Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9018
2026-07-15
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/15/373383 / HA ZA 26-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vonnis in verzet. Aannemingsovereenkomst. Vorderingen eisers afgewezen, omdat eerst een omzettingsverklaring is uitgebracht. Dat sluit een latere ontbinding van de overeenkomst uit. Vordering in reconventie afgewezen, omdat nooit is opgeleverd.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.178 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373383 / HA ZA 26-17
Vonnis in verzet van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
te [plaats] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.J. van de Leur.
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in het verzet,
oorspronkelijk eisende partijen,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. M.N. Mense,
De zaak in het kort
Partijen zijn een aannemingsovereenkomst aangegaan. Bij die overeenkomst heeft [eiser] zich verplicht verscheidene (bouw)werkzaamheden in en om de woning van [gedaagden] uit te voeren. Daarbij is overeengekomen dat de aanneemsom in vier termijnen betaald zal worden, de laatste termijn bij oplevering van het werk. [gedaagden] zeggen dat [eiser] deze overeenkomst niet juist is nagekomen, omdat het overeengekomen werk deels niet en deels gebrekkig is uitgevoerd. Zij hebben [eiser] meegedeeld dat zij de overeenkomst ontbinden. Zij hebben [eiser] gedagvaard. In een verstekvonnis heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [gedaagden] € 34.469,75 te betalen en aanvullende schadevergoeding, op te maken bij staat.
In deze procedure komt [eiser] in verzet tegen dit verstekvonnis. Hij voert onder meer aan dat [gedaagden] geen grond hadden de overeenkomst te ontbinden, zodat terugbetaling en schadevergoeding niet aan de orde is. [eiser] stelt ook een voorwaardelijke tegenvordering in tot betaling van de laatste termijn van de aanneemsom.
De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagden] af, omdat [gedaagden] eerst een omzettingsverklaring hebben uitgebracht. Dat sluit een latere ontbinding van de overeenkomst uit. De tegenvordering van [eiser] wordt afgewezen, omdat deze termijn pas betaald hoeft te worden bij oplevering en het werk nooit is opgeleverd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het bij verstek gewezen vonnis van deze rechtbank van 5 november 2025
- de verzetdagvaarding van 12 december 2025 met eis in voorwaardelijke reconventie en producties
- de conclusie van antwoord in reconventie van [gedaagden] met producties
- het tussenvonnis van 11 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagden] zijn eigenaar van een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Begin 2024 hebben zij een offerte (hierna: de offerte) gevraagd bij [eiser] voor de uitvoering van verscheidene (bouw)werkzaamheden in en om de woning.
2.2.
[eiser] is langsgegaan in de woning en [gedaagden] hebben hem gezegd wat zij wilden. Daarna heeft [eiser] een offerte uitgebracht waarin ook werkzaamheden aan de badkamer waren meegenomen. Het bedrag van die offerte was te hoog voor
[gedaagden] Zij hebben de werkzaamheden voor de badkamer laten schrappen, waarna [eiser] een nieuwe offerte gedateerd 12 februari 2024 heeft uitgebracht. In deze offerte staat een totale aanneemsom van € 60.000,00 (inclusief 21% btw). De werkzaamheden en het bedrag zijn in de offerte als volgt gespecificeerd:
€
Sierlijsten + schrootjes verwijderen gang woonkamer BG
Houtwerk aflakken BG inc materiaal
Schoorsteen BG verwijderen
Vloer isoleren BG inc materiaal
Pvc vloer leggen BG inc materiaal
Leidingen verleggen BG woonkamer inc materiaal
Openslaande deuren plaatsen Achter/tuin inclusief kozijn kunststof
Plafond woonkamer vervangen inc materiaal
BG wanden stuken inc materiaal
Woonkamer plafond stukken inc materiaal
Toilet verleggen voor inbouw wc BG Ex sanitair & wc inbouwresservoir
Inc materiaal leidingen & afvoer
Deurpost kozijn + 1 voordeur plaatsen
Inclusief kunststof kozijn
Buiten/Tuin
Fundering plaatsen
Vochtdicht maken
Blokhut plaatsen
Subtotaal
49.586,78
Btw 21%
10.413,22
Totale aanneemsom
60.000,-
In de offerte staat verder (voor zover van belang) dat de betaling zal plaatsvinden in vier termijnen, als volgt:
1e termijn: 50%= € 30.000,-
uiterlijk 30 dagen voor de aanvang van de werkzaamheden
2e termijn: 25%= € 15.000,-
Bij het verleggen leidingen BG;
3e termijn: 20%= € 12.000,-
Bij het isoleren vloer BG;
4e termijn: 5%= € 3.000,-
Bij het opleveren
2.3.
