Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9771
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/368226 / HA ZA 25-450
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geschil over uitvoering verdeling eenvoudige gemeenschappen, zoals eerder bepaald door de rechtbank en daarna het hof. De man krijgt vier maanden om te onderzoeken of hij de echtelijke woning kan overnemen. Daarnaast is hij nog een bedrag verschuldigd vanwege de afrekening van de exploitatierekening in Curaçao.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2007:BA3516 Hoge Raad 29-06-2007
- ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Hoge Raad 06-04-2012
- ECLI:NL:HR:2008:BC0387 Hoge Raad 15-02-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (53.358 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/368226 / HA ZA 25-450
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Ramsoedh.
De zaak in het kort
Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn het oneens over de uitvoering van de verdeling van tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen, zoals eerder bepaald door de rechtbank en daarna het hof. De rechtbank zal in dit vonnis voor recht verklaren dat alleen [gedaagde] een termijn van vier maanden krijgt om te onderzoeken of hij de woning te [plaats] kan overnemen en dat [gedaagde] (exclusief het eventuele uitkoopbedrag) een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59 minus € 2.062,62 aan [eiseres] is verschuldigd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- de akte namens [eiseres] met overlegging van producties 21 tot en met 25,
- de akte namens [gedaagde] met overlegging van producties 19 tot en met 30,
- de akte wijziging van eis in reconventie namens [gedaagde],
- de akte namens [gedaagde] met overlegging van producties 31 tot en met 33,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij mr. Ramsoedh gebruik heeft gemaakt van overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het bericht namens [eiseres] van 22 april 2026 met een toelichting van de benodigde middelen voor toedeling van de woning in [plaats] aan haar, met producties,
- het bericht namens [gedaagde] van 28 april 2026,
- de akte namens [gedaagde] van 8 mei 2026 met een toelichting over het totaal aan spaarpremie dat vanaf februari 2020 van de exploitatierekening is betaald en de openstaande OZB in Curaçao, en met overlegging van producties 34 en 35,
- de antwoordakte namens [eiseres] van 27 mei 2026, met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn van 16 augustus 1991 tot 31 augustus 2022 met elkaar gehuwd geweest. Bij huwelijkse voorwaarden zijn zij een gemeenschap van inboedel overeengekomen, met uitsluiting van elke andere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.
2.2.
In de echtscheidingsbeschikking van 4 mei 2022 van deze rechtbank (hierna: de echtscheidingsbeschikking) is, samengevat en voor zover relevant, het volgende overwogen en bepaald:
[gedaagde] dient een bedrag van € 1.057,- per maand aan partneralimentatie aan [eiseres] te voldoen,
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning te Curaçao ([adres 1], hierna: de woning te Curaçao) en een woning te [plaats] (Betsy Perkstraat 39, hierna: de woning te [plaats]),
De woning te Curaçao is getaxeerd tegen een waarde van € 387.000,-,
[gedaagde] heeft een vergoedingsrecht ter hoogte van de formule: € 118.416 / waarde woning 2017 x € 387.000 in verband met zijn privéaflossing uit een ontslagvergoeding,
De woning te [plaats] is getaxeerd tegen een waarde van € 575.000,-,
[eiseres] krijgt vier maanden om te bezien of zij in staat is om de woning te [plaats] toegedeeld te krijgen en anders zal de woning worden verkocht,
Het spaarsaldo inzake de woning te [plaats] dient bij helfte te worden verdeeld,
[gedaagde] heeft geen vergoedingsrecht met betrekking tot investeringen in de woning te [plaats],
[eiseres] dient € 1.600,- van de verkoopopbrengst van de Chrysler, waarvan [gedaagde] eigenaar is, aan [gedaagde] te betalen,
2.3.
In de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 februari 2024 (hierna: de beschikking van het hof) is, samengevat en voor zover relevant, in afwijking/aanvulling op het onder 2.2. genoemde het volgende bepaald:
Het vergoedingsrecht van [gedaagde] met betrekking tot de woning te Curaçao bedraagt € 336.631,50,
[eiseres] heeft zolang zij mede-eigenaar is van de woning te Curaçao recht op de helft van de huuropbrengsten minus de kosten, en daarmee op de helft van het saldo van de exploitatierekening,
[gedaagde] krijgt vier maanden om te bezien of hij in staat is om de woning te [plaats] toegedeeld te krijgen als [eiseres] daartoe niet in staat blijkt,
Er is sprake van een (al dan niet stilzwijgende) afspraak dat [gedaagde] ten behoeve van partijen stortingen op de bankspaarrekening deed, waar tegenover stond dat [eiseres] een hoger bedrag op de en/of-rekening stortte. Partijen zijn dus allebei gerechtigd tot de helft van het spaarsaldo,
[eiseres] dient de helft van de premies woon- en overlijdensrisicoverzekering aan [gedaagde] te vergoeden vanaf 1 januari 2019 tot het moment van de levering van de woning te [plaats],
[eiseres] dient vanaf augustus 2022 tot aan de levering van de woning te [plaats] aan [gedaagde] de door hem betaalde hypotheekrente te vergoeden, voor zover hij deze rente uit privégelden heeft betaald,
2.4.
De beschikking van het hof is in kracht van gewijsde gegaan.
2.5.
Partijen hebben na de beschikking van het hof geprobeerd hieraan met elkaar uitvoering te geven, onder andere met tussenkomst van verschillende adviseurs, hun kinderen en het mediationbureau van de rechtbank, maar daarin zijn zij niet (volledig) geslaagd.
2.6.
Op 5 december 2025 is het aandeel van [eiseres] in de woning te Curaçao overgedragen aan [gedaagde] tegen betaling van de overwaarde van € 25.319,- minus notariskosten.
2.7.
Op 22 december 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 46.139,53 aan achterstallige partneralimentatie aan [eiseres] betaald.
3Het geschil
in conventie en in reconventie
3.1.
[eiseres] heeft in de dagvaarding - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 336.700,79 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Huuropbrengsten woning te Curaçao per 11-2025: € 339.554,08
Helft bankspaarsaldo t/m 31-12-2024 € 37.705,47 - Partneralimentatie € 33.886,00
Helft overwaarde woning te [plaats] € 63.750,00 -
Verrekening woonlasten [plaats] € 8.251,01 -
Helft premie woonverzekering € 843,75 -
Helft waarde Chrysler € 1.600,00 -
Totaal € 336.700,79
3.2.
Daarnaast heeft [eiseres] haar eis bij conclusie van antwoord in reconventie als volgt vermeerderd:
Te bepalen dat [eiseres] vanaf 2019 is ontslagen van haar verplichting om de helft van de premie van de overlijdensrisicoverzekering te betalen,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van alle financiële schade, welke [eiseres] heeft geleden ter zake van juridische kosten als gevolg van het gedrag van [gedaagde], begroot op minimaal € 56.076,00,
Te bepalen dat [eiseres] het deel van [gedaagde] van de woning te [plaats] mag overnemen en dat [eiseres] vervangende toestemming krijgt voor overname van de woning te [plaats] indien [gedaagde] geen medewerking wenst te verlenen aan de overdracht van de woning en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] ten behoeve van de levering,
Te bepalen dat het uitkoopbedrag voor de woning op Curaçao € 25.319,53 is,
Te bepalen dat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 46.139,53 aan partneralimentatie dient te voldoen, te vermeerderen met de verschuldigde alimentatie over de resterende periode,
Te bevelen dat alle betalingen binnen een maand na de datum van dit vonnis voldaan dienen te worden, op straffe van de verbeurte van een dwangsom.
3.3.
Kortgezegd legt [eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag dat zij met hulp van een registeraccountant, mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), een berekening heeft gemaakt om tot een afwikkeling op basis van de echtscheidingsbeschikking en de beschikking van het hof te komen. [betrokkene] heeft daarbij met behulp van beschikbare bankafschriften het saldo van de exploitatierekening vanaf de start gereconstrueerd. Eventuele kosten van de woning te Curaçao die buiten de exploitatierekening zijn betaald of nog niet zijn betaald, dienen buiten de berekening te worden gelaten. Daarnaast heeft zij [gedaagde] tijdig geïnformeerd dat zij in staat is de woning te [plaats] over te nemen.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. In reconventie vordert hij, na eiswijziging, de volgende afwikkeling te bepalen:
Betaling van € 39.540 (ANG (de rechtbank begrijpt: Cg) 82.387,52) door [eiseres] aan [gedaagde] vanwege haar aandeel in het tekort van de exploitatierekening, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van primair € 32.009,44 aan hypotheekrente, althans secundair, voor het geval de rechtbank bepaalt dat [eiseres] geen privéopname van € 25.750,00 heeft gedaan, € 57.759,44 aan gebruiksvergoeding voor de woning te [plaats] tot en met 31 augustus 2025, beide vermeerderd met de termijnen tot aan de dag van levering van de woning, vermeerderd met wettelijke rente tot de dag van algehele betaling,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 2.475,23 aan WOZ- en rioolheffingen en € 2.496,27 aan verzekeringspremies, te vermeerderen met de termijnen tot aan de levering van de woning te [plaats],
Te verklaren voor recht dat [eiseres] slechts recht heeft op huurinkomsten van de woning te Curaçao tot 31 augustus 2024, althans een door de rechtbank te bepalen datum,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 3.231,27 vanwege een privéopname, althans dit te verrekenen bij de vaststelling van het saldo van de exploitatierekening,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] recht heeft op € 16.479,- van het bankspaarsaldo en dat het meerdere aan [gedaagde] toekomt,
Te verklaren voor recht dat de termijn waarbinnen [eiseres] kon onderzoeken of zij de woning te [plaats] kon overnemen is verstreken en dat [gedaagde] gerechtigd is de woning over te nemen onder de voorwaarde van betaling van de overwaarde van € 63.750,- aan [eiseres],
Vervangende toestemming te verlenen aan [gedaagde] voor de overdracht van het aandeel van [eiseres] in de woning te [plaats],
Betaling door [eiseres] van € 1.349,- vanwege misbruik van procesrecht,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] de proceskosten en de nakosten van het opheffen van het beslag te Curaçao van € 1516,99 / ANG (de rechtbank begrijpt: Cg) 3.082,55 aan [gedaagde] verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 331,30 inzake de doorhaling van hypotheken,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] € 1.600,- dient te voldoen ter zake de verkoop van de Chrysler,
Te bepalen dat [eiseres] betekeningskosten van het vonnis van 5 december 2024 in Curaçao van € 148,78 verschuldigd is.
3.5.
Ten eerste voert [gedaagde] aan dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij zijn aandeel in de woning te [plaats] kan overnemen, zodat hij in staat moet worden gesteld om de woning over te nemen. Daarnaast verweert [gedaagde] zich tegen de berekening van de vordering van [eiseres]. De berekeningen en herconstructies van mevrouw [betrokkene] zijn onjuist en partijdig. Volgens [gedaagde] moeten partijen uitgaan van het saldo van de exploitatierekening per de datum van levering van het aandeel van [eiseres] in de woning te Curaçao aan [gedaagde], gecorrigeerd met privéopnames over en weer, privéstortingen van [gedaagde] en kosten die buiten de exploitatierekening zijn gedaan. Verder dient slechts het spaarsaldo bij helfte te worden verdeeld dat gedurende de gemeenschappelijke huishouding is opgebouwd omdat er na het einde daarvan geen verrekenplicht meer geldt voor nadien gevormde vermogensbestanddelen en [gedaagde] vervolgens alle stortingen op de bankspaarrekening heeft gedaan.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
Het uitgangspunt is het saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025
4.2.
