Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:9858

2026-05-29 Civiel recht; Arbeidsrecht 12106361 \ AO VERZ 26-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-08-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12106361 \ AO VERZ 26-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1248

Inhoudsindicatie

In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (42.410 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer / rekestnummer: 12106361 \ AO VERZ 26-25




Beschikking van 29 mei 2026




in de zaak van





[verzoeker]
,
te [plaats 1],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. J.J.M. Buining,



tegen





[verweerder] B.V.,
te [plaats 2],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. H.J. van Deventer.




De zaak in het kort




In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties
- het verweerschrift met producties
- aanvullende stukken van [verzoeker] van 2 april 2026
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnotities van beide partijen.



1.2.
Na de mondelinge behandeling heeft mr. Van Deventer namens [verweerder] bij e-mail van 24 april 2026 aanvullende stukken ingezonden. Namens [verzoeker] heeft mr. Buining hiertegen gemotiveerd bezwaar gemaakt. Bij e-mail van 29 april 2024 heeft de griffie partijen namens de kantonrechter geïnformeerd dat de nagezonden stukken op de voet van het bepaalde in artikel 1.7.3 van het toepasselijke Procesreglement buiten beschouwing zullen worden gelaten.



1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.





2Feiten


2.1.

[verzoeker], geboren [geboortedatum] 1987, is sinds 1 juli 2022 in dienst bij [verweerder]. De functie van [verzoeker] is Director New Products/R&D met een loon van € 7.300,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. In de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] zijn een geheimhoudingsbeding, concurrentie-, relatie- en nevenactiviteitenbeding en een IE-clausule opgenomen.



2.2.

[verweerder] is opgericht in 2014 en houdt zich bezig met het omzetten van voedselafval in energie en bio-digestaat door middel van een gecontaineriseerde biodigestor die rechtstreeks bij de klant kan worden geplaatst.



2.3.

[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) is statutair bestuurder en CEO van [verweerder]. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) is minderheidsaandeelhouder van [verweerder]. Tot eind november 2025 was hij daarnaast consultant bij [verweerder]. Per eind november 2025 is hij Chief of Staff/algemeen directeur geworden.


2.4.
In 2023 heeft [verweerder] een financiering gekregen van twee belangrijke investeerders, onder voorwaarde van het behalen van bepaalde commerciële doelstellingen. De betaling van de laatste (zesde) tranche is onder meer afhankelijk gesteld van het realiseren van een nieuw businessmodel voor [verweerder].



2.5.

[verzoeker] was binnen [verweerder] werkzaam aan het zogeheten Ink-project: het gebruik van een digestaat uit anaerobe vergisting als hars voor flexografische inkten op waterbasis. [verweerder] heeft in het kader van dit project op 20 augustus 2025 een octrooiaanvraag ingediend.



2.6.
Op verzoek van [verweerder] heeft [verzoeker] een businessplan voor het Ink-project opgesteld, dat hij op 27 oktober 2025 aan [betrokkene 2] heeft gemaild. In het plan stelt hij voor om de activiteiten van het Ink-project als een ‘spin-out’ van [verweerder] te beleggen in een nieuw te starten onderneming ‘Nereso’.



2.7.
Op 28 oktober 2025 heeft [betrokkene 2] aan [verzoeker] te kennen gegeven dat het Ink-project ‘must be presented as an internal opportunity that we want to continue as [verweerder]’.



2.8.
Bij e-mail van 29 oktober 2025 heeft [verzoeker] [betrokkene 2] geschreven ‘I completely understand and agree with your concerns’.



2.9.
In een gesprek op 6 november 2025 heeft [verzoeker] aan [betrokkene 2] laten weten dat hij een ‘meaningful stake’ in Nureso wil en CEO wil worden van het nieuw op te richten bedrijf. Daarbij heeft hij gezegd dat hij ook zijn eigen Ink-bedrijf kan starten en dat het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding daaraan – volgens een door [verzoeker] geraadpleegde advocaat - niet in de weg staat.



2.10.
Op 7 november 2025 heeft [verzoeker] een aangepast businessplan naar [betrokkene 2] gemaild waarin het Ink-project onder de [verweerder]-vlag (en met [verweerder]-logo) wordt gepresenteerd.



2.11.
Op 25 november 2025 is het personeel geïnformeerd dat [betrokkene 2] vanaf dat moment Chief of Staff/algemeen directeur van [verweerder] is.