De offerte is door [gedaagden] op 12 februari 2024 voor akkoord getekend.
2.4.
Met een e-mail van 10 maart 2024 hebben [gedaagden] aan [eiser] meegedeeld dat de eerste termijn was betaald. Daarbij hebben zij aangegeven dat zij graag een afspraak zouden maken met [eiser] om de tijdlijn af te stemmen.
2.5.
[eiser] is aan het werk gegaan. [gedaagden] hebben vervolgens ook de tweede en derde termijn van de aanneemsom en een door [eiser] berekende meerwerkvergoedingen van € 1.403,60 inclusief btw betaald. Op 31 mei 2024 heeft [eiser] een factuur gezonden voor de vierde termijn en een factuur voor een beperkt bedrag aan extra werkzaamheden. [gedaagden] hebben van de facturen van 31 mei 2024 alleen die voor extra werkzaamheden betaald. Daarmee hebben [gedaagden] € 59.910,00 inclusief btw aan [eiser] betaald.
2.6.
De vierde termijn van de aanneemsom hebben [gedaagden] niet betaald. In dat verband hebben partijen de volgende Whatsapp-correspondentie gevoerd:
[gedaagden] (31 mei 2025, 19:47 uur):
Hoi [eiser] [rechtbank: [eiser] ], ziet er goed uit. Ik had begrepen dat de laatste betaling pas gedaan hoefde te worden als alles is afgerond. Bij oplevering. Dus als de voordeur en de openslaande deuren zijn geplaatst, toch?
[eiser] (31 mei 2024, 19:48 en 19:49 uur):
Maakt niet uit wat u het beste uitkomt
Dan stuur ik alleen de extra werkzaamheden
Wat jullie het beste uitkomt
[eiser] (31 mei 2024, 19:53 uur):
Dus moet ik ff de factuur aanpassen en de extra werkzaamheden alleen doen?
[gedaagden] (31 mei 2025, 19:54 uur):
We hebben inmiddels als 58.160,- betaald. Vind het wel netjes om de rest pas te hoeven betalen als het werk ook helemaal af is.
[eiser] (31 mei 2024, 19:55 uur):
Ja daarom laat ik de slot termijn
En stuur ik de extra werkzaamheden aleen
[eiser] (31 mei 2024, 19:56 uur):
De extra werkzaamheden staan los van de overeenkomst ik pas hem even aan‘
[eiser] (31 mei 2024, 19:59 uur):
extra werkzaamheden aangepast [factuur bijgevoegd].
2.7.
In verdere communicatie via WhatsApp hebben [gedaagden] onder meer aan de orde gesteld dat de medewerkers van [eiser] de woning smerig hebben achtergelaten en dat er vlekken in het stucwerk zitten. Daarbij hebben zij ook navraag gedaan wanneer de vloer wordt gerepareerd en de deur en het deurkozijn worden geplaatst. Op 13 juli 2024 hebben zij aangegeven dat zij zich zorgen beginnen te maken omdat [eiser] niet op hun WhatsApp-berichten reageert. Eind september 2024 is er nog geen afspraak gemaakt voor het plaatsen van de deur en het kozijn en het repareren van de vloer.
2.8.
[gedaagden] hebben met een e-mail van 28 september 2024 het volgende aan [eiser] meegedeeld:
We zijn zeer teleurgesteld in de huidige gang van zaken.
Op 1 juni heb ik jou geappt dat we niet tevreden waren en dat we het huis heel smerig aantroffen nadat jij het eerste deel van de verbouwing naar jou zeggen had afgerond. Jij zou die week langskomen om het een en ander te bespreken en bent niet geweest.
Ik heb op 5 juni om een gespecificeerde factuur gevraagd om subsidie te kunnen aanvragen. Deze heb ik helaas nooit ontvangen.
Ik heb je op 14 juni geappt over de schoorsteen waarop je 18 juni pas antwoord met dat we maar een isoleerspray moeten halen.
24 juni heb ik je gevraagd om de huissleutel terug te brengen. Uiteindelijk, na diverse keren appen heb ik hem op 5 juli teruggekregen.
