Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9268
2026-06-30
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12232363 \ VV EXPL 26-68
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Huur. Standplaats. Toepasselijkheid RECRON-voorwaarden. Goed huurderschap.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.354 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12232363 \ VV EXPL 26-68
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
V.O.F. [eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F.L. Cavalje-van der Ham,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. H. Temel.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2026, met 8 producties; - de aanvullende producties van [eiser], producties 9-14;- de conclusie van antwoord met 3 producties; - de aanvullende producties van [gedaagde], productie 3 (gedeeltelijk) en producties 4 en 5; - de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] exploiteert een kampeerterrein aan de [adres] te ([postcode]) [plaats].
2.2.
[gedaagde] huurt sinds 2022 van [eiser] een standplaats. Per 1 januari 2026 bedraagt de maandelijkse vergoeding € 512,57 inclusief BTW.
2.3.
In de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 hebben zich incidenten op de camping voorgedaan waar [gedaagde] bij betrokken was.
2.4.
Op 10 november 2025 heeft [gedaagde] zich per Whatsapp verontschuldigd: “(…) het spijt me zo (…) Ik schaam me diep dat zoiets is gebeurd (…)”
2.5.
Bij brief van 21 november 2025 heeft [eiser] de overeenkomst tussentijds beëindigd per 1 april 2026. Op 23 maart 2026 heeft [eiser] [gedaagde] de laatste factuur gestuurd (periode 23 maart – 1 april 2026) die [gedaagde] heeft betaald.
2.6.
[gedaagde] heeft ondanks aanmaning de standplaats niet ontruimd.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van de standplaats op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met een gebruiksvergoeding, rente en kosten.
3.2.
[eiser] stelt primair dat zij de overeenkomst tussentijds kon beëindigen op grond van artikel 14 van de Recron-voorwaarden. De gedragingen van [gedaagde] zijn zodanig ernstig dat sprake is van een dringend geval waarin de tussentijdse beëindiging gerechtvaardigd is, ook zonder dat een voorafgaande schriftelijke waarschuwing was gegeven. Subsidiair doet [eiser] een beroep op artikel 11 lid 1 sub a Recron-voorwaarden en meer subsidiair op artikel 7:228 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zij licht hierbij toe dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Voldoende is gebleken, anders dan [gedaagde] heeft betoogd, dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming van een standplaats op grond van gebruik van die standplaats zonder recht of titel in kort geding slechts toewijsbaar is als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de gebruiker de standplaats zonder recht of titel gebruikt. De kantonrechter moet zich immers bij wijze van uitgangspunt richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Het navolgende omvat dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Toepasselijkheid van de Recron-voorwaarden
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bij de huur van de standplaats gaat om huur van een onbebouwde onroerende zaak. De bijzondere wettelijke regels voor huur van woonruimte zijn hier, anders dan [gedaagde] meent, niet van toepassing. De wettelijke regeling over het eindigen van de huur die hier van toepassing is, is de regeling van artikel 7:228 BW.
4.4.
Uit dat artikel volgt dat de huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd eindigt door opzegging. Als het gaat om huur van een zaak die geen woonruimte of bedrijfsruimte is, dan moet de opzegging plaatsvinden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Dit alles is regelend recht, en partijen kunnen in hun huurovereenkomst dus van deze opzeggingsregels afwijken.
4.5.
[eiser] heeft gesteld dat op de overeenkomst de Recron-voorwaarden van toepassing zijn en dat in die voorwaarden afwijkende opzeggingsregels zijn opgenomen.
[gedaagde] heeft de toepasselijkheid van de Recron-voorwaarden betwist. Volgens [gedaagde] is aan hem geen redelijke mogelijkheid tot kennisgeving geboden waardoor de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn. Hij heeft de Recron-voorwaarden buitengerechtelijk vernietigd.
4.6.
Of de Recron-voorwaarden al dan niet van toepassing zijn dient naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter in een bodemprocedure te worden beoordeeld. Partijen hebben onvoldoende toelichting gegeven hoe de wijze van contractsluiting is verlopen en of aan [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om vóór of tijdens de contractsluiting kennis te nemen van de Recron-voorwaarden. In dit kort geding is geen plaats voor nadere bewijslevering dan wel onderzoek, zodat dit in een eventuele bodemprocedure moet worden onderzocht. Los daarvan heeft [eiser] ook artikel 7:228 BW aan haar vordering ten grondslag gelegd en de gevorderde ontruiming kan op basis daarvan worden beoordeeld.