Partijen verschillen van inzicht over de manier waarop zij uitvoering dienen te geven aan de verdeling zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking en de beschikking van het hof. In de beschikking van het hof is voor recht verklaard dat [eiseres] zolang zij mede-eigenaar is van de woning te Curaçao gerechtigd is tot de helft van de huuropbrengsten minus de kosten. [eiseres] heeft een reconstructie van de te verdelen netto huuropbrengsten in de periode 2002-2024 laten maken met behulp van beschikbare bankafschriften van de exploitatierekening, terwijl [gedaagde] uitgaat van het saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025 en vervolgens correcties aanbrengt voor privéstortingen en -opnames.
4.3.
De methode die [eiseres] hanteert is minder geschikt dan de methode van [gedaagde], alleen al omdat de berekening uitgaat van een schatting van de bruto huuropbrengsten op ANG 58.500,00 en van de kosten op ANG 22.171,00 per jaar over de periode 2002-2013. Over deze periode zijn immers geen bankafschriften meer beschikbaar, zodat er niet op dezelfde manier kan worden gereconstrueerd als de daaropvolgende jaren. Nog daargelaten dat [gedaagde] de geschatte kosten gemotiveerd betwist, maakt dit dat de reconstructie van [eiseres] inherent minder nauwkeurig is dan de methode van [gedaagde], die als uitgangspunt neemt dat (uitzonderingen daargelaten) alle inkomsten en uitgaven voor de woning via de exploitatierekening zijn gegaan. Daarbij komt dat partijen over de periode tot 2018 een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, allebei toegang en inzicht hadden tot afschriften van de exploitatierekening en onbetwist ook samen belastingaangifte hebben gedaan op basis van het lopende saldo. [eiseres] wordt daarom geacht bekend te zijn met (het verloop van) het saldo op de exploitatierekening door de jaren heen en heeft in de periode tot 2018 niet aangegeven het niet eens te zijn met de gang en de stand van zaken. De rechtbank zal daarom uitgaan van de methode die [gedaagde] hanteert, omdat deze naar oordeel van de rechtbank het meest overeenkomt met de overwegingen van (met name) het hof. Dat houdt in, ook volgens het hof, dat [eiseres] recht heeft op de helft van het saldo van de exploitatierekening.
4.4.
[gedaagde] heeft gevorderd voor recht te verklaren [eiseres] in afwijking hierop slechts recht heeft op de helft van de netto huuropbrengsten tot en met 31 augustus 2024, wegens misbruik van recht. [gedaagde] stelt dat [eiseres] vanaf augustus 2024 de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap heeft getraineerd door een aanbod tot uitbetaling van de overwaarde van de woning te Curaçao te weigeren en vervolgens meerdere gerechtelijke procedures in Curaçao te starten om de status quo te behouden. De rechtbank wijst die vordering af, omdat [gedaagde] daarvoor onvoldoende heeft gesteld. Zoals [eiseres] aanvoert heeft zij geen belang bij het uitstellen van de boedelverdeling, omdat zij niet heeft kunnen beschikken over haar aandeel in de gemeenschap, noch over de netto huuropbrengsten van de woning te Curaçao die overigens, zoals hierna zal blijken, over de betreffende periode gedeeltelijk negatief zijn geweest. Daaruit blijkt geen misbruik van recht. Dat partijen een verschil van inzicht hebben over de wijze van uitvoering van de beschikking van het hof maakt nog niet dat één van de partijen daardoor misbruik van recht maakt.
4.5.
Ook het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering van [eiseres] ten aanzien van de exploitatierekening gaat niet op. Weliswaar heeft [eiseres] bij het formuleren van haar vordering de huuropbrengsten als uitgangspunt genomen en verjaren dergelijke vorderingen op grond van artikel 3:308 BW na vijf jaren, maar de grondslag voor de uitvoering van de verdeling is de beschikking van het hof uit 2024. Er kan daarom geen sprake zijn van verjaring.
4.6.
De rechtbank zal hierna vanuit de stand van de exploitatierekening per 5 december 2025, het moment waarop [gedaagde] de volledige eigendom van de woning te Curaçao verkreeg, de correcties die partijen op dat saldo aanbrengen beoordelen. De correctie die [gedaagde] nog op de stand per 5 december 2025 wil aanbrengen in de akte van 8 mei 2026 wordt niet toegestaan, omdat dit in strijd is met de goede procesorde. Partijen en de rechtbank zijn ter zitting uitgegaan van de stand zoals deze bleek uit de laatst ingediende productie 33 van [gedaagde]. Op grond daarvan is een afgerond debat gevoerd. De akten die partijen mochten nemen na de zitting zien niet op dit onderdeel en boden daarom geen gelegenheid deze correctie alsnog aan te brengen. Om dezelfde reden wordt in de inhoud van de akten van [eiseres] ingediend na de mondelinge behandeling buiten beschouwing gelaten, voor zover deze niet betrekking heeft op de punten waarover de rechtbank om nadere toelichting heeft verzocht.
Na correcties bedraagt het te verdelen saldo Cg (voorheen ANG)
49.557,17
4.7.
Het saldo van de exploitatierekening bedroeg op 5 december 2025 Cg 584,25, zoals blijkt uit het overzicht van [gedaagde]. [eiseres] heeft deze stand niet betwist. [gedaagde] heeft vervolgens verschillende correcties aangebracht op dit saldo, die hierna per post zullen worden behandeld.
Privéopnamen man
4.8.
Ten eerste telt [gedaagde] een post van ANG, nu Cg 262.733,87 bij het saldo op vanwege zijn privéopnamen in de periode oktober 2018 tot en met 5 december 2025. Deze post is door [eiseres] niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat.
Opnamen ten behoeve van de kinderen en [eiseres]
4.9.
Vervolgens brengt [gedaagde] op zijn privéopnamen weer twee posten in mindering. Een bedrag van ANG, nu Cg 10.956,00 is volgens hem namelijk ten goede gekomen aan de kinderen van partijen, onder andere betreft dit het collegegeld van de dochter van partijen. Partijen hadden kennelijk de afspraak dat zij deze kosten samen zouden dragen, maar ter zitting heeft [gedaagde] deze post laten vallen. De rechtbank zal deze correctie dus niet meenemen.
4.10.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat er in de periode tussen maart 2020 en augustus 2024 omgerekend ANG, nu Cg 989,32 per maand aan spaarpremie is betaald van de exploitatierekening, terwijl partijen hadden afgesproken dat [eiseres] dit zou dragen. Om die reden is er volgens [gedaagde] sprake van een privéopname ten behoeve van [eiseres] van in totaal ANG, nu Cg 53.423,28, die in mindering moet komen op zijn privéopnamen. [eiseres] betwist deze correctie. In de beschikking van het hof is namelijk slechts bepaald dat zij de hypotheekrente van de woning te [plaats] moet betalen en niet de spaarpremie. Als dat al zo zou zijn, dan stelt zij recht te hebben op meer dan de helft van het spaarsaldo. De rechtbank oordeelt dat uit de beschikking van het hof uitsluitend blijkt dat [eiseres] de hypotheekrente zou betalen. Dit op basis van een door het hof vastgestelde afspraak tussen partijen. De vordering van [gedaagde] zag ook enkel op de hypotheekrente.Dit betekent dat [eiseres] geen verplichting heeft (gehad) om de maandelijkse spaarpremie van haar eigen inkomen te betalen en dat partijen hiervoor samen draagplichtig zijn gebleven. De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zijn ter zitting ingenomen stelling te onderbouwen dat de spaarpremie (gedeeltelijk) van zijn privérekening is betaald. [gedaagde] heeft bij akte toegelicht dat de afschrijvingen in de genoemde periode voornamelijk van de exploitatierekening zijn gegaan en incidenteel van zijn privérekening, die in die gevallen werd gevoed van de exploitatierekening. Om die reden gelden de opnamen van de exploitatierekening ten behoeve van de spaarpremie-inleg als privéopnamen van partijen gezamenlijk. Dat betekent dat de helft van de opnamen geldt als privéopname van [eiseres] (Cg (voorheen ANG) 26.711,64) en de helft als privéopname van [gedaagde], zodat het bedrag van Cg (voorheen ANG) 26.711,64 als correctie van de privéopnamen van [gedaagde] wordt afgetrokken. Over deze periode zijn partijen hierom ook gezamenlijk gerechtigd tot het opgebouwde spaarsaldo, zoals later in dit vonnis zal worden uitgewerkt.
Privéopnamen [eiseres]
4.11.
[gedaagde] brengt verder een post privéopnamen van [eiseres] van ANG, nu Cg 5.782,89 op het saldo in meerdering, die ziet op door [eiseres] betaalde advocaatkosten. [eiseres] heeft deze privéopname erkend, zodat het saldo van de exploitatierekening met de hoogte van de privéopname moet worden gecorrigeerd. De rechtbank zal [eiseres] niet afzonderlijk veroordelen tot betaling van dit bedrag, maar dit bedrag als correctie op het saldo van de exploitatierekening betrekken.
Stortingen [gedaagde]
4.12.
Ook staan de privéstortingen van [gedaagde] op de exploitatierekening in de periode 2013 tot en met 2017 staan vast, nu de rechtbank dit al heeft vastgesteld in de onherroepelijk geworden aanvullende echtscheidingsbeschikking van 29 december 2022 en Het bedrag van Cg (voorheen) ANG 171.546,20 zal daarom als correctie ten bate van [gedaagde] worden meegenomen.
Tussenconclusie correcties op de rekening
4.13.
Gelet op deze correcties bedraagt het te verdelen saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025 Cg (voorheen ANG) 70.807,17. Dat is op de volgende manier berekend:
Post
Bedrag in Cg (voorheen ANG)
Saldo per 5 december 2025
548,25
Privéopnamen [gedaagde]
236.022,23 +
Privéopnamen [eiseres]
5.782,89 +
Privéstortingen [gedaagde]
171.546,20 -
Totaal
70.807,17
Kosten buiten de exploitatierekening
4.14.
Hiernaast heeft [gedaagde] een viertal posten in rekening gebracht van het te verdelen saldo van de exploitatierekening die volgens hem uitsluitend betrekking hebben op kosten van de woning te Curaçao, maar door hemzelf zijn betaald en niet van de exploitatierekening. Het betreffen kosten voor vliegtickets, onroerendezaakbelasting in de periode 2019 tot en met 2025, beheerkosten en achterstallig onderhoud.
4.15.
[gedaagde] heeft ten eerste tegenover de betwisting van [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de kosten voor de vliegtickets behoren tot de noodzakelijke kosten van de woning te Curaçao, omdat bezoek aan de woning noodzakelijk was voor het uitvoeren van beheerstaken die buiten het bereik van de ingehuurde beheerders vielen. Dit was wel van [gedaagde] te verwachten gelet op het bepaalde in artikel 3:170 lid 1 BW. Weliswaar gaan de kinderen van partijen in hun ‘rapport’ uit van de noodzaak van de reizen, maar enige onderbouwing van de uitgevoerde beheerstaken ontbreekt. Daarnaast heeft [gedaagde] nagelaten toe te lichten waarom deze kosten niet direct van de exploitatierekening zijn voldaan als het werkelijk kosten voor de woning waren. De rechtbank zal daarom geen correctie voor deze post hanteren.