Vervolgens heeft [gedaagde 2] je ook begin juli geappt dat de vloer kapot is. Na diverse keren bellen en appen kregen we te horen dat degene die de vloer hebben gedaan met bouwvak was en dat jij zelf ook met vakantie zou gaan.
Je zou ons regelmatig een update geven maar hebt dat niet gedaan. Inmiddels is het eind september en het lukt niet om concrete afspraken te maken om te bespreken wat er mis is gegaan.
Onder andere:
- verzakte plank in de vloer
- slechte afwerking mbt kit vlekken
- missende spullen oa messen, multitool
- beschadiging van de trap en de kozijnen
- en inmiddels ook lekkage in de door jou geplaatste schuur.
En om te bespreken wanneer je het werk komt afmaken.
Het vertrouwen is bij ons weg.
Ik stel voor dat jij € 30.000.- naar ons terug stort zodat wij een andere aannemer kunnen gaan zoeken die de werkzaamheden afmaakt en repareert.
(…)
2.9.
Op 14 oktober 2024 hebben [gedaagden] een aangetekende brief aan [eiser] gestuurd (welke [eiser] zegt niet te hebben ontvangen). In die brief schrijven [gedaagden] dat het vertrouwen in de samenwerking verloren is gegaan en dat zij meerdere keren hebben geprobeerd om contact met [eiser] te zoeken, maar dat dit tot op dat moment niet lukt. Vervolgens herhalen [gedaagden] de hiervoor opgenomen tekst van de e-mail van 28 september 2024 geheel, waarna zij als volgt afsluiten:
Op bovenstaande e-mail hebben wij nog steeds geen reactie ontvangen. Met deze aangetekende brief geven wij jouw een laatste kans om dit op een correcte wijze af te sluiten. Mochten wij na 1 week van de datum van deze brief nog niets hebben ontvangen van jou, dan zijn wij genoodzaakt om juridische stappen te ondernemen.
2.10.
[gedaagden] hebben vervolgens een gemachtigde ingeschakeld. Bij brief van 18 november 2024 (die door de deurwaarder op 27 november 2024 aan [eiser] is betekend) heeft deze gemachtigde het volgende aan [eiser] meegedeeld:
(…)
Overeenkomst van aanneming van werk en gebreken
U heeft met cliënten een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor werkzaamheden bij de woning van cliënten. Cliënten hebben u er herhaaldelijk van op de hoogte gebracht dat cliënten gebreken aan het werk hebben geconstateerd. Daarnaast hebben cliënten aan u kenbaar gemaakt dat het werk nog niet door u is opgeleverd. Door cliënten is aan u een groot gedeelte van de overeengekomen aanneemsom voldaan.
Geen reactie daarom laatste termijn
Cliënten hebben herhaaldelijk geprobeerd om met u in contact te komen over de gebreken en de oplevering van het werk. Tot vandaag laat u helaas niets meer van zich horen en op berichten die cliënten aan u verstuurd, wordt door u niet meer gereageerd.
(…)
Namens cliënten zal ik u hieronder nog eenmalig een termijn geven om de gebreken te herstellen en het werk op te leveren naar de eisen van goed en deugdelijk werk. Indien u hieraan niet voldoet zullen cliënten de gebreken en de nog uit te voeren werkzaamheden door een ander bedrijf laten herstellen en de kosten hiervan op uw verhalen.
Sommatie
Hierbij verzoek ik u dan ook - voor zover nodig met de kracht van sommatie-
om binnen 10 dagen na betekening
van deze brief door de gerechtsdeurwaarder mij schriftelijk te bevestigen dat u
binnen 3 weken na betekening van deze brief:
A. de onderstaande gebreken zal hebben hersteld naar de eisen van goed en deugdelijk werk:
- het plaatsen van een voordeur met een nieuw kozijn;
- het plaatsen van openslaande deuren inclusief kozijn in de woonkamer;
- het aflakken van het houtwerk (staat nu nog in de grondverf);
- verzakte plank in de vloer;
- slechte afwerking mbt kit vlekken;
- beschadiging van de trap en de kozijnen;
- verhelpen lekkage in geplaatste schuur;
- herstellen van de plank onder het et keukenblok (is een plank weggehaald waardoor er nu een open ruimte onder het keukenblok zit).
