Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9923
2026-07-13
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/378174 JU RK 26-825
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank onderschrijft de visie van de GI dat de minderjarige niet bij één van de ouders zal opgroeien.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:1148 Hoge Raad 01-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.444 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem, zittingslocatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378174 / JU RK 26-825
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling [de GI] , hierna te noemen: de GI,
gevestigd te [plaats] ,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026;
de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) ten aanzien van [de minderjarige] , ontvangen op 22 mei 2026;
het bericht van de moeder, ontvangen op 8 juni 2026;
het bericht van de vader, ontvangen op 3 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
de moeder;
de pleegouders;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De vader is, na afmelding, niet op de zitting verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 15 juli 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij oom en tante (mz). Deze machtiging is daarna verlengd tot 15 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van twaalf maanden. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht.
3.2.
Het afgelopen jaar is er gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , monitoring van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] , heeft er een perspectiefonderzoek bij beide ouders plaatsgevonden en hebben de pleegouders video interactie begeleiding (hierna: VIB) gehad. Verder heeft [de minderjarige] het onderzoek bij [GGZ-hulpverlenende instantie] afgerond. Hieruit volgt dat [de minderjarige] een laag tot laaggemiddeld IQ heeft en dat haar werkgeheugen een zwakke plek is. [de minderjarige] laat kenmerken zien van hechtingsproblemen en heeft posttraumatische stressklachten. Door de onveiligheid die [de minderjarige] heeft ervaren, vindt ze het lastig om anderen te vertrouwen, reageert ze sneller boos of verdrietig en is ze vaak gespannen en alert. [de minderjarige] vermijdt situaties die haar aan vroeger doen denken en ze test volwassenen uit. [de minderjarige] is tot rust gekomen sinds zij bij de pleegouders woont. De pleegouders bieden haar de voorspelbaarheid en nabijheid die zij nodig heeft om zich veilig te voelen. [de minderjarige] is zelfstandiger geworden en oogt ontspannen en vrolijk. Ook is zij veel afgevallen en heeft zij inmiddels een gezond gewicht. De pleegouders hebben VIB gevolgd en het lukt hen nu beter bij [de minderjarige] aan te sluiten. Er bestaan nog wel zorgen over de verhoudingen tussen de pleegvader, de moeder en de grootouders (mz). De grootouders hebben het gevoel dat de pleegvader [de minderjarige] heeft ‘afgepakt’ van de moeder. Het is belangrijk een systeemgesprek tussen hen te organiseren om nadelige gevolgen voor [de minderjarige] in de toekomst te voorkomen. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is inmiddels hersteld. De begeleide omgangsmomenten verlopen goed en de vader gaat starten met VIB. Ook de omgangsmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] verlopen goed. De GI ziet wel dat [de minderjarige] veelal de zorgende rol pakt tijdens de omgang. Dit vraagt veel van haar, waardoor zij daarna erg moe is. Ook ziet de GI veel hechtingsproblematiek na de omgangsmomenten met beide ouders. Ze liegt meer, ze heeft moeite met schakelen en ze heeft drie hersteldagen nodig voordat ze weer zichzelf is. De pleegouders willen hulp bij bepaalde gedragingen en uitingen van [de minderjarige] die vooral na het bezoek plaatsvinden. De GI gaat onderzoeken of pleegzorg hierin meer therapeutisch ingezet kan worden voor zowel de pleegouders als [de minderjarige] .
3.3.
Het perspectief van [de minderjarige] bij beide ouders is door [jeugdhulpverlenende instantie] onderzocht. De conclusie is dat [de minderjarige] niet bij haar ouders kan opgroeien. [de minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand wat extra aandacht, structuur, rust, voorspelbaarheid en
emotionele beschikbaarheid vraagt. De ouders hebben onvoldoende opvoedvaardigheden om [de minderjarige] daarin te bieden wat zij nodig heeft. [jeugdhulpverlenende instantie] adviseert dat [de minderjarige] het beste bij haar huidige pleeggezin kan opgroeien. Hier is [de minderjarige] tot rust gekomen, haar overgewicht is afgenomen en ze heeft een grote groei gemaakt in haar ontwikkeling. Daarnaast ontwikkelt [de minderjarige] een steeds gezondere hechting. De GI onderschrijft dit perspectief voor [de minderjarige] om bij de pleegouders op te groeien tot volwassenheid. Ze is aan hen gewend en gehecht en de pleegouders hebben ook aangegeven dat [de minderjarige] bij hen perspectief biedend kan blijven wonen.
