Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2020
2026-05-21
Bestuursrecht
24/4403
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Opleggen kort aanlijn- en muilkorfgebod.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2025:3844 Raad van State 13-08-2025
- ECLI:NL:RVS:2020:168 Raad van State 22-01-2020
- ECLI:NL:RVS:2021:1389 Raad van State 30-06-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (25.473 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4403
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Warffum, eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Skála),
en
De burgemeester van Groningen
(gemachtigden: M. Sieburgh en R. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gevaarlijkverklaring van eisers hond [naam] en het opleggen van een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester in redelijkheid tot zijn beoordeling en besluit heeft mogen komen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester in redelijkheid mocht besluiten om [naam] gevaarlijk te verklaren en om een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] op te leggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen de hond [naam] gevaarlijk verklaard en een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] opgelegd. Ook is een last onder dwangsom opgelegd: als eiser zich niet houdt aan de voorwaarden van de gevaarlijkverklaring (strakke aanlijn- en muilkorfplicht) dan verbeurt eiser een dwangsom van € 500, met een maximum van € 1500.
3. In het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
3.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst om de burgemeester in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. De burgemeester heeft de gevraagde stukken ingediend en de gemachtigde van eiser heeft op de stukken gereageerd.
3.4.
De rechtbank heeft vervolgens op 19 maart 2026 het onderzoek gesloten, met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er voor het bestreden besluit gebeurd?
4. Eiser is eigenaar van [naam] , een donkergekleurde bouvier. Eiser heeft een bedrijf met de naam [bedrijf] , gevestigd op het adres [adres] in Groningen. Het bedrijf bevindt zich op een bedrijventerrein waar meerdere bedrijven gevestigd zijn.
5. De veiligheidsmanager van het bedrijf [bedrijfsnaam] , gevestigd op het adres [adres2] in Groningen, heeft op 20 december 2023 telefonisch aan de gemeente doorgegeven dat een medewerker van het bedrijf op 19 december 2023 in de avond is gebeten door een hond van [bedrijf] . De medewerker die gebeten is, heeft in een e-mail toegelicht wat er is gebeurd. Hij heeft verklaard dat hij is gebeten door een hond, een zwarte bouvier, die van het terrein van [bedrijf] kwam en die volgens het slachtoffer van eiser is. Het slachtoffer heeft verder verklaard dat zijn onderarm stijf werd en pijn begon te doen, dat hij naar de dokterspost is geweest en dat hij de volgende dag zijn huisarts heeft bezocht.
6. In een brief van 21 december 2023 van de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] aan eiser staat dat een collega op 19 december 2023 rond 22:30 uur is gebeten door de zwarte bouvier van eiser. De collega is in zijn onderarm gebeten en is na behandeling door het BHV team van het bedrijf naar huis gegaan. De volgende ochtend is de collega naar zijn huisarts geweest die preventief medicatie heeft voorgeschreven. De collega heeft zich vervolgens ziekgemeld. In de brief staat verder dat de veiligheidsmanager op 20 december 2023 met eiser heeft gesproken en dat eiser heeft verklaard dat er op 19 december 2023 in de avond een probleem was met het hekwerk aan de voorzijde van zijn terrein en dat hij de begeleiding van zijn honden had overgelaten aan een collega. De honden waren, zo staat in de brief vermeld, niet aangelijnd.
7. Uit de journaalregels van 20 december 2023 van de huisarts van het slachtoffer blijkt dat de huisarts het slachtoffer een tetanus vaccinatie heeft gegeven en hem een antibioticum (augmentin) heeft voorgeschreven. In het journaal staat verder dat het slachtoffer is gebeten door een hond, dat hij een diepliggend wondje in de rechteronderarm en enkele krassen/oppervlakkige schaafplekken heeft en dat hij door zijn jas heen is gebeten. Ook is een foto van de bijtwond in de arm overgelegd.
8. De toezichthouders zijn op 29 december 2023 bij het bedrijf van eiser langsgegaan. Het bedrijf was gesloten. De toezichthouders hebben met twee medewerkers van het bedrijf [bedrijfsnaam2] gesproken dat op hetzelfde bedrijventerrein is gevestigd. Deze medewerkers verklaarden allebei dat zij ook gebeten zijn door de bouvier van eiser, maar dat zij daar verder geen werk van hebben gemaakt.