B. Het werk binnen de gestelde termijn van 3 weken te hebben opgeleverd naar de eisen van goed en deugdelijk werk.
Verder missen cliënten een Japans keukenhakmes en een normaal keukenmes met houten handvat die door u blijkbaar is meegenomen. Daarnaast mist de door cliënten ingeschakelde elektricien een multitool die door u blijkbaar ook is meegenomen. Cliënt verzoek u - voor zover nodig wordt u hiervoor gesommeerd - deze hiervoor vermelde zaken binnen 3 weken na vandaag aan cliënten te hebben teruggeven.
Namens cliënten worden alle rechten en weren voorbehouden.
2.11.
[gedaagden] hebben [bedrijf 2] ingeschakeld om het werk te onderzoeken. Daarbij zijn de vragen voorgelegd wat naar het oordeel van de deskundige de begrote waarde van het door de aannemer uitgevoerde werk zoals vermeld op de offerte van 12 februari 2024 is, welke gebreken er aan het uitgevoerde werk zijn en wat de begrote kosten van herstel zijn en of de deskundige nog andere relevante op- of aanmerkingen had. Op 3 juni 2025 heeft de heer [betrokkene] van [bedrijf 2] de woning opgenomen. [eiser] was hiervoor niet uitgenodigd en niet aanwezig. De deskundige heeft geconcludeerd dat het aangenomen werk op een aantal onderdelen niet was uitgevoerd en dat een aantal van de wel uitgevoerde onderdelen gebrekkig was uitgevoerd. Hij heeft de waarde van het door [eiser] uitgevoerde werk op € 25.440,25 (inclusief btw) geraamd en de kosten van het afronden van niet uitgevoerd werk en herstel gebreken op € 37.594,70 (inclusief btw).
2.12.
Met een e-mail van 31 juli 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagden] het volgende aan [eiser] meegedeeld:
Aan de sommaties tot herstel en oplevering heeft u niet voldaan.
Cliënten hebben een deskundige het werk laten beoordelen. In de bijlage treft u een kopie van het rapport van de deskundige aan.
Uit het rapport blijkt dat u toerekenbaar tekort bent geschoten bij de uitvoering van het werk. U bent herhaaldelijk gesommeerd tot het uitvoeren van het herstel en het opleveren van het werk. Hieraan heeft u niet voldaan. U bent daarom dan ook in verzuim gekomen.
Namens cliënten ontbind ik hierbij de overeenkomst die cliënten met u hebben gesloten. Door cliënten wordt tevens aanspraak gemaakt op aanvullende schadevergoeding.
Door de deskundige is de waarde van het door u uitgevoerde werk begroot. Op basis hiervan en de betalingen van cliënten dient u aan cliënten een bedrag van € 31.559,75 inclusief BTW. Voor dit bedrag verwijs ik u naar blz 15 en volgende van het rapport.
Omdat u toerekenbaar tekort bent geschoten hebben cliënten een deskundige moeten inschakelen. Deze kosten van de deskundige ten bedrage van € 2.437,89 inclusief BTW komen voor uw rekening. In de bijlage treft u een kopie van de factuur van de deskundige aan.
Namens cliënten verzoek ik u dan ook - voor zover nodig met de kracht van sommatie - om binnen
ZEVEN dagen na vandaag
het totaalbedrag van
€ 33.997,64 inclusief BTW
(€ 31.559,75+ € 2.437,89) te hebben voldaan (…).
2.13.
[eiser] heeft verder niet meer op dit e-mailbericht gereageerd en geen betalingen gedaan.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[gedaagden] hebben bij inleidende dagvaarding gevorderd, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] veroordeelt tot betaling van:
I. € 34.469,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. schadevergoeding, op te maken bij staat;
III. € 1.354,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente;
IV. € 2.437,89 aan beslagkosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente;
V. de proceskosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente.
3.2.
[gedaagden] voeren het volgende aan. Eind mei 2024 hebben [gedaagden] vastgesteld dat [eiser] de werkzaamheden had gestaakt. De werkzaamheden waren toen nog niet afgerond. Uit een onderzoek van een deskundige blijkt dat een deel van de wel uitgevoerde werkzaamheden gebrekkig is. [eiser] is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming. [eiser] is in gebreke gesteld en verkeerde daarna in verzuim. [gedaagden] hebben de overeenkomst vervolgens buitengerechtelijk ontbonden. Deze ontbinding brengt ongedaanmakingsverbintenissen met zich. Daarom moet [eiser] de door [gedaagden] betaalde bedragen terugbetalen. Omdat de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden niet ongedaan gemaakt kunnen worden, komt kan hij aanspraak maken op een vergoeding van de waarde van het werk. [eiser] moet het verschil tussen de betalingen en de waarde van zijn werk aan [gedaagden] terugbetalen. Dat verschil is € 34.469,75. [gedaagden] hebben ook schade geleden. Die schade moet nader worden opgemaakt bij staat en door [eiser] worden vergoed. [gedaagden] hebben een deskundige moeten inschakelen. Ook de kosten van het deskundigenonderzoek moeten voor rekening van [eiser] komen, aldus nog steeds [gedaagden]
3.3.