4De standpunten
De Raad
4.1.
De Raad adviseert in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] na twee jaar te verlengen. De Raad ziet dat deze maatregelen het meest bijdragen om te
zorgen dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De Raad adviseert de GI het komende jaar te onderzoeken of afschalen naar het vrijwillig kader mogelijk is.
[de minderjarige]
4.2.
heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat het goed met haar gaat en dat zij graag bij haar oom en tante wil blijven wonen. Ze voelt zich daar thuis en ze kan zichzelf zijn. [de minderjarige] vindt het ook fijn dat ze met haar neef en nicht woont. [de minderjarige] heeft verteld dat ze omgang heeft met allebei haar ouders. Ze vindt het fijn haar ouders te zien, maar vindt het wel spannend om onbegeleide omgang met haar moeder te hebben.
De moeder
4.3.
De moeder verzet zich niet tegen de verzoeken. In haar brief aan de rechtbank en op de zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat de uitkomst van het perspectiefonderzoek haar veel verdriet doet. De moeder heeft de afgelopen periode hard gewerkt om een goede en beschikbare opvoeder te worden voor [de minderjarige] . Zij heeft hersentherapie gevolgd bij het hersencentrum en gaat binnenkort starten met Video Home Training. Deze positieve ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] inmiddels deels onbegeleid is. De moeder gunt [de minderjarige] een goed leven met veel liefde en veiligheid en daarom zal zij zich niet verzetten tegen het advies en het perspectiefbesluit. De moeder hoopt dat het perspectief in de toekomst opnieuw getoetst kan worden als de moeder zich verder heeft ontwikkeld. De moeder heeft er veel moeite mee dat het perspectief nu al wordt vastgesteld tot het achttiende levensjaar van [de minderjarige] .
De vader
4.4.
De vader heeft in een brief aan de rechtbank – zakelijk en samengevat weergegeven – laten weten dat hij niet achter de verzoeken staat. Hij heeft geen enkel vertrouwen in de GI. De GI is volgens de vader onbereikbaar en voert haar taak onvoldoende uit.
De pleegouders
4.5.
De pleegouders staan achter het verzoek van de GI. Op de zitting hebben zij naar voren gebracht dat zij blij zijn dat [de minderjarige] bij hen kan wonen en dat zij [de minderjarige] een stabiele en veilige plek kunnen bieden. Het is volgens de pleegmoeder voor [de minderjarige] belangrijk om te weten waar zij aan toe is.
5De beoordeling
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW juncto artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
De rechtbank overweegt dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand en heeft in haar leven al veel meegemaakt. Toen zij nog thuis woonde was er sprake van huiselijk geweld waarvan zij zowel getuige als slachtoffer was. Daarnaast had [de minderjarige] fors overgewicht. [de minderjarige] vindt het lastig anderen te vertrouwen, is vaak gespannen en alert en reageert ook sneller boos of verdrietig. [de minderjarige] vermijdt situaties die haar aan vroeger doen denken en heeft kenmerken van hechtingsproblematiek en posttraumatische stressklachten. [de minderjarige] is daarom twee jaar geleden uit huis geplaatst in het huidige pleeggezin waar het beter met haar gaat. De pleegouders bieden [de minderjarige] de voorspelbaarheid en nabijheid die zij nodig heeft om zich veilig te voelen.