2.12.
Bij e-mail van 27 november 2025 heeft [betrokkene 2] [verzoeker] de opdracht gegeven om ten behoeve van het Ink-project een pitch met de investeerders voor te bereiden die op 2 december 2025 zal plaatsvinden. Daarop heeft [verzoeker] [betrokkene 2] voorgesteld om de pitch uit te stellen, omdat ze volgens [verzoeker] nog niet voldoende voorbereid waren voor een pitch.



2.13.
In een telefoongesprek op 28 november 2025 hebben [betrokkene 2] en [verzoeker] een woordenwisseling gehad over de pitch. [verzoeker] heeft dit gesprek zonder medeweten en toestemming van [betrokkene 2] opgenomen. Uit het door [verzoeker] overgelegde transcript van dit gesprek volgt dat [verzoeker] bij herhaling aan [betrokkene 2] te kennen heeft gegeven dat hij het niet zag zitten de pitch op 2 december 2025 te doen, waarop [betrokkene 2] er bij [verzoeker] op bleef aandringen dat hij de pitch wel zou gaan doen. Uiteindelijk heeft [betrokkene 2] de pitch gecanceld:



‘(…)

[00:23:18] [verzoeker]: (…) I don’t show up like this with nothing in hand, like no product demo (…)’

[00:23:31] [betrokkene 2]: ‘I cancel the meeting. There is no problem (…)’

[00:23:33] [verzoeker]: ‘I’ve not seen a business plan'

[00:23:34]: [betrokkene 2]: ‘(..) I cancel the meeting (…)

[00:23:40] [verzoeker]: ‘Is this what you want to do?

[00:23:42] [betrokkene 2]: 'Sure. I don’t want to convince you. I want you on board, or I want you off board’

[00:32:20] [betrokkene 2]: ‘My question [verzoeker], is very simple. Do you want to or you don’t want to have the meeting on Tuesday? (…) Yes or no? (…)’

[00:32:54] [verzoeker]: ‘I don’t want to have this meeting on Tuesday because I don’t still know what the purpose of the meeting and the ask is. (…)’

[00:33:17] [betrokkene 2]: Okay. You answered the question. For me, it’s very clear. (…) You will know something from me very soon, [verzoeker]’

(…)’





2.14.
Bij brief van 1 december 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] geschorst hangende een onderzoek wegens ‘serious concerns’ die neerkomen op (a) werken aan (het opstarten van) een eigen onderneming die [verweerder] beconcurreert, (b) daarbij gebruikmakend van bedrijfseigendommen en vertrouwelijke informatie van [verweerder], (c) het schenden/toekomstig/schenden/misbruiken van [verweerder]’s patent met betrekking tot het Ink-project en (d) het consistent negeren van instructies om verder te werken aan het Ink-project.



2.15.
Op 10 december 2025 hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een hoorgesprek de uitkomsten van het onderzoek met [verzoeker] besproken. [verzoeker] heeft in dat gesprek betwist dat hij de intentie had om een eigen onderneming te starten. Volgens [verzoeker] had hij enkel in een poging om zijn positie binnen [verweerder] te verbeteren voorgesteld dat hij ook zijn eigen Ink-bedrijf zou kunnen oprichten.



2.16.
Op 15 december 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] laten weten dat de schorsing werd verlengd omdat het onderzoek langer duurde dan verwacht.



2.17.
Bij brief van 19 december 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] voorwaardelijk op staande voet ontslagen, namelijk voor het geval hij het beëindigingsvoorstel van [verweerder] niet uiterlijk 24 december 2025 zou accepteren. In de brief zijn de ontslagredenen als volgt samengevat: ‘Your actions boil down to you conducting (preparatory acts for) (unlawful) competition, a (potential) breach of the confidentiality, side activity and non-solicitation obligations in your employment agreement, (potential) patent infringement, insubordination and refusal to follow instructions and acting solely in your own interest, contrary to [verweerder]’s interest’. Daaraan is toegevoegd dat alle genoemde feiten en omstandigheden elk afzonderlijk en gezamenlijk een dringende reden voor het ontslag op staande voet vormen.



2.18.
Op 22 december 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] het beëindigingsvoorstel van de hand gewezen en geprotesteerd tegen het voorwaardelijk ontslag.