Bij verstekvonnis van 5 november 2025 heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen:
- een bedrag van € 34.469,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- een aanvullende schadevergoeding, op te maken bij staat;
- € 1.119,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- € 2.437,89 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- € 4.592,94 aan proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
3.4.
[eiser] heeft hiertegen verzet ingesteld. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verstekvonnis van 5 november 2025 vernietigt;
II. opnieuw rechtdoende alle vorderingen van [gedaagden] afwijst.
3.5.
[eiser] voert samengevat het volgende aan. Er is geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. [eiser] heeft de werkzaamheden volgens de overeenkomst uitgevoerd. De door [gedaagden] gestelde gebreken zijn onjuist, te breed geformuleerd en niet objectief vastgesteld. Het door [gedaagden] overgelegde rapport is zonder hoor en wederhoor opgesteld en moet daarom als bewijsrechtelijk ontoereikend terzijde worden geschoven. Er waren enkel nog wat restpunten. Die zouden in de vierde termijn worden afgerond. [eiser] had echter nog een vordering van € 30.000,00 op [gedaagden] en geen vertrouwen dat die laatste werkzaamheden zouden worden betaald. Daarom mocht hij de werkzaamheden opschorten, totdat hij zekerheid van betaling kreeg. Ook hebben [gedaagden] [eiser] niet rechtsgeldig in gebreke gesteld. Volledige ontbinding is niet aan de orde omdat [gedaagden] hebben aangekondigd dat zij de werkzaamheden door een derde zouden laten afmaken op kosten van [eiser] . Daarbij voldoet de wijze waarop [gedaagden] de te verrekenen waarde berekenen niet aan de wettelijke criteria. De deskundigenkosten moeten voor rekening van [gedaagden] blijven. Het gaat om een rapport van een partijdeskundige dat niet bruikbaar is. Ook worden de kosten van dat rapport gedragen door de rechtsbijstandverzekeraar van [gedaagden]
3.6.
[eiser] stelt ook een voorwaardelijke tegenvordering (vordering in reconventie) in.
In voorwaardelijke reconventie
3.7.
[eiser] vordert voorwaardelijk – uitsluitend voor het geval de rechtbank oordeelt dat van een rechtsgeldige ontbinding geen sprake is of [gedaagden] in conventie alsnog aanspraak maken op nakoming dan wel vervangende schadevergoeding – de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] € 3.000,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.8.
[eiser] voert samengevat het volgende aan. Als [gedaagden] alsnog aanspraak maken op nakoming of vervangende schadevergoeding of als de overeenkomst niet is ontbonden, dan moet worden afgerekend conform de aannemingsovereenkomst. Op grond van die overeenkomst moeten [gedaagden] voor de vierde termijn van de aanneemsom nog € 3.000,00 betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze termijn is volgens [eiser] verschuldigd nu het werk als opgeleverd dient te worden beschouwd.
3.9.
[gedaagden] voeren verweer en brengen (kort gezegd) het volgende naar voren. De overeenkomst van aanneming is rechtsgeldig ontbonden. Daarmee is de grondslag voor enige verplichting om nog aan [eiser] te betalen vervallen. Daarbij komt dat de vierde termijn pas bij oplevering betaald moet worden en oplevering niet heeft plaatsgevonden.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Verzet is tijdig ingesteld
4.1.
Het verzet is tijdig ingesteld, zodat [eiser] in zijn (verzets)vordering kan worden ontvangen. Het verstekvonnis is niet eerder dan op 17 november 2025 aan [eiser] bekend geworden. Met de dagvaarding in verzet van 12 december 2025 is verzet ingesteld. Dat is binnen vier weken na de betekening van het vonnis zoals bepaald in artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Wettelijke mogelijkheden om te ontbinden
4.2.
