en
De burgemeester van de gemeente Groningen
(gemachtigden: M. Sieburgh en R. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de inbeslagname van eisers hond [naam] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Deze uitspraak gaat verder over de kostenverhaalbeschikking die de burgemeester aan eiser heeft gestuurd. Eiser voert ook daartegen gronden aan. Aan de hand van de aangevoerde gronden beoordeelt de rechtbank of de inbeslagname en de kostenverhaalbeschikking in rechte stand kunnen houden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond wordt verklaard en de besluiten in stand blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 14 oktober 2024 heeft de burgemeester spoedeisende bestuursdwang toegepast. [naam] is op 14 oktober 2024 tijdelijk in beslag genomen. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt.
3. In het besluit van 11 november 2024 is [naam] definitief in beslag genomen. Tegen dit besluit is ook bezwaar gemaakt.
4. In het bestreden besluit op bezwaar van 12 maart 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 14 oktober 2024 en 11 november 2024 ongegrond verklaard.
4.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.2.
De burgemeester heeft op 1 mei 2025 de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 en het daartegen gerichte bezwaar van eiser op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank gezonden.
4.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
4.4.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst om de burgemeester in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. De burgemeester heeft de gevraagde stukken ingediend en de gemachtigde van eiser heeft op de stukken gereageerd.
4.5.
De rechtbank heeft vervolgens op 19 maart 2026 het onderzoek gesloten, met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er voor het bestreden besluit gebeurd?
5. Eiser is eigenaar van [naam] , een donkergekleurde bouvier. In het besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen [naam] gevaarlijk verklaard en een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] opgelegd. Dit op de grond dat [naam] op 13 juli, 23 oktober en 19 december 2023 bijtincidenten heeft veroorzaakt, waaronder één ernstig bijtincident.
6. In het besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven. De burgemeester heeft daarbij het besluit van 30 april 2024, dat ten onrechte was genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, bekrachtigd en tot het hare gemaakt.
7. Op 3 oktober 2024 heeft een hardloopster aan de politie gemeld dat zij op dezelfde dag in een natuurgebied in Waterhuizen is gebeten door een donkergekleurde hond. Zij heeft twee foto’s gemaakt van de hond en van de man die de hond bij zich had. Op 9 oktober 2024 heeft het slachtoffer een gesprek gehad met twee toezichthouders in dienst van de gemeente. Zij heeft daarbij de twee foto’s overgelegd. De toezichthouders hebben op de foto eiser en [naam] herkend. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij naar een huisarts is geweest.
8. [naam] is vervolgens op 14 oktober 2024 in beslag genomen en deze tijdelijke inbeslagname is door de burgemeester met het besluit van 14 oktober 2024 schriftelijk vastgelegd. De burgemeester heeft daarop een gedragsonderzoek laten uitvoeren.
9. Het riskassessmentteam van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht (riskassessmentteam) heeft een risicoanalyse verricht. Uit het rapport van 7 november 2024 blijkt dat de kans op herhaalde bijtincidenten waarbij [naam] betrokken is als hoog wordt ingeschat. Verder wordt de invloed van de eigenaar als risicoverhogend ingeschat. Geconcludeerd is dat [naam] niet kan terugkeren naar zijn eigenaar. In het rapport staat dat gekeken zal worden of [naam] een sociale band kan aangaan met minimaal één verzorger, waarna gezocht kan worden naar een adoptant, waarbij [naam] als waak-/erfhond geplaatst kan worden. De optie van euthanasie resteert voor het geval dat niet slaagt.
10. Met het besluit van 11 november 2024 heeft de burgemeester verzoeker meegedeeld dat zij heeft besloten om [naam] definitief in beslag te nemen.
11. Verzoeker heeft tegen de besluiten van 14 oktober 2024 en 11 november 2024 bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft de burgemeester de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
12. Met de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 heeft de burgemeester besloten de kosten van de spoedbestuursdwang te verhalen op eiser. De burgemeester heeft het bedrag dat eiser moet betalen vastgesteld op € 2.487,85.