5.3.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat [de minderjarige] niet bij haar vader of moeder kan wonen. Zowel bij de vader als de moeder ontbreekt de draagkracht en het opvoedende vermogen dat nodig is om aan te sluiten bij [de minderjarige] behoeften. De vader heeft beperkte zelfreflectie, accepteert geen begeleiding, sluit onvoldoende aan bij de emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] en toont weinig leerbaarheid. Zijn reacties tijdens bezoeken zorgen voor onveiligheid en verwarring bij [de minderjarige] . De moeder heeft een trage leerbaarheid, blijft emotioneel kwetsbaar en heeft intensieve, voortdurende begeleiding nodig. Zij kan [de minderjarige] niet bieden wat nodig is op het gebied van begrenzen, stabiliteit en co-regulatie.
5.4.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor een aantal positieve ontwikkelingen. Sinds [de minderjarige] bij het pleeggezin woont gaat het beter met haar. Zij is tot rust gekomen, heeft een gezond gewicht en komt toe aan haar ontwikkeling.
5.5.
Om deze positieve ontwikkeling voort te zetten acht de rechtbank het van belang dat de GI de komende periode aandacht heeft voor het opstarten van traumabehandeling voor [de minderjarige] om de nare gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en [de minderjarige] te helpen minder stress te voelen. [de minderjarige] heeft het contact met de ouders weer hersteld, wat ook positief is. Door de omgangsbegeleider wordt wel gezien dat [de minderjarige] de omgang draagt en dat er zorgen blijven over parentificatie. Tijdens de omgangsmomenten wordt ook gezien dat de moeder hard werkt en ook dat zij dankzij haar persoonlijke begeleiding kleine stapjes weet te zetten. Hierin is veel herhaling nodig. Als de moeder wil reageren op [de minderjarige] is er een vertraging bij haar. Het is nog niet duidelijk waar deze vertraging vandaan komt en dit behoeft nader onderzoek. Ook moet er aandacht zijn voor de hechtingsproblematiek van [de minderjarige] die wordt waargenomen na de omgang met zowel de vader als met de moeder.
5.6.
Tot slot bestaan er zorgen over het feit dat de pleegouders zich onvoldoende gesteund voelen door de familie en de hulpverlening. De pleegouders hebben met veel aandacht de zorg voor [de minderjarige] op zich genomen en het is belangrijk dat hier voldoende oog voor is en dat zij hulp krijgen als zij daarom vragen. Verder zijn er veel spanningen tussen de moeder en de pleegvader. Ook is gebleken dat de grootouders (mz) niet op de hoogte zijn van de daadwerkelijke reden waarom [de minderjarige] bij de pleegouders woont en de grootouders de pleegvader verwijten dat hij [de minderjarige] van de moeder heeft afgepakt. Door deze spanningen staat de plaatsing van [de minderjarige] binnen het pleeggezin onder druk. Dit acht de rechtbank absoluut niet in het belang van [de minderjarige] . Gelet op haar (hechtings)problematiek zou een plaatsing op een andere plek schadelijke gevolgen hebben voor haar ontwikkeling. De rechtbank acht het daarom van groot belang dat de GI zo spoedig mogelijk zorg draagt voor de inzet van systeemtherapie en voor ondersteuning van de pleegouders.
5.7.
De rechtbank acht het noodzakelijk dat de GI de regie blijft voeren om de belangen van [de minderjarige] te waarborgen en de noodzakelijk geachte hulpverlening voor [de minderjarige] , de ouders en de pleegouders te monitoren en aanvullende hulpverlening in te zetten.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders verlengen voor de verzochte duur van twaalf maanden.
Het perspectiefbesluit
5.9.
De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet meer dient te worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . Volgens de GI ligt het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij één van de ouders en verdient [de minderjarige] duidelijkheid over haar opgroeiperspectief. De GI heeft dit zogenaamde perspectiefbesluit met de ouders besproken en het besluit is per brief van 2 juni 2026 afzonderlijk aan beide ouders verzonden.
5.10.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit, of samenhangen met, het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Hiervan is in dit geval sprake, nu dit een rol speelt bij de beoordeling van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen.
5.11.