4.16.
De tweede post betreft de verschuldigde onroerendezaakbelasting (ozb) vanaf oktober 2018 tot en met december 2025. [gedaagde] stelt dat de ozb sinds 2017 niet is betaald. Bij akte van 8 mei 2026 heeft [gedaagde] toegelicht dat de laatste aanslag ozb op 28 februari 2020 is betaald, over het jaar 2017. [eiseres] betwist de openstaande aanslagen en wijst erop dat de aanslagen moeten zijn betaald van de exploitatierekening, onder andere in 2019. Als de ozb daadwerkelijk niet betaald is, dan zijn dit kosten die partijen over de opgegeven periode gezamenlijk zullen moeten voldoen. Gelet op de betwisting van de post door [eiseres] had het op de weg van [gedaagde] gelegen om nadere onderbouwing hiervan over te leggen, met name omdat de rechtbank [gedaagde] daartoe expliciet in de gelegenheid heeft gesteld. [gedaagde] had onder andere - als inderdaad geen betalingsbewijzen voorhanden zijn - de aanslagen ozb zelf kunnen overleggen en de verschillende betalingsherinneringen die moeten zijn verstuurd. Zonder deze onderbouwing kan de rechtbank niet aannemen dat deze kosten nog gemaakt moeten worden en daarom moeten worden verrekend met het te verdelen saldo van de exploitatierekening.
4.17.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij van zijn privérekening de facturen van eind 2023 voor uitgevoerd onderhoud door [bedrijf 1] heeft betaald, nadat hij eind 2025 de hypothecaire lening van de woning te Curaçao heeft kunnen overzetten. [gedaagde] heeft hiervan een betalingsbewijs overgelegd. Volgens de facturen gaat het om verschillende reparatiewerkzaamheden, zowel binnen als buiten. [eiseres] betwist dat deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden en wijst erop dat [bedrijf 1] een verhuurbedrijf is van de neef van [gedaagde]. [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, terwijl de facturen voldoende zijn gespecificeerd voor de conclusie dat sprake was van noodzakelijk onderhoud aan de woning te Curaçao. [gedaagde] kon hier op grond van artikel 3:170 lid 1 BW opdracht toe geven. Het bedrag is gelet op de doorlopende kosten en de stand van het saldo van exploitatierekening vanaf eind 2023 ook zodanig dat de facturen niet zomaar van de exploitatierekening betaald konden worden, zoals [eiseres] stelt. Het is daarom niet vreemd dat [gedaagde] deze factuur pas heeft betaald nadat er meer liquiditeit bij hem vrijkwam. Artikel 3:172 BW bepaalt dat partijen naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijke goed moeten bijdragen aan deze kosten. De rechtbank zal daarom een correctie van Cg (voorheen ANG) 10.750,00 hanteren.
4.18.
De laatste post die [gedaagde] opvoert ziet op achterstallig onderhoud ter hoogte van Cg (voorheen ANG) 90.473,80, dat hij onderbouwt met een bouwkundig rapport van PN Bouwadvies & Inspectie. Ten eerste is het, zoals [eiseres] terecht opmerkt, opvallend dat meerdere door [bedrijf 1] uitgevoerd onderhoud in dit rapport opnieuw als achterstallig onderhoud is aangegeven, waaronder het herstellen van tegelvloeren en boeidelen. Deze kosten kunnen hoe dan ook niet twee keer in een dergelijk korte tijd worden toegerekend aan achterstallig onderhoud. Voor het overige staat vast dat de opgevoerde kosten nog niet daadwerkelijk zijn gemaakt, zodat er ook nog geen draagplicht voor de kosten kan worden vastgesteld. Voor zover [gedaagde] de post heeft bedoeld als een reservering voor toekomstige onderhoudskosten heeft hij onvoldoende gesteld dat hij dit met [eiseres] heeft besproken en dat zij hiermee heeft ingestemd, wat door [eiseres] ook is betwist.
Negatief verhuurresultaat augustus 2025 – december 2025
4.19.
De laatste post in het overzicht van [gedaagde] heeft betrekking op het negatieve verhuurresultaat in de periode tussen 10 augustus 2025 en 5 december 2025. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij in de laatste maanden voor de toedeling van de woning te Curaçao aan hem de huurders heeft geïnstrueerd om op een nieuw geopende privérekening te betalen, waarvan de kosten voor de woning ook werden betaald. Over de genoemde periode is volgens [gedaagde] een negatief resultaat van ANG, nu Cg, 10.500,00 gerealiseerd. Dit alles is door [eiseres] niet betwist. Omdat het verhuurresultaat wel betrekking heeft op de periode dat [eiseres] nog mede-eigenaar was van de woning te Curaçao dient dit te worden verrekend met het saldo van de exploitatierekening.
Tussenconclusie afrekening exploitatierekening
4.20.
Het bovenstaande leidt tot de volgende optelling:
Post
Bedrag in Cg (voorheen ANG)
Gecorrigeerd saldo
70.807,17
Facturen [bedrijf 1]
10.750,00 -
Negatief verhuurresultaat eind 2025
10.500,00 -
Totaal
49.557,17
Per partij
24.778,59
4.21.
Gelet op het grotere aandeel aan privéopnamen van [gedaagde] ten opzichte van de privéopnamen van [eiseres] en zijn stortingen, zal [gedaagde] dus een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59 aan [eiseres] moeten betalen ten aanzien van de afrekening van de exploitatierekening.
De verrekening van overige kosten leidt tot een vordering van € 2.062,62 van [gedaagde] op [eiseres]
4.22.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de overige vorderingen over en weer.
Hypotheekrente [plaats] en gebruiksvergoeding
4.23.
[gedaagde] vordert [eiseres] primair te veroordelen tot vergoeding van de door hem betaalde hypotheekrente voor de woning te [plaats]. In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] gehouden is aan [eiseres] de vanaf augustus 2022 tot aan de levering van de woning te [plaats] betaalde hypotheekrente te vergoeden, voor zover [gedaagde] de hypotheekrente heeft betaald uit privégelden. [gedaagde] heeft aangetoond met bankafschriften van zijn privérekening bij ING dat hij vanaf augustus 2022 tot en met 31 augustus 2025 de hypotheekrente heeft betaald á € 865,12 per maand, in totaal € 32.009,44. [eiseres] heeft in haar vordering (onder andere) dit bedrag verrekend met achterstallige partneralimentatie, maar omdat [gedaagde] op 22 december 2025 de achterstand volledig heeft ingelopen gaat dit niet langer op. [eiseres] zal in overeenstemming met de beschikking van het hof daarom € 32.009,44 aan [gedaagde] moeten betalen en de hypotheekrente moeten dragen tot aan de levering van de woning.
4.24.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de subsidiaire vordering van [gedaagde] een gebruiksvergoeding te bepalen en deze zal daarom worden afgewezen.
Spaarsaldo hypotheek [plaats]
4.25.
Naast de rente zijn partijen ook de spaarinleg aan ING verschuldigd. Partijen gaan beiden uit van een inleg van € 472,21 per maand. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de helft van het opgebouwde bankspaarsaldo, tot en met 1 juli 2025
€ 37.705,47. [eiseres] stelt haar deel van de inleg te hebben voldaan door verrekening van de achterstallige partneralimentatie, althans via de exploitatierekening. [gedaagde] voert verweer en voert aan dat slechts het spaarsaldo dat tijdens de gemeenschappelijke huishouding is opgebouwd tussen partijen moet worden gedeeld: € 33.894,32 per 30 september 2018. Na deze datum stelt [gedaagde] zelf alle stortingen op de spaarrekening te hebben gedaan. Ook staat de bankspaarrekening uitsluitend op zijn naam.
4.26.
Tussen partijen staat vast dat zij tot oktober 2018 gezamenlijk het spaarsaldo hebben opgebouwd, zodat zij beiden tot de helft van deze opbouw gerechtigd zijn. Ook staat vast dat [eiseres] tussen oktober 2018 tot en met januari 2020 de volledige spaarinleg heeft betaald. Hierdoor heeft zij ook recht op het volledige bedrag dat is ingelegd, namelijk € 7.555,36 (16 x € 472,21). Hiervoor onder 4.10 heeft de rechtbank al overwogen dat partijen in de periode tussen maart 2020 tot en met augustus 2024 via de exploitatierekening gezamenlijk de spaarinleg hebben betaald. Over deze periode zijn partijen daarom ook ieder gerechtigd tot de helft van het gespaarde saldo. De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld aan te tonen tot wanneer de spaarpremie is betaald van de exploitatierekening en of [gedaagde] de spaarinleg vanaf enig moment is gaan betalen vanaf een privérekening (met privégeld). [gedaagde] heeft daartoe een betaalspecificatie van het ABP overgelegd waaruit blijkt dat zijn pensioen in juli 2024 op een ABN-rekening is gestort. Daaruit blijkt nog niet dat de spaarinleg ook vanaf juli 2024 (of enig moment later) van deze rekening is afgeschreven. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de spaarinleg ook na augustus 2024 van de exploitatierekening is betaald. Partijen zijn dus gerechtigd tot de helft van het gehele spaarsaldo, met uitzondering van de periode oktober 2018-januari 2020. Over die periode heeft [eiseres] recht op 100% van de opbouw, oftewel € 3.777,68 meer dan de helft. Omdat [eiseres] echter slechts vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de helft van het spaarsaldo, zal de rechtbank de vordering tot dat bedrag toewijzen, te weten € 37.705,47 tot 1 juli 2025, te vermeerderen met de verschuldigde bedragen per 1 juli 2025).
Woonverzekering en overlijdensrisicoverzekering
4.27.
In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] aan [gedaagde] de helft van de door hem premies woon- en overlijdensrisicoverzekering dient te vergoeden vanaf 1 januari 2019 tot en met de levering van de woning te [plaats]. [gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.496,27; dat is de helft van de premies over de periode januari 2019 tot en met 31 augustus 2025.
4.28.
[eiseres] erkent dat zij de helft van de premie voor de woonverzekering is verschuldigd. Ten aanzien van de overlijdensrisicoverzekering voert zij aan dat zij sinds de echtscheiding geen begunstigde meer is, zodat de verzekering bij overlijden van [gedaagde] niet meer kan dienen tot de afbetaling van de hypotheek en zodoende geen onderdeel meer is van de woonlasten. [eiseres] concludeert daarom tot afwijzing van de vordering en vordert te bepalen dat zij met ingang van 2019 wordt ontslagen van de verplichting om de helft van de premie te betalen.
4.29.
