Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:1770
2026-05-19
Civiel recht
KL 11837124 \ CV EXPL 25-4255 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.041 tekens)
RECHTBANK
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 11837124 \ CV EXPL 25-4255
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
STICHTING ELKIEN,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: Elkien,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
beiden procederend in persoon.
1De kern van de zaak
In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ontstane huurachterstand. [gedaagde sub 2] woonde ten tijde van het ontstaan van die achterstand al geruime tijd niet meer in de woning. In beginsel bleef zij als medehuurder verplicht de huur te betalen totdat de huurovereenkomst ten aanzien van haar was beëindigd. De kantonrechter is echter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de huurachterstand moet betalen. Uitsluitend [gedaagde sub 1] zal daarom tot betaling van de huurachterstand worden veroordeeld.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 september 2025
- de brief van [gedaagde sub 2] van 19 oktober 2025
- de brief van [gedaagde sub 1] van 1 november 2025
- de akte overlegging producties tevens houdende vermindering van eis van Elkien
- de e-mail van [gedaagde sub 1] van 7 november 2025
- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte houdende wijziging van eis van Elkien.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op 15 juni 2011 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met Elkien voor een woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning). Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van Elkien van toepassing.
3.2.
De huurprijs van de woning bedroeg laatstelijk € 834,97 per maand en was bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand verschuldigd.
3.3.
[gedaagde sub 2] woont sinds 9 januari 2023 niet meer in de woning. De relatie tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is beëindigd.
3.4.
Vanaf maart 2025 is een huurachterstand ontstaan. Op 25 maart 2025 heeft Elkien de huurachterstand ten aanzien van [gedaagde sub 1] gemeld bij de gemeente Súdwest-Fryslân.
3.5.
In juni en juli 2025 heeft er WhatsApp-correspondentie plaatsgevonden tussen de heer [medewerker] van Elkien (hierna: [medewerker] ) en de huidige partner van [gedaagde sub 1] , mevrouw [partner gedaagde sub 1] (hierna: [partner gedaagde sub 1] ). Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
06-06-2025 13:27 – [medewerker] : Goedemiddag [partner gedaagde sub 1] , ik was dinsdagmiddag bij jullie aan de deur. We hebben toen een gesprek gehad over de achterstand van meneer [gedaagde sub 1] . Je gaf toen aan dinsdag gelijk een de huur van juni en een termijn van € 150 over te maken. Op dit moment is het nog niet binnengekomen. Is er iets mis gegaan?
(…)
12-06-2025 09:49 – [bijnaam partner gedaagde sub 1] (kantonrechter: [partner gedaagde sub 1] ): Goedemorgen [medewerker] , als het goed is is de huur betaald.
Zoals ik tijdens ons gesprek al aangaf woont [gedaagde sub 1] daar eigenlijk helemaal niet meer fijn.
Nu zag ik dat er achter mij in [woonplaats] in de [adres] een huisje leeg staat, en het volgens mij van Elkien is.
Zijn er mogelijkheden om in gesprek te gaan mbt woningruil oid?
(…)
3.6.
Per brief van 15 juli 2025, gericht aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het adres van de woning, heeft Elkien verzocht om de huurachterstand tot en met 31 juli 2025 van € 2.289,00 aan haar te betalen.
3.7.
Op 8 augustus 2025 is de dagvaarding in deze procedure aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betekend. Per e-mail van diezelfde dag aan Elkien heeft [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst voor de woning opgezegd. Elkien heeft aan [gedaagde sub 2] bevestigd dat haar deel van de huurovereenkomst per 1 september 2025 wordt beëindigd.
3.8.
Nadat de mondelinge behandeling in deze zaak had plaatsgevonden, heeft [gedaagde sub 1] de huurovereenkomst per 1 december 2025 opgezegd en de woning ontruimd.
4Het geschil
4.1.
Elkien vordert – na wijzigingen van eis – om bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de huurachterstand tot en met augustus 2025 ad € 2.821,97;
2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de wettelijke rente ad € 24,87;
3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 415,45 inclusief btw;
4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de proceskosten;
5. Uitsluitend [gedaagde sub 1] verder aanvullend te veroordelen tot betaling van de huurachterstand over de maanden september 2025 tot en met november 2025 ad in totaal € 2.356,91.
4.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren afzonderlijk verweer. [gedaagde sub 1] verzoekt om een betalingsregeling. [gedaagde sub 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Elkien.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De huurachterstand tot en met augustus 2025
5.1.
