Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:9197

2026-07-27 Bestuursrecht; Omgevingsrecht HAA 24/7377 T
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-27
Publicatiedatum
2026-07-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Tussenuitspraak
Zaaknummer
HAA 24/7377 T
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning onderdeel milieu voor het oprichten en daarna in werking hebben van een spoorwegemplacement. Eisers voeren aan dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het geluid afkomstig van treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt. Die beroepsgrond slaagt. Het college heeft het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt ten onrechte als doorgaand, niet tot de inrichting behorend treinverkeer aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is dit dan ook ten onrechte als uitgangspunt aangenomen en is al het geluid dat hiermee samenhangt ten onrechte niet in de beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting betrokken. Hierbij is van belang dat de sporen van het emplacement slechts aan één zijde zijn ontsloten en geen aansluiting hebben op het doorgaande spoor. De treinbewegingen vinden plaats op niet voor doorgaand treinverkeer bestemde sporen en op sporen die uitsluitend voor het gebruik van de inrichting bestemd zijn. Al het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt, komt met het specifieke doel om activiteiten, die onderdeel uitmaken van de inrichting, te laten plaatsvinden. Daarom moeten in dit geval alle treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen door middel van een aanvullend akoestisch onderzoek waarin de treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden, worden betrokken.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.943 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 24/7377


tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser(es) 1] ,



[eiser(es) 2] ,



[eiser(es) 3] ,



[eiser(es) 4] ,



[eiser(es) 5] ,



[eiser(es) 6] ,



[eiser(es) 7] ,



[eiser(es) 8] ,



[eiser(es) 9] ,



[eiser(es) 10] ,



[eiser(es) 11] ,

de besloten vennootschap GeboortezorgPlus B.V.,
de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Langedijk B.V.,
de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Nederland B.V.,
de besloten vennootschap GeboortezorgPlus Werkt B.V.,
de besloten vennootschap ZWOP Media B.V.,
de besloten vennootschap JoaJoa Beheer B.V.,
de besloten vennootschap JoaJoa Kraamzorg Beheer B.V.,
de besloten vennootschap Joki Vastgoed B.V.,
de besloten vennootschap Geboortezorgscholingen B.V.,
allen wonende of gevestigd in Heerhugowaard,
hierna tezamen: eisers,



en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard,
gemachtigde: mr. F.J. Bakker, werkzaam bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.


Als derde-partij neemt aan het geding deel: de besloten vennootschap ProRail B.V. te Utrecht (vergunninghoudster),
gemachtigde: mr. M.H. Versloot.





Procesverloop en feiten

1. Vergunninghoudster heeft op 8 maart 2022 een omgevingsvergunning gevraagd voor het oprichten en daarna in werking hebben van spoorwegemplacement ‘De Vaandel’ aan de Hasselaarsweg in Heerhugowaard. De aanvraag ziet op het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 Wet milieubeheer. De inrichting bevat de volgende voorzieningen:


zes sporen met een lengte van ongeveer 340 meter inclusief servicepaden voor het inspecteren, onderhouden en schoonmaken van treinstellen;


een railinzetplaats voor het inzetten van machines ten behoeve van spooronderhoud;


een spoor waarover de treinen het terrein binnenkomen en weer verlaten;


een dienstgebouw voor het NS-servicepersoneel;


een milieustraat voor het verzamelen van afval;


een calamiteitenontsluiting voor hulpdiensten en een ontsluiting voor personeel;


een onderstation ten behoeve van de energievoorziening.




Het emplacement ligt naast de doorgaande spoorlijn van Heerhugowaard naar Den Helder en Hoorn. Via een aftakking van dat spoor kunnen treinstellen het emplacement, dat bestaat uit zes sporen, oprijden. Deze zes sporen lopen dood en zijn niet opnieuw met het doorgaande spoor verbonden.



Volgens de aanvraag is deze inrichting bedoeld als opstelterrein voor reizigerstreinen en zullen daar onder meer de volgende activiteiten worden verricht:

- overstand;


technische controles van treinstellen;


graffitireiniging van treinstellen;


inwendig reinigen van treinstellen;


fecaliën ledigen van gesloten toiletsystemen in treinstellen;


bijvullen ruitensproeiervloeistof in treinstellen;


kleine interieurherstellingen in treinstellen.


Daarnaast vindt plaats:


opslag van (spoorweg)materialen;


gebruik elektrokarren en opladen accu’s in die karren;


gebruik van het emplacement als railinzetplaats;




gebruik werkterreinen voor opslag aannemers die werkzaamheden op het spoor verrichten;


gebruik van het terrein voor voorbereiding en facilitering van onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan de railinfrastructuur;


onkruidbestrijding op het terrein zelf;


gebruik van het terrein voor voorbereiding en facilitering van herstelwerkzaamheden aan het Automatisch Trein Beveiligingssysteem (ATB).