9. Eén van de medewerkers van [bedrijfsnaam2] heeft verklaard dat
op 13 juli 2023 de zwarte hond naar haar hand heeft gehapt en dat op 23 oktober 2023 een andere medewerker van [bedrijfsnaam2] in zijn been is gebeten door de zwarte hond. Bij de verklaring is een foto van de bijtwond in het been overgelegd.
10. De burgemeester heeft op 8 februari 2024 het voornemen om [naam] gevaarlijk te verklaren en om een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] op te leggen bekend gemaakt.
11. Eiser heeft op 12 februari 2024 zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.
12. Vervolgens heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen het besluit van 30 april 2024 genomen.
13. Tegen dit besluit heeft eiser op 6 juni 2024 bezwaar gemaakt.
14. In het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De burgemeester heeft daarbij het besluit van 30 april 2024, dat ten onrechte was genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, bekrachtigd en tot het hare gemaakt.
Wat oordeelt de rechtbank?
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
15. Eiser voert aan dat de burgemeester het onbevoegd genomen besluit van 30 april 2024 enkel kan bekrachtigen en tot het hare maken als eiser daardoor niet wordt benadeeld. Eiser heeft aangevoerd dat hij door het onbevoegd genomen besluit is benadeeld en de burgemeester is daar in zijn besluit niet op ingegaan. Volgens eiser bestaat de benadeling uit de strafbepalingen in het besluit waaraan een dwangsom is verbonden. Eiser wijst er verder op dat het bestreden besluit niet is ondertekend door de burgemeester en dat niet is gebleken dat degene die het besluit wel heeft ondertekend daartoe bevoegd was. Eiser concludeert hieruit dat er geen rechtsgeldig afgegeven gevaarlijkverklaring van [naam] is.
15.1.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bestuursorganen fouten in de bezwaarprocedure kunnen herstellen, mits de belangen van de betrokken partijen niet onevenredig worden geschaad. In een situatie waarin sprake is van een bezwaarschrift tegen een door een onbevoegd orgaan genomen besluit waarop door het bevoegde orgaan wordt beslist, wordt met die beslissing het bevoegdheidsgebrek geacht te zijn hersteld. In dit geval is het besluit van 30 april 2024 onbevoegd genomen door het college van burgemeester en wethouders. De rechtbank oordeelt dat het besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 is genomen door de burgemeester, die hiertoe bevoegd is, waarmee het bevoegdheidsgebrek is hersteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Dat een last onder dwangsom is opgelegd, maakt niet dat eiser door het herstel van het bevoegdheidsgebrek onevenredig in zijn belangen is geschaad.
15.2.
De burgemeester heeft verder in het verweerschrift uiteengezet dat de juridisch adviseur die het bestreden besluit namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is op grond van artikel 8 van het Directiemandaat en Aanwijzingsbesluit(en) Financiën, Inkoop en Juridische Zaken gemeente Groningen 2023 in samenhang met artikel 9.8 van het Ondermandaat van de directie Financiën, Inkoop en Juridische Zaken 2023. De rechtbank is gebleken dat beide regelingen zijn gepubliceerd. De rechtbank oordeelt dat uit genoemde artikelen volgt dat de juridisch adviseur die het bestreden besluit namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester ervan uitgaan dat [naam] is betrokken bij de drie bijtincidenten?
16. Eiser voert aan dat de burgemeester er ten onrechte van uitgaat dat alle drie de bijtincidenten uit 2023 hebben plaatsgevonden met dezelfde hond, [naam] . Eiser heeft namelijk nog een bouvier, met de naam [naam2] . Verder waren hij en [naam] ten tijde van het derde bijtincident op 19 december 2023 niet in het bedrijf van eiser aanwezig. Ook [naam2] was op dat moment niet in het bedrijf van eiser aanwezig.
16.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank stelt vast dat eiser in de gronden van beroep van 5 november 2024 heeft verklaard dat [naam] betrokken was bij de bijtincidenten op 13 juli 2023 en 23 oktober 2023. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [naam] betrokken was bij die bijtincidenten. Eiser heeft weliswaar een verklaring overgelegd van [betrokkene] van 21 januari 2025 over het incident op 23 oktober 2023, maar deze verklaring maakt het oordeel niet anders. [betrokkene] verklaart namelijk nog steeds dat het gaat om een grote zwarte hond. De rechtbank acht bovendien van belang dat [betrokkene] op 5 juli 2024 aan de toezichthouder heeft bevestigd dat het om de zwarte hond op de getoonde foto gaat. Eiser heeft in deze procedure niet weersproken dat de zwarte hond op de getoonde foto [naam] is.