2.19.
Bij e-mail van 24 december 2025 heeft (de gemachtigde van) [verweerder] aan (de gemachtigde van) [verzoeker] bevestigd dat [verzoeker] per dezelfde dag op staande voet ontslagen is.





3Het verzoek en het verweer


3.1.


[verzoeker] verzoekt de kantonrechter – na eiswijziging ter zitting - om [verweerder] te veroordelen, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om aan [verzoeker] te betalen:I) een transitievergoeding van € 9.417,00 bruto;
II) een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 9.697,32 bruto;
III) een billijke vergoeding van € 84.144,00 bruto;
IV) het loon van december 2025 van € 5.651,61 bruto;
V) het vakantiegeld over de periode 1 juni t/m 24 december 2025 van € 3.956,13 bruto;
VI) de eindafrekening van vakantiedagen inclusief vakantiegeld van € 5.094,84 bruto;
VII) de wettelijke verhoging over het gevorderde onder IV t/m VI;
VIII) de wettelijke rente over I t/m VII vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;
IX) de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.901,57;
X) de proceskosten.




3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat de redenen die [verweerder] aanvoert afzonderlijk noch tezamen als een dringende reden kwalificeren. [verzoeker] betwist dat hij zich aan de verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Hij had niet de intentie om voor zichzelf te beginnen en heeft het patent niet misbruikt. [verzoeker] had een redelijke grond om niet aan de pitch deel te nemen, omdat de instructies niet duidelijk waren. Het leveren van kritiek levert geen dringende reden op en ontslag op staande voet is een disproportionele sanctie. Er is ook niet aan de onverwijldheidseis voldaan, omdat al ruim voor de ontslagdatum bij [verweerder] het vermoeden ontstond dat [verzoeker] voor zichzelf wilde beginnen. Vervolgens is onderzoek verricht, maar onduidelijk is wat er na het hoorgesprek nog aan verder onderzoek nodig was.



3.3.

[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat er een of meer dringende redenen waren en het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven. [verweerder] heeft (samengevat) aangevoerd dat [verzoeker] al eerder was gewaarschuwd voor toxisch, calculerend en onbetrouwbaar gedrag en dat uit alles blijkt dat dat hij niet in het belang van [verweerder] handelde, maar zijn eigen belang voorop stelde. Het ontslag is onverwijld gegeven omdat de tot ontslag bevoegde functionaris pas op 27 november 2025 op de hoogte was van de verdenkingen, waarna voortvarend is gehandeld. Subsidiair, voor het geval wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet ongeldig is, heeft [verweerder] verweer gevoerd tegen (de hoogte van de) de verzochte billijke vergoeding.



3.4.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt, voor zover relevant, verder ingegaan bij de beoordeling.





4De beoordeling


4.1.

[verzoeker] berust in het ontslag op staande voet waardoor vaststaat dat de arbeidsovereenkomst op 24 december 2025 is geëindigd. Het gaat in deze zaak nog om de vraag of [verweerder] aan [verzoeker] een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging moet betalen. Daarvoor moet worden beoordeeld of [verzoeker] (rechts-)geldig op staande voet is ontslagen.



4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is doordat een dringende reden ontbreekt. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.



Het toetsingskader





4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen.



4.4.
Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, zodat hij zich na de mededeling kan beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt.


4.5.
De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.



Geen dringende reden





4.6.

In de brief van 19 december 2025 heeft [verweerder] de redenen voor het ontslag op staande voet bevestigd en toegelicht aan [verzoeker]. Daarin staan de volgende vier redenen die volgens [verweerder] ieder afzonderlijk en tezamen een dringende reden voor het ontslag op staande voet vormen:
1) het verrichten van (voorbereidende) handelingen met betrekking tot (ongeoorloofde) concurrentie,
2) een (potentiële) schending van de geheimhoudings-, nevenactiviteiten- en concurrentiebedingen uit de arbeidsovereenkomst,
3) (potentiële) inbreuk op [verweerder]’s patent,
4) de weigering om instructies op te volgen en het volledig in eigen belang handelen in strijd met de belangen van [verweerder].