13. Op de beroepsgronden van eiser en zijn bezwaar tegen de kostenverhaalbeschikking zal hierna worden ingegaan.
Wat oordeelt de rechtbank?
14. De rechtbank beoordeelt hieronder het bestreden besluit van 12 maart 2025. Eiser heeft zijn beroepsgronden onderverdeeld in gronden tegen het besluit van 14 oktober 2024 en gronden tegen het besluit van 11 november 2024. De rechtbank zal deze verdeling aanhouden.
Het besluit van 14 oktober 2024
Wat heeft eiser aangevoerd?
15. Eiser voert aan dat hem ten onrechte een overtreding van het kort aanlijn- en muilkorfgebod is tegengeworpen. Allereerst stelt eiser daartoe dat de burgemeester het onbevoegd genomen besluit van 30 april 2024 enkel kan bekrachtigen en tot het hare kan maken als eiser daardoor niet wordt benadeeld. Eiser heeft aangevoerd dat hij door het onbevoegd genomen besluit is benadeeld, omdat het incident van 19 december 2023 wordt aangegrepen om [naam] gevaarlijk te verklaren en dit besluit door de bekrachtiging door de burgemeester gelegaliseerd wordt per 30 april 2024. Dit is in strijd met het adagium nulla poena sine lege.
Eiser wijst er verder op dat het besluit van 1 oktober 2024 niet is ondertekend door de burgemeester en dat niet is gebleken dat degene die het besluit wel heeft ondertekend daartoe bevoegd was.
Eiser stelt vervolgens dat hij het besluit van 1 oktober 2024 op 3 oktober 2024 nog niet had ontvangen. Daarmee gold volgens eiser nog niet de bekrachtiging door de burgemeester en was het kort aanlijn- en muilkorfgebod niet in werking getreden.
Eiser is daarnaast van mening dat het bijtincident op 3 oktober 2024 niet zodanig ernstig was dat het moest leiden tot de tijdelijke inbeslagname van [naam] .
Eiser voert tot slot aan dat de termijn tussen het bijtincident en de inbeslagname te lang was. Eiser stelt dat volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een termijn van vijf dagen aanvaardbaar is en een termijn van negen dagen te lang.
Is het besluit van 1 oktober 2024 bevoegd genomen?
15.1.
De rechtbank merkt op dat zij bij uitspraak van vandaag het beroep van eiser tegen het besluit van 1 oktober 2024 ongegrond heeft verklaard. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer LEE 24/4403. In die zaak heeft de rechtbank al overwogen dat het bevoegdheidsgebrek met het besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 is hersteld en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Het bevoegdheidsgebrek doet er niet aan af dat de burgemeester ervan mocht uitgaan dat [naam] betrokken was bij het bijtincident van 19 december 2023. Bovendien is het adagium nulla poena sine lege in deze zaak niet van toepassing. De rechtbank heeft in die zaak ook al geoordeeld dat de juridisch adviseur die het besluit van 1 oktober 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd was. De beroepsgrond slaagt niet.
Gold het kort aanlijn- en muilkorfgebod op 3 oktober 2024?
15.2.
De rechtbank overweegt verder dat het kort aanlijn- en muilkorfgebod al met het besluit van 30 april 2024 in werking is getreden. Het besluit is niet van rechtswege nietig door het bevoegdheidsgebrek. Het bezwaar van eiser tegen het besluit schorst verder niet de werking van dat besluit. Dat eiser het besluit van 1 oktober 2024 ten tijde van het bijtincident op 3 oktober 2024 nog niet had ontvangen, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester [naam] in beslag nemen?
15.3.
De Afdeling heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat bestuursdwang mag worden toegepast ter voorkoming van een herhaling van een overtreding. Bij een overtreding van een aanlijn- en muilkorfgebod is een burgemeester bevoegd de betreffende hond in beslag te nemen, om zo een herhaling van die overtreding en het daarmee veroorzaakte gevaar voor de veiligheid van de omgeving, te voorkomen.