Incidenten
4.7.
In zijn algemeenheid geldt dat een huurder verplicht is zich als goed huurder te gedragen en dat het veroorzaken van overlast en hinder aan derden daarbinnen in beginsel niet past.
4.8.
[eiser] stelt dat [gedaagde] zich ernstig heeft misdragen. Volgens haar heeft [gedaagde] zich in de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 schuldig gemaakt aan vernieling en bedreiging en heeft hij mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ongewenst en fysiek lastiggevallen in het sanitairgebouw. Verder zou [gedaagde] die nacht een medecampinggast een kopstoot hebben gegeven. De politie is tweemaal ter plaatse geweest en zij heeft ook een melding gedaan bij Veilig Thuis.
4.9.
[gedaagde] betwist dat er die nacht voornoemde incidenten hebben plaatsgevonden. Er is volgens hem geen enkel bewijs dan wel onderbouwing van de vermeende incidenten. [gedaagde] heeft geruime tijd een relatie met [betrokkene] gehad. Het voorval met [betrokkene] was slechts een discussie in de relationele sfeer. Dit wordt bevestigd door het feit dat Veilig Thuis is ingeschakeld. Veilig Thuis gaat overigens niets doen met de melding. Volgens [gedaagde] is van een (ernstige) situatie dan ook niet gebleken.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat [eiser] de hiervoor genoemde incidenten niet althans onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Zij stelt immers dat die incidenten tot ontruiming in kort geding moeten leiden. Het had op haar weg gelegen om (op zijn minst) verklaringen van [betrokkene] en de andere campinggast te overleggen waaruit (de toedracht van) de vermeende incidenten blijkt. Ook een verklaring, proces-verbaal of ander document van de politie over de beweerde voorvallen ontbreekt. Het blijft – mede doordat [gedaagde] de aantijgingen ontkent maar geen verdere toelichting heeft willen geven – onduidelijk wat er zich precies in de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 heeft afgespeeld. Dat de politie melding heeft gedaan bij Veilig Thuis veronderstelt wel dat er iets (ernstigs) is gebeurd, maar dat alleen is onvoldoende om in kort geding tot ontruiming van de standplaats over te gaan. Dat [gedaagde] zich per Whatsapp heeft verontschuldigd wil ook nog niet zeggen dat de situatie zodanig ernstig was dat nu tot ontruiming moet worden overgegaan. Alhoewel het op zitting duidelijk was dat [gedaagde] niet wilde vertellen wat er precies is gebeurd en dat doet vermoeden dat er wel enige waarheid zit in de aantijgingen, is dat evenmin voldoende om ontruiming toe te wijzen. Het is in de eerste plaats aan [eiser] om de gestelde incidenten te onderbouwen. Dat zal in een eventuele bodemprocedure moeten plaatsvinden. Los daarvan betreft het vooralsnog beweerde incidenten gedurende één nacht. Van ernstige en structurele overlast lijkt vooralsnog geen sprake. Het is dan ook de vraag of de beweerde overlast voldoende is om tot ontruiming over te gaan.
4.11.
Ook de andere gestelde tekortkomingen, apart en in onderlinge samenhang beschouwd (ook met de hiervoor genoemde gestelde gedragingen), rechtvaardigen naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen ontruiming van de standplaats in kort geding. Zo is ter zitting gebleken, anders dan in de dagvaarding wordt gesteld, dat de vermeende stroomdiefstal zich al in oktober 2025 heeft afgespeeld. Dit was dus voor de hiervoor beschreven incidenten. Niet in geschil is dat [eiser] niet op dit incident (lees: de stroomdiefstal) heeft geacteerd, óók niet in de vorm van een (schriftelijke) waarschuwing. Het is al met al niet gebleken dat sprake is geweest van een dermate ernstige situatie dat dit tot ontruiming moet leiden. Dat [gedaagde] zich overigens schuldig heeft gemaakt aan de stroomdiefstal blijkt niet uit het rapport van Napp Scope Inspecties. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat de aangetroffen en zonder toestemming aangebrachte stroomleiding naar zijn standplaats leidde, zodat daarvan in beginsel wel kan worden uitgegaan.
4.12.