4.7.
Ter onderbouwing van deze ontslagredenen heeft [verweerder] het volgende naar voren gebracht. [verzoeker] heeft tijdens zijn dienstverband gewerkt aan (het opstarten van) een eigen onderneming (Nureso) die in (onrechtmatige) concurrentie treedt met [verweerder]. [verweerder] ziet haar vermoedens bevestigd doordat [verzoeker] onder werktijd een volledig businessplan en financieel model voor Nureso heeft opgesteld en hij op 22 oktober 2025 heeft gezegd dat hij CEO en aandeelhouder van Nureso wil worden en dat hij overwoog zijn eigen bio-resinbedrijf te starten. Dat dit geen onbezonnen opmerking was, blijkt uit het feit dat [verzoeker] een advocaat had geraadpleegd die hem adviseerde dat hij geen risico liep in verband met het concurrentiebeding. Daarbij heeft [verzoeker] gebruik gemaakt van bedrijfseigendommen en vertrouwelijke informatie van [verweerder], zo blijkt uit verricht IT-onderzoek. [verzoeker] heeft ook gedreigd inbreuk te maken op het patent dat in eigendom van [verweerder] is. De dreiging inbreuk te maken is op zichzelf reeds een dringende reden. Verder weigerde [verzoeker] de instructies van [betrokkene 2] op te volgen om de voor [verweerder] heel belangrijke pitch met de investeerders op 2 december 2025 voor te bereiden en daaraan deel te nemen. Hij had het recht niet zelf te beslissen om bij die pitch weg te blijven. Deze gedragingen, ieder afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, getuigen van handelen puur voor eigen gewin ten koste van [verweerder]. [verweerder] is daardoor elk vertrouwen in [verzoeker] verloren, aldus nog steeds [verweerder].



4.8.
De kantonrechter overweegt dat de brief van 19 december 2025 de ontslagreden fixeert. Het gevolg daarvan is dat de gedragingen van [verzoeker] die [verweerder] daarna naar voren heeft gebracht (bijvoorbeeld in randnummer 76 van het verweerschrift) buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van de geldigheid van het ontslag op staande voet.



Geen concurrerende activiteiten (geen overtreding concurrentie- en nevenwerkzaamhedenbeding)
4.9. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] bezig is geweest met (voorbereidingen voor) het opstarten van een eigen concurrerende onderneming. [verzoeker] heeft dit verwijt gemotiveerd weersproken en er is geen bewijs dat er daadwerkelijk concrete voorbereidingshandelingen of concurrerende activiteiten zijn verricht. Uit het dossier volgt dat [verzoeker] het businessplan voor het Ink-project in opdracht van [verweerder]/[betrokkene 2] heeft opgesteld. In de powerpoint presentatie die [verzoeker] op 27 oktober 2025 aan [betrokkene 2] stuurde, staat dat Nureso een spin-out van [verweerder] is. Daaruit kan worden afgeleid dat het [verzoeker]’s bedoeling was dat er een band met [verweerder] behouden zou blijven. Dat volgt ook uit het feit dat [verzoeker] [betrokkene 2] heeft gevraagd of hij een aandeel (‘a meaningful stake’) en een rol als CEO in het nieuw op te richten bedrijf kan krijgen. Indien [verzoeker] daadwerkelijk van plan was geweest een concurrerend bedrijf voor zichzelf op te richten, dan ligt niet voor de hand dat hij zijn plannen met [verweerder] zou delen. [verzoeker] heeft toegelicht waarom hij meende dat het afsplitsen van de activiteiten in een aparte vennootschap (spin-out) in het belang van [verweerder] was. Daardoor kan niet worden gezegd dat hij enkel in eigen belang handelde. Toen [betrokkene 2] had aangegeven dat het Ink-project onder de vlag van [verweerder] moest blijven, heeft [verzoeker] de powerpoint conform die wens aangepast. Het feit dat [verzoeker] in een discussie met [betrokkene 2] over het wel of niet opzetten van een nieuwe onderneming heeft benoemd dat hij ook een eigen Ink-onderneming kan starten, waarbij hij heeft gezegd dat hij advies had ingewonnen bij een advocaat, is onvoldoende om aan te nemen dat er daadwerkelijk voorbereidingshandelingen of concurrerende activiteiten zijn verricht. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken dat [verzoeker] in die periode bezig is geweest met het oprichten van een eigen vennootschap en/of dat hij achter de rug van [verweerder] om met investeerders, potentieel personeel of potentiële klanten heeft gesproken. Van een overtreding van het concurrentie- of nevenwerkzaamhedenbeding is (dan ook) geen sprake geweest.




Openen en downloaden van Nureso bestanden met privé-laptop (geen overtreding geheimhoudingsbeding)





4.10.

