Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:1998
2026-04-29
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
26/1307
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
voorlopige voorziening. Mondelinge uitspraak.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1548 Centrale Raad van Beroep 07-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.639 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1307
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de weigering van het Uwv om de aan verzoeker toegekende IVA-uitkering te herzien.
1.1.
Het Uwv heeft met het besluit van 8 december 2025 een verzoek om herziening van verzoeker afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker is UWV bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Als beroep is ingesteld tegen een besluit kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopig voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang.
2.2.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen actueel financieel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij
onder het bestaansminimum is gezakt en schulden heeft. De voorzieningenrechter ziet in deze niet nader, concreet en verifieerbaar onderbouwde stellingen van verzoeker geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ter zitting is gebleken dat verzoeker het verzoek voornamelijk heeft ingediend omdat de behandeling van zijn beroep mogelijk nog geruime tijd zal gaan duren. De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen is echter niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Dit is vaste rechtspraak.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026 door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten, zoals die is opgenomen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1548.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1307
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam uit plaats] , verzoeker
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de weigering van het Uwv om de aan verzoeker toegekende IVA-uitkering te herzien.
1.1.
Het Uwv heeft met het besluit van 8 december 2025 een verzoek om herziening van verzoeker afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 op het bezwaar van verzoeker is UWV bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn echtgenote. Het Uwv heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
Als beroep is ingesteld tegen een besluit kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopig voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De aard van het verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel (financieel) spoedeisend belang.
2.2.
De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen actueel financieel spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat hij
onder het bestaansminimum is gezakt en schulden heeft. De voorzieningenrechter ziet in deze niet nader, concreet en verifieerbaar onderbouwde stellingen van verzoeker geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Ter zitting is gebleken dat verzoeker het verzoek voornamelijk heeft ingediend omdat de behandeling van zijn beroep mogelijk nog geruime tijd zal gaan duren. De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen is echter niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Dit is vaste rechtspraak.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026 door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten, zoals die is opgenomen in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1548.