De rechtbank zal [eiseres] veroordelen tot betaling van het door [gedaagde] gevorderde bedrag. Het verweer van [eiseres] gaat niet op. Partijen zijn pas in 2022 gescheiden, waardoor [eiseres] tot de echtscheidingsdatum hoe dan ook nog begunstigde was zodat er geen grond is om [eiseres] te ontslaan van haar betalingsverplichting tot 2022. Voor het overige volgt de verplichting tot betaling uit de beschikking van het hof en dat heeft kracht van gewijsde. [eiseres] heeft niet eerder verweer gevoerd tegen de betalingsverplichting, ook niet tijdens de procedure bij het hof zoals expliciet vermeld in het de beschikking van het hof. Dat [eiseres] nu alsnog op inhoudelijke gronden opkomt tegen haar betalingsverplichting is daarom ook te laat en strookt ook niet met het feit dat [eiseres] eerder deze post als woonlast heeft verrekend met achterstallige partneralimentatie.
Verrekening opbrengst Chrysler
4.30.
Partijen zijn het eens over de verdeling van de getaxeerde waarde van de Chrysler. Daarom zal [eiseres] worden veroordeeld tot betaling van € 1.600,00, zijnde de helft van de waarde, aan [gedaagde].
Rioolheffing en WOZ-belasting [plaats]
4.31.
[gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen tot betaling van door hem betaalde WOZ-aanslagen en rioolheffingen voor de woning te [plaats] over de jaren 2019 tot en met 2025 voor een totaalbedrag van € 2.475,23, te vermeerderen met de nog te vervallen termijnen tot aan de dag van levering van de woning. [eiseres] erkent dat zij deze bedragen als woonlast is verschuldigd. Omdat verrekening met inmiddels betaalde partneralimentatie niet langer opgaat, zal [eiseres] tot betaling van deze bedragen worden veroordeeld.
Partneralimentatie en toedeling woning te Curaçao
4.32.
[gedaagde] vordert te bepalen dat hij op 22 december 2025 € 46.139,53 aan achterstallige partneralimentatie heeft betaald. Dit is door [eiseres] bevestigd en door de rechtbank in dit vonnis als feit vastgesteld, zodat [gedaagde] geen belang heeft bij een dergelijke verklaring voor recht. Voor zover [eiseres] haar vorderingen in dit kader handhaaft zal de rechtbank deze gelet op de betaling afwijzen. Voor een veroordeling van [gedaagde] om de toekomstige termijnen te betalen is geen plaats omdat deze vordering nog onvoldoende bepaald is. De doorlopende betalingsverplichting voor [gedaagde] volgt daarnaast uit de wet, zodat het belang van [eiseres] bij haar vordering op dit moment ontbreekt. Tot slot heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de alimentatievordering met wettelijke rente, maar [eiseres] heeft dit (uiteindelijk) niet gevorderd.
4.33.
Hetzelfde als het bovenstaande geldt voor de vordering van [eiseres] om te bepalen dat het uitkoopbedrag van de woning te Curaçao € 25.319,00 is en de tegenvordering van [gedaagde] om vast te stellen dat dit geschilpunt is afgewikkeld. De rechtbank heeft als feit vastgesteld dat de woning te Curaçao voor dit bedrag (exclusief notariskosten) is geleverd aan [gedaagde]. De daaraan gerelateerde vorderingen missen belang en worden voor zover gehandhaafd afgewezen.
Proceskosten procedures in Curaçao en betekeningskosten vonnis van 5 december 2024
4.34.
[gedaagde] vordert ook te verklaren voor recht dat [eiseres] de proceskosten van
€ 1.187,15 en de nakosten van het opheffen van het beslag van € 329,69, verschuldigd naar aanleiding van gevoerde procedures in Curaçao, verschuldigd is. [eiseres] voert aan dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de proceskostenveroordeling bij vonnis in hoger beroep van 9 september 2025 heeft vernietigd, maar dit ziet op de zaak waarin [eiseres] is veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van haar aandeel in de woning te Curaçao. [gedaagde] vordert de proceskosten in het kort geding betreffende de opheffing van het door [eiseres] gelegde beslag op de woning. De rechtbank concludeert op basis van de stellingen over en weer en de overgelegde vonnissen dat dit vonnis, van 25 maart 2025, in kracht van gewijsde is gegaan en dat hieraan uitvoering is gegeven. In dit vonnis is [eiseres] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van ANG 2.391,55, oftewel door [gedaagde] omgerekend € 1.187,15. Dit bedrag mocht [gedaagde] verrekenen met de betaling van de overwaarde, maar dat heeft hij niet gedaan. [eiseres] zal daarom dit bedrag alsnog aan [gedaagde] moeten betalen. De rechtbank zal dit bedrag in de hiernavolgende optelling meenemen.
4.35.
[gedaagde] vordert naast de proceskosten ook de nakosten van het opheffen van het beslag, maar [gedaagde] heeft niet met stukken onderbouwd dat hij deze kosten heeft gemaakt, noch dat hij op grond van het vonnis recht heeft op forfaitair berekende kosten. Deze kostenpost wijst de rechtbank daarom af.
Kosten doorhaling hypotheek in Curaçao
4.36.
Als laatste post voert [gedaagde] de helft van de kosten op voor het doorhalen van de hypothecaire inschrijving. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat hij deze kosten heeft gemaakt, terwijl hij de notariskosten wel heeft verrekend met de uitbetaling van de overwaarde aan [eiseres]. De rechtbank gaat er daarom bij gebrek aan onderbouwing van de vordering door [gedaagde] van uit dat deze kosten daarvan onderdeel waren.
Tussenconclusie overige kosten
4.37.
Het bovenstaande leidt tot de volgende optelling:
Post
Bedrag in Euro
Hypotheekrente [plaats]
32.009,44
Spaarsaldo [plaats]
37.705,47 -
Woon- en overlijdensrisicoverzekering
2.496,27 +
Opbrengst Chrysler
1.600,00 +
Rioolheffing en WOZ-belasting
2.475,23 +
Proceskosten procedure medewerking levering woning te Curaçao
1.187,15 +
Totaal te betalen door [eiseres]
€ 2.062,62
[gedaagde] wordt in de gelegenheid gesteld de woning te [plaats] over te nemen
4.38.
Het laatste geschilpunt tussen partijen ziet op wie in staat moet worden gesteld om de woning te [plaats] over te nemen. In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] een termijn van vier maanden is gegund om te onderzoeken of zij de woning kon overnemen. Als blijkt dat zij dat niet kan, dan krijgt [gedaagde] een termijn van vier maanden om de mogelijkheden tot overname te onderzoeken voordat de woning te koop wordt gezet. Partijen zijn het eens over een waardering van de woning op € 575.000,00.
4.39.
[eiseres] vindt dat zij tijdig heeft aangetoond dat zij de woning kan overnemen en [gedaagde] kan uitkopen. Op 5 juni 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] per e-mail laten weten dat zij gesprekken heeft gehad met verschillende hypotheekadviseurs die aangeven dat zij de woning kan overnemen als zij uit de door de rechtbank vast te stellen afrekening
€ 320.000,00 van [gedaagde] zou ontvangen. Dit blijkt concreet uit een e-mail van [bedrijf 2]. Hieruit blijkt weliswaar dat [eiseres] binnen de door het hof gestelde termijn heeft onderzocht of zij de woning kan overnemen en dit ook tijdig aan [gedaagde] heeft medegedeeld, maar dit is wel afhankelijk gebleken van een bepaalde voor haar zeer gunstige uitkomst van de afrekening van de huwelijksgemeenschap. Gelet op hetgeen in dit vonnis is bepaald over de wijze van die afrekening is het door de [bedrijf 2] beoordeelde scenario onrealistisch. De recente toelichtingen van [eiseres] dat zij een uitkering van € 280.000,00 of meest recent € 160.000,00 netto nodig heeft brengen daarin - gelet op dit vonnis - geen verandering. De conclusie is daarom op basis van de ingebrachte stukken dat [eiseres] financieel niet in staat is om de woning te [plaats] over te nemen. De rechtbank zal [eiseres] daarom niet opnieuw de gelegenheid geven de mogelijkheden te onderzoeken om de woning over te nemen.
4.40.
In overeenstemming met rechtsoverweging 4.7.2 van de beschikking van het hof zal [gedaagde] daarom de gelegenheid krijgen om gedurende een periode van vier maanden de mogelijkheden tot overname te onderzoeken tegen de tussen partijen vastgestelde waarde van € 575.000,00, voordat partijen de woning in de verkoop zetten. Vervangende toestemming voor de medewerking van [eiseres] bij de levering van haar aandeel in de woning aan [gedaagde], zoals door [gedaagde] is gevorderd, zal niet worden toegewezen. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat zij medewerking zal verlenen aan de levering van [gedaagde], in geval hij de woning kan overnemen. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiseres] zich aan deze toestemming zal houden.
Compensatie proceskosten: geen werkelijke proceskosten, misbruik van procesrecht, dwangsom of rente
4.41.
Gelet op de relatie tussen partijen als ex-echtlieden en dat dit geschil ziet op de afrekening van hun (huwelijks)gemeenschap ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de proceskosten in dergelijke zaken tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot een bedrag van € 56.076,00 + P.M., naar de rechtbank begrijpt het totaal aan door [eiseres] over verschillende procedures gemaakte juridische kosten, is overigens in het geheel niet onderbouwd, noch is daarvoor een grondslag gegeven.
4.42.
[gedaagde] heeft daarnaast gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van
€ 1.349,00 omdat [eiseres] haar vordering te hoog heeft ingestoken zodat hij een onnodig hoog griffierecht aan de rechtbank heeft moeten betalen. Hierdoor maakt zij misbruik van procesrecht. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De vordering van [eiseres] is gebaseerd op een onderbouwde berekening van [betrokkene] en daarmee is weerlegd dat de (hoogte van de) vordering op voorhand geen kans van slagen had. Dat deze zienswijze uiteindelijk grotendeels niet wordt gevolgd door de rechtbank, betekent nog niet dat aan de hoge maatstaf voor misbruik van procesrecht is voldaan.
4.43.
Tot slot zal de rechtbank de door [eiseres] gevorderde dwangsom en wettelijke rente afwijzen. Artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), laatste volzin bepaalt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Ook voor wettelijke rente is geen plaats. Voor vorderingen uit hoofde van een verdeling geldt dat, zolang de verdeling aan een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar is verzuim is. Weliswaar zijn in de beschikking van het hof handvaten aan partijen verstrekt om tot een afwikkeling van de boedelverdeling te komen, maar niet zodanig dat een van de partijen daaruit een uitgekristalliseerde geldvordering op de ander kon afleiden. Van verzuim van een van partijen is dan ook geen sprake.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59, te verminderen met het bedrag van € 2.062,62 dat [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigd is,
5.2.
verklaart voor recht dat de termijn waarbinnen [eiseres] kon onderzoeken of zij de woning te [plaats] kon over te nemen is verstreken, althans dat zij heeft nagelaten aan te tonen die mogelijkheid te hebben, en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om gedurende vier maanden na de datum van dit vonnis te onderzoeken of hij de woning te [plaats] kan overnemen tegen de tussen partijen vastgestelde waarde van € 575.000,00,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
1949
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387.
Handel, Kanton en Insolventie
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/368226 / HA ZA 25-450
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [plaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Ramsoedh.