15.4.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen vast staat dat [naam] het bijtincident op 3 oktober 2024 heeft veroorzaakt en dat de hond daarbij geen muilkorf droeg. Daarmee is de bevoegdheid van de burgemeester gegeven om [naam] in beslag te nemen.
15.5.
Op grond van artikel 10.2 van de Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023 (Beleidsregel) kan de burgemeester besluiten tot inbeslagname van de hond als de hond door de burgemeester is aangewezen als gevaarlijk waarbij een kort aanlijngebod en/of een muilkorfgebod van de hond is opgelegd en de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht. In artikel 1.2. van de Beleidsregel is bepaald dat van ernstig letsel sprake is wanneer bij een persoon medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident. Uit het mutatierapport van de politie van 4 oktober 2024 en het ambtelijk rapport van 10 oktober 2024 blijkt dat het slachtoffer van het bijtincident op 3 oktober 2024 in verband met haar verwondingen bij haar huisarts is geweest. Ook is een foto van de bijtwond (huiddoorbreking) overgelegd. De rechtbank is op grond van die stukken van oordeel dat er sprake was van voldoende feitelijke grondslag om spoedbestuursdwang toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is [naam] tijdig in beslag genomen?
15.6.
In reactie op de beroepsgrond dat de burgemeester [naam] niet op tijd in beslag heeft genomen, stelt de burgemeester zich op het standpunt dat de termijn tussen het bijtincident en de inbeslagname niet te lang was. De burgemeester stelt dat het pas duidelijk was dat het om de hond van eiser ging, toen de toezichthouders op 9 oktober 2024 met het slachtoffer hadden gesproken en het slachtoffer de foto van eiser en de hond had laten zien. Daarna is tijdig gereageerd, aldus de burgemeester.
15.7.
De rechtbank volgt hierin de burgemeester. Uit de stukken blijkt niet anders dan dat het de toezichthouders op 9 oktober 2024 duidelijk werd dat [naam] bij het bijtincident van 3 oktober 2024 betrokken was. Eiser heeft aanvullend de opdracht van de gemeente Groningen aan het riskassessmentteam van de Universiteit Utrecht van 17 oktober 2024 overgelegd. Hierin staat: ‘Proces-verbaal is opgevraagd d.d. 6 oktober 2024’. In reactie hierop heeft de burgemeester toegelicht dat de datum 6 oktober 2024 over het opvragen van het proces-verbaal waarschijnlijk een typefout is. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van de burgemeester te twijfelen. Nadat duidelijk was geworden dat [naam] bij het bijtincident op 3 oktober 2024 betrokken was, is het besluit tot tijdelijke inbeslagname tijdig afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Het besluit van 11 november 2024
Wat heeft eiser aangevoerd?
16. Eiser voert aan dat de burgemeester [naam] niet definitief in beslag mocht nemen, omdat de burgemeester alleen een zogenaamde lichte bevelsbevoegdheid heeft, waarop slechts bij extreme omstandigheden een uitzondering bestaat. De definitieve inbeslagname is een inbreuk op het eigendomsrecht van eiser en daartoe is de burgemeester niet bevoegd. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024.
Eiser stelt verder dat het besluit van 11 november 2024 door een daartoe niet bevoegde persoon is ondertekend.
Eiser voert daarnaast aan dat de burgemeester niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de risicoanalyse van het riskassessmentteam van 7 november 2024 door deskundigen te laten toetsen. Eiser stelt bovendien dat het besluit van 11 november 2024 op grond van de door hem overgelegde contra-expertise van drs. D.J.U. Planta van 16 maart 2025 niet in stand kan blijven.
Eiser stelt ten slotte dat bij een evenredige belangenafweging het voordeel van de twijfel aan eiser en [naam] gegund had moeten worden en besloten had moeten worden om [naam] aan eiser terug te geven, eventueel onder te stellen voorwaarden.