16.2.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam] ook betrokken was bij het bijtincident op 19 december 2023. Eiser heeft dit niet heeft kunnen ontkrachten. De burgemeester mocht zich baseren op het onderzoek van de toezichthouders. De rechtbank kent daarbij gewicht toe aan de brief van de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] van 21 december 2023 aan eiser waarin het incident is beschreven en waarin een samenvatting van het gesprek met eiser staat: ‘U gaf in het gesprek aan dat er die avond een probleem was met het hekwerk aan de voorzijde van uw terrein en dat u op dat moment de begeleiding van de honden had overgelaten aan een collega. Uw honden waren niet aangelijnd.’ Verder kent de rechtbank gewicht toe aan de verklaring van het slachtoffer van het bijtincident op 19 december 2023. Het slachtoffer verklaart dat hij is gebeten door een zwarte hond, hij denkt een bouvier, die bij hem bekend was als de hond van eiser. Dit slachtoffer heeft op de getoonde foto [naam] ook aangewezen als de hond die hem heeft gebeten. De rechtbank ziet - met de burgemeester - niet welk belang de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] of het slachtoffer zouden kunnen hebben bij het verdraaien van de feiten. De rechtbank acht daarnaast relevant dat eiser niet mee heeft gewerkt aan het uitlezen van de chip van [naam] .
De rechtbank oordeelt verder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de drie bijtincidenten in 2023 in het bezit was van nog een (of twee) andere donkergekleurde bouvier(s). De rechtbank merkt in dat verband op dat eiser tijdens de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure heeft verklaard dat [naam2] en [naam] namen zijn van één en dezelfde hond. Dat betekent ook dat eiser steeds wisselende verklaringen aflegt over zijn honden. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
Eiser heeft verklaringen overgelegd, onder meer van werknemers van zijn bedrijf, waarin wordt gesteld dat eiser en [naam] op 19 december 2023 in de avond niet in het bedrijf van eiser aanwezig waren. De rechtbank acht deze verklaringen, die een jaar na het bijtincident op verzoek van eiser zijn opgesteld door bekenden van eiser, minder betrouwbaar dan de - kort na het bijtincident opgestelde informatie - die de burgemeester heeft ingebracht. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de door eiser ingebrachte verklaringen niet overeenkomen met eerdere verklaringen van eiser over wanneer hij van zijn bedrijf is weggegaan en waar hij heeft verbleven ten tijde van het bijtincident op 19 december 2023. Eiser heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij op het moment van het bijtincident thuis in Warffum was en in zijn beroepschrift dat hij op dat moment in Ulrum was. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester [naam] gevaarlijk verklaren?
17. Eiser stelt dat de burgemeester [naam] niet gevaarlijk mocht verklaren. De eerste twee bijtincidenten waren lichte bijtincidenten, maar de burgemeester had die niet mogen betrekken bij de gevaarlijkverklaring van [naam] . Het derde bijtincident is volgens eiser geen ernstig bijtincident. Eiser wijst er verder op dat alle drie de bijtincidenten plaatsvonden op het privéterrein van eiser waar een waarschuwingsbord hangt voor loslopende honden.
17.1.
De rechtbank stelt voorop dat de burgemeester beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling of een hond gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APV). Hij heeft beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een muilkorfgebod op te leggen. De bestuursrechter toetst vervolgens of de burgemeester in redelijkheid tot zijn beoordeling en beslissing heeft kunnen komen.
17.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen vast staat dat de incidenten op 13 juli 2023 en 23 oktober 2023 lichte bijtincidenten zijn. Partijen zijn verdeeld over de ernst van het derde bijtincident.
17.2.1.
Op grond van artikel 2.59 van de APV kan de burgemeester voor een hond die gevaarlijk is verklaard een kort aanlijn- en muilkorfgebod opleggen. In artikel 1.2. van de Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023 (Beleidsregel) staat dat onder een gevaarlijke hond wordt verstaan een hond die een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt. Verder blijkt uit dat artikel dat onder meer sprake is van een ernstig bijtincident als een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon en dat van ernstig letsel sprake is als bij een persoon medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident.