[gedaagden] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij de overeenkomst van aanneming met [eiser] buitengerechtelijk hebben ontbonden. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een of meer van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Tekortkoming en verzuim
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen voor de werkzaamheden aan de woning een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, zodat de rechtbank daar ook van uitgaat. Tussen partijen staat ook vast dat [eiser] het door hem aangenomen werk niet heeft voltooid en dat het werk niet is opgeleverd conform de overeenkomst. Zo heeft [eiser] de voordeur en kozijnen niet geleverd en geplaatst. Ook heeft hij de openslaande deuren niet geleverd en geplaatst.
4.4.
[eiser] betwist wel dat hij in verzuim is geraakt. Hij zegt dat [gedaagden] hem niet in gebreke hebben gesteld als bedoeld in artikel 6:82 BW. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet.
4.5.
Verzuim treedt (onder meer) in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarin hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.De (toenmalige) gemachtigde van [gedaagden] heeft [eiser] bij brief van 18 november 2024 (bij exploot van 27 november 2024 door de deurwaarder betekend) nog eenmalig een termijn gegeven om (onder meer) voormelde gebreken te herstellen en het werk naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren. Dit kan niet anders worden gelezen dan als een ingebrekestelling in de zin artikel 6:82 BW. Anders dan [eiser] betoogt is voor een ingebrekestelling niet nodig dat daarin wordt gewaarschuwd voor ontbinding.
4.6.
[eiser] heeft hier vervolgens geen gevolg aan gegeven, waardoor in [eiser] bij het verstrijken van de termijn op dat moment in beginsel in verzuim is geraakt.
4.7.
[eiser] voert hier tegen aan nog dat hij niet in verzuim is geraakt omdat hij – al voor de ingebrekestelling – zijn werkzaamheden bevoegd had opgeschort. Eventuele nog uit te voeren restpunten maakten onderdeel uit van de laatste (vierde) termijn. Die termijn hadden [gedaagden] nog niet betaald. Omdat [gedaagden] hadden aangedrongen op een terugbetaling had [eiser] er ook geen vertrouwen meer in dat hij voor die laatste werkzaamheden zou worden betaald. Daarom was hij gerechtigd om zijn verdere werkzaamheden op grond van artikel 6:52 BW op te schorten, aldus [eiser] .
4.8.
Het beroep van [eiser] op opschorting faalt. Partijen zijn overeengekomen dat de vierde termijn pas bij oplevering betaald moet worden. Dat het werk al is opgeleverd heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd. Hij zegt weliswaar dat de werkzaamheden die nog verricht moeten worden van ondergeschikte betekenis waren, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. [eiser] heeft niet weersproken dat hij in ieder geval de voordeur niet heeft geleverd en vervangen, het hout niet heeft afgelakt en de openslaande deuren niet heeft geleverd en niet in de achtergevel heeft aangebracht. Ook heeft hij niet weersproken dat hij in dat verband de bestaande muur niet heeft doorgebroken en de gevelindeling niet heeft gewijzigd, hetgeen wel een (overeengekomen) vereiste was. Daarmee kan niet worden gezegd dat dat deze werkzaamheden enkel restpunten, opleverpunten of aanvullende wensen van [gedaagden] waren. Gelet op de hierboven onder 2.6 bij de feiten weergegeven WhapsApp-correspondentie heeft [eiser] in de communicatie met [gedaagden] ook erkend dat de vierde termijn nog niet betaald hoefde te worden. Daarmee gaf het feit dat de vierde termijn nog niet was betaald [eiser] geen recht zijn werkzaamheden op te schorten. Dat tussen partijen discussie bestond over eventuele gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden geeft – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – evenmin recht om de werkzaamheden op te schorten. Dat hij de werkzaamheden niet kon afronden door voortdurende belemmeringen van [gedaagden] heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd. Er is weliswaar correspondentie overgelegd, waarin [gedaagden] vragen of [eiser] mogelijk een keer in de avond langs kan komen om te spreken, maar dat is niet voldoende voor het oordeel dat zij hem niet in de gelegenheid hebben gesteld de werkzaamheden uit te voeren.
4.9.
De conclusie is dan ook dat [eiser] in verzuim is geraakt en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst.
Geen (beroep op) ontbinding
4.10.