[de minderjarige] is op 13 december 2023 naar de pleegouders gegaan voor (in eerste instantie) een time-out om tot rust te komen. Uit verschillende onderzoeken kwamen zorgelijke signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling naar voren. Duidelijk werd dat het de ouders niet lukte om een stabiele en emotioneel veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] te creëren waarin zij voldoende wordt gestimuleerd in haar ontwikkeling. De zorgen bleken dusdanig ernstig dat duidelijk werd dat [de minderjarige] na de time-out niet terug kon keren naar huis. In eerste instantie verbleef [de minderjarige] vrijwillig bij de pleegouders maar omdat de vader het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders niet (volledig) leek te accepteren, was een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om deze veiligheid en stabiliteit voor [de minderjarige] te garanderen. De kinderrechter heeft deze machtiging bij beschikking van 15 juli 2024 afgegeven. Nadien zijn er verschillende hulpverleningstrajecten ingezet om de thuissituatie van de ouders te verbeteren. Uit het perspectiefonderzoek van [jeugdhulpverlenende instantie] is echter gebleken dat dit onvoldoende verbetering heeft opgeleverd en het perspectief van [de minderjarige] niet langer bij de ouders ligt.
5.12.
Een terugplaatsing naar één van de ouders is volgens [jeugdhulpverlenende instantie] niet veilig of realistisch. Beide ouders lijken onvoldoende in staat om [de minderjarige] perspectief centraal te stellen. De risico's op (verdere) parentificatie, loyaliteitsproblemen en internaliserende klachten zijn groot als zij bij de ouders zou wonen. De ouders zijn zelf te kwetsbaar, emotioneel belast en nog sterk gericht op hun eigen behoeften en pijn, waardoor [de minderjarige] het risico loopt voor hun welzijn te gaan zorgen. Daarnaast mist [de minderjarige] op dit moment voldoende vertrouwen in beide ouders. Zij past zich sterk aan, neemt emotionele taken over en komt door stress gemakkelijk in afhankelijk of teruggetrokken gedrag terecht. Dit laat zien dat haar emotionele basis bij de ouders nog onvoldoende veilig is om op terug te vallen.
5.13.
De rechtbank heeft er gelet op het voorgaande onvoldoende vertrouwen in dat de ouders, danwel een van beiden, op binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op een goede en verantwoorde wijze gestalte te geven. De stappen die de ouders hebben gemaakt ten aanzien van het aangaan van hulpverlening, zijn daarvoor te gering. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed en naar haar mogelijkheden bij het pleeggezin. De pleegouders kunnen haar hier goed ondersteunen en bieden [de minderjarige] wat zij nodig heeft. Hoewel ieder kind gebaat is bij een veilig, rustig opvoedklimaat is dit voor [de minderjarige] extra belangrijk. Dit geldt ook voor duidelijkheid over de plek waar zij zal opgroeien. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de visie van de GI, dat [de minderjarige] niet bij één van de ouders zal opgroeien, onderschrijft.
5.14.
De moeder wenst dat het perspectief over enige tijd heroverwogen wordt. De rechtbank begrijp deze wens maar is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] om blijvend in een veilige en stabiele opvoedomgeving op te groeien en daarover zekerheid te krijgen dient te prevaleren. Een eventuele heroverweging zou daaraan in de weg staan.
5.15.
De rechtbank ziet ouders die heel veel van [de minderjarige] houden. De rechtbank hoopt dan ook dat de ouders de kracht zullen vinden om [de minderjarige] de emotionele vrijheid te geven in het pleeggezin op te groeien en, in het belang van [de minderjarige] , de aan ieder van de ouders aangeboden hulpverleningstrajecten te voltooien. Zij zullen immers altijd de ouders van [de minderjarige] blijven en vanuit die positie een belangrijke rol in haar leven blijven vervullen. Hoe beter het met de ouders gaat, hoe groter hun ouderrol in de toekomst ook zal kunnen zijn.
