Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9270
2026-07-08
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12036207 \ CV EXPL 25-8879
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nakoming overeenkomst. Vernietiging wegens dwaling of misbruik van omstandigheden?
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1979:AB7450 Hoge Raad 02-11-1979
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2888 Rechtbank Gelderland 15-06-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.845 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12036207 \ CV EXPL 25-8879
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. W. Vermeer.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 10 december 2025, met 9 producties;
- conclusie van antwoord, met 15 producties;
- akte nadere producties van [eiser], producties 10-12;
- akte nadere producties van [gedaagde], producties 16-25;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- pleitaantekeningen van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] huurde tot en met eind januari 2025 de woning gelegen aan het adres [adres] te [plaats 3]. [gedaagde] is de nieuwe huurder van deze woning.
2.2.
In verband met het vertrek van [eiser] uit het gehuurde heeft zij onder meer een koelkast, een wasmachine, raambekleding en meubels achter gelaten. [eiser] heeft daarover op 10 januari 2025 de volgende Whatsapp aan [gedaagde] gestuurd: “(…) Om voor jou te overwegen om over te nemen:
witte lage tv meubel
witte kledingkasten
zwarte luxaflexen
koelkast
witte kast in de keuken
wasmachine
(…) als je mij aangeeft wat je wil overnemen, zal ik hiervan een prijs maken, bij geen interesse geef ook maar aan dan ga ik die op marktplaats zetten als je nog een keertje wilt komen kijken je bent altijd welkom!”
2.3.
[gedaagde] heeft als volgt gereageerd: “Hi [eiser],
Onwijs dankbaar met wat je laat staan voor me!
Ik heb interesse in de:
witte kledingkasten (slaapkamer toch?)
zwarte luxaflexen
koelkast
witte kast keuken
wasmachine
(…) Ik hoor wel wat voor prijs je dan in gedachten heb.”
2.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben vervolgens op 15 april 2025 een koopovereenkomst ter hoogte van € 2.750,00 voor bovengenoemde inventaris gesloten. Naast deze in 2.3. genoemde inventaris heeft [gedaagde] blijkens de overeenkomst ook een wit tv meubel en een mahoniehouten kast van [eiser] overgenomen.
2.5.
Op 17 april 2025 heeft [gedaagde] een Whatsapp gestuurd aan [eiser], met onder meer de navolgede inhoud: “(…) Gezien mijn financiële situatie waarin ik na een heleboel kosten (alles opnieuw moeten kopen, verbouwing voor niets, etc.) echt weer moest opkrabbelen, dacht ik juist slim te zijn door spullen over te nemen in plaats van alles nieuw te kopen. Maar als ik had geweten dat het totaalbedrag richting de € 2.750,00 zou gaan, had ik hier nooit mee ingestemd. Niet omdat ik jouw spullen het niet waard vind, maar omdat ik het simpelweg niet kán betalen. (…)
Daarom mijn vraag: zou het een optie zijn om even samen te kijken naar elk item en het bedrag wat je daarvoor vraagt. Dan kan ik thuis overleggen of we bijvoorbeeld een paar dingen alsnog overnemen.(…)”
2.6.
Op 18 april 2025 heeft [eiser] per Whatsapp hierop gereageerd:“(…) Voor wat betreft de inventaris die je graag wilde hebben, heb je steeds bij mij aangegeven dat ik zelf mijn waarde voor de items moest bepalen omdat je dit niet kon beoordelen, hierbij heb ik je ook herhaaldelijk gezegd dat je rekening moest houden dat de kledingkasten, wasmachine, TV meubel nieuw zijn. Ik ben tot de volgende bedragen per item gekomen:
koelkast (€ 200)
buffetkast (€ 150)
wasmachine (€ 350)
luxaflexs (€ 250)
wandkast (€ 850)
kledingkasten (€ 850)
TV meubel (€ 100)
Wat ik wel belangrijk vind is dat we het getekende contract nakomen. (…)”
2.7.
[gedaagde] is ondanks aanmaning niet tot volledige betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.600,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] op grond van die overeenkomst gehouden is om een bedrag van
€ 2.750,00 te voldoen. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaning niet tot volledige betaling is overgegaan, is zij ook rente en kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Uitgangspunt is dat afspraken moeten worden nagekomen. Er ligt een schriftelijke koopovereenkomst waarin de afspraken tussen partijen zijn verwoord. Niet in geschil is dat [gedaagde] niet volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.
4.2.
[gedaagde] beroept zich op vernietiging van deze koopovereenkomst, omdat deze op grond van misbruik van omstandigheden, dan wel dwaling tot stand is gekomen. Subsidiair verzoekt zij de kantonrechter om de koopprijs te matigen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag en meer subsidiair verzoekt zij de kantonrechter om te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat eiseres het volle bedrag vordert, althans verzoekt zij de vordering te matigen tot de tweedehands marktwaarde, te weten € 1.100,00. De kantonrechter oordeelt dat de verweren van [gedaagde] niet slagen en dat zij het resterende bedrag van € 2.600,00 moet betalen. Daartoe is het volgende redengevend.