Was de burgemeester bevoegd om [naam] definitief in beslag te nemen?
16.1.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van de burgemeester die is geregeld in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet ook wel de lichte bevelsbevoegdheid wordt genoemd. De lichte bevelsbevoegdheid biedt geen grondslag voor het gebruik daarvan ten behoeve van permanente herplaatsing of euthanasie, zo volgt uit uitspraken van de Afdeling. De rechtbank stelt vast dat de burgemeester in deze zaak [naam] in beslag heeft genomen met toepassing van artikel 5:31 van de Awb. Uit uitspraken van de Afdeling volgt dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om de hond op grond van hoofdstuk 5 van de Awb in beslag te nemen. De Afdeling heeft in een latere uitspraak ook geoordeeld dat bij de bevoegdheid om een hond in beslag te nemen ook de bevoegdheid bestaat om de hond te herplaatsen of in te laten slapen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit door een bevoegd persoon genomen?
16.2.
In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Groningen van 20 februari 2025 is uiteengezet dat het afdelingshoofd Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte dat het besluit van 11 november 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is op grond van artikel 6 van het Algemeen mandaatbesluit 2023 in samenhang met onderdeel 9 (Uitvoering van de APV), hoofdstuk 2, onderdeel 11 van de regeling Ondermandaat directie Veiligheid 2023 van de gemeente Groningen. Dit advies is door de burgemeester overgenomen. De rechtbank is gebleken dat deze beide regelingen zijn gepubliceerd en de rechtbank is uit de door de burgemeester genoemde artikelen/onderdelen gebleken dat het afdelingshoofd dat het besluit van 11 november 2024 namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester zich baseren op de risicoanalyse van het riskassessmentteam?
16.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de burgemeester de risicoanalyse door deskundigen had moeten laten toetsen. Het is de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan eiser vindt dat dit had gemoeten. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.
16.4.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester aan haar vergewisplicht heeft voldaan. Eiser heeft een reactie van Planta op de risicoanalyse van het riskassessmentteam kunnen indienen en de burgemeester heeft het team dat de risicoanalyse van [naam] heeft verricht daarop laten reageren.
16.5.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester zich op de risicoanalyse van het riskassessment mocht baseren. De reactie van Planta doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt dat Planta met name ingaat op de uitgevoerde gedragstest. Planta stelt dat uit de in-verblijf gedragstest die is uitgevoerd geen valide uitspraak kan worden gedaan over het risico van [naam] . Uit het rapport van de risicoanalyse en de reactie van het riskassessmentteam op de bevindingen van Planta volgt echter dat de gedragstest slechts een gering onderdeel vormt van een risicoanalyse. De kans op en impact van een bijtincident worden bepaald op basis van vijf bronnen: informatie over bijtincidenten, informatie over de situatie van de eigenaar van de hond, informatie over de gezondheidstoestand van de hond, informatie van de vaste verzorger bij de opslaghouder van de hond en informatie uit de gestandaardiseerde gedragstest. Uit het rapport van de risicoanalyse volgt dat de conclusie van het riskassessment op informatie uit al deze bronnen is gebaseerd. Bovendien heeft het riskassessmentteam in het rapport van de risicoanalyse uiteengezet dat de uitgevoerde gedragstest is gevalideerd.
Uit het rapport van de risicoanalyse volgt verder dat er bij [naam] in zijn verblijf naar zijn gedrag is gekeken, omdat [naam] geen vertrouwde sociale band met een of meer verzorgers is aangegaan. De rechtbank ziet in de reactie van Planta geen reden om hieraan te twijfelen. In het rapport van de risicoanalyse is namelijk uiteengezet dat uit wetenschappelijke literatuur bekend is dat het bij de meeste dieren een aantal dagen tot ongeveer twee weken duurt, voordat het stressniveau is gedaald en dat dit het beste moment is om te testen.