5.16.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 15 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in en netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante (mz), tot 15 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. N. Cuvelier, voorzitter, mr. R.M. van Diepen en mr. V.J.A. de Weerd, leden, allen tevens kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.E. Bos als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem, zittingslocatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378174 / JU RK 26-825
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling [de GI] , hierna te noemen: de GI,
gevestigd te [plaats] ,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader,
wonende in [plaats] ,
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026;
de toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaar van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) ten aanzien van [de minderjarige] , ontvangen op 22 mei 2026;
het bericht van de moeder, ontvangen op 8 juni 2026;
het bericht van de vader, ontvangen op 3 juli 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
de moeder;
de pleegouders;
- namens de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De vader is, na afmelding, niet op de zitting verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 15 juli 2026.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 2024 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, te weten bij oom en tante (mz). Deze machtiging is daarna verlengd tot 15 juli 2026.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van twaalf maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlengen voor de duur van twaalf maanden. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI het volgende naar voren gebracht.
3.2.
Het afgelopen jaar is er gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige] , monitoring van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] , heeft er een perspectiefonderzoek bij beide ouders plaatsgevonden en hebben de pleegouders video interactie begeleiding (hierna: VIB) gehad. Verder heeft [de minderjarige] het onderzoek bij [GGZ-hulpverlenende instantie] afgerond. Hieruit volgt dat [de minderjarige] een laag tot laaggemiddeld IQ heeft en dat haar werkgeheugen een zwakke plek is. [de minderjarige] laat kenmerken zien van hechtingsproblemen en heeft posttraumatische stressklachten. Door de onveiligheid die [de minderjarige] heeft ervaren, vindt ze het lastig om anderen te vertrouwen, reageert ze sneller boos of verdrietig en is ze vaak gespannen en alert. [de minderjarige] vermijdt situaties die haar aan vroeger doen denken en ze test volwassenen uit. [de minderjarige] is tot rust gekomen sinds zij bij de pleegouders woont. De pleegouders bieden haar de voorspelbaarheid en nabijheid die zij nodig heeft om zich veilig te voelen. [de minderjarige] is zelfstandiger geworden en oogt ontspannen en vrolijk. Ook is zij veel afgevallen en heeft zij inmiddels een gezond gewicht. De pleegouders hebben VIB gevolgd en het lukt hen nu beter bij [de minderjarige] aan te sluiten. Er bestaan nog wel zorgen over de verhoudingen tussen de pleegvader, de moeder en de grootouders (mz). De grootouders hebben het gevoel dat de pleegvader [de minderjarige] heeft ‘afgepakt’ van de moeder. Het is belangrijk een systeemgesprek tussen hen te organiseren om nadelige gevolgen voor [de minderjarige] in de toekomst te voorkomen. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is inmiddels hersteld. De begeleide omgangsmomenten verlopen goed en de vader gaat starten met VIB. Ook de omgangsmomenten tussen de moeder en [de minderjarige] verlopen goed. De GI ziet wel dat [de minderjarige] veelal de zorgende rol pakt tijdens de omgang. Dit vraagt veel van haar, waardoor zij daarna erg moe is. Ook ziet de GI veel hechtingsproblematiek na de omgangsmomenten met beide ouders. Ze liegt meer, ze heeft moeite met schakelen en ze heeft drie hersteldagen nodig voordat ze weer zichzelf is. De pleegouders willen hulp bij bepaalde gedragingen en uitingen van [de minderjarige] die vooral na het bezoek plaatsvinden. De GI gaat onderzoeken of pleegzorg hierin meer therapeutisch ingezet kan worden voor zowel de pleegouders als [de minderjarige] .
3.3.
Het perspectief van [de minderjarige] bij beide ouders is door [jeugdhulpverlenende instantie] onderzocht. De conclusie is dat [de minderjarige] niet bij haar ouders kan opgroeien. [de minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand wat extra aandacht, structuur, rust, voorspelbaarheid en
emotionele beschikbaarheid vraagt. De ouders hebben onvoldoende opvoedvaardigheden om [de minderjarige] daarin te bieden wat zij nodig heeft. [jeugdhulpverlenende instantie] adviseert dat [de minderjarige] het beste bij haar huidige pleeggezin kan opgroeien. Hier is [de minderjarige] tot rust gekomen, haar overgewicht is afgenomen en ze heeft een grote groei gemaakt in haar ontwikkeling. Daarnaast ontwikkelt [de minderjarige] een steeds gezondere hechting. De GI onderschrijft dit perspectief voor [de minderjarige] om bij de pleegouders op te groeien tot volwassenheid. Ze is aan hen gewend en gehecht en de pleegouders hebben ook aangegeven dat [de minderjarige] bij hen perspectief biedend kan blijven wonen.