Misbruik van omstandigheden
4.3.
In de wet is bepaald dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
4.4.
Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is dus onder meer vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het gaat dan om omstandigheden die maken dat degene die daarin verkeert, als gevolg daarvan onvrij is en daardoor in een zwakke positie verkeert waarvan een ander misbruik kan maken. De lat voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden ligt hoog, omdat de rechtszekerheid gediend is bij het nakomen van overeenkomsten.
4.5.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het enkele feit dat men zich in geldnood bevindt waarvan de wederpartij op de hoogte is, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld dat de wederpartij zich klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen. Het merendeel van de door [gedaagde] in dit kader gestelde omstandigheden zijn financieel van aard en op zichzelf dus onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van bijzondere omstandigheden (waarvan een ander misbruik kan maken). Dat [eiser] zich een klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen is evenmin gebleken. Ook de overige door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden, te weten de gezondheids- en relationele problemen, zijn op zichzelf niet – hoe invoelbaar ook – en ook niet combinatie met de gestelde financiële problemen dusdanig dat moet worden geoordeeld dat [gedaagde] ten opzichte van [eiser] een zodanig zwakke positie innam dat zij afhankelijk was van [eiser] en [eiser] hier misbruik van heeft gemaakt. Dat [gedaagde] bij het ondertekenen van de overeenkomst mogelijk enige druk heeft ervaren – hetgeen [eiser] uitdrukkelijk heeft betwist –, kan eveneens niet tot de conclusie leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van de wet. Dat sprake zou zijn geweest van druk volgt ook niet uit de overgelegde correspondentie tussen partijen. Niet alleen heeft [gedaagde] [eiser] uitdrukkelijk gevraagd om een prijs te bepalen, op het moment van ondertekening van de overeenkomst had zij de over te nemen inventaris al geruime tijd onder zich, zodat zij wist of kon weten dat daarover een afspraak moest worden gemaakt. Ook het feit dat [gedaagde] geen ervaring heeft met contracten, zoals zij stelt, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat [gedaagde] louter door die onervarenheid werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomst.
Dwaling
4.6.
[gedaagde] doet verder een beroep op dwaling. De kantonrechter stelt voorop dat de partij die daarop een beroep doet de stelplicht en bewijslast draagt. [gedaagde] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat haar een beroep op dwaling toekomt. Dat [eiser] een vriendenprijs bij [gedaagde] in rekening zou brengen, althans dat [gedaagde] hier vanuit mocht gaan, is onvoldoende gebleken. Daar komt bij dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de inventaris al 2,5 maand in gebruik had. Zij heeft aldus ruimschoots de tijd gehad om de inventaris te (laten) beoordelen en aan de hand van die bevindingen te bepalen of de door [eiser] genoemde prijs redelijk was. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft steeds aan [eiser] aangegeven dat zij een prijs mocht bepalen.
Overige verweren
4.7.
De overige verweren van [gedaagde] kunnen eveneens niet slagen. Dat (een gedeelte van) de inventaris ten tijde van de koop stuk was en dat dit in de gegeven omstandigheden opschorting van de overeenkomen prijs rechtvaardigt, is geenszins gebleken. Ook is onvoldoende gebleken dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om nakoming van [gedaagde] te vorderen. Zij heeft daartoe te weinig gesteld en onderbouwd. De kantonrechter ziet in dat de veroordeling voor [gedaagde] grote financiële gevolgen heeft, maar deze komen voor haar rekening en risico. Zij heeft deze koopovereenkomst gesloten.
4.8.
Gelet op het voorgaande moet [gedaagde] de met [eiser] gesloten overeenkomst nakomen. [gedaagde] is gelet op de gedane betalingen nog een bedrag van € 2.600,00 aan [eiser] verschuldigd.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn hoger dan het bedrag dat [eiser] in de verzonden aanmaning van 17 september 2025 heeft vermeld. Gelet op artikel 6:96 lid 6 BW zijn die kosten slechts toewijsbaar tot het in die aanmaning genoemde lagere bedrag, te weten € 400,00. De gevorderde rente is toewijsbaar.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.043,64
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 400,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.043,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
Artikel 3:44 lid 1 BW.
Artikel 3:44 lid 4 BW.
HR 2 november 1979, (Brandwijk/Brandwijk BV), ECLI:NL:HR:1979:AB7450 en Rechtbank Gelderland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2888.