17.2.2.
Uit de verklaring van het slachtoffer van het bijtincident van 19 december 2023, de foto van de bijtwond en de journaalregels van de huisarts volgt dat bij dit slachtoffer medische behandeling noodzakelijk was als gevolg van het bijtincident, namelijk antibiotica en een tetanus vaccinatie. De burgemeester heeft het bijtincident op 19 december 2023 dan ook terecht aangemerkt als ernstig bijtincident.
17.3.
De rechtbank geeft eiser verder geen gelijk in zijn stelling dat de burgemeester de lichte bijtincidenten niet mocht betrekken bij de gevaarlijkverklaring van [naam] . De burgemeester heeft de concrete incidenten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit benoemd. De toezichthouders hebben die (lichte) incidenten onderzocht. De lichte bijtincidenten zijn bovendien door eiser erkend. De rechtbank merkt daarnaast op dat ingevolge het protocol in de Beleidsregel één ernstig bijtincident al voldoende is om een hond gevaarlijk te verklaren.
17.4.
De stelling van eiser dat de incidenten plaatsvonden op zijn privéterrein geeft de rechtbank ten slotte geen aanleiding om anders te oordelen. Eiser heeft over het bijtincident van 19 december 2023 in de gronden beroep van 25 maart 2025 opgemerkt dat dit incident buiten zijn eigen terrein heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt verder dat ook medewerkers van andere bedrijven het terrein van eiser moeten betreden om bij hun eigen bedrijf te komen. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat daarvoor hetzelfde hek wordt gebruikt.
17.5.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft mogen beslissen om [naam] gevaarlijk te verklaren en voor [naam] een kort aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort
aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter;
b. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of dat hij heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023
Artikel 1.2 Begripsbepalingen
Licht bijtincident:
van een licht bijtincident is sprake wanneer een hond een persoon, een andere hond of een ander dier bijt, waarbij er sprake is van geen of gering letsel. Van gering letsel wordt gesproken indien niet direct medische behandeling noodzakelijk is.
Ernstig bijtincident:
van een ernstig bijtincident is sprake:
1. wanneer het bijtincident ernstige gevolgen heeft, doordat een persoon, hond of ander dier overlijdt als direct gevolg van het bijtincident;
2. wanneer een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon, hond of ander dier;
3. wanneer een hond een persoon, hond of ander dier zodanig vastbijt en er sprake is van prooi-schudden en/of het niet willen loslaten, ook niet bij dwang;
4. in ieder ander geval dat door de burgemeester als ernstig wordt aangemerkt.
Ernstig letsel: van ernstig letsel is sprake wanneer bij een persoon of dier medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident. Het gaat dan bijvoorbeeld om letsel, waarbij chirurgisch herstel nodig is.
Gevaarlijke hond: een hond, die een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt.
Hinderlijke hond: een hond, die een licht bijtincident, overlast en/of schade aan roerende of onroerende zaken heeft veroorzaakt.
Kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een deugdelijke lijn met een lengte, die gemeten van hand tot halsband, niet langer is dan 1,50 meter.
Muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof of van stevig leer, of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van een mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek van de hond toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Gemeentewet
Artikel 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
(..)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Dat blijkt uit het rapport dat is opgesteld door toezichthouders van de gemeente Groningen.
Dat blijkt uit een e-mail van 19 december 2023, door de gemeente Groningen ontvangen op 27 december 2023.
Dat blijkt uit het rapport van de toezichthouders.
Zie haar verklaring van 31 januari 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3844.
Zie voor de publicaties de gemeentebladen van 10 juli 2023, nr. 299178 en 31 januari 2023, nr. 45765.
Dit stuk heeft de burgemeester aanvullend overgelegd.
Dit stuk heeft de burgemeester aanvullend overgelegd.
Zaaknummer LEE 24/4364.