De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Elkien gestelde huurachterstand tot en met augustus 2025. De huurovereenkomst is door zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] aangegaan en ondertekend. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] een contractuele medehuurder was. Anders dan bij wettelijk medehuurderschap eindigt het contractuele medehuurderschap niet doordat de medehuurder zijn hoofdverblijf niet langer in de woning heeft. Nadat [gedaagde sub 2] in januari 2023 uit de woning was vertrokken, zonder de huurovereenkomst op te zeggen, is de huurovereenkomst ten aanzien van haar dus blijven voortbestaan totdat zij deze heeft opgezegd en Elkien daarmee heeft ingestemd per 1 september 2025. In beginsel blijft [gedaagde sub 2] daarom tot die datum gehouden tot nakoming van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.
5.2.
De kantonrechter ziet in dit geval echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. [gedaagde sub 2] heeft onweersproken aangevoerd dat zij tot het moment dat zij de dagvaarding van Elkien ontving niet wist dat zij bij Elkien nog als medehuurder geregistreerd stond en wat dit voor haar betekende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partner gedaagde sub 1] , de huidige partner van [gedaagde sub 1] , verklaard dat zij al tijdens een telefonisch contact met Elkien in 2024 heeft gemeld dat [gedaagde sub 2] niet meer in de woning woonde. Daarbij heeft zij ook gevraagd of [gedaagde sub 2] van de huurovereenkomst kon worden afgehaald. Elkien heeft niet betwist dat dit contact heeft plaatsgevonden, maar heeft verklaard dat dit vermoedelijk met haar klantencontactcentrum is verlopen en dat de medewerkers daar geen juridische kennis hebben. [partner gedaagde sub 1] heeft verder verklaard dat zij op 3 juni 2025, tijdens een huisbezoek van [medewerker] vanwege de ontstane huurachterstand, heeft verteld dat [gedaagde sub 1] ongelukkig was in de woning vanwege alle herinneringen met betrekking tot zijn ex-partner ( [gedaagde sub 2] ) en zijn kinderen. Ter onderbouwing heeft [partner gedaagde sub 1] verwezen naar de daaropvolgende WhatsApp-correspondentie met [medewerker] (zie hiervoor, rechtsoverweging 3.5), waarin naar dat gesprek wordt verwezen en waarin zij heeft gevraagd om woningruil voor [gedaagde sub 1] . Volgens [partner gedaagde sub 1] was het tijdens het gesprek duidelijk voor [medewerker] dat [gedaagde sub 2] niet meer in de woning woonde. Elkien heeft dit niet althans onvoldoende betwist, en uit het gegeven dat [medewerker] zich per WhatsApp ook richt tot [partner gedaagde sub 1] blijkt genoegzaam dat hij ervan uitging dat niet [gedaagde sub 2] maar zij de huidige partner was van [gedaagde sub 1] . Voor Elkien was dus duidelijk, althans had duidelijk kunnen zijn, dat [gedaagde sub 2] niet langer in de woning verbleef.
5.3.
Hoewel het in beginsel op de weg van [gedaagde sub 2] lag om Elkien zelf van haar vertrek op de hoogte te stellen en te informeren naar de gevolgen daarvan voor haar positie als medehuurder, kon Elkien naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs – nadat zij via derden van het vertrek van [gedaagde sub 2] op de hoogte was geraakt – niet volstaan met het blijven aanspreken van [gedaagde sub 2] op het adres van de woning zonder nader te onderzoeken wat haar feitelijke situatie was. Daarbij weegt mee dat Elkien de melding van de huurachterstand op 25 maart 2025 bij de gemeente Súdwest-Fryslân uitsluitend ten aanzien van [gedaagde sub 1] heeft gedaan. Hoewel Elkien heeft aangegeven dat het doen van meerdere meldingen op één adres technisch niet mogelijk is, heeft zij als verhuurder wel de verplichting om een dergelijke melding ten aanzien van alle bij haar bekende (mede)huurders te doen. Wanneer er wel een melding ten aanzien van [gedaagde sub 2] was gedaan of in ieder geval contact met haar was gezocht, zou (ook) toen aan het licht zijn gekomen dat [gedaagde sub 2] al geruime tijd niet meer in de woning woonde. [gedaagde sub 2] had daarop dan eerder al actie kunnen ondernemen.