De inschrijving van [gedaagde] in de BRP is eveneens onvoldoende om tot ontruiming over te gaan. Dat de inschrijving onrechtmatig is geweest is vooralsnog niet gebleken. Weliswaar is een rapport van een toezichthouder van de gemeente [plaats] overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat de inschrijving van [gedaagde] op het adres onrechtmatig was. Evenmin is gebleken dat een adresonderzoek is dan wel wordt ingesteld. De toezichthouder heeft in het rapport slechts een weergave gemaakt van gebeurtenissen.
4.13.
[eiser] heeft verder gesteld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan ‘gevaarzettend stoken’ waar hij per Whatsapp voor is gewaarschuwd. [gedaagde] erkent weliswaar dat hij een houtkachel heeft in zijn caravan, maar betwist dat sprake is geweest van een onrechtmatige situatie dan wel ‘gevaarzettend stoken’. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Voor de goede orde merkt de kantonrechter op dat [eiser] het stoken van een houtkachel in de caravan of op de standplaats wel mag verbieden als dat nodig is voor de (brand)veiligheid of vanwege mogelijke (rook)overlast voor andere campinggasten.
4.14.
Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] sinds 23 maart 2026 de gebruikersvergoeding niet heeft betaald. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] sinds 23 maart 2026 de gebruiksvergoeding (per abuis) op een tussenrekening (van PayPal) heeft betaald. [gedaagde] heeft hierbij toegelicht dat hij op of omstreeks 23 maart 2026 de laatste factuur heeft ontvangen. In de factuur stonden de betaalmethoden genoemd. Na 23 maart 2026 kwam er geen factuur en heeft [gedaagde] per bankoverschrijving het bedrag willen overmaken. Per ongeluk zijn de bedragen naar een verkeerd rekeningnummer overgemaakt. Dit kan naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet tot ontruiming in kort geding leiden. De bereidheid tot betaling is hiermee immers gebleken. Dat [gedaagde] dit bewust heeft gedaan, is ook niet gebleken. [gedaagde] dient de achterstallige bedragen wel zo snel mogelijk alsnog over te maken op het (juiste) bankrekeningnummer van [eiser]. Mocht hij hier vragen over hebben, dan dient hij deze aan de eigenaren dan wel medewerkers van [eiser] te stellen. Daarbij geldt voorts de gebruiksvergoeding zoals oorspronkelijk is afgesproken (per 1 januari 2026 € 512,57 inclusief BTW per maand). [eiser] kan niet eenzijdig de gebruiksvergoeding aanpassen zoals zij dat nu heeft gedaan.
4.15.
Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde ontruiming afgewezen. Dit geldt ook voor de nevenvorderingen.
Gedragsaanwijzing
4.16.
[eiser] heeft de kantonrechter aan het eind van de zitting gevraagd om – voor het geval de ontruiming niet wordt toegewezen – aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing op te leggen. Alhoewel hiervoor gelet op de houding van [gedaagde] ter zitting (zie onder 4.10) wel aanleiding lijkt te zijn, is de inhoud van een dergelijke (in het dictum op te nemen) gedragsaanwijzing onvoldoende besproken. Daarbij wordt een dergelijke gedragsaanwijzing alleen gegeven als de verweten gedragingen voldoende vaststaan. Dat is niet het geval. Daarom zal de kantonrechter volstaan met een korte opsomming van wat [eiser] in ieder geval van [gedaagde] mag verwachten:
[gedaagde] mag zich niet dreigend, beledigend en/of agressief uitlaten of gedragen richting andere campinggasten, de eigenaren en hun familie en/of de medewerkers van [eiser] en/of door hen ingeschakelde werklui;
[gedaagde] mag de houtkachel in de caravan niet meer gebruiken zonder toestemming van [eiser];
[gedaagde] mag geen extra elektriciteit/stroom aftappen of elektriciteit/stroomkabels (ver)leggen en/of de elektrische installatie wijzigen zonder toestemming van [eiser];
[gedaagde] dient de huur tijdig en volgens de gebruikelijke betaalmethoden van [eiser] te voldoen.
4.17.
Indien [gedaagde] zich hier niet aan houdt, loopt hij het risico op ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de standplaats.
Proceskosten
4.18.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Artikel 7:228 BW.