De zaak in het kort
Partijen zijn ex-echtgenoten. Zij zijn het oneens over de uitvoering van de verdeling van tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen, zoals eerder bepaald door de rechtbank en daarna het hof. De rechtbank zal in dit vonnis voor recht verklaren dat alleen [gedaagde] een termijn van vier maanden krijgt om te onderzoeken of hij de woning te [plaats] kan overnemen en dat [gedaagde] (exclusief het eventuele uitkoopbedrag) een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59 minus € 2.062,62 aan [eiseres] is verschuldigd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- de akte namens [eiseres] met overlegging van producties 21 tot en met 25,
- de akte namens [gedaagde] met overlegging van producties 19 tot en met 30,
- de akte wijziging van eis in reconventie namens [gedaagde],
- de akte namens [gedaagde] met overlegging van producties 31 tot en met 33,
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026, waarbij mr. Ramsoedh gebruik heeft gemaakt van overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- het bericht namens [eiseres] van 22 april 2026 met een toelichting van de benodigde middelen voor toedeling van de woning in [plaats] aan haar, met producties,
- het bericht namens [gedaagde] van 28 april 2026,
- de akte namens [gedaagde] van 8 mei 2026 met een toelichting over het totaal aan spaarpremie dat vanaf februari 2020 van de exploitatierekening is betaald en de openstaande OZB in Curaçao, en met overlegging van producties 34 en 35,
- de antwoordakte namens [eiseres] van 27 mei 2026, met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn van 16 augustus 1991 tot 31 augustus 2022 met elkaar gehuwd geweest. Bij huwelijkse voorwaarden zijn zij een gemeenschap van inboedel overeengekomen, met uitsluiting van elke andere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.
2.2.
In de echtscheidingsbeschikking van 4 mei 2022 van deze rechtbank (hierna: de echtscheidingsbeschikking) is, samengevat en voor zover relevant, het volgende overwogen en bepaald:
[gedaagde] dient een bedrag van € 1.057,- per maand aan partneralimentatie aan [eiseres] te voldoen,
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van een woning te Curaçao ([adres 1], hierna: de woning te Curaçao) en een woning te [plaats] (Betsy Perkstraat 39, hierna: de woning te [plaats]),
De woning te Curaçao is getaxeerd tegen een waarde van € 387.000,-,
[gedaagde] heeft een vergoedingsrecht ter hoogte van de formule: € 118.416 / waarde woning 2017 x € 387.000 in verband met zijn privéaflossing uit een ontslagvergoeding,
De woning te [plaats] is getaxeerd tegen een waarde van € 575.000,-,
[eiseres] krijgt vier maanden om te bezien of zij in staat is om de woning te [plaats] toegedeeld te krijgen en anders zal de woning worden verkocht,
Het spaarsaldo inzake de woning te [plaats] dient bij helfte te worden verdeeld,
[gedaagde] heeft geen vergoedingsrecht met betrekking tot investeringen in de woning te [plaats],
[eiseres] dient € 1.600,- van de verkoopopbrengst van de Chrysler, waarvan [gedaagde] eigenaar is, aan [gedaagde] te betalen,
2.3.
In de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 februari 2024 (hierna: de beschikking van het hof) is, samengevat en voor zover relevant, in afwijking/aanvulling op het onder 2.2. genoemde het volgende bepaald:
Het vergoedingsrecht van [gedaagde] met betrekking tot de woning te Curaçao bedraagt € 336.631,50,
[eiseres] heeft zolang zij mede-eigenaar is van de woning te Curaçao recht op de helft van de huuropbrengsten minus de kosten, en daarmee op de helft van het saldo van de exploitatierekening,
[gedaagde] krijgt vier maanden om te bezien of hij in staat is om de woning te [plaats] toegedeeld te krijgen als [eiseres] daartoe niet in staat blijkt,
Er is sprake van een (al dan niet stilzwijgende) afspraak dat [gedaagde] ten behoeve van partijen stortingen op de bankspaarrekening deed, waar tegenover stond dat [eiseres] een hoger bedrag op de en/of-rekening stortte. Partijen zijn dus allebei gerechtigd tot de helft van het spaarsaldo,
[eiseres] dient de helft van de premies woon- en overlijdensrisicoverzekering aan [gedaagde] te vergoeden vanaf 1 januari 2019 tot het moment van de levering van de woning te [plaats],
[eiseres] dient vanaf augustus 2022 tot aan de levering van de woning te [plaats] aan [gedaagde] de door hem betaalde hypotheekrente te vergoeden, voor zover hij deze rente uit privégelden heeft betaald,
2.4.
De beschikking van het hof is in kracht van gewijsde gegaan.
2.5.
Partijen hebben na de beschikking van het hof geprobeerd hieraan met elkaar uitvoering te geven, onder andere met tussenkomst van verschillende adviseurs, hun kinderen en het mediationbureau van de rechtbank, maar daarin zijn zij niet (volledig) geslaagd.
2.6.
Op 5 december 2025 is het aandeel van [eiseres] in de woning te Curaçao overgedragen aan [gedaagde] tegen betaling van de overwaarde van € 25.319,- minus notariskosten.
2.7.
Op 22 december 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 46.139,53 aan achterstallige partneralimentatie aan [eiseres] betaald.
3Het geschil
in conventie en in reconventie
3.1.
[eiseres] heeft in de dagvaarding - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 336.700,79 gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Huuropbrengsten woning te Curaçao per 11-2025: € 339.554,08
Helft bankspaarsaldo t/m 31-12-2024 € 37.705,47 - Partneralimentatie € 33.886,00
Helft overwaarde woning te [plaats] € 63.750,00 -
Verrekening woonlasten [plaats] € 8.251,01 -
Helft premie woonverzekering € 843,75 -
Helft waarde Chrysler € 1.600,00 -
Totaal € 336.700,79
3.2.
Daarnaast heeft [eiseres] haar eis bij conclusie van antwoord in reconventie als volgt vermeerderd:
Te bepalen dat [eiseres] vanaf 2019 is ontslagen van haar verplichting om de helft van de premie van de overlijdensrisicoverzekering te betalen,
[gedaagde] te veroordelen tot betaling van alle financiële schade, welke [eiseres] heeft geleden ter zake van juridische kosten als gevolg van het gedrag van [gedaagde], begroot op minimaal € 56.076,00,
Te bepalen dat [eiseres] het deel van [gedaagde] van de woning te [plaats] mag overnemen en dat [eiseres] vervangende toestemming krijgt voor overname van de woning te [plaats] indien [gedaagde] geen medewerking wenst te verlenen aan de overdracht van de woning en te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagde] ten behoeve van de levering,
Te bepalen dat het uitkoopbedrag voor de woning op Curaçao € 25.319,53 is,
Te bepalen dat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 46.139,53 aan partneralimentatie dient te voldoen, te vermeerderen met de verschuldigde alimentatie over de resterende periode,
Te bevelen dat alle betalingen binnen een maand na de datum van dit vonnis voldaan dienen te worden, op straffe van de verbeurte van een dwangsom.
3.3.
Kortgezegd legt [eiseres] aan haar vorderingen ten grondslag dat zij met hulp van een registeraccountant, mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), een berekening heeft gemaakt om tot een afwikkeling op basis van de echtscheidingsbeschikking en de beschikking van het hof te komen. [betrokkene] heeft daarbij met behulp van beschikbare bankafschriften het saldo van de exploitatierekening vanaf de start gereconstrueerd. Eventuele kosten van de woning te Curaçao die buiten de exploitatierekening zijn betaald of nog niet zijn betaald, dienen buiten de berekening te worden gelaten. Daarnaast heeft zij [gedaagde] tijdig geïnformeerd dat zij in staat is de woning te [plaats] over te nemen.
3.4.
[gedaagde] voert verweer. In reconventie vordert hij, na eiswijziging, de volgende afwikkeling te bepalen:
Betaling van € 39.540 (ANG (de rechtbank begrijpt: Cg) 82.387,52) door [eiseres] aan [gedaagde] vanwege haar aandeel in het tekort van de exploitatierekening, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van primair € 32.009,44 aan hypotheekrente, althans secundair, voor het geval de rechtbank bepaalt dat [eiseres] geen privéopname van € 25.750,00 heeft gedaan, € 57.759,44 aan gebruiksvergoeding voor de woning te [plaats] tot en met 31 augustus 2025, beide vermeerderd met de termijnen tot aan de dag van levering van de woning, vermeerderd met wettelijke rente tot de dag van algehele betaling,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 2.475,23 aan WOZ- en rioolheffingen en € 2.496,27 aan verzekeringspremies, te vermeerderen met de termijnen tot aan de levering van de woning te [plaats],
Te verklaren voor recht dat [eiseres] slechts recht heeft op huurinkomsten van de woning te Curaçao tot 31 augustus 2024, althans een door de rechtbank te bepalen datum,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 3.231,27 vanwege een privéopname, althans dit te verrekenen bij de vaststelling van het saldo van de exploitatierekening,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] recht heeft op € 16.479,- van het bankspaarsaldo en dat het meerdere aan [gedaagde] toekomt,
Te verklaren voor recht dat de termijn waarbinnen [eiseres] kon onderzoeken of zij de woning te [plaats] kon overnemen is verstreken en dat [gedaagde] gerechtigd is de woning over te nemen onder de voorwaarde van betaling van de overwaarde van € 63.750,- aan [eiseres],
Vervangende toestemming te verlenen aan [gedaagde] voor de overdracht van het aandeel van [eiseres] in de woning te [plaats],
Betaling door [eiseres] van € 1.349,- vanwege misbruik van procesrecht,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] de proceskosten en de nakosten van het opheffen van het beslag te Curaçao van € 1516,99 / ANG (de rechtbank begrijpt: Cg) 3.082,55 aan [gedaagde] verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente,
Betaling door [eiseres] aan [gedaagde] van € 331,30 inzake de doorhaling van hypotheken,
Te verklaren voor recht dat [eiseres] € 1.600,- dient te voldoen ter zake de verkoop van de Chrysler,
Te bepalen dat [eiseres] betekeningskosten van het vonnis van 5 december 2024 in Curaçao van € 148,78 verschuldigd is.
3.5.
Ten eerste voert [gedaagde] aan dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat zij zijn aandeel in de woning te [plaats] kan overnemen, zodat hij in staat moet worden gesteld om de woning over te nemen. Daarnaast verweert [gedaagde] zich tegen de berekening van de vordering van [eiseres]. De berekeningen en herconstructies van mevrouw [betrokkene] zijn onjuist en partijdig. Volgens [gedaagde] moeten partijen uitgaan van het saldo van de exploitatierekening per de datum van levering van het aandeel van [eiseres] in de woning te Curaçao aan [gedaagde], gecorrigeerd met privéopnames over en weer, privéstortingen van [gedaagde] en kosten die buiten de exploitatierekening zijn gedaan. Verder dient slechts het spaarsaldo bij helfte te worden verdeeld dat gedurende de gemeenschappelijke huishouding is opgebouwd omdat er na het einde daarvan geen verrekenplicht meer geldt voor nadien gevormde vermogensbestanddelen en [gedaagde] vervolgens alle stortingen op de bankspaarrekening heeft gedaan.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.
Het uitgangspunt is het saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025
4.2.