Artikel 6:228 lid 1 onder a BW.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12036207 \ CV EXPL 25-8879
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. W. Vermeer.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- dagvaarding van 10 december 2025, met 9 producties;
- conclusie van antwoord, met 15 producties;
- akte nadere producties van [eiser], producties 10-12;
- akte nadere producties van [gedaagde], producties 16-25;
- het tussenvonnis van 18 februari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- pleitaantekeningen van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] huurde tot en met eind januari 2025 de woning gelegen aan het adres [adres] te [plaats 3]. [gedaagde] is de nieuwe huurder van deze woning.
2.2.
In verband met het vertrek van [eiser] uit het gehuurde heeft zij onder meer een koelkast, een wasmachine, raambekleding en meubels achter gelaten. [eiser] heeft daarover op 10 januari 2025 de volgende Whatsapp aan [gedaagde] gestuurd: “(…) Om voor jou te overwegen om over te nemen:
witte lage tv meubel
witte kledingkasten
zwarte luxaflexen
koelkast
witte kast in de keuken
wasmachine
(…) als je mij aangeeft wat je wil overnemen, zal ik hiervan een prijs maken, bij geen interesse geef ook maar aan dan ga ik die op marktplaats zetten als je nog een keertje wilt komen kijken je bent altijd welkom!”
2.3.
[gedaagde] heeft als volgt gereageerd: “Hi [eiser],
Onwijs dankbaar met wat je laat staan voor me!
Ik heb interesse in de:
witte kledingkasten (slaapkamer toch?)
zwarte luxaflexen
koelkast
witte kast keuken
wasmachine
(…) Ik hoor wel wat voor prijs je dan in gedachten heb.”
2.4.
[eiser] en [gedaagde] hebben vervolgens op 15 april 2025 een koopovereenkomst ter hoogte van € 2.750,00 voor bovengenoemde inventaris gesloten. Naast deze in 2.3. genoemde inventaris heeft [gedaagde] blijkens de overeenkomst ook een wit tv meubel en een mahoniehouten kast van [eiser] overgenomen.
2.5.
Op 17 april 2025 heeft [gedaagde] een Whatsapp gestuurd aan [eiser], met onder meer de navolgede inhoud: “(…) Gezien mijn financiële situatie waarin ik na een heleboel kosten (alles opnieuw moeten kopen, verbouwing voor niets, etc.) echt weer moest opkrabbelen, dacht ik juist slim te zijn door spullen over te nemen in plaats van alles nieuw te kopen. Maar als ik had geweten dat het totaalbedrag richting de € 2.750,00 zou gaan, had ik hier nooit mee ingestemd. Niet omdat ik jouw spullen het niet waard vind, maar omdat ik het simpelweg niet kán betalen. (…)
Daarom mijn vraag: zou het een optie zijn om even samen te kijken naar elk item en het bedrag wat je daarvoor vraagt. Dan kan ik thuis overleggen of we bijvoorbeeld een paar dingen alsnog overnemen.(…)”
2.6.
Op 18 april 2025 heeft [eiser] per Whatsapp hierop gereageerd:“(…) Voor wat betreft de inventaris die je graag wilde hebben, heb je steeds bij mij aangegeven dat ik zelf mijn waarde voor de items moest bepalen omdat je dit niet kon beoordelen, hierbij heb ik je ook herhaaldelijk gezegd dat je rekening moest houden dat de kledingkasten, wasmachine, TV meubel nieuw zijn. Ik ben tot de volgende bedragen per item gekomen:
koelkast (€ 200)
buffetkast (€ 150)
wasmachine (€ 350)
luxaflexs (€ 250)
wandkast (€ 850)
kledingkasten (€ 850)
TV meubel (€ 100)
Wat ik wel belangrijk vind is dat we het getekende contract nakomen. (…)”
2.7.
[gedaagde] is ondanks aanmaning niet tot volledige betaling overgegaan.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – na vermindering van eis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.600,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en dat [gedaagde] op grond van die overeenkomst gehouden is om een bedrag van
€ 2.750,00 te voldoen. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaning niet tot volledige betaling is overgegaan, is zij ook rente en kosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Uitgangspunt is dat afspraken moeten worden nagekomen. Er ligt een schriftelijke koopovereenkomst waarin de afspraken tussen partijen zijn verwoord. Niet in geschil is dat [gedaagde] niet volledig aan haar betalingsverplichting heeft voldaan.
4.2.
[gedaagde] beroept zich op vernietiging van deze koopovereenkomst, omdat deze op grond van misbruik van omstandigheden, dan wel dwaling tot stand is gekomen. Subsidiair verzoekt zij de kantonrechter om de koopprijs te matigen tot nihil, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag en meer subsidiair verzoekt zij de kantonrechter om te bepalen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat eiseres het volle bedrag vordert, althans verzoekt zij de vordering te matigen tot de tweedehands marktwaarde, te weten € 1.100,00. De kantonrechter oordeelt dat de verweren van [gedaagde] niet slagen en dat zij het resterende bedrag van € 2.600,00 moet betalen. Daartoe is het volgende redengevend.