Zie bladzijde 6 van het verweerschrift.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:168.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4403
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit Warffum, eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Skála),
en
De burgemeester van Groningen
(gemachtigden: M. Sieburgh en R. Bakker).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de gevaarlijkverklaring van eisers hond [naam] en het opleggen van een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester in redelijkheid tot zijn beoordeling en besluit heeft mogen komen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester in redelijkheid mocht besluiten om [naam] gevaarlijk te verklaren en om een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] op te leggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. In het besluit van 30 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen de hond [naam] gevaarlijk verklaard en een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] opgelegd. Ook is een last onder dwangsom opgelegd: als eiser zich niet houdt aan de voorwaarden van de gevaarlijkverklaring (strakke aanlijn- en muilkorfplicht) dan verbeurt eiser een dwangsom van € 500, met een maximum van € 1500.
3. In het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester.
3.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst om de burgemeester in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. De burgemeester heeft de gevraagde stukken ingediend en de gemachtigde van eiser heeft op de stukken gereageerd.
3.4.
De rechtbank heeft vervolgens op 19 maart 2026 het onderzoek gesloten, met inachtneming van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is er voor het bestreden besluit gebeurd?
4. Eiser is eigenaar van [naam] , een donkergekleurde bouvier. Eiser heeft een bedrijf met de naam [bedrijf] , gevestigd op het adres [adres] in Groningen. Het bedrijf bevindt zich op een bedrijventerrein waar meerdere bedrijven gevestigd zijn.
5. De veiligheidsmanager van het bedrijf [bedrijfsnaam] , gevestigd op het adres [adres2] in Groningen, heeft op 20 december 2023 telefonisch aan de gemeente doorgegeven dat een medewerker van het bedrijf op 19 december 2023 in de avond is gebeten door een hond van [bedrijf] . De medewerker die gebeten is, heeft in een e-mail toegelicht wat er is gebeurd. Hij heeft verklaard dat hij is gebeten door een hond, een zwarte bouvier, die van het terrein van [bedrijf] kwam en die volgens het slachtoffer van eiser is. Het slachtoffer heeft verder verklaard dat zijn onderarm stijf werd en pijn begon te doen, dat hij naar de dokterspost is geweest en dat hij de volgende dag zijn huisarts heeft bezocht.
6. In een brief van 21 december 2023 van de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] aan eiser staat dat een collega op 19 december 2023 rond 22:30 uur is gebeten door de zwarte bouvier van eiser. De collega is in zijn onderarm gebeten en is na behandeling door het BHV team van het bedrijf naar huis gegaan. De volgende ochtend is de collega naar zijn huisarts geweest die preventief medicatie heeft voorgeschreven. De collega heeft zich vervolgens ziekgemeld. In de brief staat verder dat de veiligheidsmanager op 20 december 2023 met eiser heeft gesproken en dat eiser heeft verklaard dat er op 19 december 2023 in de avond een probleem was met het hekwerk aan de voorzijde van zijn terrein en dat hij de begeleiding van zijn honden had overgelaten aan een collega. De honden waren, zo staat in de brief vermeld, niet aangelijnd.
7. Uit de journaalregels van 20 december 2023 van de huisarts van het slachtoffer blijkt dat de huisarts het slachtoffer een tetanus vaccinatie heeft gegeven en hem een antibioticum (augmentin) heeft voorgeschreven. In het journaal staat verder dat het slachtoffer is gebeten door een hond, dat hij een diepliggend wondje in de rechteronderarm en enkele krassen/oppervlakkige schaafplekken heeft en dat hij door zijn jas heen is gebeten. Ook is een foto van de bijtwond in de arm overgelegd.
8. De toezichthouders zijn op 29 december 2023 bij het bedrijf van eiser langsgegaan. Het bedrijf was gesloten. De toezichthouders hebben met twee medewerkers van het bedrijf [bedrijfsnaam2] gesproken dat op hetzelfde bedrijventerrein is gevestigd. Deze medewerkers verklaarden allebei dat zij ook gebeten zijn door de bouvier van eiser, maar dat zij daar verder geen werk van hebben gemaakt.
9. Eén van de medewerkers van [bedrijfsnaam2] heeft verklaard dat
op 13 juli 2023 de zwarte hond naar haar hand heeft gehapt en dat op 23 oktober 2023 een andere medewerker van [bedrijfsnaam2] in zijn been is gebeten door de zwarte hond. Bij de verklaring is een foto van de bijtwond in het been overgelegd.
10. De burgemeester heeft op 8 februari 2024 het voornemen om [naam] gevaarlijk te verklaren en om een kort aanlijn- en muilkorfgebod voor [naam] op te leggen bekend gemaakt.
