Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9373
2026-07-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12078621 \ CV EXPL 26-473
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ambtshalve toetsing. Verstek. Tussenvonnis. Incassokostenbeding in algemene voorwaarden voorlopig oneerlijk. Voornemen tot vernietiging. Gelegenheid reactie eiser.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2021:1677 Hoge Raad 12-11-2021
- ECLI:EU:C:2021:68
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.026 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 12078621 \ CV EXPL 26-473
Uitspraakdatum: 22 juli 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: ARAG SE
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 10.043,00 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te vermeerderen met een aantal deelbetalingen.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.4.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.5.
De eisende partij heeft twee versies van de ‘Metaalunievoorwaarden’ bij de dagvaarding gevoegd (van 1 januari 2019 en van 1 januari 2008). De eisende partij heeft niet (duidelijk) gesteld welke van deze versies op de overeenkomst van toepassing is. De eisende partij zal daarom de gelegenheid krijgen om dit nader toe te lichten. Omdat de tekst van de bedingen die op de vordering van toepassing zijn in beide versies vrijwel gelijk is, zal de kantonrechter deze tegelijk toetsen.
2.6.
Artikel 17.8 (versie 2019) en artikel 17.7 (versie 2008) van de Metaalunievoorwaarden betreffen een incassokostenbeding. Deze bedingen zijn gelijkluidend en luiden als volgt:‘Indien betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is opdracht gever aan opdrachtnemer alle buitengerechtelijke kosten verschuldigd met een minimum van € 75,-. Deze kosten worden berekend op basis van de volgende tabel (hoofdsom incl. rente): (…). De werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten zijn verschuldigd, als deze hoger zijn dan uit bovenstaande berekening volgt.’
2.7.
In dit beding wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste € 75,- van de hoofdsom en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de betalingstermijn is verstreken, terwijl de wettekst voorschrijf dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd.
2.8.
Daarmee is het beding vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is daarom voornemens om het beding te vernietigen en vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal de gelegenheid krijgen om op dit voornemen te reageren.
2.9.
Ook de rentebedingen in artikel 17.6 van beide versies van de Metaalunievoorwaarden zijn (vrijwel) gelijkluidend. Deze zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Conclusie
2.10.
De eisende partij krijgt de gelegenheid om in een akte toe te lichten welke versie van de Metaalunievoorwaarden op de overeenkomst van toepassing is (zie ro. 2.5). In de akte krijgt zij ook de gelegenheid om te reageren op het voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.11.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 19 augustus 2026 om de eisende partij de gelegenheid te geven om in een akte toe te lichten welke versie van de Metaalunievoorwaarden op de overeenkomst van toepassing is en om te reageren op het voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 12078621 \ CV EXPL 26-473
Uitspraakdatum: 22 juli 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] B.V.
te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: ARAG SE
tegen
[gedaagde]
te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De procedure
1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.
2De beoordeling
2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 10.043,00 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te vermeerderen met een aantal deelbetalingen.
2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.3.
De eisende partij heeft voldoende toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.4.
De kantonrechter moet onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
2.5.
De eisende partij heeft twee versies van de ‘Metaalunievoorwaarden’ bij de dagvaarding gevoegd (van 1 januari 2019 en van 1 januari 2008). De eisende partij heeft niet (duidelijk) gesteld welke van deze versies op de overeenkomst van toepassing is. De eisende partij zal daarom de gelegenheid krijgen om dit nader toe te lichten. Omdat de tekst van de bedingen die op de vordering van toepassing zijn in beide versies vrijwel gelijk is, zal de kantonrechter deze tegelijk toetsen.
2.6.
Artikel 17.8 (versie 2019) en artikel 17.7 (versie 2008) van de Metaalunievoorwaarden betreffen een incassokostenbeding. Deze bedingen zijn gelijkluidend en luiden als volgt:‘Indien betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is opdracht gever aan opdrachtnemer alle buitengerechtelijke kosten verschuldigd met een minimum van € 75,-. Deze kosten worden berekend op basis van de volgende tabel (hoofdsom incl. rente): (…). De werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten zijn verschuldigd, als deze hoger zijn dan uit bovenstaande berekening volgt.’
2.7.
In dit beding wordt ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er wordt immers van uitgegaan dat alle kosten verschuldigd zijn. Daarbij is ook geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste € 75,- van de hoofdsom en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de betalingstermijn is verstreken, terwijl de wettekst voorschrijf dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd.
2.8.
Daarmee is het beding vermoedelijk oneerlijk. De kantonrechter is daarom voornemens om het beding te vernietigen en vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. De eisende partij zal de gelegenheid krijgen om op dit voornemen te reageren.
2.9.
Ook de rentebedingen in artikel 17.6 van beide versies van de Metaalunievoorwaarden zijn (vrijwel) gelijkluidend. Deze zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Conclusie
2.10.
De eisende partij krijgt de gelegenheid om in een akte toe te lichten welke versie van de Metaalunievoorwaarden op de overeenkomst van toepassing is (zie ro. 2.5). In de akte krijgt zij ook de gelegenheid om te reageren op het voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen.
2.11.
Als aan de hierboven bedoelde opdracht niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van 19 augustus 2026 om de eisende partij de gelegenheid te geven om in een akte toe te lichten welke versie van de Metaalunievoorwaarden op de overeenkomst van toepassing is en om te reageren op het voorlopig oordeel over de oneerlijkheid van de hiervoor genoemde bedingen;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.
HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).