Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:1850
2026-05-22
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
LEE 23/409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek handhaving was afgewezen. Inmiddels geen sprake meer van illegale situatie. Om die reden hebben eisers geen actueel procesbelang meer. Procesbelang volgt ook niet uit het verzoek van eisers om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2025:6332 Raad van State 24-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2004:AO8874 Raad van State 06-05-2004
- ECLI:NL:RVS:2024:2323 Raad van State 05-06-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:2508 Raad van State 19-06-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.162 tekens)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[namen] , uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, verweerder (gemachtigde: W. Wieringa).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat het beroep van eisers tegen de afwijzing van een verzoek van eisers om handhaving. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat inmiddels het belang bij het beroep is komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eisers hebben bij brief van 23 april 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de bootbewoners aan het Warfhuisterloopdiep. Bij besluit van 14 juni 2022 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers hiertegen ongegrond verklaard.
2.2.
Namens eisers heeft advocaat mr. J. Veltman op 24 januari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brieven van 10 november 2023 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor behandeling op de zitting van 1 februari 2024. Bij brief van 9 januari 2024 heeft mr. Veltman de rechtbank bericht dat hij wegens beëindiging van zijn praktijk eisers niet langer vertegenwoordigde. Eisers hebben de rechtbank vervolgens op 17 januari 2024 gevraagd een nieuwe datum voor de zitting te bepalen. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het uitstelverzoek toegewezen.
2.3.
Bij brief van 10 april 2024 heeft verweerder, op verzoek van de rechtbank, bericht over de stand van zaken. Verweerder merkt onder meer op dat niet langer sprake is van een illegale situatie. Onder verwijzing naar artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft verweerder als mening dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven.
2.4.
De rechtbank heeft eisers de vraag voorgelegd of zij nog belang hadden bij behandeling van het beroep. In een brief van 4 augustus 2025 hebben eisers gesteld dat zij nog procesbelang hebben, primair gezien hun gezondheidssituatie en subsidiair wegens de proceskostenvergoeding. Eisers hebben opgemerkt dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
2.5.
De rechtbank heeft verweerder bij brief van 7 augustus 2025 verzocht om binnen vier weken te reageren op het schrijven van eisers, in het bijzonder op het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft van verweerder geen reactie ontvangen.
2.6.
Gezien de stellingname van partijen over de toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3.1.
Volgens vaste rechtspraak is procesbelang is het belang dat een rechtszoekende heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de rechtszoekende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de rechtszoekende van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.
3.2.
Verweerder heeft in bovengenoemde brief van 10 april 2024 gesteld dat de overtreding is beëindigd en tot op heden geëindigd is gebleven. Eisers hebben dit niet tegengesproken. Wel hebben zij in bovengenoemde brief van 4 augustus 2025 primair het procesbelang als volgt gerelateerd aan hun gezondheidssituatie: Er is vaker tussen de verschillende gemeenten ‘gepingpongd’ met de overlast veroorzakende bootzwervers. Zolang het beroep loopt, lijkt de gemeente Het Hogeland te handhaven, maar wat gaat zij doen als het beroep eindigt? Ons beider gezondheid (…) laat niet toe, dat een en ander op welke wijze dan ook weer zal oplaaien. De gemeente Het Hogeland heeft zich in de jaren voordat wij juridische stappen zetten, zeer onbetrouwbaar getoond en geen van onze klachten, noch die van de andere inwoners serieus genomen. De grote vraag is dan ook: wat doet deze gemeente als deze kwestie juridisch tot een einde komt? Wij hebben omwille van onze gezondheidssituatie er essentieel belang bij dat er nu en in de toekomst sprake is van permanente handhaving, van duidelijkheid in ligplaatsenbeleid en bij onmiddellijke handhaving door de gemeente Het Hogeland bij overtreding van het (nieuwe) ligplaatsenbeleid.
3.3.
Gezien de beëindiging van de overtreding overweegt de rechtbank dat eisers het doel dat hen voor ogen stond al bereikt hebben. Of zich op enig moment een nieuwe overtreding voor zal doen en of verweerder dan adequaat zal reageren, kan slechts onderwerp van speculatie zijn. Het zijn onzekere toekomstige gebeurtenissen. Hetgeen eisers primair aanvoeren, levert naar het oordeel van de rechtbank geen actueel procesbelang op.
4.1.
Subsidiair stellen eisers dat hun procesbelang voortkomt uit hun verzoek om proceskostenvergoeding. Zij verwijzen naar artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2004.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de door eisers genoemde lijn heeft verlaten in uitspraken van 5 juni 2024 en 19 juni 2024. De nieuwe lijn houdt in dat het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar geen zelfstandig procesbelang meer oplevert.
4.3.