4De standpunten
De Raad
4.1.
De Raad adviseert in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] na twee jaar te verlengen. De Raad ziet dat deze maatregelen het meest bijdragen om te
zorgen dat het goed blijft gaan met [de minderjarige] . De Raad adviseert de GI het komende jaar te onderzoeken of afschalen naar het vrijwillig kader mogelijk is.
[de minderjarige]
4.2.
heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat het goed met haar gaat en dat zij graag bij haar oom en tante wil blijven wonen. Ze voelt zich daar thuis en ze kan zichzelf zijn. [de minderjarige] vindt het ook fijn dat ze met haar neef en nicht woont. [de minderjarige] heeft verteld dat ze omgang heeft met allebei haar ouders. Ze vindt het fijn haar ouders te zien, maar vindt het wel spannend om onbegeleide omgang met haar moeder te hebben.
De moeder
4.3.
De moeder verzet zich niet tegen de verzoeken. In haar brief aan de rechtbank en op de zitting heeft de moeder naar voren gebracht dat de uitkomst van het perspectiefonderzoek haar veel verdriet doet. De moeder heeft de afgelopen periode hard gewerkt om een goede en beschikbare opvoeder te worden voor [de minderjarige] . Zij heeft hersentherapie gevolgd bij het hersencentrum en gaat binnenkort starten met Video Home Training. Deze positieve ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] inmiddels deels onbegeleid is. De moeder gunt [de minderjarige] een goed leven met veel liefde en veiligheid en daarom zal zij zich niet verzetten tegen het advies en het perspectiefbesluit. De moeder hoopt dat het perspectief in de toekomst opnieuw getoetst kan worden als de moeder zich verder heeft ontwikkeld. De moeder heeft er veel moeite mee dat het perspectief nu al wordt vastgesteld tot het achttiende levensjaar van [de minderjarige] .
De vader
4.4.
De vader heeft in een brief aan de rechtbank – zakelijk en samengevat weergegeven – laten weten dat hij niet achter de verzoeken staat. Hij heeft geen enkel vertrouwen in de GI. De GI is volgens de vader onbereikbaar en voert haar taak onvoldoende uit.
De pleegouders
4.5.
De pleegouders staan achter het verzoek van de GI. Op de zitting hebben zij naar voren gebracht dat zij blij zijn dat [de minderjarige] bij hen kan wonen en dat zij [de minderjarige] een stabiele en veilige plek kunnen bieden. Het is volgens de pleegmoeder voor [de minderjarige] belangrijk om te weten waar zij aan toe is.
5De beoordeling
De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW juncto artikel 1:265b, eerste lid, BW).
5.2.
De rechtbank overweegt dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand en heeft in haar leven al veel meegemaakt. Toen zij nog thuis woonde was er sprake van huiselijk geweld waarvan zij zowel getuige als slachtoffer was. Daarnaast had [de minderjarige] fors overgewicht. [de minderjarige] vindt het lastig anderen te vertrouwen, is vaak gespannen en alert en reageert ook sneller boos of verdrietig. [de minderjarige] vermijdt situaties die haar aan vroeger doen denken en heeft kenmerken van hechtingsproblematiek en posttraumatische stressklachten. [de minderjarige] is daarom twee jaar geleden uit huis geplaatst in het huidige pleeggezin waar het beter met haar gaat. De pleegouders bieden [de minderjarige] de voorspelbaarheid en nabijheid die zij nodig heeft om zich veilig te voelen.
5.3.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat [de minderjarige] niet bij haar vader of moeder kan wonen. Zowel bij de vader als de moeder ontbreekt de draagkracht en het opvoedende vermogen dat nodig is om aan te sluiten bij [de minderjarige] behoeften. De vader heeft beperkte zelfreflectie, accepteert geen begeleiding, sluit onvoldoende aan bij de emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] en toont weinig leerbaarheid. Zijn reacties tijdens bezoeken zorgen voor onveiligheid en verwarring bij [de minderjarige] . De moeder heeft een trage leerbaarheid, blijft emotioneel kwetsbaar en heeft intensieve, voortdurende begeleiding nodig. Zij kan [de minderjarige] niet bieden wat nodig is op het gebied van begrenzen, stabiliteit en co-regulatie.