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12232363 \ VV EXPL 26-68
Vonnis in kort geding van 30 juni 2026
in de zaak van
V.O.F. [eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. F.L. Cavalje-van der Ham,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. H. Temel.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 juni 2026, met 8 producties; - de aanvullende producties van [eiser], producties 9-14;- de conclusie van antwoord met 3 producties; - de aanvullende producties van [gedaagde], productie 3 (gedeeltelijk) en producties 4 en 5; - de mondelinge behandeling van 16 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eiser].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] exploiteert een kampeerterrein aan de [adres] te ([postcode]) [plaats].
2.2.
[gedaagde] huurt sinds 2022 van [eiser] een standplaats. Per 1 januari 2026 bedraagt de maandelijkse vergoeding € 512,57 inclusief BTW.
2.3.
In de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 hebben zich incidenten op de camping voorgedaan waar [gedaagde] bij betrokken was.
2.4.
Op 10 november 2025 heeft [gedaagde] zich per Whatsapp verontschuldigd: “(…) het spijt me zo (…) Ik schaam me diep dat zoiets is gebeurd (…)”
2.5.
Bij brief van 21 november 2025 heeft [eiser] de overeenkomst tussentijds beëindigd per 1 april 2026. Op 23 maart 2026 heeft [eiser] [gedaagde] de laatste factuur gestuurd (periode 23 maart – 1 april 2026) die [gedaagde] heeft betaald.
2.6.
[gedaagde] heeft ondanks aanmaning de standplaats niet ontruimd.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van de standplaats op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met een gebruiksvergoeding, rente en kosten.
3.2.
[eiser] stelt primair dat zij de overeenkomst tussentijds kon beëindigen op grond van artikel 14 van de Recron-voorwaarden. De gedragingen van [gedaagde] zijn zodanig ernstig dat sprake is van een dringend geval waarin de tussentijdse beëindiging gerechtvaardigd is, ook zonder dat een voorafgaande schriftelijke waarschuwing was gegeven. Subsidiair doet [eiser] een beroep op artikel 11 lid 1 sub a Recron-voorwaarden en meer subsidiair op artikel 7:228 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Zij licht hierbij toe dat [gedaagde] zich niet als een goed huurder heeft gedragen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Voldoende is gebleken, anders dan [gedaagde] heeft betoogd, dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in zijn vordering.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming van een standplaats op grond van gebruik van die standplaats zonder recht of titel in kort geding slechts toewijsbaar is als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de gebruiker de standplaats zonder recht of titel gebruikt. De kantonrechter moet zich immers bij wijze van uitgangspunt richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure. Het navolgende omvat dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Toepasselijkheid van de Recron-voorwaarden
4.3.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bij de huur van de standplaats gaat om huur van een onbebouwde onroerende zaak. De bijzondere wettelijke regels voor huur van woonruimte zijn hier, anders dan [gedaagde] meent, niet van toepassing. De wettelijke regeling over het eindigen van de huur die hier van toepassing is, is de regeling van artikel 7:228 BW.
4.4.
Uit dat artikel volgt dat de huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd eindigt door opzegging. Als het gaat om huur van een zaak die geen woonruimte of bedrijfsruimte is, dan moet de opzegging plaatsvinden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Dit alles is regelend recht, en partijen kunnen in hun huurovereenkomst dus van deze opzeggingsregels afwijken.
4.5.
[eiser] heeft gesteld dat op de overeenkomst de Recron-voorwaarden van toepassing zijn en dat in die voorwaarden afwijkende opzeggingsregels zijn opgenomen.
[gedaagde] heeft de toepasselijkheid van de Recron-voorwaarden betwist. Volgens [gedaagde] is aan hem geen redelijke mogelijkheid tot kennisgeving geboden waardoor de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn. Hij heeft de Recron-voorwaarden buitengerechtelijk vernietigd.
4.6.
Of de Recron-voorwaarden al dan niet van toepassing zijn dient naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter in een bodemprocedure te worden beoordeeld. Partijen hebben onvoldoende toelichting gegeven hoe de wijze van contractsluiting is verlopen en of aan [gedaagde] de mogelijkheid is geboden om vóór of tijdens de contractsluiting kennis te nemen van de Recron-voorwaarden. In dit kort geding is geen plaats voor nadere bewijslevering dan wel onderzoek, zodat dit in een eventuele bodemprocedure moet worden onderzocht. Los daarvan heeft [eiser] ook artikel 7:228 BW aan haar vordering ten grondslag gelegd en de gevorderde ontruiming kan op basis daarvan worden beoordeeld.