De rechtbank oordeelt daarom dat het verzoek om proceskostenvergoeding ook geen actueel procesbelang oplevert.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat het procesbelang ontbreekt. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor vergoeding van griffierecht of proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 8:57
1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6332
ECLI:NL:RVS:2004:AO8874
ECLI:NL:RVS:2024:2323
ECLI:NL:RVS:2024:2508
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[namen] , uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, verweerder (gemachtigde: W. Wieringa).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat het beroep van eisers tegen de afwijzing van een verzoek van eisers om handhaving. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat inmiddels het belang bij het beroep is komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
Eisers hebben bij brief van 23 april 2022 verzocht om handhavend op te treden tegen de bootbewoners aan het Warfhuisterloopdiep. Bij besluit van 14 juni 2022 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van eisers hiertegen ongegrond verklaard.
2.2.
Namens eisers heeft advocaat mr. J. Veltman op 24 januari 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brieven van 10 november 2023 heeft de rechtbank partijen uitgenodigd voor behandeling op de zitting van 1 februari 2024. Bij brief van 9 januari 2024 heeft mr. Veltman de rechtbank bericht dat hij wegens beëindiging van zijn praktijk eisers niet langer vertegenwoordigde. Eisers hebben de rechtbank vervolgens op 17 januari 2024 gevraagd een nieuwe datum voor de zitting te bepalen. Bij brief van 18 januari 2024 heeft de rechtbank het uitstelverzoek toegewezen.
2.3.
Bij brief van 10 april 2024 heeft verweerder, op verzoek van de rechtbank, bericht over de stand van zaken. Verweerder merkt onder meer op dat niet langer sprake is van een illegale situatie. Onder verwijzing naar artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft verweerder als mening dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven.
2.4.
De rechtbank heeft eisers de vraag voorgelegd of zij nog belang hadden bij behandeling van het beroep. In een brief van 4 augustus 2025 hebben eisers gesteld dat zij nog procesbelang hebben, primair gezien hun gezondheidssituatie en subsidiair wegens de proceskostenvergoeding. Eisers hebben opgemerkt dat het onderzoek ter zitting achterwege kan blijven als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
2.5.
De rechtbank heeft verweerder bij brief van 7 augustus 2025 verzocht om binnen vier weken te reageren op het schrijven van eisers, in het bijzonder op het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft van verweerder geen reactie ontvangen.
2.6.
Gezien de stellingname van partijen over de toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3.1.
Volgens vaste rechtspraak is procesbelang is het belang dat een rechtszoekende heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de rechtszoekende voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de rechtszoekende van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.
3.2.
Verweerder heeft in bovengenoemde brief van 10 april 2024 gesteld dat de overtreding is beëindigd en tot op heden geëindigd is gebleven. Eisers hebben dit niet tegengesproken. Wel hebben zij in bovengenoemde brief van 4 augustus 2025 primair het procesbelang als volgt gerelateerd aan hun gezondheidssituatie: Er is vaker tussen de verschillende gemeenten ‘gepingpongd’ met de overlast veroorzakende bootzwervers. Zolang het beroep loopt, lijkt de gemeente Het Hogeland te handhaven, maar wat gaat zij doen als het beroep eindigt? Ons beider gezondheid (…) laat niet toe, dat een en ander op welke wijze dan ook weer zal oplaaien. De gemeente Het Hogeland heeft zich in de jaren voordat wij juridische stappen zetten, zeer onbetrouwbaar getoond en geen van onze klachten, noch die van de andere inwoners serieus genomen. De grote vraag is dan ook: wat doet deze gemeente als deze kwestie juridisch tot een einde komt? Wij hebben omwille van onze gezondheidssituatie er essentieel belang bij dat er nu en in de toekomst sprake is van permanente handhaving, van duidelijkheid in ligplaatsenbeleid en bij onmiddellijke handhaving door de gemeente Het Hogeland bij overtreding van het (nieuwe) ligplaatsenbeleid.
3.3.
Gezien de beëindiging van de overtreding overweegt de rechtbank dat eisers het doel dat hen voor ogen stond al bereikt hebben. Of zich op enig moment een nieuwe overtreding voor zal doen en of verweerder dan adequaat zal reageren, kan slechts onderwerp van speculatie zijn. Het zijn onzekere toekomstige gebeurtenissen. Hetgeen eisers primair aanvoeren, levert naar het oordeel van de rechtbank geen actueel procesbelang op.
4.1.
Subsidiair stellen eisers dat hun procesbelang voortkomt uit hun verzoek om proceskostenvergoeding. Zij verwijzen naar artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2004.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de door eisers genoemde lijn heeft verlaten in uitspraken van 5 juni 2024 en 19 juni 2024. De nieuwe lijn houdt in dat het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar geen zelfstandig procesbelang meer oplevert.
4.3.
De rechtbank oordeelt daarom dat het verzoek om proceskostenvergoeding ook geen actueel procesbelang oplevert.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat het procesbelang ontbreekt. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Voor vergoeding van griffierecht of proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
Voor de behandeling van het bezwaar is geen recht verschuldigd.
De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Artikel 8:57
1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6332
ECLI:NL:RVS:2004:AO8874
ECLI:NL:RVS:2024:2323
ECLI:NL:RVS:2024:2508