Partijen verschillen van inzicht over de manier waarop zij uitvoering dienen te geven aan de verdeling zoals bepaald in de echtscheidingsbeschikking en de beschikking van het hof. In de beschikking van het hof is voor recht verklaard dat [eiseres] zolang zij mede-eigenaar is van de woning te Curaçao gerechtigd is tot de helft van de huuropbrengsten minus de kosten. [eiseres] heeft een reconstructie van de te verdelen netto huuropbrengsten in de periode 2002-2024 laten maken met behulp van beschikbare bankafschriften van de exploitatierekening, terwijl [gedaagde] uitgaat van het saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025 en vervolgens correcties aanbrengt voor privéstortingen en -opnames.
4.3.
De methode die [eiseres] hanteert is minder geschikt dan de methode van [gedaagde], alleen al omdat de berekening uitgaat van een schatting van de bruto huuropbrengsten op ANG 58.500,00 en van de kosten op ANG 22.171,00 per jaar over de periode 2002-2013. Over deze periode zijn immers geen bankafschriften meer beschikbaar, zodat er niet op dezelfde manier kan worden gereconstrueerd als de daaropvolgende jaren. Nog daargelaten dat [gedaagde] de geschatte kosten gemotiveerd betwist, maakt dit dat de reconstructie van [eiseres] inherent minder nauwkeurig is dan de methode van [gedaagde], die als uitgangspunt neemt dat (uitzonderingen daargelaten) alle inkomsten en uitgaven voor de woning via de exploitatierekening zijn gegaan. Daarbij komt dat partijen over de periode tot 2018 een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, allebei toegang en inzicht hadden tot afschriften van de exploitatierekening en onbetwist ook samen belastingaangifte hebben gedaan op basis van het lopende saldo. [eiseres] wordt daarom geacht bekend te zijn met (het verloop van) het saldo op de exploitatierekening door de jaren heen en heeft in de periode tot 2018 niet aangegeven het niet eens te zijn met de gang en de stand van zaken. De rechtbank zal daarom uitgaan van de methode die [gedaagde] hanteert, omdat deze naar oordeel van de rechtbank het meest overeenkomt met de overwegingen van (met name) het hof. Dat houdt in, ook volgens het hof, dat [eiseres] recht heeft op de helft van het saldo van de exploitatierekening.
4.4.
[gedaagde] heeft gevorderd voor recht te verklaren [eiseres] in afwijking hierop slechts recht heeft op de helft van de netto huuropbrengsten tot en met 31 augustus 2024, wegens misbruik van recht. [gedaagde] stelt dat [eiseres] vanaf augustus 2024 de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap heeft getraineerd door een aanbod tot uitbetaling van de overwaarde van de woning te Curaçao te weigeren en vervolgens meerdere gerechtelijke procedures in Curaçao te starten om de status quo te behouden. De rechtbank wijst die vordering af, omdat [gedaagde] daarvoor onvoldoende heeft gesteld. Zoals [eiseres] aanvoert heeft zij geen belang bij het uitstellen van de boedelverdeling, omdat zij niet heeft kunnen beschikken over haar aandeel in de gemeenschap, noch over de netto huuropbrengsten van de woning te Curaçao die overigens, zoals hierna zal blijken, over de betreffende periode gedeeltelijk negatief zijn geweest. Daaruit blijkt geen misbruik van recht. Dat partijen een verschil van inzicht hebben over de wijze van uitvoering van de beschikking van het hof maakt nog niet dat één van de partijen daardoor misbruik van recht maakt.
4.5.
Ook het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering van [eiseres] ten aanzien van de exploitatierekening gaat niet op. Weliswaar heeft [eiseres] bij het formuleren van haar vordering de huuropbrengsten als uitgangspunt genomen en verjaren dergelijke vorderingen op grond van artikel 3:308 BW na vijf jaren, maar de grondslag voor de uitvoering van de verdeling is de beschikking van het hof uit 2024. Er kan daarom geen sprake zijn van verjaring.
4.6.
De rechtbank zal hierna vanuit de stand van de exploitatierekening per 5 december 2025, het moment waarop [gedaagde] de volledige eigendom van de woning te Curaçao verkreeg, de correcties die partijen op dat saldo aanbrengen beoordelen. De correctie die [gedaagde] nog op de stand per 5 december 2025 wil aanbrengen in de akte van 8 mei 2026 wordt niet toegestaan, omdat dit in strijd is met de goede procesorde. Partijen en de rechtbank zijn ter zitting uitgegaan van de stand zoals deze bleek uit de laatst ingediende productie 33 van [gedaagde]. Op grond daarvan is een afgerond debat gevoerd. De akten die partijen mochten nemen na de zitting zien niet op dit onderdeel en boden daarom geen gelegenheid deze correctie alsnog aan te brengen. Om dezelfde reden wordt in de inhoud van de akten van [eiseres] ingediend na de mondelinge behandeling buiten beschouwing gelaten, voor zover deze niet betrekking heeft op de punten waarover de rechtbank om nadere toelichting heeft verzocht.
Na correcties bedraagt het te verdelen saldo Cg (voorheen ANG)
49.557,17
4.7.
Het saldo van de exploitatierekening bedroeg op 5 december 2025 Cg 584,25, zoals blijkt uit het overzicht van [gedaagde]. [eiseres] heeft deze stand niet betwist. [gedaagde] heeft vervolgens verschillende correcties aangebracht op dit saldo, die hierna per post zullen worden behandeld.
Privéopnamen man
4.8.
Ten eerste telt [gedaagde] een post van ANG, nu Cg 262.733,87 bij het saldo op vanwege zijn privéopnamen in de periode oktober 2018 tot en met 5 december 2025. Deze post is door [eiseres] niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat.
Opnamen ten behoeve van de kinderen en [eiseres]
4.9.
Vervolgens brengt [gedaagde] op zijn privéopnamen weer twee posten in mindering. Een bedrag van ANG, nu Cg 10.956,00 is volgens hem namelijk ten goede gekomen aan de kinderen van partijen, onder andere betreft dit het collegegeld van de dochter van partijen. Partijen hadden kennelijk de afspraak dat zij deze kosten samen zouden dragen, maar ter zitting heeft [gedaagde] deze post laten vallen. De rechtbank zal deze correctie dus niet meenemen.
4.10.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat er in de periode tussen maart 2020 en augustus 2024 omgerekend ANG, nu Cg 989,32 per maand aan spaarpremie is betaald van de exploitatierekening, terwijl partijen hadden afgesproken dat [eiseres] dit zou dragen. Om die reden is er volgens [gedaagde] sprake van een privéopname ten behoeve van [eiseres] van in totaal ANG, nu Cg 53.423,28, die in mindering moet komen op zijn privéopnamen. [eiseres] betwist deze correctie. In de beschikking van het hof is namelijk slechts bepaald dat zij de hypotheekrente van de woning te [plaats] moet betalen en niet de spaarpremie. Als dat al zo zou zijn, dan stelt zij recht te hebben op meer dan de helft van het spaarsaldo. De rechtbank oordeelt dat uit de beschikking van het hof uitsluitend blijkt dat [eiseres] de hypotheekrente zou betalen. Dit op basis van een door het hof vastgestelde afspraak tussen partijen. De vordering van [gedaagde] zag ook enkel op de hypotheekrente.Dit betekent dat [eiseres] geen verplichting heeft (gehad) om de maandelijkse spaarpremie van haar eigen inkomen te betalen en dat partijen hiervoor samen draagplichtig zijn gebleven. De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om zijn ter zitting ingenomen stelling te onderbouwen dat de spaarpremie (gedeeltelijk) van zijn privérekening is betaald. [gedaagde] heeft bij akte toegelicht dat de afschrijvingen in de genoemde periode voornamelijk van de exploitatierekening zijn gegaan en incidenteel van zijn privérekening, die in die gevallen werd gevoed van de exploitatierekening. Om die reden gelden de opnamen van de exploitatierekening ten behoeve van de spaarpremie-inleg als privéopnamen van partijen gezamenlijk. Dat betekent dat de helft van de opnamen geldt als privéopname van [eiseres] (Cg (voorheen ANG) 26.711,64) en de helft als privéopname van [gedaagde], zodat het bedrag van Cg (voorheen ANG) 26.711,64 als correctie van de privéopnamen van [gedaagde] wordt afgetrokken. Over deze periode zijn partijen hierom ook gezamenlijk gerechtigd tot het opgebouwde spaarsaldo, zoals later in dit vonnis zal worden uitgewerkt.
Privéopnamen [eiseres]
4.11.
[gedaagde] brengt verder een post privéopnamen van [eiseres] van ANG, nu Cg 5.782,89 op het saldo in meerdering, die ziet op door [eiseres] betaalde advocaatkosten. [eiseres] heeft deze privéopname erkend, zodat het saldo van de exploitatierekening met de hoogte van de privéopname moet worden gecorrigeerd. De rechtbank zal [eiseres] niet afzonderlijk veroordelen tot betaling van dit bedrag, maar dit bedrag als correctie op het saldo van de exploitatierekening betrekken.
Stortingen [gedaagde]
4.12.
Ook staan de privéstortingen van [gedaagde] op de exploitatierekening in de periode 2013 tot en met 2017 staan vast, nu de rechtbank dit al heeft vastgesteld in de onherroepelijk geworden aanvullende echtscheidingsbeschikking van 29 december 2022 en Het bedrag van Cg (voorheen) ANG 171.546,20 zal daarom als correctie ten bate van [gedaagde] worden meegenomen.
Tussenconclusie correcties op de rekening
4.13.
Gelet op deze correcties bedraagt het te verdelen saldo van de exploitatierekening per 5 december 2025 Cg (voorheen ANG) 70.807,17. Dat is op de volgende manier berekend:
Post
Bedrag in Cg (voorheen ANG)
Saldo per 5 december 2025
548,25
Privéopnamen [gedaagde]
236.022,23 +
Privéopnamen [eiseres]
5.782,89 +
Privéstortingen [gedaagde]
171.546,20 -
Totaal
70.807,17
Kosten buiten de exploitatierekening
4.14.
Hiernaast heeft [gedaagde] een viertal posten in rekening gebracht van het te verdelen saldo van de exploitatierekening die volgens hem uitsluitend betrekking hebben op kosten van de woning te Curaçao, maar door hemzelf zijn betaald en niet van de exploitatierekening. Het betreffen kosten voor vliegtickets, onroerendezaakbelasting in de periode 2019 tot en met 2025, beheerkosten en achterstallig onderhoud.
4.15.
[gedaagde] heeft ten eerste tegenover de betwisting van [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat de kosten voor de vliegtickets behoren tot de noodzakelijke kosten van de woning te Curaçao, omdat bezoek aan de woning noodzakelijk was voor het uitvoeren van beheerstaken die buiten het bereik van de ingehuurde beheerders vielen. Dit was wel van [gedaagde] te verwachten gelet op het bepaalde in artikel 3:170 lid 1 BW. Weliswaar gaan de kinderen van partijen in hun ‘rapport’ uit van de noodzaak van de reizen, maar enige onderbouwing van de uitgevoerde beheerstaken ontbreekt. Daarnaast heeft [gedaagde] nagelaten toe te lichten waarom deze kosten niet direct van de exploitatierekening zijn voldaan als het werkelijk kosten voor de woning waren. De rechtbank zal daarom geen correctie voor deze post hanteren.