[verweerder] heeft bij verweerschrift toegelicht dat uit verricht IT-onderzoek is gebleken dat [verzoeker] (in strijd met het geldende IT-beleid) met zijn privé-laptop ten minste 25 bestanden heeft geopend en ten minste 7 bestanden heeft gedownload, waarvan 5 bestanden (waaronder Nureso Pitch deck, het Nureso businessplan en de Ink costing scenarios) niet meer zijn terug te vinden op SharePoint.



4.11.

[verweerder] heeft ter zitting verklaard dat het in strijd met haar IT-beleid gebruiken van de privé-laptop voor [verweerder] werkzaamheden (ook) op zichzelf een zelfstandige reden voor het ontslag op staande voet vormt. De kantonrechter volgt [verweerder] hierin niet. Uit de ontslagbrief is niet af te leiden dat dit verwijt als zelfstandige reden aan het ontslag ten grondslag is gelegd en [verzoeker] heeft dat ook niet zo hoeven te begrijpen. Als ontslaggrond is (slechts) de (potentiële) schending van het geheimhoudingsbeding vermeld. Uit pagina 1 van de ontslagbrief blijkt dat het [verweerder] ging om het gebruik van ‘company information’ (in strijd met het geheimhoudingsbeding) in verband met (‘in that respect’) het werken aan het opstarten van een eigen concurrerende onderneming.



4.12.
De te toetsen ontslaggrond is dus dat [verzoeker] in strijd met het geheimhoudingsbeding heeft gehandeld door bedrijfsinformatie te gebruiken ten behoeve van het opstarten van een concurrerende onderneming. De kantonrechter oordeelt dat [verweerder] deze ontslaggrond onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe is het volgende redengevend.



4.13.
In artikel 11.1 van de arbeidsovereenkomst staat een ‘Confidential information’ clausule waarin (samengevat en vertaald) is bepaald dat de werknemer vertrouwelijke informatie, die hem uit hoofde van zijn dienstverband bekend is geworden, strikt geheim zal houden en niet zal gebruiken of bekendmaken en dat hij zijn uiterste best zal doen om gebruik of bekendmaking van vertrouwelijke informatie door of aan enige persoon te voorkomen.



4.14.

[verzoeker] heeft toegelicht dat hij zijn privé-computer voor zijn werkzaamheden bij [verweerder] gebruikte, omdat Windows niet goed werkte, zijn privé-laptop een langere batterijduur heeft en hij regelmatig problemen ondervond met het inloggen op zijn werkaccount via zijn zakelijke laptop. Volgens [verzoeker] was het binnen [verweerder] algemeen bekend dat hij op zijn privé-device werkte en deden anderen dat ook. Ter onderbouwing heeft [verzoeker] een verklaring van een collega overgelegd, die dit bevestigt. [verweerder] heeft betwist dat zij wist dat [verzoeker] zijn privé-laptop gebruikte; dat is volgens [verweerder] ook strikt verboden op grond van haar IT-beleid. Dat laatst heeft [verzoeker] gemotiveerd weersproken onder overlegging van de handboeken versies maart 2025 en januari 2026 waarin, zo stelt de kantonrechter vast, geen verbod op gebruik van privé-devices is terug te vinden. Gelet op hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht en [verweerder] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, vormt de enkele omstandigheid dat [verzoeker] met zijn privé-computer Nureso-bestanden heeft geopend en gedownload geen concrete aanwijzing dat hij bezig was met concurrerende activiteiten. Evenmin kan op basis daarvan een overtreding van het geheimhoudingsbeding worden vastgesteld.



4.15.
Ook voor zover [verzoeker] bestanden aangaande het Ink-project van SharePoint zou hebben verwijderd, kan op basis daarvan geen overtreding van het geheimhoudingsbeding worden vastgesteld. Daarvoor is immers nodig dat (ook) komt vast te staan dat [verzoeker] (de inhoud van) deze bestanden buiten [verweerder] heeft gebruikt of bekendgemaakt. Op dit punt heeft [verweerder] haar stellingen niet concreet onderbouwd. Schending van de geheimhoudingsplicht kan daarom niet een dringende reden voor ontslag van [verzoeker] zijn.