Incidenten
4.7.
In zijn algemeenheid geldt dat een huurder verplicht is zich als goed huurder te gedragen en dat het veroorzaken van overlast en hinder aan derden daarbinnen in beginsel niet past.
4.8.
[eiser] stelt dat [gedaagde] zich ernstig heeft misdragen. Volgens haar heeft [gedaagde] zich in de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 schuldig gemaakt aan vernieling en bedreiging en heeft hij mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ongewenst en fysiek lastiggevallen in het sanitairgebouw. Verder zou [gedaagde] die nacht een medecampinggast een kopstoot hebben gegeven. De politie is tweemaal ter plaatse geweest en zij heeft ook een melding gedaan bij Veilig Thuis.
4.9.
[gedaagde] betwist dat er die nacht voornoemde incidenten hebben plaatsgevonden. Er is volgens hem geen enkel bewijs dan wel onderbouwing van de vermeende incidenten. [gedaagde] heeft geruime tijd een relatie met [betrokkene] gehad. Het voorval met [betrokkene] was slechts een discussie in de relationele sfeer. Dit wordt bevestigd door het feit dat Veilig Thuis is ingeschakeld. Veilig Thuis gaat overigens niets doen met de melding. Volgens [gedaagde] is van een (ernstige) situatie dan ook niet gebleken.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat [eiser] de hiervoor genoemde incidenten niet althans onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Zij stelt immers dat die incidenten tot ontruiming in kort geding moeten leiden. Het had op haar weg gelegen om (op zijn minst) verklaringen van [betrokkene] en de andere campinggast te overleggen waaruit (de toedracht van) de vermeende incidenten blijkt. Ook een verklaring, proces-verbaal of ander document van de politie over de beweerde voorvallen ontbreekt. Het blijft – mede doordat [gedaagde] de aantijgingen ontkent maar geen verdere toelichting heeft willen geven – onduidelijk wat er zich precies in de nacht van 7 november 2025 op 8 november 2025 heeft afgespeeld. Dat de politie melding heeft gedaan bij Veilig Thuis veronderstelt wel dat er iets (ernstigs) is gebeurd, maar dat alleen is onvoldoende om in kort geding tot ontruiming van de standplaats over te gaan. Dat [gedaagde] zich per Whatsapp heeft verontschuldigd wil ook nog niet zeggen dat de situatie zodanig ernstig was dat nu tot ontruiming moet worden overgegaan. Alhoewel het op zitting duidelijk was dat [gedaagde] niet wilde vertellen wat er precies is gebeurd en dat doet vermoeden dat er wel enige waarheid zit in de aantijgingen, is dat evenmin voldoende om ontruiming toe te wijzen. Het is in de eerste plaats aan [eiser] om de gestelde incidenten te onderbouwen. Dat zal in een eventuele bodemprocedure moeten plaatsvinden. Los daarvan betreft het vooralsnog beweerde incidenten gedurende één nacht. Van ernstige en structurele overlast lijkt vooralsnog geen sprake. Het is dan ook de vraag of de beweerde overlast voldoende is om tot ontruiming over te gaan.
4.11.
Ook de andere gestelde tekortkomingen, apart en in onderlinge samenhang beschouwd (ook met de hiervoor genoemde gestelde gedragingen), rechtvaardigen naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen ontruiming van de standplaats in kort geding. Zo is ter zitting gebleken, anders dan in de dagvaarding wordt gesteld, dat de vermeende stroomdiefstal zich al in oktober 2025 heeft afgespeeld. Dit was dus voor de hiervoor beschreven incidenten. Niet in geschil is dat [eiser] niet op dit incident (lees: de stroomdiefstal) heeft geacteerd, óók niet in de vorm van een (schriftelijke) waarschuwing. Het is al met al niet gebleken dat sprake is geweest van een dermate ernstige situatie dat dit tot ontruiming moet leiden. Dat [gedaagde] zich overigens schuldig heeft gemaakt aan de stroomdiefstal blijkt niet uit het rapport van Napp Scope Inspecties. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat de aangetroffen en zonder toestemming aangebrachte stroomleiding naar zijn standplaats leidde, zodat daarvan in beginsel wel kan worden uitgegaan.