De rechtbank merkt daar nog bij op dat Planta [naam] niet zelf heeft gezien en onderzocht en dat het riskassessmentteam in de reactie van Planta geen reden heeft gezien om zijn conclusies te wijzigen.
Het riskassessmentteam moet deskundig worden geacht. Eiser heeft (met de reactie van Planta) niet aannemelijk gemaakt dat aan die deskundigheid en de bevindingen van dat team moet worden getwijfeld. De burgemeester mocht dus uitgaan van de risicoanalyse van het riskassessmentteam, ook als het gaat om de conclusies dat [naam] niet kan terugkeren naar eiser, en dat euthanasie overblijft als [naam] niet kan worden herplaatst. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit evenredig?
16.6.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit om [naam] definitief in beslag te nemen, evenredig is. Het besluit is volgens de burgemeester geschikt om de overtreding van het kort aanlijn- en muilkorfgebod te beëindigen. Gebleken is dat minder vergaande middelen niet voldoende waren om een nieuw bijtincident te voorkomen. De burgemeester stelt dat het grote aantal bijtincidenten dat in korte tijd heeft plaatsgevonden en het getoonde gebrek aan verantwoordelijkheid bij eiser is meegewogen.
16.7.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de vrees heeft mogen aannemen voor nieuwe overtredingen van het kort aanlijn- en muilkorfgebod en voor nieuwe bijtincidenten, gelet op het rapport van de risicoanalyse van 7 november 2024. De burgemeester heeft daarbij het aantal bijtincidenten in korte tijd waarbij [naam] betrokken was en de (bagatelliserende) houding van eiser mogen betrekken. Zo heeft eiser geen verantwoordelijkheid genomen na het bijtincident van 3 oktober 2024. De burgemeester heeft het belang van de veiligheid mogen laten prevaleren. Het in beslag nemen van [naam] is onder deze omstandigheden in verhouding tot het daarmee te dienen doel, namelijk het voorkomen van nieuwe overtredingen en bijtincidenten. De rechtbank weegt mee dat de burgemeester heeft aangegeven dat zijn uitgangspunt is om [naam] te herplaatsen en dat hij euthanasie als laatste middel ziet.
16.8.
De rechtbank volgt tot slot niet eisers stelling dat de burgemeester van zijn bevoegdheid tot inbeslagname gebruik heeft gemaakt in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. De burgemeester heeft haar bevoegdheid om [naam] in beslag te nemen niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, namelijk het voorkomen van nieuwe bijtincidenten en daarmee het bevorderen van de veiligheid in de gemeente. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025
17. De burgemeester heeft in de kostenverhaalbeschikking van 9 april 2025 de dierenartskosten, opvangkosten, transportkosten en de kosten voor de afgenomen risicoanalyse in verband met de inbeslagname van [naam] bij eiser in rekening gebracht. Eiser bestrijdt de door de burgemeester vastgestelde hoogte van de kosten.
17.1.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeester kosten die in verband met de inbeslagname van [naam] zijn gemaakt in de periode 14 oktober 2024 tot en met 11 november 2024 bij eiser in rekening heeft gebracht. Het gaat om de kosten van vervoer en opslag in verband met het eerste pension waar [naam] heeft verbleven (van 14 oktober 2024 tot 18 oktober 2024), de kosten van vervoer en opslag in verband met het tweede pension waar [naam] heeft verbleven (van 18 oktober tot en met 11 november 2024), de dierenartskosten en de kosten van de risicoanalyse door de Faculteit Diergeneeskundige van de Universiteit Utrecht. De burgemeester heeft ter onderbouwing van de door haar vastgestelde hoogte van de kosten de facturen die zij heeft ontvangen meegezonden.