4.16.
Voor zover [verweerder] bedoeld heeft te betogen dat het verwijderen van de bewuste bestanden op zichzelf een dringende reden voor ontslag vormt, stelt de kantonrechter vast dat die dringende reden niet (mede) in de ontslagbrief van 16 december 2025 aan het ontslag ten grondslag is gelegd. In deze brief wordt het verwijderen van minimaal 5 documenten van SharePoint namelijk slechts genoemd als omstandigheid ter onderbouwing van het verwijt dat [verzoeker] achter de rug van [verweerder] om een concurrerende activiteit aan het opstarten was. [verweerder] schrijft in dit verband niet meer dan dat deze documenten ‘can be sent tot potential investors tot finance any new developments’. Zoals hiervoor onder 4.8 en 4.11 is overwogen, geldt ook hier dat deze, in de ontslagbrief niet genoemde gronden buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag.



Geen (dreiging met) patentschending (geen overtreding IT-clausule)





4.17.
Er is niet gebleken van een (dreiging met) patentschending door [verzoeker]. [verweerder] heeft erkend dat het [verzoeker] het patent niet heeft geschonden, maar stelt dat [verzoeker] hiermee wel (mondeling) heeft gedreigd. Dat is echter door [verzoeker] betwist, waarna een nadere onderbouwing door [verweerder] is uitgebleven. Daarmee is deze ontslagreden niet komen vast te staan.



Weigering om instructies op te volgen en handelen in eigen belang





4.18.
De vierde ontslagreden is dat [verzoeker] heeft geweigerd om instructies op te volgen en (daarmee) volledig in eigen belang heeft gehandeld in strijd met de belangen van [verweerder]. [verweerder] legt hieraan ten grondslag dat [verzoeker] weigerde deel te nemen aan de pitch met investeerders op 2 december 2025. Ter zitting is uitvoerig gesproken over de gang van zaken tijdens het telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en [verzoeker] op 28 november 2025. Uit het transcript van dit gesprek en de toelichting van betrokkenen ter zitting komt het beeld naar voren dat [verzoeker] van mening verschilde met [betrokkene 2] over insteek, doel en effectiviteit van deze pitch. [verzoeker] wilde de pitch uitstellen omdat hij meende dat een presentatie zonder ‘key proof points’ geen vertrouwen zou wekken bij de investeerders. [betrokkene 2] heeft er meermaals bij [verzoeker] op aangedrongen de pitch wel te doen met de (op onderdelen beperkte) voorhanden zijnde informatie (en dus zonder de door [verzoeker] wezenlijk geachte ‘samples’). [betrokkene 2] heeft daarbij toegelicht dat dit belangrijk was gelet op de beperkte tijd die nog beschikbaar was en het vasthouden van de interesse van de investeerders, hetgeen zeer belangrijk was voor het voortbestaan van [verweerder]. Desondanks heeft [verzoeker] voet bij stuk gehouden. [betrokkene 2] heeft de pitch vervolgens gecanceld, omdat hij het begrijpelijkerwijs niet zag zitten om zo een belangrijke pitch te laten doen door een medewerker die er geen vertrouwen in had. De kantonrechter vindt dat [verzoeker] met zijn handelwijze onvoldoende oog heeft gehad voor de onderlinge verhoudingen en de belangen van [verweerder]. Het staat [verzoeker] vanzelfsprekend vrij om kritiek te geven en de discussie met zijn meerdere aan te gaan, maar de beslissende stem is aan de werkgever, in dit geval [betrokkene 2] als Chief of Staff. [verzoeker] had zich daarnaar te voegen. Door dit niet te doen heeft [verzoeker] de verhoudingen onnodig op scherp gezet en het wantrouwen van [verweerder] bij zijn intenties gevoed. Dat levert echter onvoldoende grond op voor een ontslag op staande voet. Dat [verzoeker] de pitch bewust heeft gefrustreerd uit eigen belang, kan de kantonrechter uit de hiervoor beschreven situatie namelijk niet opmaken. [verzoeker] had bezwaren tegen de pitch in de vorm die [betrokkene 2] voor ogen stond omdat hij van mening was dat [verweerder] op die wijze de investeerders niet voldoende kon bieden. Daarmee gaf hij te kennen het belang van [verweerder] voor ogen te hebben.