11. Eiser heeft op 12 februari 2024 zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.
12. Vervolgens heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen het besluit van 30 april 2024 genomen.
13. Tegen dit besluit heeft eiser op 6 juni 2024 bezwaar gemaakt.
14. In het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De burgemeester heeft daarbij het besluit van 30 april 2024, dat ten onrechte was genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, bekrachtigd en tot het hare gemaakt.
Wat oordeelt de rechtbank?
Is het bestreden besluit bevoegd genomen?
15. Eiser voert aan dat de burgemeester het onbevoegd genomen besluit van 30 april 2024 enkel kan bekrachtigen en tot het hare maken als eiser daardoor niet wordt benadeeld. Eiser heeft aangevoerd dat hij door het onbevoegd genomen besluit is benadeeld en de burgemeester is daar in zijn besluit niet op ingegaan. Volgens eiser bestaat de benadeling uit de strafbepalingen in het besluit waaraan een dwangsom is verbonden. Eiser wijst er verder op dat het bestreden besluit niet is ondertekend door de burgemeester en dat niet is gebleken dat degene die het besluit wel heeft ondertekend daartoe bevoegd was. Eiser concludeert hieruit dat er geen rechtsgeldig afgegeven gevaarlijkverklaring van [naam] is.
15.1.
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat bestuursorganen fouten in de bezwaarprocedure kunnen herstellen, mits de belangen van de betrokken partijen niet onevenredig worden geschaad. In een situatie waarin sprake is van een bezwaarschrift tegen een door een onbevoegd orgaan genomen besluit waarop door het bevoegde orgaan wordt beslist, wordt met die beslissing het bevoegdheidsgebrek geacht te zijn hersteld. In dit geval is het besluit van 30 april 2024 onbevoegd genomen door het college van burgemeester en wethouders. De rechtbank oordeelt dat het besluit op bezwaar van 1 oktober 2024 is genomen door de burgemeester, die hiertoe bevoegd is, waarmee het bevoegdheidsgebrek is hersteld. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Dat een last onder dwangsom is opgelegd, maakt niet dat eiser door het herstel van het bevoegdheidsgebrek onevenredig in zijn belangen is geschaad.
15.2.
De burgemeester heeft verder in het verweerschrift uiteengezet dat de juridisch adviseur die het bestreden besluit namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd is op grond van artikel 8 van het Directiemandaat en Aanwijzingsbesluit(en) Financiën, Inkoop en Juridische Zaken gemeente Groningen 2023 in samenhang met artikel 9.8 van het Ondermandaat van de directie Financiën, Inkoop en Juridische Zaken 2023. De rechtbank is gebleken dat beide regelingen zijn gepubliceerd. De rechtbank oordeelt dat uit genoemde artikelen volgt dat de juridisch adviseur die het bestreden besluit namens de burgemeester heeft ondertekend daartoe bevoegd was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester ervan uitgaan dat [naam] is betrokken bij de drie bijtincidenten?
16. Eiser voert aan dat de burgemeester er ten onrechte van uitgaat dat alle drie de bijtincidenten uit 2023 hebben plaatsgevonden met dezelfde hond, [naam] . Eiser heeft namelijk nog een bouvier, met de naam [naam2] . Verder waren hij en [naam] ten tijde van het derde bijtincident op 19 december 2023 niet in het bedrijf van eiser aanwezig. Ook [naam2] was op dat moment niet in het bedrijf van eiser aanwezig.
16.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank stelt vast dat eiser in de gronden van beroep van 5 november 2024 heeft verklaard dat [naam] betrokken was bij de bijtincidenten op 13 juli 2023 en 23 oktober 2023. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [naam] betrokken was bij die bijtincidenten. Eiser heeft weliswaar een verklaring overgelegd van [betrokkene] van 21 januari 2025 over het incident op 23 oktober 2023, maar deze verklaring maakt het oordeel niet anders. [betrokkene] verklaart namelijk nog steeds dat het gaat om een grote zwarte hond. De rechtbank acht bovendien van belang dat [betrokkene] op 5 juli 2024 aan de toezichthouder heeft bevestigd dat het om de zwarte hond op de getoonde foto gaat. Eiser heeft in deze procedure niet weersproken dat de zwarte hond op de getoonde foto [naam] is.
16.2.
