Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:9564

2026-07-16 Bestuursrecht HAA 26/2900
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-07-29
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
HAA 26/2900
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over een verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoekers tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat het (kennelijk) ongegrond is. Van een spoedeisend belang is niet gebleken en ook blijkt niet dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.472 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Bestuursrecht


zaaknummer: HAA 26/2900


uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen



[verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers


en




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, het college
Als derde-partij in deze zaak heeft de rechtbank aangemerkt: [derde-partij] uit [plaats] , de buren.





Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers.

2. Verzoekers hebben op 18 december 2025, 10 februari en 13 februari 2026 bij het college handhavingsverzoeken ingediend. Zij willen dat het college optreedt tegen de geuroverlast die volgens verzoekers veroorzaakt wordt door hun buren aan de [adres] in [plaats] . De geuroverlast houdt volgens verzoekers verband met een verplaatste rookgasafvoerpijp, een niet goed werkende rioolontluchtingsdakpan, de plaatsing van was-apparatuur op zolder en een mechanische ventilatie-box op het dak die constant staat te loeien, omdat de overige kieren in de woning potdicht zijn gemaakt.
3. Het college heeft het handhavingsverzoek afgewezen bij besluit van 11 mei 2026 onder de overweging dat de vraag of sprake is van onrechtmatige (geur)hinder zich afspeelt binnen privaatrechtelijke verhoudingen tussen buren waarin de gemeente niet mag treden. De rechtbank begrijpt het besluit aldus, dat het college in de handhavingsverzoeken geen overtreding van een bestuursrechtelijk handhaafbare norm zag.

4. Verzoekers hebben bij brief van 15 mei 2025 bij de rechtbank bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun handhavingsverzoek. Het bezwaar heeft de rechtbank aan het college ter behandeling doorgezonden. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken de voorzieningenrechter om de gemeente te bevelen een last onder dwangsom op te leggen aan de buren op nummer [huisnummer] , inhoudende dat de was-apparatuur op de zolderruimte direct wordt afgesloten en dat de woning wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke ventilerende bouwstaat.

5. Naar aanleiding van het bezwaar en andere correspondentie van verzoekers heeft het college de handhavingsverzoeken op 14 juli 2026 (alsnog) doorgezonden naar de volgens het college bevoegde Omgevingsdienst Noord-Holland Noord om de verzoeken te beoordelen.
6. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.



Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Is geen sprake van een spoedeisend belang, dan kan aanleiding bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening als blijkt dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Evident onrechtmatig houdt in dat ook zonder diepgaand onderzoek naar de feiten of het recht, ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit en een ander besluit moet volgen. In geval van een afgewezen handhavingsverzoek weegt de voorzieningenrechter nog mee, dat het opdragen tot handhaving over te gaan, zoals verzoekers verzoeken, in wezen een voorlopig karakter ontbeert, waartoe in een procedure als de onderhavige als regel geen ruimte is. Bovendien leent deze procedure zich niet voor het daarvoor in deze zaak (wellicht) vereiste (technische) onderzoek.
8. Verzoekers hebben aangevoerd dat hun verzoek spoedeisend is, omdat er snel gehandeld moet worden, nu de buren op nummer [huisnummer] voornemens zijn de woning te verkopen. Een handhavingsprocedure zal volgens hen stranden of vertraagd worden indien de woning wordt overgedragen aan een nieuwe koper voordat handhavend is opgetreden. Daarnaast is sprake van dagelijkse overlast en schade. De ernstige condens-problemen op nummer [huisnummer] zorgen voor aantasting van de binnen- en buitengeschil van de woning van verzoekers. Volgens verzoekers is ook de brandveiligheid in het geding.
9. Uit het voorgaande betoog kan volgens de voorzieningenrechter niet worden opgemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81, eerste lid, Awb. Handhavingsmaatregelen, indien de noodzaak daarvan zou blijken, kunnen immers nog steeds worden getroffen na een eventuele verkoop van de woning op nummer [huisnummer] .


10. Uit de gronden van verzoekers volgt bovendien dat de (gestelde) situatie van overlast al meerdere jaren aan de orde is, zodat niet valt in te zien dat juist nu, terwijl een nadere onderbouwing ontbreekt en niet door het college is vastgesteld, sprake is van een acute noodzaak om handhavend op te treden.
10. Uit hetgeen verzoekers hebben aangevoerd, blijkt ook niet dat sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Verzoekers hebben met name niet aangegeven welke bestuursrechtelijke norm zou zijn overtreden en a fortiori niet aannemelijk gemaakt dat dan sprake zou zijn van een overtreding. Nu de gevraagde voorlopige voorziening tevens zeer verstrekkend is en geen voorlopig karakter heeft, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Verzoekers zullen onderzoek door de Omgevingsdienst moeten afwachten.







Conclusie en gevolgen


12. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.





Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.













griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:






Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.