5.4.
Gelet op voornoemde omstandigheden acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde sub 2] aan haar betalingsverplichtingen jegens Elkien te houden.
5.5.
Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter ook de aard en hoedanigheid van partijen. Elkien is als woningcorporatie belast met de uitvoering van een maatschappelijke taak op grond van de Woningwet, die onder meer is gericht op het bieden van betaalbare huisvesting aan personen die daarop zijn aangewezen. Van Elkien mag daarom, meer dan van een commerciële verhuurder, worden verwacht dat zij bij de uitoefening van haar contractuele aanspraken oog heeft voor de bijzondere positie van haar huurders. Ook mag worden verwacht dat zij oog heeft voor de redelijkheid van het aanspreken van een (voormalig) medehuurder voor een huurachterstand die is ontstaan nadat zij feitelijk uit de woning was vertrokken en daarop geen invloed meer kon uitoefenen, terwijl voor Elkien duidelijk was, althans duidelijk kon zijn, dat zij daar niet meer woonde. Het had in dat geval naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Elkien gelegen om initiatief te nemen in het leggen van contact met [gedaagde sub 2] om ervoor te zorgen dat de contractuele verhouding in de pas bleef lopen met de feitelijke situatie. Dit te meer, nu Elkien zelf ook heeft aangegeven dat zij in beginsel altijd meewerkt aan het beëindigen van medehuurderschap in gevallen zoals deze, wat ook wel blijkt uit het gegeven dat Elkien heeft ingestemd met de opzegging van [gedaagde sub 2] per 1 september 2025. Het ligt daarmee in de rede dat wanneer [gedaagde sub 2] eerder op de hoogte was geweest van haar contractuele positie jegens Elkien op dit punt, dat haar medehuurderschap al voordat er een huurachterstand was ontstaan zou zijn geëindigd. Dat dat niet is gebeurd valt Elkien in zekere zin aan te rekenen. Tegen die achtergrond is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde sub 2] op basis van het medehuurderschap, dat er achteraf bezien niet meer geweest had moeten zijn, aangesproken wordt tot betaling van de huurachterstand.
5.6.
De vordering tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025 zal vanwege het voorgaande jegens [gedaagde sub 2] worden afgewezen.
5.7.
[gedaagde sub 1] heeft de hoogte van de door Elkien gestelde huurachterstand tot en met augustus 2025 van € 2.821,97 niet betwist. De kantonrechter zal de vordering jegens [gedaagde sub 1] tot betaling van dit bedrag daarom toewijzen. Voor zover [gedaagde sub 1] heeft verzocht een betalingsregeling vast te stellen overweegt de kantonrechter dat de wet geen grondslag biedt om bij vonnis een betalingsregeling op te leggen.
Wettelijke rente
5.8.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is jegens [gedaagde sub 1] toewijsbaar, nu deze niet is weersproken. Gelet op de afwijzing van de vordering tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025 jegens [gedaagde sub 2] , is ook de daarop betrekking hebbende rentevordering jegens haar niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9.
Elkien vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Elkien heeft aan [gedaagde sub 1] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 415,45 worden toegewezen. Door de afwijzing van de hoofdvordering jegens [gedaagde sub 2] zal ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten jegens haar worden afgewezen.
De huurachterstand van september 2025 tot en met november 2025
5.10.
De door Elkien jegens [gedaagde sub 1] gevorderde huurachterstand van september tot en met november 2025 van € 2.356,91 zal worden toegewezen, omdat deze vordering niet door [gedaagde sub 1] is betwist.
Proceskosten
5.11.
[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Elkien worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.321,64
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 2.821,97 aan achterstallige huur tot en met augustus 2025,
6.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van € 24,87,
6.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 415,45 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,
6.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 2.356,91 aan achterstallige huur over de maanden september 2025 tot en met november 2025,
6.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.321,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
54374
Een wettelijk medehuurder heeft het medehuurderschap verkregen van rechtswege als echtgenoot of geregistreerd partner (artikel 7:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of op grond van instemming door de verhuurder of een rechterlijke beslissing na een verzoek tot medehuurderschap (artikel 7:267 lid 1 BW).
Op grond van artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (Bgs).
NOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: 11837124 \ CV EXPL 25-4255
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
STICHTING ELKIEN,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: Elkien,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
beiden procederend in persoon.