De rechtbank oordeelt verder dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [naam] ook betrokken was bij het bijtincident op 19 december 2023. Eiser heeft dit niet heeft kunnen ontkrachten. De burgemeester mocht zich baseren op het onderzoek van de toezichthouders. De rechtbank kent daarbij gewicht toe aan de brief van de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] van 21 december 2023 aan eiser waarin het incident is beschreven en waarin een samenvatting van het gesprek met eiser staat: ‘U gaf in het gesprek aan dat er die avond een probleem was met het hekwerk aan de voorzijde van uw terrein en dat u op dat moment de begeleiding van de honden had overgelaten aan een collega. Uw honden waren niet aangelijnd.’ Verder kent de rechtbank gewicht toe aan de verklaring van het slachtoffer van het bijtincident op 19 december 2023. Het slachtoffer verklaart dat hij is gebeten door een zwarte hond, hij denkt een bouvier, die bij hem bekend was als de hond van eiser. Dit slachtoffer heeft op de getoonde foto [naam] ook aangewezen als de hond die hem heeft gebeten. De rechtbank ziet - met de burgemeester - niet welk belang de veiligheidsmanager van [bedrijfsnaam] of het slachtoffer zouden kunnen hebben bij het verdraaien van de feiten. De rechtbank acht daarnaast relevant dat eiser niet mee heeft gewerkt aan het uitlezen van de chip van [naam] .
De rechtbank oordeelt verder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de drie bijtincidenten in 2023 in het bezit was van nog een (of twee) andere donkergekleurde bouvier(s). De rechtbank merkt in dat verband op dat eiser tijdens de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure heeft verklaard dat [naam2] en [naam] namen zijn van één en dezelfde hond. Dat betekent ook dat eiser steeds wisselende verklaringen aflegt over zijn honden. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen.
Eiser heeft verklaringen overgelegd, onder meer van werknemers van zijn bedrijf, waarin wordt gesteld dat eiser en [naam] op 19 december 2023 in de avond niet in het bedrijf van eiser aanwezig waren. De rechtbank acht deze verklaringen, die een jaar na het bijtincident op verzoek van eiser zijn opgesteld door bekenden van eiser, minder betrouwbaar dan de - kort na het bijtincident opgestelde informatie - die de burgemeester heeft ingebracht. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de door eiser ingebrachte verklaringen niet overeenkomen met eerdere verklaringen van eiser over wanneer hij van zijn bedrijf is weggegaan en waar hij heeft verbleven ten tijde van het bijtincident op 19 december 2023. Eiser heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat hij op het moment van het bijtincident thuis in Warffum was en in zijn beroepschrift dat hij op dat moment in Ulrum was. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de burgemeester [naam] gevaarlijk verklaren?
17. Eiser stelt dat de burgemeester [naam] niet gevaarlijk mocht verklaren. De eerste twee bijtincidenten waren lichte bijtincidenten, maar de burgemeester had die niet mogen betrekken bij de gevaarlijkverklaring van [naam] . Het derde bijtincident is volgens eiser geen ernstig bijtincident. Eiser wijst er verder op dat alle drie de bijtincidenten plaatsvonden op het privéterrein van eiser waar een waarschuwingsbord hangt voor loslopende honden.
17.1.
De rechtbank stelt voorop dat de burgemeester beoordelingsruimte heeft bij de beoordeling of een hond gevaarlijk of hinderlijk is als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APV). Hij heeft beleidsruimte bij zijn beslissing om al dan niet een muilkorfgebod op te leggen. De bestuursrechter toetst vervolgens of de burgemeester in redelijkheid tot zijn beoordeling en beslissing heeft kunnen komen.
17.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen vast staat dat de incidenten op 13 juli 2023 en 23 oktober 2023 lichte bijtincidenten zijn. Partijen zijn verdeeld over de ernst van het derde bijtincident.
17.2.1.
Op grond van artikel 2.59 van de APV kan de burgemeester voor een hond die gevaarlijk is verklaard een kort aanlijn- en muilkorfgebod opleggen. In artikel 1.2. van de Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023 (Beleidsregel) staat dat onder een gevaarlijke hond wordt verstaan een hond die een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt. Verder blijkt uit dat artikel dat onder meer sprake is van een ernstig bijtincident als een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon en dat van ernstig letsel sprake is als bij een persoon medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident.
17.2.2.