De activiteiten zullen gedurende 24 uur per dag, 7 dagen per week plaatsvinden. Het opstelterrein wordt voorzien van lichtmasten met armaturen, die lichtuitstraling naar de omgeving beperken, en wordt omsloten door hekwerken en watergangen. De inrichting is nodig, omdat er extra opstelcapaciteit nodig is om met meer treinen te kunnen rijden op de corridor Amsterdam-Alkmaar en daarom is de omgevingsvergunning gevraagd. Deze opstelcapaciteit is noodzakelijk om bij aanvang van de spits direct met zes treinen per uur te kunnen rijden en om buiten de spits, wanneer met kortere treinen wordt gereden, treinstellen tijdelijk te kunnen parkeren.
Bij de aanvraag heeft de vergunninghoudster een akoestisch rapport van Witteveen+Bos overgelegd. In dat rapport is de geluidsproductie van de verschillende activiteiten op het emplacement onderzocht. Geluid, veroorzaakt door treinen die het emplacement op- en afrijden, is niet in de beoordeling betrokken. Vergunninghoudster merkt die activiteiten niet aan als behorend tot de inrichting.



2.1.
Het college heeft het besluit, zoals voorgeschreven in artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 “Uniforme openbare voorbereidingsprocedure” van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning ter inzage gelegd van 3 juni 2024 tot en met 15 juli 2024 en de kennisgeving daarvan gepubliceerd in het Gemeenteblad. Er zijn zowel mondeling als schriftelijk zienswijzen ingediend.



2.2.
De zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het (ontwerp)besluit. Met het bestreden besluit van 26 september 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.



2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eiser(es) 1] , die ook optreedt als gemachtigde voor de anderen, [eiser(es) 3] , [eiser(es) 4] , [eiser(es) 9] en [eiser(es) 5] , de gemachtigde van het college met [naam 1] (vergunningverlener bij Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) en [naam 2] (adviseur geluid bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord). Namens vergunninghoudster zijn verschenen de gemachtigde met [naam 3] (vakspecialist milieu), [naam 4] (vakspecialist milieu en planologie) en [naam 5] (vakspecialist omgevingseffecten).




Overwegingen



Ontvankelijkheid


3. De rechtbank stelt vast dat alle natuurlijke personen een zienswijze hebben ingediend. Zij zijn daarom ontvankelijk in beroep. Gelet hierop laat de rechtbank in het midden of de bedrijven die het beroep mede hebben ingesteld, maar geen zienswijze hebben ingediend, als partij kunnen worden aangemerkt. Of zij belanghebbend zijn, laat de rechtbank dus in het midden.



Overgangsrecht


4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet, volgt dat in deze procedure nog het oude recht, voor zover hier van belang de Wabo en daarbij horende uitvoeringsregelingen en de Wet milieubeheer (Wm), zoals die luidde tot 1 januari 2024, van toepassing blijft, omdat de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van de Ow.



Beoordelingskader


5. In dit geval gaat het om een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1o en 3o Wabo. Het begrip inrichting is gedefinieerd in artikel 1.1 Wm. Een omgevingsvergunning voor de activiteiten oprichten en het daarna in werking hebben van een inrichting kan op grond van artikel 2.14, derde lid, Wabo alleen worden geweigerd als dat in het belang van de bescherming van het milieu is. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is. Dat betekent dat de rechtbank niet haar eigen opvatting voorop mag stellen bij de beantwoording van de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is, maar toetst of het college in redelijkheid tot zijn oordeel is kunnen komen. Voor zover daarbij feiten relevant zijn of wettelijke regels die geen ruimte laten, toetst de rechtbank het besluit wel indringend.



Omvang van het geding


6. Ter zitting is vast komen te staan dat het zwaartepunt in deze zaak voor eisers ligt bij het aspect geluid(overlast). Eisers hebben ook ten aanzien van een aantal andere aspecten beroepsgronden aangevoerd, zoals trillingen, natuur, fijnstof en het bestemmingsplan. Ter zitting hebben eisers desgevraagd aangegeven dat de rechtbank die beroepsgronden onbesproken kan laten.



Heeft het college alle aan de inrichting toe te rekenen geluidsproductie in zijn beoordeling betrokken en mocht het college de verleende omgevingsvergunning baseren op het akoestisch onderzoek van Witteveen + Bos?



7.1
Eisers voeren aan dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is. Zij stellen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte het geluid afkomstig van treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt buiten beschouwing is gelaten. Volgens eisers kan dit, anders dan de vergunninghoudster en het college aanvoeren, niet worden aangemerkt als doorgaand treinverkeer. De inrichting bevat volgens eisers geen spoor dat zowel ten behoeve van de inrichting als ten behoeve van doorgaand treinverkeer wordt gebruikt. Al het treinverkeer binnen de inrichting vindt plaats ten behoeve van de activiteiten van de inrichting. Daarom moeten alle treinbewegingen op het terrein van de inrichting als onderdeel van de inrichting worden beschouwd en worden meegenomen in de beoordeling van de verleende omgevingsvergunning, aldus eisers.