Misbruik van omstandigheden
4.3.
In de wet is bepaald dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Misbruik van omstandigheden is aanwezig wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
4.4.
Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is dus onder meer vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het gaat dan om omstandigheden die maken dat degene die daarin verkeert, als gevolg daarvan onvrij is en daardoor in een zwakke positie verkeert waarvan een ander misbruik kan maken. De lat voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden ligt hoog, omdat de rechtszekerheid gediend is bij het nakomen van overeenkomsten.
4.5.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan het enkele feit dat men zich in geldnood bevindt waarvan de wederpartij op de hoogte is, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld dat de wederpartij zich klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen. Het merendeel van de door [gedaagde] in dit kader gestelde omstandigheden zijn financieel van aard en op zichzelf dus onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van bijzondere omstandigheden (waarvan een ander misbruik kan maken). Dat [eiser] zich een klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen is evenmin gebleken. Ook de overige door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden, te weten de gezondheids- en relationele problemen, zijn op zichzelf niet – hoe invoelbaar ook – en ook niet combinatie met de gestelde financiële problemen dusdanig dat moet worden geoordeeld dat [gedaagde] ten opzichte van [eiser] een zodanig zwakke positie innam dat zij afhankelijk was van [eiser] en [eiser] hier misbruik van heeft gemaakt. Dat [gedaagde] bij het ondertekenen van de overeenkomst mogelijk enige druk heeft ervaren – hetgeen [eiser] uitdrukkelijk heeft betwist –, kan eveneens niet tot de conclusie leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van de wet. Dat sprake zou zijn geweest van druk volgt ook niet uit de overgelegde correspondentie tussen partijen. Niet alleen heeft [gedaagde] [eiser] uitdrukkelijk gevraagd om een prijs te bepalen, op het moment van ondertekening van de overeenkomst had zij de over te nemen inventaris al geruime tijd onder zich, zodat zij wist of kon weten dat daarover een afspraak moest worden gemaakt. Ook het feit dat [gedaagde] geen ervaring heeft met contracten, zoals zij stelt, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat [gedaagde] louter door die onervarenheid werd bewogen tot het aangaan van de overeenkomst.
Dwaling
4.6.
[gedaagde] doet verder een beroep op dwaling. De kantonrechter stelt voorop dat de partij die daarop een beroep doet de stelplicht en bewijslast draagt. [gedaagde] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat haar een beroep op dwaling toekomt. Dat [eiser] een vriendenprijs bij [gedaagde] in rekening zou brengen, althans dat [gedaagde] hier vanuit mocht gaan, is onvoldoende gebleken. Daar komt bij dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst de inventaris al 2,5 maand in gebruik had. Zij heeft aldus ruimschoots de tijd gehad om de inventaris te (laten) beoordelen en aan de hand van die bevindingen te bepalen of de door [eiser] genoemde prijs redelijk was. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft steeds aan [eiser] aangegeven dat zij een prijs mocht bepalen.
Overige verweren
4.7.
De overige verweren van [gedaagde] kunnen eveneens niet slagen. Dat (een gedeelte van) de inventaris ten tijde van de koop stuk was en dat dit in de gegeven omstandigheden opschorting van de overeenkomen prijs rechtvaardigt, is geenszins gebleken. Ook is onvoldoende gebleken dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om nakoming van [gedaagde] te vorderen. Zij heeft daartoe te weinig gesteld en onderbouwd. De kantonrechter ziet in dat de veroordeling voor [gedaagde] grote financiële gevolgen heeft, maar deze komen voor haar rekening en risico. Zij heeft deze koopovereenkomst gesloten.
4.8.
Gelet op het voorgaande moet [gedaagde] de met [eiser] gesloten overeenkomst nakomen. [gedaagde] is gelet op de gedane betalingen nog een bedrag van € 2.600,00 aan [eiser] verschuldigd.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn hoger dan het bedrag dat [eiser] in de verzonden aanmaning van 17 september 2025 heeft vermeld. Gelet op artikel 6:96 lid 6 BW zijn die kosten slechts toewijsbaar tot het in die aanmaning genoemde lagere bedrag, te weten € 400,00. De gevorderde rente is toewijsbaar.
Proceskosten
4.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
€
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.043,64
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 400,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.043,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
Artikel 3:44 lid 1 BW.
Artikel 3:44 lid 4 BW.
HR 2 november 1979, (Brandwijk/Brandwijk BV), ECLI:NL:HR:1979:AB7450 en Rechtbank Gelderland 15 juni 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2888.
Artikel 6:228 lid 1 onder a BW.