Uit de verklaring van het slachtoffer van het bijtincident van 19 december 2023, de foto van de bijtwond en de journaalregels van de huisarts volgt dat bij dit slachtoffer medische behandeling noodzakelijk was als gevolg van het bijtincident, namelijk antibiotica en een tetanus vaccinatie. De burgemeester heeft het bijtincident op 19 december 2023 dan ook terecht aangemerkt als ernstig bijtincident.
17.3.
De rechtbank geeft eiser verder geen gelijk in zijn stelling dat de burgemeester de lichte bijtincidenten niet mocht betrekken bij de gevaarlijkverklaring van [naam] . De burgemeester heeft de concrete incidenten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit benoemd. De toezichthouders hebben die (lichte) incidenten onderzocht. De lichte bijtincidenten zijn bovendien door eiser erkend. De rechtbank merkt daarnaast op dat ingevolge het protocol in de Beleidsregel één ernstig bijtincident al voldoende is om een hond gevaarlijk te verklaren.
17.4.
De stelling van eiser dat de incidenten plaatsvonden op zijn privéterrein geeft de rechtbank ten slotte geen aanleiding om anders te oordelen. Eiser heeft over het bijtincident van 19 december 2023 in de gronden beroep van 25 maart 2025 opgemerkt dat dit incident buiten zijn eigen terrein heeft plaatsgevonden. Uit de stukken blijkt verder dat ook medewerkers van andere bedrijven het terrein van eiser moeten betreden om bij hun eigen bedrijf te komen. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat daarvoor hetzelfde hek wordt gebruikt.
17.5.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid heeft mogen beslissen om [naam] gevaarlijk te verklaren en voor [naam] een kort aanlijn- en muilkorfgebod op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Lok, rechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:
a. anders dan kort
aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;
b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.
2. In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder e, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
3. In het eerste lid wordt verstaan onder:
a. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter;
b. muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of dat hij heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Beleidsregel bijtincidenten honden gemeente Groningen 2023
Artikel 1.2 Begripsbepalingen
Licht bijtincident:
van een licht bijtincident is sprake wanneer een hond een persoon, een andere hond of een ander dier bijt, waarbij er sprake is van geen of gering letsel. Van gering letsel wordt gesproken indien niet direct medische behandeling noodzakelijk is.
Ernstig bijtincident:
van een ernstig bijtincident is sprake:
1. wanneer het bijtincident ernstige gevolgen heeft, doordat een persoon, hond of ander dier overlijdt als direct gevolg van het bijtincident;
2. wanneer een hond ernstig letsel toebrengt aan een persoon, hond of ander dier;
3. wanneer een hond een persoon, hond of ander dier zodanig vastbijt en er sprake is van prooi-schudden en/of het niet willen loslaten, ook niet bij dwang;
4. in ieder ander geval dat door de burgemeester als ernstig wordt aangemerkt.
Ernstig letsel: van ernstig letsel is sprake wanneer bij een persoon of dier medische behandeling noodzakelijk is als gevolg van het bijtincident. Het gaat dan bijvoorbeeld om letsel, waarbij chirurgisch herstel nodig is.
Gevaarlijke hond: een hond, die een ernstig bijtincident heeft veroorzaakt.
Hinderlijke hond: een hond, die een licht bijtincident, overlast en/of schade aan roerende of onroerende zaken heeft veroorzaakt.
Kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een deugdelijke lijn met een lengte, die gemeten van hand tot halsband, niet langer is dan 1,50 meter.
Muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof of van stevig leer, of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van een mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek van de hond toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
Gemeentewet
Artikel 125
1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
2. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
3. De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
(..)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Dat blijkt uit het rapport dat is opgesteld door toezichthouders van de gemeente Groningen.
Dat blijkt uit een e-mail van 19 december 2023, door de gemeente Groningen ontvangen op 27 december 2023.
Dat blijkt uit het rapport van de toezichthouders.
Zie haar verklaring van 31 januari 2024.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3844.
Zie voor de publicaties de gemeentebladen van 10 juli 2023, nr. 299178 en 31 januari 2023, nr. 45765.
Dit stuk heeft de burgemeester aanvullend overgelegd.
Dit stuk heeft de burgemeester aanvullend overgelegd.
Zaaknummer LEE 24/4364.
Zie bladzijde 6 van het verweerschrift.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:168.
Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1389.