1De kern van de zaak
In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ontstane huurachterstand. [gedaagde sub 2] woonde ten tijde van het ontstaan van die achterstand al geruime tijd niet meer in de woning. In beginsel bleef zij als medehuurder verplicht de huur te betalen totdat de huurovereenkomst ten aanzien van haar was beëindigd. De kantonrechter is echter van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij de huurachterstand moet betalen. Uitsluitend [gedaagde sub 1] zal daarom tot betaling van de huurachterstand worden veroordeeld.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 september 2025
- de brief van [gedaagde sub 2] van 19 oktober 2025
- de brief van [gedaagde sub 1] van 1 november 2025
- de akte overlegging producties tevens houdende vermindering van eis van Elkien
- de e-mail van [gedaagde sub 1] van 7 november 2025
- de mondelinge behandeling van 19 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte houdende wijziging van eis van Elkien.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op 15 juni 2011 een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met Elkien voor een woning aan de [woonplaats] (hierna: de woning). Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van Elkien van toepassing.
3.2.
De huurprijs van de woning bedroeg laatstelijk € 834,97 per maand en was bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand verschuldigd.
3.3.
[gedaagde sub 2] woont sinds 9 januari 2023 niet meer in de woning. De relatie tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is beëindigd.
3.4.
Vanaf maart 2025 is een huurachterstand ontstaan. Op 25 maart 2025 heeft Elkien de huurachterstand ten aanzien van [gedaagde sub 1] gemeld bij de gemeente Súdwest-Fryslân.
3.5.
In juni en juli 2025 heeft er WhatsApp-correspondentie plaatsgevonden tussen de heer [medewerker] van Elkien (hierna: [medewerker] ) en de huidige partner van [gedaagde sub 1] , mevrouw [partner gedaagde sub 1] (hierna: [partner gedaagde sub 1] ). Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
06-06-2025 13:27 – [medewerker] : Goedemiddag [partner gedaagde sub 1] , ik was dinsdagmiddag bij jullie aan de deur. We hebben toen een gesprek gehad over de achterstand van meneer [gedaagde sub 1] . Je gaf toen aan dinsdag gelijk een de huur van juni en een termijn van € 150 over te maken. Op dit moment is het nog niet binnengekomen. Is er iets mis gegaan?
(…)
12-06-2025 09:49 – [bijnaam partner gedaagde sub 1] (kantonrechter: [partner gedaagde sub 1] ): Goedemorgen [medewerker] , als het goed is is de huur betaald.
Zoals ik tijdens ons gesprek al aangaf woont [gedaagde sub 1] daar eigenlijk helemaal niet meer fijn.
Nu zag ik dat er achter mij in [woonplaats] in de [adres] een huisje leeg staat, en het volgens mij van Elkien is.
Zijn er mogelijkheden om in gesprek te gaan mbt woningruil oid?
(…)
3.6.
Per brief van 15 juli 2025, gericht aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op het adres van de woning, heeft Elkien verzocht om de huurachterstand tot en met 31 juli 2025 van € 2.289,00 aan haar te betalen.
3.7.
Op 8 augustus 2025 is de dagvaarding in deze procedure aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betekend. Per e-mail van diezelfde dag aan Elkien heeft [gedaagde sub 2] de huurovereenkomst voor de woning opgezegd. Elkien heeft aan [gedaagde sub 2] bevestigd dat haar deel van de huurovereenkomst per 1 september 2025 wordt beëindigd.
3.8.
Nadat de mondelinge behandeling in deze zaak had plaatsgevonden, heeft [gedaagde sub 1] de huurovereenkomst per 1 december 2025 opgezegd en de woning ontruimd.
4Het geschil
4.1.
Elkien vordert – na wijzigingen van eis – om bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de huurachterstand tot en met augustus 2025 ad € 2.821,97;
2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de wettelijke rente ad € 24,87;
3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de buitengerechtelijke incassokosten ad € 415,45 inclusief btw;
4. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk (zo dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd) te veroordelen om aan Elkien tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de proceskosten;
5. Uitsluitend [gedaagde sub 1] verder aanvullend te veroordelen tot betaling van de huurachterstand over de maanden september 2025 tot en met november 2025 ad in totaal € 2.356,91.
4.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren afzonderlijk verweer. [gedaagde sub 1] verzoekt om een betalingsregeling. [gedaagde sub 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Elkien.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
De huurachterstand tot en met augustus 2025
5.1.