4.16.
De tweede post betreft de verschuldigde onroerendezaakbelasting (ozb) vanaf oktober 2018 tot en met december 2025. [gedaagde] stelt dat de ozb sinds 2017 niet is betaald. Bij akte van 8 mei 2026 heeft [gedaagde] toegelicht dat de laatste aanslag ozb op 28 februari 2020 is betaald, over het jaar 2017. [eiseres] betwist de openstaande aanslagen en wijst erop dat de aanslagen moeten zijn betaald van de exploitatierekening, onder andere in 2019. Als de ozb daadwerkelijk niet betaald is, dan zijn dit kosten die partijen over de opgegeven periode gezamenlijk zullen moeten voldoen. Gelet op de betwisting van de post door [eiseres] had het op de weg van [gedaagde] gelegen om nadere onderbouwing hiervan over te leggen, met name omdat de rechtbank [gedaagde] daartoe expliciet in de gelegenheid heeft gesteld. [gedaagde] had onder andere - als inderdaad geen betalingsbewijzen voorhanden zijn - de aanslagen ozb zelf kunnen overleggen en de verschillende betalingsherinneringen die moeten zijn verstuurd. Zonder deze onderbouwing kan de rechtbank niet aannemen dat deze kosten nog gemaakt moeten worden en daarom moeten worden verrekend met het te verdelen saldo van de exploitatierekening.
4.17.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij van zijn privérekening de facturen van eind 2023 voor uitgevoerd onderhoud door [bedrijf 1] heeft betaald, nadat hij eind 2025 de hypothecaire lening van de woning te Curaçao heeft kunnen overzetten. [gedaagde] heeft hiervan een betalingsbewijs overgelegd. Volgens de facturen gaat het om verschillende reparatiewerkzaamheden, zowel binnen als buiten. [eiseres] betwist dat deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden en wijst erop dat [bedrijf 1] een verhuurbedrijf is van de neef van [gedaagde]. [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, terwijl de facturen voldoende zijn gespecificeerd voor de conclusie dat sprake was van noodzakelijk onderhoud aan de woning te Curaçao. [gedaagde] kon hier op grond van artikel 3:170 lid 1 BW opdracht toe geven. Het bedrag is gelet op de doorlopende kosten en de stand van het saldo van exploitatierekening vanaf eind 2023 ook zodanig dat de facturen niet zomaar van de exploitatierekening betaald konden worden, zoals [eiseres] stelt. Het is daarom niet vreemd dat [gedaagde] deze factuur pas heeft betaald nadat er meer liquiditeit bij hem vrijkwam. Artikel 3:172 BW bepaalt dat partijen naar evenredigheid van hun aandeel in het gemeenschappelijke goed moeten bijdragen aan deze kosten. De rechtbank zal daarom een correctie van Cg (voorheen ANG) 10.750,00 hanteren.
4.18.
De laatste post die [gedaagde] opvoert ziet op achterstallig onderhoud ter hoogte van Cg (voorheen ANG) 90.473,80, dat hij onderbouwt met een bouwkundig rapport van PN Bouwadvies & Inspectie. Ten eerste is het, zoals [eiseres] terecht opmerkt, opvallend dat meerdere door [bedrijf 1] uitgevoerd onderhoud in dit rapport opnieuw als achterstallig onderhoud is aangegeven, waaronder het herstellen van tegelvloeren en boeidelen. Deze kosten kunnen hoe dan ook niet twee keer in een dergelijk korte tijd worden toegerekend aan achterstallig onderhoud. Voor het overige staat vast dat de opgevoerde kosten nog niet daadwerkelijk zijn gemaakt, zodat er ook nog geen draagplicht voor de kosten kan worden vastgesteld. Voor zover [gedaagde] de post heeft bedoeld als een reservering voor toekomstige onderhoudskosten heeft hij onvoldoende gesteld dat hij dit met [eiseres] heeft besproken en dat zij hiermee heeft ingestemd, wat door [eiseres] ook is betwist.
Negatief verhuurresultaat augustus 2025 – december 2025
4.19.
De laatste post in het overzicht van [gedaagde] heeft betrekking op het negatieve verhuurresultaat in de periode tussen 10 augustus 2025 en 5 december 2025. [gedaagde] heeft toegelicht dat hij in de laatste maanden voor de toedeling van de woning te Curaçao aan hem de huurders heeft geïnstrueerd om op een nieuw geopende privérekening te betalen, waarvan de kosten voor de woning ook werden betaald. Over de genoemde periode is volgens [gedaagde] een negatief resultaat van ANG, nu Cg, 10.500,00 gerealiseerd. Dit alles is door [eiseres] niet betwist. Omdat het verhuurresultaat wel betrekking heeft op de periode dat [eiseres] nog mede-eigenaar was van de woning te Curaçao dient dit te worden verrekend met het saldo van de exploitatierekening.
Tussenconclusie afrekening exploitatierekening
4.20.
Het bovenstaande leidt tot de volgende optelling:
Post
Bedrag in Cg (voorheen ANG)
Gecorrigeerd saldo
70.807,17
Facturen [bedrijf 1]
10.750,00 -
Negatief verhuurresultaat eind 2025
10.500,00 -
Totaal
49.557,17
Per partij
24.778,59
4.21.
Gelet op het grotere aandeel aan privéopnamen van [gedaagde] ten opzichte van de privéopnamen van [eiseres] en zijn stortingen, zal [gedaagde] dus een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59 aan [eiseres] moeten betalen ten aanzien van de afrekening van de exploitatierekening.
De verrekening van overige kosten leidt tot een vordering van € 2.062,62 van [gedaagde] op [eiseres]
4.22.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de overige vorderingen over en weer.
Hypotheekrente [plaats] en gebruiksvergoeding
4.23.
[gedaagde] vordert [eiseres] primair te veroordelen tot vergoeding van de door hem betaalde hypotheekrente voor de woning te [plaats]. In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] gehouden is aan [eiseres] de vanaf augustus 2022 tot aan de levering van de woning te [plaats] betaalde hypotheekrente te vergoeden, voor zover [gedaagde] de hypotheekrente heeft betaald uit privégelden. [gedaagde] heeft aangetoond met bankafschriften van zijn privérekening bij ING dat hij vanaf augustus 2022 tot en met 31 augustus 2025 de hypotheekrente heeft betaald á € 865,12 per maand, in totaal € 32.009,44. [eiseres] heeft in haar vordering (onder andere) dit bedrag verrekend met achterstallige partneralimentatie, maar omdat [gedaagde] op 22 december 2025 de achterstand volledig heeft ingelopen gaat dit niet langer op. [eiseres] zal in overeenstemming met de beschikking van het hof daarom € 32.009,44 aan [gedaagde] moeten betalen en de hypotheekrente moeten dragen tot aan de levering van de woning.
4.24.
De rechtbank komt daarom niet toe aan de subsidiaire vordering van [gedaagde] een gebruiksvergoeding te bepalen en deze zal daarom worden afgewezen.
Spaarsaldo hypotheek [plaats]
4.25.
Naast de rente zijn partijen ook de spaarinleg aan ING verschuldigd. Partijen gaan beiden uit van een inleg van € 472,21 per maand. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de helft van het opgebouwde bankspaarsaldo, tot en met 1 juli 2025
€ 37.705,47. [eiseres] stelt haar deel van de inleg te hebben voldaan door verrekening van de achterstallige partneralimentatie, althans via de exploitatierekening. [gedaagde] voert verweer en voert aan dat slechts het spaarsaldo dat tijdens de gemeenschappelijke huishouding is opgebouwd tussen partijen moet worden gedeeld: € 33.894,32 per 30 september 2018. Na deze datum stelt [gedaagde] zelf alle stortingen op de spaarrekening te hebben gedaan. Ook staat de bankspaarrekening uitsluitend op zijn naam.
4.26.
Tussen partijen staat vast dat zij tot oktober 2018 gezamenlijk het spaarsaldo hebben opgebouwd, zodat zij beiden tot de helft van deze opbouw gerechtigd zijn. Ook staat vast dat [eiseres] tussen oktober 2018 tot en met januari 2020 de volledige spaarinleg heeft betaald. Hierdoor heeft zij ook recht op het volledige bedrag dat is ingelegd, namelijk € 7.555,36 (16 x € 472,21). Hiervoor onder 4.10 heeft de rechtbank al overwogen dat partijen in de periode tussen maart 2020 tot en met augustus 2024 via de exploitatierekening gezamenlijk de spaarinleg hebben betaald. Over deze periode zijn partijen daarom ook ieder gerechtigd tot de helft van het gespaarde saldo. De rechtbank heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld aan te tonen tot wanneer de spaarpremie is betaald van de exploitatierekening en of [gedaagde] de spaarinleg vanaf enig moment is gaan betalen vanaf een privérekening (met privégeld). [gedaagde] heeft daartoe een betaalspecificatie van het ABP overgelegd waaruit blijkt dat zijn pensioen in juli 2024 op een ABN-rekening is gestort. Daaruit blijkt nog niet dat de spaarinleg ook vanaf juli 2024 (of enig moment later) van deze rekening is afgeschreven. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de spaarinleg ook na augustus 2024 van de exploitatierekening is betaald. Partijen zijn dus gerechtigd tot de helft van het gehele spaarsaldo, met uitzondering van de periode oktober 2018-januari 2020. Over die periode heeft [eiseres] recht op 100% van de opbouw, oftewel € 3.777,68 meer dan de helft. Omdat [eiseres] echter slechts vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de helft van het spaarsaldo, zal de rechtbank de vordering tot dat bedrag toewijzen, te weten € 37.705,47 tot 1 juli 2025, te vermeerderen met de verschuldigde bedragen per 1 juli 2025).
Woonverzekering en overlijdensrisicoverzekering
4.27.
In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] aan [gedaagde] de helft van de door hem premies woon- en overlijdensrisicoverzekering dient te vergoeden vanaf 1 januari 2019 tot en met de levering van de woning te [plaats]. [gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.496,27; dat is de helft van de premies over de periode januari 2019 tot en met 31 augustus 2025.
4.28.
[eiseres] erkent dat zij de helft van de premie voor de woonverzekering is verschuldigd. Ten aanzien van de overlijdensrisicoverzekering voert zij aan dat zij sinds de echtscheiding geen begunstigde meer is, zodat de verzekering bij overlijden van [gedaagde] niet meer kan dienen tot de afbetaling van de hypotheek en zodoende geen onderdeel meer is van de woonlasten. [eiseres] concludeert daarom tot afwijzing van de vordering en vordert te bepalen dat zij met ingang van 2019 wordt ontslagen van de verplichting om de helft van de premie te betalen.
4.29.
De rechtbank zal [eiseres] veroordelen tot betaling van het door [gedaagde] gevorderde bedrag. Het verweer van [eiseres] gaat niet op. Partijen zijn pas in 2022 gescheiden, waardoor [eiseres] tot de echtscheidingsdatum hoe dan ook nog begunstigde was zodat er geen grond is om [eiseres] te ontslaan van haar betalingsverplichting tot 2022. Voor het overige volgt de verplichting tot betaling uit de beschikking van het hof en dat heeft kracht van gewijsde. [eiseres] heeft niet eerder verweer gevoerd tegen de betalingsverplichting, ook niet tijdens de procedure bij het hof zoals expliciet vermeld in het de beschikking van het hof. Dat [eiseres] nu alsnog op inhoudelijke gronden opkomt tegen haar betalingsverplichting is daarom ook te laat en strookt ook niet met het feit dat [eiseres] eerder deze post als woonlast heeft verrekend met achterstallige partneralimentatie.