4.12.
De inschrijving van [gedaagde] in de BRP is eveneens onvoldoende om tot ontruiming over te gaan. Dat de inschrijving onrechtmatig is geweest is vooralsnog niet gebleken. Weliswaar is een rapport van een toezichthouder van de gemeente [plaats] overgelegd, maar daaruit blijkt niet dat de inschrijving van [gedaagde] op het adres onrechtmatig was. Evenmin is gebleken dat een adresonderzoek is dan wel wordt ingesteld. De toezichthouder heeft in het rapport slechts een weergave gemaakt van gebeurtenissen.
4.13.
[eiser] heeft verder gesteld dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan ‘gevaarzettend stoken’ waar hij per Whatsapp voor is gewaarschuwd. [gedaagde] erkent weliswaar dat hij een houtkachel heeft in zijn caravan, maar betwist dat sprake is geweest van een onrechtmatige situatie dan wel ‘gevaarzettend stoken’. Zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Voor de goede orde merkt de kantonrechter op dat [eiser] het stoken van een houtkachel in de caravan of op de standplaats wel mag verbieden als dat nodig is voor de (brand)veiligheid of vanwege mogelijke (rook)overlast voor andere campinggasten.
4.14.
Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] sinds 23 maart 2026 de gebruikersvergoeding niet heeft betaald. Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] sinds 23 maart 2026 de gebruiksvergoeding (per abuis) op een tussenrekening (van PayPal) heeft betaald. [gedaagde] heeft hierbij toegelicht dat hij op of omstreeks 23 maart 2026 de laatste factuur heeft ontvangen. In de factuur stonden de betaalmethoden genoemd. Na 23 maart 2026 kwam er geen factuur en heeft [gedaagde] per bankoverschrijving het bedrag willen overmaken. Per ongeluk zijn de bedragen naar een verkeerd rekeningnummer overgemaakt. Dit kan naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet tot ontruiming in kort geding leiden. De bereidheid tot betaling is hiermee immers gebleken. Dat [gedaagde] dit bewust heeft gedaan, is ook niet gebleken. [gedaagde] dient de achterstallige bedragen wel zo snel mogelijk alsnog over te maken op het (juiste) bankrekeningnummer van [eiser]. Mocht hij hier vragen over hebben, dan dient hij deze aan de eigenaren dan wel medewerkers van [eiser] te stellen. Daarbij geldt voorts de gebruiksvergoeding zoals oorspronkelijk is afgesproken (per 1 januari 2026 € 512,57 inclusief BTW per maand). [eiser] kan niet eenzijdig de gebruiksvergoeding aanpassen zoals zij dat nu heeft gedaan.
4.15.
Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde ontruiming afgewezen. Dit geldt ook voor de nevenvorderingen.
Gedragsaanwijzing
4.16.
[eiser] heeft de kantonrechter aan het eind van de zitting gevraagd om – voor het geval de ontruiming niet wordt toegewezen – aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing op te leggen. Alhoewel hiervoor gelet op de houding van [gedaagde] ter zitting (zie onder 4.10) wel aanleiding lijkt te zijn, is de inhoud van een dergelijke (in het dictum op te nemen) gedragsaanwijzing onvoldoende besproken. Daarbij wordt een dergelijke gedragsaanwijzing alleen gegeven als de verweten gedragingen voldoende vaststaan. Dat is niet het geval. Daarom zal de kantonrechter volstaan met een korte opsomming van wat [eiser] in ieder geval van [gedaagde] mag verwachten:
[gedaagde] mag zich niet dreigend, beledigend en/of agressief uitlaten of gedragen richting andere campinggasten, de eigenaren en hun familie en/of de medewerkers van [eiser] en/of door hen ingeschakelde werklui;
[gedaagde] mag de houtkachel in de caravan niet meer gebruiken zonder toestemming van [eiser];
[gedaagde] mag geen extra elektriciteit/stroom aftappen of elektriciteit/stroomkabels (ver)leggen en/of de elektrische installatie wijzigen zonder toestemming van [eiser];
[gedaagde] dient de huur tijdig en volgens de gebruikelijke betaalmethoden van [eiser] te voldoen.
4.17.
Indien [gedaagde] zich hier niet aan houdt, loopt hij het risico op ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de standplaats.
Proceskosten
4.18.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Artikel 7:228 BW.