De kantonrechter moet beoordelen of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Elkien gestelde huurachterstand tot en met augustus 2025. De huurovereenkomst is door zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] aangegaan en ondertekend. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] een contractuele medehuurder was. Anders dan bij wettelijk medehuurderschap eindigt het contractuele medehuurderschap niet doordat de medehuurder zijn hoofdverblijf niet langer in de woning heeft. Nadat [gedaagde sub 2] in januari 2023 uit de woning was vertrokken, zonder de huurovereenkomst op te zeggen, is de huurovereenkomst ten aanzien van haar dus blijven voortbestaan totdat zij deze heeft opgezegd en Elkien daarmee heeft ingestemd per 1 september 2025. In beginsel blijft [gedaagde sub 2] daarom tot die datum gehouden tot nakoming van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.
5.2.
De kantonrechter ziet in dit geval echter aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. [gedaagde sub 2] heeft onweersproken aangevoerd dat zij tot het moment dat zij de dagvaarding van Elkien ontving niet wist dat zij bij Elkien nog als medehuurder geregistreerd stond en wat dit voor haar betekende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partner gedaagde sub 1] , de huidige partner van [gedaagde sub 1] , verklaard dat zij al tijdens een telefonisch contact met Elkien in 2024 heeft gemeld dat [gedaagde sub 2] niet meer in de woning woonde. Daarbij heeft zij ook gevraagd of [gedaagde sub 2] van de huurovereenkomst kon worden afgehaald. Elkien heeft niet betwist dat dit contact heeft plaatsgevonden, maar heeft verklaard dat dit vermoedelijk met haar klantencontactcentrum is verlopen en dat de medewerkers daar geen juridische kennis hebben. [partner gedaagde sub 1] heeft verder verklaard dat zij op 3 juni 2025, tijdens een huisbezoek van [medewerker] vanwege de ontstane huurachterstand, heeft verteld dat [gedaagde sub 1] ongelukkig was in de woning vanwege alle herinneringen met betrekking tot zijn ex-partner ( [gedaagde sub 2] ) en zijn kinderen. Ter onderbouwing heeft [partner gedaagde sub 1] verwezen naar de daaropvolgende WhatsApp-correspondentie met [medewerker] (zie hiervoor, rechtsoverweging 3.5), waarin naar dat gesprek wordt verwezen en waarin zij heeft gevraagd om woningruil voor [gedaagde sub 1] . Volgens [partner gedaagde sub 1] was het tijdens het gesprek duidelijk voor [medewerker] dat [gedaagde sub 2] niet meer in de woning woonde. Elkien heeft dit niet althans onvoldoende betwist, en uit het gegeven dat [medewerker] zich per WhatsApp ook richt tot [partner gedaagde sub 1] blijkt genoegzaam dat hij ervan uitging dat niet [gedaagde sub 2] maar zij de huidige partner was van [gedaagde sub 1] . Voor Elkien was dus duidelijk, althans had duidelijk kunnen zijn, dat [gedaagde sub 2] niet langer in de woning verbleef.
5.3.
Hoewel het in beginsel op de weg van [gedaagde sub 2] lag om Elkien zelf van haar vertrek op de hoogte te stellen en te informeren naar de gevolgen daarvan voor haar positie als medehuurder, kon Elkien naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs – nadat zij via derden van het vertrek van [gedaagde sub 2] op de hoogte was geraakt – niet volstaan met het blijven aanspreken van [gedaagde sub 2] op het adres van de woning zonder nader te onderzoeken wat haar feitelijke situatie was. Daarbij weegt mee dat Elkien de melding van de huurachterstand op 25 maart 2025 bij de gemeente Súdwest-Fryslân uitsluitend ten aanzien van [gedaagde sub 1] heeft gedaan. Hoewel Elkien heeft aangegeven dat het doen van meerdere meldingen op één adres technisch niet mogelijk is, heeft zij als verhuurder wel de verplichting om een dergelijke melding ten aanzien van alle bij haar bekende (mede)huurders te doen. Wanneer er wel een melding ten aanzien van [gedaagde sub 2] was gedaan of in ieder geval contact met haar was gezocht, zou (ook) toen aan het licht zijn gekomen dat [gedaagde sub 2] al geruime tijd niet meer in de woning woonde. [gedaagde sub 2] had daarop dan eerder al actie kunnen ondernemen.
5.4.