4.19.
De gemachtigde van [verweerder] heeft de kantonrechter uitdrukkelijk verzocht om de geluidsopname van het gesprek van 28 november 2025 te beluisteren omdat daarmee, anders dan bij het lezen van de transcriptie, de toon van het gesprek en het al dan niet voorkomen van stemverheffingen kan worden waargenomen. De kantonrechter gaat op dit aanbod/verzoek als niet ter zake dienend voorbij, omdat [verweerder] de juistheid van de inhoud van de transcriptie niet betwist, en de toon en/of eventuele stemverheffingen in het gesprek bij het hiervoor gegeven oordeel geen rol spelen.



4.20.
De conclusie van het voorgaande is dat de aangevoerde ontslagredenen, ieder voor zich en gezamenlijk, geen dringende reden opleveren. Het ontslag op staande voet kan daarom geen stand houden. Op de discussie tussen partijen over de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, gaat de kantonrechter bij deze stand van zaken niet in.



Vergoeding wegens onregelmatige opzegging





4.21.
De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging (waartegen [verweerder] geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd) zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 9.697,32. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.




Transitievergoeding





4.22.

Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerder] heeft geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen de hoogte van het door [verzoeker] gevorderde bedrag zodat de kantonrechter dit bedrag van
€ 9.417,00 bruto zal toewijzen. De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.




Billijke vergoeding





4.23.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.



4.24.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.



4.25.

[verzoeker] heeft een billijke vergoeding verzocht van € 84.144,- bruto. Hij begroot deze vergoeding op een loonverlies van 10 maanden, omdat de arbeidsovereenkomst – wanneer [verweerder] ontbinding daarvan had willen bewerkstelligen – nog zeker 10 maanden had voortgeduurd. [verzoeker] heeft dit bedrag verhoogd met een bedrag ter hoogte van 6 maandsalarissen als preventieve prikkel en ter compensatie van de stress die hij heeft gehad van het ontslag. [verzoeker] heeft vanaf de ontslagdatum geen WW ontvangen en heeft per 1 maart 2026 een baan met een substantieel lager loon moeten accepteren om zijn 30%-regeling te kunnen behouden.



4.26.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding is de verwachte duur van de arbeidsovereenkomst – wanneer er geen ontslag op staande voet had plaatsgevonden - een belangrijke factor. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst nog lang zou hebben geduurd. De kantonrechter leidt uit het dossier en wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht af dat er al voor het ontslag een wederzijds gebrek aan vertrouwen bestond. Bij [verweerder] leeft een diep wantrouwen jegens [verzoeker] over zijn intenties ten aanzien van het Ink-project en zijn loyaliteit aan [verweerder]. Dit is niet onbegrijpelijk gezien de handelwijze van [verzoeker], zoals hiervoor onder 4.18 is overwogen, en zijn eerdere uitlating dat het in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding niet in de weg staat aan het oprichten van een eigen Ink-bedrijf. Ook ten aanzien van de documenten met betrekking tot het Ink-project die [verzoeker] volgens [verweerder] zou hebben verwijderd, is voorstelbaar dat twijfel aan zijn intenties en loyaliteit is ontstaan. [verzoeker] heeft niet betwist dat de betreffende bestanden niet meer onder dezelfde benaming op SharePoint staan. Pas ter zitting heeft hij toegelicht dat hij vier van de vijf door [verweerder] gemiste bestanden onder een andere naam (met vermelding van de gewijzigde naam) heeft opgeslagen. Doordat hij daar pas ter zitting mee is gekomen, is [verweerder] de kans ontnomen om te verifiëren of de bestanden inderdaad onder die andere naam zijn terug te vinden. Onduidelijk is waarom [verzoeker] dit niet eerder aan [verweerder] heeft verteld. Zijn stelling dat hij dat niet eerder kon, omdat de resultaten van het IT-onderzoek pas in het verweerschrift aan hem zijn verstrekt, overtuigt niet. In de brief van 19 december 2025 stond immers al dat het [verweerder] te doen was om onder meer “het Nureso Pitch deck, het Nureso businessplan en de Ink costing scenarios”, zodat [verzoeker] toen in elk geval ten aanzien van die bestanden kon vertellen hoe en waar (en onder welke naam) hij ze had opgeslagen. Tegelijkertijd leeft er ook bij [verzoeker] wantrouwen jegens [verweerder]. Dat blijkt met name uit het feit dat hij het nodig vond het gesprek van 28 november 2025 heimelijk op te nemen omdat [verweerder] gesprekken zou verdraaien. Dat hij meermaals aan [verweerder] heeft laten weten dat hij vond dat hij onvoldoende voor zijn inspanningen werd beloond en om een vertrekregeling vroeg toen juist vanwege een door financiële redenen ingegeven reorganisatie drie medewerkers hun functie hadden verloren, heeft de arbeidsrelatie eveneens onder druk gezet.