5.4.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank oog voor een aantal positieve ontwikkelingen. Sinds [de minderjarige] bij het pleeggezin woont gaat het beter met haar. Zij is tot rust gekomen, heeft een gezond gewicht en komt toe aan haar ontwikkeling.
5.5.
Om deze positieve ontwikkeling voort te zetten acht de rechtbank het van belang dat de GI de komende periode aandacht heeft voor het opstarten van traumabehandeling voor [de minderjarige] om de nare gebeurtenissen uit het verleden te verwerken en [de minderjarige] te helpen minder stress te voelen. [de minderjarige] heeft het contact met de ouders weer hersteld, wat ook positief is. Door de omgangsbegeleider wordt wel gezien dat [de minderjarige] de omgang draagt en dat er zorgen blijven over parentificatie. Tijdens de omgangsmomenten wordt ook gezien dat de moeder hard werkt en ook dat zij dankzij haar persoonlijke begeleiding kleine stapjes weet te zetten. Hierin is veel herhaling nodig. Als de moeder wil reageren op [de minderjarige] is er een vertraging bij haar. Het is nog niet duidelijk waar deze vertraging vandaan komt en dit behoeft nader onderzoek. Ook moet er aandacht zijn voor de hechtingsproblematiek van [de minderjarige] die wordt waargenomen na de omgang met zowel de vader als met de moeder.
5.6.
Tot slot bestaan er zorgen over het feit dat de pleegouders zich onvoldoende gesteund voelen door de familie en de hulpverlening. De pleegouders hebben met veel aandacht de zorg voor [de minderjarige] op zich genomen en het is belangrijk dat hier voldoende oog voor is en dat zij hulp krijgen als zij daarom vragen. Verder zijn er veel spanningen tussen de moeder en de pleegvader. Ook is gebleken dat de grootouders (mz) niet op de hoogte zijn van de daadwerkelijke reden waarom [de minderjarige] bij de pleegouders woont en de grootouders de pleegvader verwijten dat hij [de minderjarige] van de moeder heeft afgepakt. Door deze spanningen staat de plaatsing van [de minderjarige] binnen het pleeggezin onder druk. Dit acht de rechtbank absoluut niet in het belang van [de minderjarige] . Gelet op haar (hechtings)problematiek zou een plaatsing op een andere plek schadelijke gevolgen hebben voor haar ontwikkeling. De rechtbank acht het daarom van groot belang dat de GI zo spoedig mogelijk zorg draagt voor de inzet van systeemtherapie en voor ondersteuning van de pleegouders.
5.7.
De rechtbank acht het noodzakelijk dat de GI de regie blijft voeren om de belangen van [de minderjarige] te waarborgen en de noodzakelijk geachte hulpverlening voor [de minderjarige] , de ouders en de pleegouders te monitoren en aanvullende hulpverlening in te zetten.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de pleegouders verlengen voor de verzochte duur van twaalf maanden.
Het perspectiefbesluit
5.9.
De GI heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet meer dient te worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [de minderjarige] . Volgens de GI ligt het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet meer bij één van de ouders en verdient [de minderjarige] duidelijkheid over haar opgroeiperspectief. De GI heeft dit zogenaamde perspectiefbesluit met de ouders besproken en het besluit is per brief van 2 juni 2026 afzonderlijk aan beide ouders verzonden.
5.10.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit, of samenhangen met, het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Hiervan is in dit geval sprake, nu dit een rol speelt bij de beoordeling van het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen.
5.11.