Gelet op voornoemde omstandigheden acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [gedaagde sub 2] aan haar betalingsverplichtingen jegens Elkien te houden.
5.5.
Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter ook de aard en hoedanigheid van partijen. Elkien is als woningcorporatie belast met de uitvoering van een maatschappelijke taak op grond van de Woningwet, die onder meer is gericht op het bieden van betaalbare huisvesting aan personen die daarop zijn aangewezen. Van Elkien mag daarom, meer dan van een commerciële verhuurder, worden verwacht dat zij bij de uitoefening van haar contractuele aanspraken oog heeft voor de bijzondere positie van haar huurders. Ook mag worden verwacht dat zij oog heeft voor de redelijkheid van het aanspreken van een (voormalig) medehuurder voor een huurachterstand die is ontstaan nadat zij feitelijk uit de woning was vertrokken en daarop geen invloed meer kon uitoefenen, terwijl voor Elkien duidelijk was, althans duidelijk kon zijn, dat zij daar niet meer woonde. Het had in dat geval naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van Elkien gelegen om initiatief te nemen in het leggen van contact met [gedaagde sub 2] om ervoor te zorgen dat de contractuele verhouding in de pas bleef lopen met de feitelijke situatie. Dit te meer, nu Elkien zelf ook heeft aangegeven dat zij in beginsel altijd meewerkt aan het beëindigen van medehuurderschap in gevallen zoals deze, wat ook wel blijkt uit het gegeven dat Elkien heeft ingestemd met de opzegging van [gedaagde sub 2] per 1 september 2025. Het ligt daarmee in de rede dat wanneer [gedaagde sub 2] eerder op de hoogte was geweest van haar contractuele positie jegens Elkien op dit punt, dat haar medehuurderschap al voordat er een huurachterstand was ontstaan zou zijn geëindigd. Dat dat niet is gebeurd valt Elkien in zekere zin aan te rekenen. Tegen die achtergrond is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde sub 2] op basis van het medehuurderschap, dat er achteraf bezien niet meer geweest had moeten zijn, aangesproken wordt tot betaling van de huurachterstand.
5.6.
De vordering tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025 zal vanwege het voorgaande jegens [gedaagde sub 2] worden afgewezen.
5.7.
[gedaagde sub 1] heeft de hoogte van de door Elkien gestelde huurachterstand tot en met augustus 2025 van € 2.821,97 niet betwist. De kantonrechter zal de vordering jegens [gedaagde sub 1] tot betaling van dit bedrag daarom toewijzen. Voor zover [gedaagde sub 1] heeft verzocht een betalingsregeling vast te stellen overweegt de kantonrechter dat de wet geen grondslag biedt om bij vonnis een betalingsregeling op te leggen.
Wettelijke rente
5.8.
De gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is jegens [gedaagde sub 1] toewijsbaar, nu deze niet is weersproken. Gelet op de afwijzing van de vordering tot betaling van de huurachterstand tot en met augustus 2025 jegens [gedaagde sub 2] , is ook de daarop betrekking hebbende rentevordering jegens haar niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.9.
Elkien vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde sub 1] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Elkien heeft aan [gedaagde sub 1] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 415,45 worden toegewezen. Door de afwijzing van de hoofdvordering jegens [gedaagde sub 2] zal ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten jegens haar worden afgewezen.
De huurachterstand van september 2025 tot en met november 2025
5.10.
De door Elkien jegens [gedaagde sub 1] gevorderde huurachterstand van september tot en met november 2025 van € 2.356,91 zal worden toegewezen, omdat deze vordering niet door [gedaagde sub 1] is betwist.
Proceskosten
5.11.
[gedaagde sub 1] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Elkien worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
543,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.321,64
6De beslissing
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 2.821,97 aan achterstallige huur tot en met augustus 2025,
6.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW van € 24,87,
6.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 415,45 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten,
6.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Elkien te betalen een bedrag van € 2.356,91 aan achterstallige huur over de maanden september 2025 tot en met november 2025,
6.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van € 1.321,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
54374
Een wettelijk medehuurder heeft het medehuurderschap verkregen van rechtswege als echtgenoot of geregistreerd partner (artikel 7:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) of op grond van instemming door de verhuurder of een rechterlijke beslissing na een verzoek tot medehuurderschap (artikel 7:267 lid 1 BW).
Op grond van artikel 2 van het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (Bgs).