17.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester met de overgelegde facturen de opbouw van de op eiser verhaalde kosten tot een bedrag van € 2.487,85 voldoende inzichtelijk gemaakt. Uit artikel 5:25 van de Awb en de Beleidsregel volgt dat de kosten van de inbeslagname, van de opslag en van het onderzoek van [naam] verhaalbaar zijn op eiser. Hetgeen eiser heeft aangevoerd biedt voor de rechtbank geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de kostenverhaalbeschikking niet op rechtmatige wijze tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en het kostenverhaalbesluit van 9 april 2025 in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort
aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter;
b. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of dat hij heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023
10.2
Bestuursdwang op grond van art. 5:31 Awb
De burgemeester is op grond van artikelen 5:29 en verder van de Awb bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften te beletten of te beëindigen. Zo nodig kunnen er hiertoe spoedmaatregelen worden genomen (5:31 Awb).
De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van de hond als:
•de hond door de burgemeester is aangewezen als gevaarlijk waarbij een kort aanlijngebod en/ of een muilkorfgebod van de hond is opgelegd op grond van artikel 2:59 APV of;
•de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht.
Bij bijtincidenten is de situatie veelal dermate spoedeisend dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen en dit dus achteraf plaatsvindt. Spoedeisende bestuursdwang kan bijvoorbeeld worden toegepast indien inbeslagname van de hond noodzakelijk is, maar er op het moment van de overtreding niet direct sprake is van verstoring van de openbare orde.
Kostenverhaal
De kosten van bestuursdwang zijn op grond van artikel 5:25 Algemene wet bestuursrecht verhaalbaar op de overtreder. In dit geval de eigenaar, houder of verzorger van de hond.
10.3
Inbeslagname
De inbeslagname mag in principe maximaal 4 weken duren, in uitzonderlijke gevallen kan dit langer duren. De hond ondergaat tijdens de inbeslagname een risico-assessment.
10.4
Inbeslagname door burgemeester (bij verstoring van de openbare orde)
De burgemeester is op grond van artikel 172 Gemeentewet bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. De burgemeester kan besluiten tot inbeslagname van de hond bijvoorbeeld als:
•De eigenaar, houder of verzorger van een hond die door het college als gevaarlijke hond is aangewezen en handelt in strijd met artikel 2: 59 APV en vervolgens de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van (zeer) ernstig letsel of ernstige gevolgen.
•In geval van het niet naleven van regelgeving die noopt tot handhaving van de openbare orde. De houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan wordt eerst gevraagd om afstand te doen van zijn hond. De burgemeester geeft bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de hond.
•Bij inbeslagname dient de eigenaar of houder van de hond verzocht te worden om een afstand te doen van de hond (afstandsverklaring). Indien er geen afstand van de hond wordt gedaan, ontbreekt de bevoegdheid om de hond te herplaatsen of te euthanaseren.
Het is de taak van de gemeente om een instantie te regelen die de hond in beslag kan nemen en vervoeren. Dit bevel wordt gegeven nadat is gecontroleerd of alle beschikbare middelen van de APV reeds zijn toegepast.
De hond wordt ondergebracht op een geheime locatie. De hondenopvang vervoert de hond naar de aangegeven (geheime) locatie. De hond wordt vervolgens getest door een gedragsdeskundige. De kosten van vervoer, verblijf en test van de hond komen voor rekening van de eigenaar, houder of verzorger van de hond.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:21:
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:25
1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
2. De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.
3. Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.
4. De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.
5. Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.
6. Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast.
Artikel 5:29
1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.
2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.
3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.
4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan.
5. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.
Artikel 5:30
1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.
2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip eigenaar was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten en de kosten van de verkoop. Na het verstrijken van deze termijn vervalt een batig saldo aan het bestuursorgaan.
5. Indien naar het oordeel van het bestuursorgaan verkoop niet mogelijk is, kan het de zaak om niet aan een derde in eigendom overdragen of laten vernietigen. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5:31
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.
Artikel 5:31c
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.
Dat blijkt uit een mutatierapport van de politie van 4 oktober 2024.
Dat blijkt uit een ambtelijk rapport van 10 oktober 2024.
Eiser verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2015:1447 en 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1044.
Op grond van artikel 6:16 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.
ECLI:NL:RVS:2024:4083.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1266.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4083.