Toch hebben [gedaagden] de overeenkomst van aanneming niet rechtsgeldig ontbonden en slaagt hun beroep op ontbinding niet. Artikel 6:87 lid 1 BW bepaalt dat voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, de verbintenis wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Deze omzettingsverklaring kan door een schriftelijke mededeling worden gedaan waarvoor geen formele bewoordingen vereist zijn. De omzettingsverklaring moet de schuldenaar bereiken. Als eenmaal de keuze is gemaakt om de vordering om te zetten, kan daar in beginsel niet meer op worden teruggekomen. Door de omzetting gaat de oorspronkelijke verbintenis teniet en eindigt het verzuim van de schuldenaar. Slechts als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een schuldeiser aan zijn omzettingsverklaring te houden, kan hij daar op terugkomen.
4.11.
Een ingebrekestelling kan worden gecombineerd met een omzettingsverklaring door mee te delen dat na het verstrijken van de in de ingebrekestelling genoemde termijn schadevergoeding in plaats van nakoming wordt gevorderd.
4.12.
[gedaagden] hebben in de brief van 18 november 2024 bij de gestelde termijn om de gebreken te herstellen en het werk op te leveren naar de eisen van goed en deugdelijk werk, geschreven:
(…) Indien u hieraan niet voldoet zullen cliënten de gebreken en de nog uit te voeren werkzaamheden door een ander bedrijf laten herstellen en de kosten hiervan op uw verhalen.(…)
[eiser] heeft aangevoerd dat hij deze mededeling heeft uitgelegd als een omzetting van de verbintenis tot nakoming in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, waarbij hij aannam dat die vervangende schadevergoeding niet veel om het lijf kon hebben. Daar heeft hij zijn gedrag op afgestemd. Dat [gedaagden] meer dan een half jaar later meedelen de hele overeenkomst te willen ontbinden, past dan niet en kan ook niet, aldus [eiser] . [gedaagden] hebben niet aangegeven waarom de aankondiging anders moet worden uitgelegd dan een omzettingsverklaring.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is een redelijke uitleg van deze mededeling dat [gedaagden] hiermee een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 lid 1 BW deden. Zij deelden mee dat zij bij het verstrijken van de gestelde termijn de werkzaamheden door een ander bedrijf zouden laten herstellen en uitvoeren en dat de kosten daarvan op [eiser] verhaald zouden worden. Daarmee zijn de verplichtingen van [eiser] – met het verstrijken van de gestelde termijn – feitelijk omgezet in een verplichting tot het betalen van vervangende schadevergoeding.
4.14.
Wanneer een niet nagekomen verbintenis voortvloeit uit een wederkerige overeenkomst, heeft de schuldeiser in principe de keuze tussen vervangende schadevergoeding en ontbinding. Als hiervoor uiteengezet hebben [gedaagden] met de brief van 18 november 2024 gekozen voor vervangende schadevergoeding.
4.15.
[gedaagden] leggen – ook nadat bij de mondelinge behandeling over bovenstaande problematiek van de omzettingsverklaring is gesproken – aan hun vorderingen alleen een beroep op ontbinding ten grondslag. Zoals hiervoor overwogen kunnen [gedaagden] na de omzettingsverklaring echter in beginsel niet meer op de omzetting terug komen en alsnog een beroep doen op ontbinding. Dat is enkel anders als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [gedaagden] aan hun omzettingsverklaring te houden. Dit is noch door [gedaagden] gesteld noch (gelet op de terughoudende toets van de rechtbank) gebleken.
4.16.
[gedaagden] konden dus niet meer terugkomen op hun keuze voor vervangende schadevergoeding en waren op 31 juli 2025 dus niet gerechtigd de overeenkomst te ontbinden. De rechtbank merkt in dit verband op dat het bedrag dat [gedaagden] uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis vorderen voor een gedeelte is gebaseerd op gestelde gebreken die eerst na de ingebrekestelling op 18 november 2024 naar boven zijn gekomen (met name naar aanleiding van het deskundigenonderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van de blokhut). [eiser] is voor deze gebreken echter niet in gebreke gesteld, zodat [eiser] voor deze gestelde gebreken überhaupt niet in verzuim verkeert.
4.17.
Het gevolg van het voorgaande is dat de vordering uit hoofde van een ongedaanmakingsverplichting na ontbinding (gevorderde sub I) niet toewijsbaar is. Ook de vordering tot vergoeding van de gevorderde schadevergoeding naast de ontbinding (ex artikel 6:277 BW) zal bij gebreke van een rechtsgeldige ontbinding worden afgewezen. Omdat deze vorderingen worden afgewezen zal de rechtbank ook de gevorderde veroordelingen in de kosten afwijzen. Omdat de vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen, hoeft hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over de inhoud van het deskundigenrapport, de waarde van het werk en de schadeberekening, niet te worden besproken.