7.2
Het college stelt zich op het standpunt dat treinbewegingen van en naar het emplacement tot het doorgaande spoorverkeer behoren, waarop een afzonderlijk wettelijk kader met milieunormen van toepassing is, zodat die activiteiten niet tot de inrichting behoren. Daarom vallen die activiteiten niet onder (de beoordeling in het kader van) de verleende omgevingsvergunning. Daarbij verwijst het college naar paragraaf 3.3 van het akoestisch onderzoek, waarin de representatieve bedrijfssituatie is weergegeven. Daarin is opgenomen dat de treinen onder een dienstnummer het emplacement oprijden. Pas op het emplacement vervalt het dienstnummer en komen de activiteiten met betrekking tot de treinstellen onder de inrichtingsactiviteiten te vallen en dus in het toetsingskader van de bestreden omgevingsvergunning. Volgens het college is dit in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over doorgaand treinverkeer.



7.3
De jurisprudentie van de Raad van State over ‘doorgaand treinverkeer’ houdt een verdeling in van treinbewegingen die wel en niet als onderdeel van een inrichting die fungeert als spoorwegemplacement, kunnen worden aangemerkt. Alleen de treinbewegingen die verband houden met het in werking zijn van de inrichting (het emplacement) als zodanig, moeten als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. Het doorgaande treinverkeer, dat op zichzelf beschouwd los staat van het in werking zijn van het emplacement, behoort niet tot de inrichting. Op de milieugevolgen van dit laatstbedoelde treinverkeer zijn de voor de inrichting geldende regels niet van toepassing, maar de voor de spoorweg als zodanig geldende regels.



7.4.
Het college heeft in het licht van deze uitleg van het begrip inrichting het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt ten onrechte als doorgaand, niet tot de inrichting behorend treinverkeer aangemerkt. In het akoestisch onderzoek is dit dan ook ten onrechte als uitgangspunt aangenomen en is al het geluid dat hiermee samenhangt ten onrechte niet in de beoordeling van de milieugevolgen van de inrichting betrokken. Hierbij is van belang dat de sporen van het emplacement slechts aan één zijde zijn ontsloten en geen aansluiting hebben op het doorgaande spoor. De treinbewegingen vinden plaats op niet voor doorgaand treinverkeer bestemde sporen en op sporen die uitsluitend voor het gebruik van de inrichting bestemd zijn. Al het treinverkeer dat het emplacement op- en afrijdt, komt met het specifieke doel om activiteiten, die onderdeel uitmaken van de inrichting, te laten plaatsvinden. Daarom moeten in dit geval alle treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden als onderdeel van de inrichting worden beschouwd. Dat een trein onder een dienstnummer het emplacement op- en afrijdt, acht de rechtbank in dit kader niet doorslaggevend. Ter zitting is immers aangegeven dat iedere rijdende trein een dienstnummer heeft, zodat het toekennen van een dergelijk nummer niet aangeeft dat (op het emplacement) sprake is van doorgaand treinverkeer. De verwijzing van de vergunninghoudster naar kopstations waar treinverkeer op emplacementen tot het doorgaande treinverkeer worden gerekend, is in het licht van het criterium dat in de jurisprudentie is neergelegd, geen reden voor een ander oordeel. Die situatie komt immers niet overeen met onderhavige situatie, waar daadwerkelijk sprake is van treinbewegingen op een zijspoor, dat als onderdeel van de inrichting moet worden aangemerkt. Overigens heeft de vergunningshoudster er ter zitting op gewezen dat binnenkort in de wetgeving het treinverkeer van en naar het emplacement ook uitdrukkelijk tot dezelfde milieubelastende activiteit wordt gerekend.

8. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het akoestisch onderzoek niet deugdelijk is uitgevoerd, omdat de milieugevolgen – met name geluid – van het in- en wegrijdende treinverkeer niet in de beoordeling is betrokkenen en dat het bestreden besluit, dat mede daarop is gebaseerd, daarom in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 Awb, en dus in strijd met artikel 2.14 Wabo en artikel 1.1 Wm tot stand is gekomen. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan door middel van een aanvullend akoestisch onderzoek waarin de treinbewegingen die binnen de grenzen van de inrichting plaatsvinden, worden betrokken. Vervolgens dient het college te beoordelen of nog kan worden volstaan met de voorschriften zoals die thans aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.

9. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken na ontvangst van de herstelpoging van het college daarop te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

10. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).

11. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.




Beslissing


De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. M.R. Plug, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:









Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.



Overstand is het (tijdelijk) parkeren van treinstellen.


Op een railinzetplaats worden trein- en andere toestellen, die op de rails kunnen rijden, vanaf vrachtwagens op spoorrails geplaatst.


Nummer 233325 van 31 mei 2024.


Verwezen is naar de uitspraken van 12 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:386) en 9 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2933).


In aanvulling op de in voetnoot 2 genoemde jurisprudentie verwijst de rechtbank ook naar de uitspraken van de Raad van State van 27 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW9553) en 27 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2117).