Verrekening opbrengst Chrysler
4.30.
Partijen zijn het eens over de verdeling van de getaxeerde waarde van de Chrysler. Daarom zal [eiseres] worden veroordeeld tot betaling van € 1.600,00, zijnde de helft van de waarde, aan [gedaagde].
Rioolheffing en WOZ-belasting [plaats]
4.31.
[gedaagde] vordert [eiseres] te veroordelen tot betaling van door hem betaalde WOZ-aanslagen en rioolheffingen voor de woning te [plaats] over de jaren 2019 tot en met 2025 voor een totaalbedrag van € 2.475,23, te vermeerderen met de nog te vervallen termijnen tot aan de dag van levering van de woning. [eiseres] erkent dat zij deze bedragen als woonlast is verschuldigd. Omdat verrekening met inmiddels betaalde partneralimentatie niet langer opgaat, zal [eiseres] tot betaling van deze bedragen worden veroordeeld.
Partneralimentatie en toedeling woning te Curaçao
4.32.
[gedaagde] vordert te bepalen dat hij op 22 december 2025 € 46.139,53 aan achterstallige partneralimentatie heeft betaald. Dit is door [eiseres] bevestigd en door de rechtbank in dit vonnis als feit vastgesteld, zodat [gedaagde] geen belang heeft bij een dergelijke verklaring voor recht. Voor zover [eiseres] haar vorderingen in dit kader handhaaft zal de rechtbank deze gelet op de betaling afwijzen. Voor een veroordeling van [gedaagde] om de toekomstige termijnen te betalen is geen plaats omdat deze vordering nog onvoldoende bepaald is. De doorlopende betalingsverplichting voor [gedaagde] volgt daarnaast uit de wet, zodat het belang van [eiseres] bij haar vordering op dit moment ontbreekt. Tot slot heeft [gedaagde] verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de alimentatievordering met wettelijke rente, maar [eiseres] heeft dit (uiteindelijk) niet gevorderd.
4.33.
Hetzelfde als het bovenstaande geldt voor de vordering van [eiseres] om te bepalen dat het uitkoopbedrag van de woning te Curaçao € 25.319,00 is en de tegenvordering van [gedaagde] om vast te stellen dat dit geschilpunt is afgewikkeld. De rechtbank heeft als feit vastgesteld dat de woning te Curaçao voor dit bedrag (exclusief notariskosten) is geleverd aan [gedaagde]. De daaraan gerelateerde vorderingen missen belang en worden voor zover gehandhaafd afgewezen.
Proceskosten procedures in Curaçao en betekeningskosten vonnis van 5 december 2024
4.34.
[gedaagde] vordert ook te verklaren voor recht dat [eiseres] de proceskosten van
€ 1.187,15 en de nakosten van het opheffen van het beslag van € 329,69, verschuldigd naar aanleiding van gevoerde procedures in Curaçao, verschuldigd is. [eiseres] voert aan dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de proceskostenveroordeling bij vonnis in hoger beroep van 9 september 2025 heeft vernietigd, maar dit ziet op de zaak waarin [eiseres] is veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van haar aandeel in de woning te Curaçao. [gedaagde] vordert de proceskosten in het kort geding betreffende de opheffing van het door [eiseres] gelegde beslag op de woning. De rechtbank concludeert op basis van de stellingen over en weer en de overgelegde vonnissen dat dit vonnis, van 25 maart 2025, in kracht van gewijsde is gegaan en dat hieraan uitvoering is gegeven. In dit vonnis is [eiseres] veroordeeld tot betaling van de proceskosten van ANG 2.391,55, oftewel door [gedaagde] omgerekend € 1.187,15. Dit bedrag mocht [gedaagde] verrekenen met de betaling van de overwaarde, maar dat heeft hij niet gedaan. [eiseres] zal daarom dit bedrag alsnog aan [gedaagde] moeten betalen. De rechtbank zal dit bedrag in de hiernavolgende optelling meenemen.
4.35.
[gedaagde] vordert naast de proceskosten ook de nakosten van het opheffen van het beslag, maar [gedaagde] heeft niet met stukken onderbouwd dat hij deze kosten heeft gemaakt, noch dat hij op grond van het vonnis recht heeft op forfaitair berekende kosten. Deze kostenpost wijst de rechtbank daarom af.
Kosten doorhaling hypotheek in Curaçao
4.36.
Als laatste post voert [gedaagde] de helft van de kosten op voor het doorhalen van de hypothecaire inschrijving. [gedaagde] heeft niet onderbouwd dat hij deze kosten heeft gemaakt, terwijl hij de notariskosten wel heeft verrekend met de uitbetaling van de overwaarde aan [eiseres]. De rechtbank gaat er daarom bij gebrek aan onderbouwing van de vordering door [gedaagde] van uit dat deze kosten daarvan onderdeel waren.
Tussenconclusie overige kosten
4.37.
Het bovenstaande leidt tot de volgende optelling:
Post
Bedrag in Euro
Hypotheekrente [plaats]
32.009,44
Spaarsaldo [plaats]
37.705,47 -
Woon- en overlijdensrisicoverzekering
2.496,27 +
Opbrengst Chrysler
1.600,00 +
Rioolheffing en WOZ-belasting
2.475,23 +
Proceskosten procedure medewerking levering woning te Curaçao
1.187,15 +
Totaal te betalen door [eiseres]
€ 2.062,62
[gedaagde] wordt in de gelegenheid gesteld de woning te [plaats] over te nemen
4.38.
Het laatste geschilpunt tussen partijen ziet op wie in staat moet worden gesteld om de woning te [plaats] over te nemen. In de beschikking van het hof is bepaald dat [eiseres] een termijn van vier maanden is gegund om te onderzoeken of zij de woning kon overnemen. Als blijkt dat zij dat niet kan, dan krijgt [gedaagde] een termijn van vier maanden om de mogelijkheden tot overname te onderzoeken voordat de woning te koop wordt gezet. Partijen zijn het eens over een waardering van de woning op € 575.000,00.
4.39.
[eiseres] vindt dat zij tijdig heeft aangetoond dat zij de woning kan overnemen en [gedaagde] kan uitkopen. Op 5 juni 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] per e-mail laten weten dat zij gesprekken heeft gehad met verschillende hypotheekadviseurs die aangeven dat zij de woning kan overnemen als zij uit de door de rechtbank vast te stellen afrekening
€ 320.000,00 van [gedaagde] zou ontvangen. Dit blijkt concreet uit een e-mail van [bedrijf 2]. Hieruit blijkt weliswaar dat [eiseres] binnen de door het hof gestelde termijn heeft onderzocht of zij de woning kan overnemen en dit ook tijdig aan [gedaagde] heeft medegedeeld, maar dit is wel afhankelijk gebleken van een bepaalde voor haar zeer gunstige uitkomst van de afrekening van de huwelijksgemeenschap. Gelet op hetgeen in dit vonnis is bepaald over de wijze van die afrekening is het door de [bedrijf 2] beoordeelde scenario onrealistisch. De recente toelichtingen van [eiseres] dat zij een uitkering van € 280.000,00 of meest recent € 160.000,00 netto nodig heeft brengen daarin - gelet op dit vonnis - geen verandering. De conclusie is daarom op basis van de ingebrachte stukken dat [eiseres] financieel niet in staat is om de woning te [plaats] over te nemen. De rechtbank zal [eiseres] daarom niet opnieuw de gelegenheid geven de mogelijkheden te onderzoeken om de woning over te nemen.
4.40.
In overeenstemming met rechtsoverweging 4.7.2 van de beschikking van het hof zal [gedaagde] daarom de gelegenheid krijgen om gedurende een periode van vier maanden de mogelijkheden tot overname te onderzoeken tegen de tussen partijen vastgestelde waarde van € 575.000,00, voordat partijen de woning in de verkoop zetten. Vervangende toestemming voor de medewerking van [eiseres] bij de levering van haar aandeel in de woning aan [gedaagde], zoals door [gedaagde] is gevorderd, zal niet worden toegewezen. [eiseres] heeft ter zitting verklaard dat zij medewerking zal verlenen aan de levering van [gedaagde], in geval hij de woning kan overnemen. De rechtbank gaat ervan uit dat [eiseres] zich aan deze toestemming zal houden.
Compensatie proceskosten: geen werkelijke proceskosten, misbruik van procesrecht, dwangsom of rente
4.41.
Gelet op de relatie tussen partijen als ex-echtlieden en dat dit geschil ziet op de afrekening van hun (huwelijks)gemeenschap ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat de proceskosten in dergelijke zaken tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vordering van [eiseres] om [gedaagde] te veroordelen tot een bedrag van € 56.076,00 + P.M., naar de rechtbank begrijpt het totaal aan door [eiseres] over verschillende procedures gemaakte juridische kosten, is overigens in het geheel niet onderbouwd, noch is daarvoor een grondslag gegeven.
4.42.
[gedaagde] heeft daarnaast gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van
€ 1.349,00 omdat [eiseres] haar vordering te hoog heeft ingestoken zodat hij een onnodig hoog griffierecht aan de rechtbank heeft moeten betalen. Hierdoor maakt zij misbruik van procesrecht. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. De vordering van [eiseres] is gebaseerd op een onderbouwde berekening van [betrokkene] en daarmee is weerlegd dat de (hoogte van de) vordering op voorhand geen kans van slagen had. Dat deze zienswijze uiteindelijk grotendeels niet wordt gevolgd door de rechtbank, betekent nog niet dat aan de hoge maatstaf voor misbruik van procesrecht is voldaan.
4.43.
Tot slot zal de rechtbank de door [eiseres] gevorderde dwangsom en wettelijke rente afwijzen. Artikel 611a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), laatste volzin bepaalt dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Ook voor wettelijke rente is geen plaats. Voor vorderingen uit hoofde van een verdeling geldt dat, zolang de verdeling aan een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de schuldenaar is verzuim is. Weliswaar zijn in de beschikking van het hof handvaten aan partijen verstrekt om tot een afwikkeling van de boedelverdeling te komen, maar niet zodanig dat een van de partijen daaruit een uitgekristalliseerde geldvordering op de ander kon afleiden. Van verzuim van een van partijen is dan ook geen sprake.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van Cg (voorheen ANG) 24.778,59, te verminderen met het bedrag van € 2.062,62 dat [eiseres] aan [gedaagde] verschuldigd is,
5.2.
verklaart voor recht dat de termijn waarbinnen [eiseres] kon onderzoeken of zij de woning te [plaats] kon over te nemen is verstreken, althans dat zij heeft nagelaten aan te tonen die mogelijkheid te hebben, en dat [gedaagde] de gelegenheid krijgt om gedurende vier maanden na de datum van dit vonnis te onderzoeken of hij de woning te [plaats] kan overnemen tegen de tussen partijen vastgestelde waarde van € 575.000,00,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.
1949
HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.
HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387.