[de minderjarige] is op 13 december 2023 naar de pleegouders gegaan voor (in eerste instantie) een time-out om tot rust te komen. Uit verschillende onderzoeken kwamen zorgelijke signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling naar voren. Duidelijk werd dat het de ouders niet lukte om een stabiele en emotioneel veilige opvoedsituatie voor [de minderjarige] te creëren waarin zij voldoende wordt gestimuleerd in haar ontwikkeling. De zorgen bleken dusdanig ernstig dat duidelijk werd dat [de minderjarige] na de time-out niet terug kon keren naar huis. In eerste instantie verbleef [de minderjarige] vrijwillig bij de pleegouders maar omdat de vader het verblijf van [de minderjarige] bij de pleegouders niet (volledig) leek te accepteren, was een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk om deze veiligheid en stabiliteit voor [de minderjarige] te garanderen. De kinderrechter heeft deze machtiging bij beschikking van 15 juli 2024 afgegeven. Nadien zijn er verschillende hulpverleningstrajecten ingezet om de thuissituatie van de ouders te verbeteren. Uit het perspectiefonderzoek van [jeugdhulpverlenende instantie] is echter gebleken dat dit onvoldoende verbetering heeft opgeleverd en het perspectief van [de minderjarige] niet langer bij de ouders ligt.
5.12.
Een terugplaatsing naar één van de ouders is volgens [jeugdhulpverlenende instantie] niet veilig of realistisch. Beide ouders lijken onvoldoende in staat om [de minderjarige] perspectief centraal te stellen. De risico's op (verdere) parentificatie, loyaliteitsproblemen en internaliserende klachten zijn groot als zij bij de ouders zou wonen. De ouders zijn zelf te kwetsbaar, emotioneel belast en nog sterk gericht op hun eigen behoeften en pijn, waardoor [de minderjarige] het risico loopt voor hun welzijn te gaan zorgen. Daarnaast mist [de minderjarige] op dit moment voldoende vertrouwen in beide ouders. Zij past zich sterk aan, neemt emotionele taken over en komt door stress gemakkelijk in afhankelijk of teruggetrokken gedrag terecht. Dit laat zien dat haar emotionele basis bij de ouders nog onvoldoende veilig is om op terug te vallen.
5.13.
De rechtbank heeft er gelet op het voorgaande onvoldoende vertrouwen in dat de ouders, danwel een van beiden, op binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op een goede en verantwoorde wijze gestalte te geven. De stappen die de ouders hebben gemaakt ten aanzien van het aangaan van hulpverlening, zijn daarvoor te gering. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed en naar haar mogelijkheden bij het pleeggezin. De pleegouders kunnen haar hier goed ondersteunen en bieden [de minderjarige] wat zij nodig heeft. Hoewel ieder kind gebaat is bij een veilig, rustig opvoedklimaat is dit voor [de minderjarige] extra belangrijk. Dit geldt ook voor duidelijkheid over de plek waar zij zal opgroeien. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de visie van de GI, dat [de minderjarige] niet bij één van de ouders zal opgroeien, onderschrijft.
5.14.
De moeder wenst dat het perspectief over enige tijd heroverwogen wordt. De rechtbank begrijp deze wens maar is van oordeel dat het belang van [de minderjarige] om blijvend in een veilige en stabiele opvoedomgeving op te groeien en daarover zekerheid te krijgen dient te prevaleren. Een eventuele heroverweging zou daaraan in de weg staan.
5.15.
De rechtbank ziet ouders die heel veel van [de minderjarige] houden. De rechtbank hoopt dan ook dat de ouders de kracht zullen vinden om [de minderjarige] de emotionele vrijheid te geven in het pleeggezin op te groeien en, in het belang van [de minderjarige] , de aan ieder van de ouders aangeboden hulpverleningstrajecten te voltooien. Zij zullen immers altijd de ouders van [de minderjarige] blijven en vanuit die positie een belangrijke rol in haar leven blijven vervullen. Hoe beter het met de ouders gaat, hoe groter hun ouderrol in de toekomst ook zal kunnen zijn.
5.16.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 15 juli 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in en netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante (mz), tot 15 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. N. Cuvelier, voorzitter, mr. R.M. van Diepen en mr. V.J.A. de Weerd, leden, allen tevens kinderrechters, in aanwezigheid van mr. J.E. Bos als griffier, en op schrift gesteld op 4 augustus 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.