Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9807
2026-07-29
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/4102/12108497
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Terugbetaling lening tussen ex-geliefden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.224 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12108497 \ CV EXPL 26-1068
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde] Incassobureau,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. Y.H.M. van Mierlo.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Op 5 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 900,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.3.
Op 6 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 1.100,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.4.
Op 7 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 4.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.5.
Op 11 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 3.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.6.
Op 9 juli 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 2.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.7.
Bij brief van 11 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] aangemaand tot terugbetaling van de lening binnen 14 dagen.
2.8.
Voorafgaand aan de dagvaarding heeft [gedaagde] een bedrag van € 200,- (4x € 50,-) op de derdengeldrekening van de gemachtigde van [eiser] voldaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.071,56, vermeerderd met de wettelijke rente over € 11.000,00 en kosten.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat zij in totaal een bedrag van € 11.000,- aan [gedaagde] heeft uitgeleend. [gedaagde] heeft tot op heden slechts € 200,- terugbetaald. Het restant heeft hij onbetaald gelaten. [gedaagde] is vanwege het betalingsverzuim ook de wettelijke rente (€ 200,17 + PM) en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een som geld van € 11.000,- aan [gedaagde] heeft uitgeleend en dat [gedaagde] verplicht is om het geleende bedrag aan [eiser] terug te betalen.
Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de terugbetalingstermijn. Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 7:129e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Die regel bepaalt dat [gedaagde] verplicht is de verschuldigde € 11.000,- aan [eiser] dient terug te geven binnen zes weken nadat [eiser] heeft laten weten dat zij de lening opeist. De advocaat van [eiser] heeft de lening op 11 september 2025 per e-mail opgeëist, waardoor de (betalings)termijn van zes weken is verstreken op 23 oktober 2025.
4.2.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met het incassobureau een betalingsregeling is overeengekomen, maar heeft dat (tegenover de betwisting door [eiser]) onvoldoende aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat [gedaagde] maandelijkse betalingen aan het incassobureau heeft verricht, maakt dat niet anders. Het (restant van het) uitgeleende bedrag is daarom in beginsel ineens opeisbaar.
4.3.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat hij het openstaande bedrag niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie en beroept zich in dat verband op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.4.
De kantonrechter overweegt op dat punt als volgt. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet terughoudendheid worden toegepast. Dat [gedaagde] het openstaande bedrag van de lening(en) niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie, doet niet af aan zijn betalingsverplichting. [gedaagde] heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat het door [eiser] gebruik maken van haar contractuele bevoegdheid om betaling van het openstaande bedrag van de lening(en) te vorderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.
4.5.
Gelet op het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van de lening(en). Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op de datum van de dagvaarding een bedrag van € 200,00 had voldaan. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord voldoende onderbouwd dat hij ook daarna nog een bedrag van € 50,00 heeft afgelost. Dat betekent dat de hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag € 10.750,00. De kantonrechter merkt daarbij ten overvloede op dat (deel)betalingen die ná 20 maart 2026 door [gedaagde] zijn gedaan, op dit bedrag in mindering moeten worden gebracht.
4.6.
[eiser] heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij is daarbij uitgegaan van 26 september 2025 als ingangsdatum van de rente, maar op die datum was de lening nog niet opeisbaar (zie 4.1). Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.7.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
De griffier De kantonrechter
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12108497 \ CV EXPL 26-1068
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde] Incassobureau,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. Y.H.M. van Mierlo.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Op 5 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 900,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.3.
Op 6 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 1.100,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.4.
Op 7 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 4.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.5.
Op 11 april 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 3.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.6.
Op 9 juli 2025 heeft [eiser] een bedrag van € 2.000,- naar de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Lening’.
2.7.
Bij brief van 11 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] [gedaagde] aangemaand tot terugbetaling van de lening binnen 14 dagen.
2.8.
Voorafgaand aan de dagvaarding heeft [gedaagde] een bedrag van € 200,- (4x € 50,-) op de derdengeldrekening van de gemachtigde van [eiser] voldaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 12.071,56, vermeerderd met de wettelijke rente over € 11.000,00 en kosten.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat zij in totaal een bedrag van € 11.000,- aan [gedaagde] heeft uitgeleend. [gedaagde] heeft tot op heden slechts € 200,- terugbetaald. Het restant heeft hij onbetaald gelaten. [gedaagde] is vanwege het betalingsverzuim ook de wettelijke rente (€ 200,17 + PM) en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een som geld van € 11.000,- aan [gedaagde] heeft uitgeleend en dat [gedaagde] verplicht is om het geleende bedrag aan [eiser] terug te betalen.
Partijen hebben geen afspraken gemaakt over de terugbetalingstermijn. Dat betekent dat de hoofdregel van artikel 7:129e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Die regel bepaalt dat [gedaagde] verplicht is de verschuldigde € 11.000,- aan [eiser] dient terug te geven binnen zes weken nadat [eiser] heeft laten weten dat zij de lening opeist. De advocaat van [eiser] heeft de lening op 11 september 2025 per e-mail opgeëist, waardoor de (betalings)termijn van zes weken is verstreken op 23 oktober 2025.
4.2.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met het incassobureau een betalingsregeling is overeengekomen, maar heeft dat (tegenover de betwisting door [eiser]) onvoldoende aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat [gedaagde] maandelijkse betalingen aan het incassobureau heeft verricht, maakt dat niet anders. Het (restant van het) uitgeleende bedrag is daarom in beginsel ineens opeisbaar.
4.3.
[gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat hij het openstaande bedrag niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie en beroept zich in dat verband op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.4.
De kantonrechter overweegt op dat punt als volgt. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid moet terughoudendheid worden toegepast. Dat [gedaagde] het openstaande bedrag van de lening(en) niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie, doet niet af aan zijn betalingsverplichting. [gedaagde] heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat het door [eiser] gebruik maken van haar contractuele bevoegdheid om betaling van het openstaande bedrag van de lening(en) te vorderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.
4.5.
Gelet op het voorgaande zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van het openstaande bedrag van de lening(en). Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] op de datum van de dagvaarding een bedrag van € 200,00 had voldaan. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord voldoende onderbouwd dat hij ook daarna nog een bedrag van € 50,00 heeft afgelost. Dat betekent dat de hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag € 10.750,00. De kantonrechter merkt daarbij ten overvloede op dat (deel)betalingen die ná 20 maart 2026 door [gedaagde] zijn gedaan, op dit bedrag in mindering moeten worden gebracht.
4.6.
[eiser] heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij is daarbij uitgegaan van 26 september 2025 als ingangsdatum van de rente, maar op die datum was de lening nog niet opeisbaar (zie 4.1). Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.7.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.8.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
De griffier De kantonrechter