4.27.
Gelet op dit alles acht de kantonrechter het aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst – het ontslag op staande voet weggedacht – op verzoek van [verweerder] per 1 juni 2026 zou zijn ontbonden. De kantonrechter gaat daarom uit van een inkomensverlies van maximaal vijf maanden, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat hij per 1 maart 2026 inkomsten uit een andere baan verwerft.. Alle omstandigheden afwegend en rekening houdend met mate van verwijtbaarheid van beide partijen, vindt de kantonrechter een billijke vergoeding van € 25.000,- bruto passend. Er is geen reden om een hogere billijke vergoeding vast te stellen wegens door [verzoeker] gestelde, maar niet onderbouwde reputatieschade of immateriële schade. Gelet op het preventieve karakter van de billijke vergoeding is er evenmin aanleiding om de vergoeding wegens onregelmatige opzegging in mindering te brengen.4.28. De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van deze beschikking.



Achterstallig loon en eindafrekening





4.29.

[verzoeker] vordert uitbetaling van € 5.651,61 bruto aan loon over december 2025, € 3.956,13 bruto aan vakantiegeld en € 5.094,84 bruto aan uitbetaling van 14 openstaande vakantiedagen.



4.30.

[verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen het gevorderde loon en vakantiegeld, zodat deze vorderingen als onbetwist worden toegewezen.



4.31.
Pas ter zitting heeft [verweerder] het door [verzoeker] gestelde openstaande verlofsaldo weersproken en een verlofdagenoverzicht aan de kantonrechter overhandigd. [verzoeker] heeft aangevoerd dat het overzicht te laat is ingediend en dat het niet correct is. De kantonrechter is met [verzoeker] eens dat dit overzicht eerder door [verweerder] ingebracht had moeten worden. Het overzicht is bovendien niet volledig, omdat het beginsaldo op 2025 (eventueel onder vermelding van openstaande verlofdagen uit voorgaande jaren) ontbreekt. Het had op de weg van [verweerder] had gelegen om – tijdig – gemotiveerd en onderbouwd verweer te voeren tegen het door [verzoeker] gestelde verlofsaldo. Aangezien dat niet (voldoende) is gebeurd, wordt het verweer van [verweerder] gepasseerd en het verzoek van [verzoeker] toegewezen als gevorderd.



4.32.
De wettelijke verhoging over het achterstallig loon en de eindafrekening wordt vastgesteld op 30%. Voor een verdere matiging bestaat geen aanleiding, nu enige toelichting ontbreekt waarom het in de visie van [verweerder] gerechtvaardigd was om het tot de ontslagdatum verschuldigde loon en de eindafrekening niet aan [verzoeker] uit te betalen.



4.33.

De wettelijke rente is eveneens verschuldigd. De hoge lat voor matiging van wettelijke rente wordt niet gehaald en daarvoor is ook te weinig gesteld door [verweerder].
De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is pas verschuldigd vanaf de datum van het verzoekschrift, omdat gesteld noch gebleken is dat [verweerder] eerder (na ingebrekestelling door [verzoeker] ten aanzien van de wettelijke verhoging) in verzuim is komen te verkeren.




Buitengerechtelijke incassokosten





4.34.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. [verzoeker] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat (en welke) buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die méér behelzen dan werkzaamheden ter voorbereiding van de procedure of ter instructie van de zaak.



Proceskosten





4.35.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] (overwegend) ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.618,00 (€ 753,00 aan griffierecht en € 865,00 aan salaris gemachtigde).





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [verweerder] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,



5.2.
veroordeelt [verweerder] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.697,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,



5.3.
veroordeelt [verweerder] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 9.417,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,



5.4.
veroordeelt [verweerder] om binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking aan [verzoeker] het loon over december 2025 van € 5.651,61 bruto en de eindafrekening van € 9.050,97 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling;



5.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen de wettelijke verhoging van maximaal 30% over de onder 5.4 hiervoor genoemde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging vanaf 19 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling;



5.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.618,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,



5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.


Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum.











Zie 2.10 bij Feiten.


Zie 2.17 bij Feiten.


Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.



Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.


Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.