4.18.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.275,00
in (voorwaardelijke) reconventie
4.19.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat geen sprake is van een rechtsgeldige ontbinding. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld vervuld is, zodat de rechtbank deze vordering hierna zal beoordelen.
4.20.
[eiser] vordert betaling van de laatste termijn ad € 3.000 die [gedaagden] onbetaald hebben gelaten te vermeerderen met rente. Volgens [eiser] is deze termijn verschuldigd, nu het werk als opgeleverd dient te worden beschouwd.
4.21.
[gedaagden] voeren verweer. Primair stellen zij zich op het standpunt dat de overeenkomst bevoegdelijk is ontbonden. Subsidiair betwisten zij – samengevat – dat de vierde termijn opeisbaar is, omdat het werk niet is opgeleverd.
4.22.
Aan het primaire verweer gaat de rechtbank voorbij gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Het subsidiaire verweer slaagt wel. Zoals hiervoor overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de voordeur en de kozijnen met openslaande deuren in de achtergevel niet geleverd en geplaatst zijn en dat de hierbij behorende werkzaamheden (het doorbreken van een bestaande muur en het wijzigen van de gevelindeling) nog niet zijn verricht. Alleen al hierom kan naar het oordeel van de rechtbank het werk niet als opgeleverd worden beschouwd. Dat terzake sprake is van ondergeschikte werkzaamheden, zoals [eiser] betoogt, volgt de rechtbank niet omdat het hier een substantiële post betreft, waarbij de rechtbank opmerkt dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de waarde van het leveren en monteren van de kozijnen en deuren zelf heeft geschat op een bedrag van circa € 6.000. Nu tussen partijen is overeengekomen dat de vierde termijn eerst bij oplevering zou dienen te worden betaald en geen sprake is geweest van oplevering, is deze termijn dus niet opeisbaar. Zoals hiervoor overwogen lijkt [eiser] daar zelf overigens ook van uit te zijn gegaan (zie 4.8). De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.23.
Het voorgaande betekent dat [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
554,00
(2 punten × € 554,00 x 0,5)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
786,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 5 november 2025 onder zaaknummer C/15/370195/ HA ZA 25-643 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw rechtdoende:
in conventie
5.2.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 3.275,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 786,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.7.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Artikel 265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 6:265 lid 2 BW
Artikel 6:82 lid 1 BW
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373383 / HA ZA 26-17
Vonnis in verzet van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
te [plaats] ,
eisende partij in het verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.J. van de Leur.
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in het verzet,
oorspronkelijk eisende partijen,
verwerende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. M.N. Mense,
De zaak in het kort
Partijen zijn een aannemingsovereenkomst aangegaan. Bij die overeenkomst heeft [eiser] zich verplicht verscheidene (bouw)werkzaamheden in en om de woning van [gedaagden] uit te voeren. Daarbij is overeengekomen dat de aanneemsom in vier termijnen betaald zal worden, de laatste termijn bij oplevering van het werk. [gedaagden] zeggen dat [eiser] deze overeenkomst niet juist is nagekomen, omdat het overeengekomen werk deels niet en deels gebrekkig is uitgevoerd. Zij hebben [eiser] meegedeeld dat zij de overeenkomst ontbinden. Zij hebben [eiser] gedagvaard. In een verstekvonnis heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [gedaagden] € 34.469,75 te betalen en aanvullende schadevergoeding, op te maken bij staat.
In deze procedure komt [eiser] in verzet tegen dit verstekvonnis. Hij voert onder meer aan dat [gedaagden] geen grond hadden de overeenkomst te ontbinden, zodat terugbetaling en schadevergoeding niet aan de orde is. [eiser] stelt ook een voorwaardelijke tegenvordering in tot betaling van de laatste termijn van de aanneemsom.
De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagden] af, omdat [gedaagden] eerst een omzettingsverklaring hebben uitgebracht. Dat sluit een latere ontbinding van de overeenkomst uit. De tegenvordering van [eiser] wordt afgewezen, omdat deze termijn pas betaald hoeft te worden bij oplevering en het werk nooit is opgeleverd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het bij verstek gewezen vonnis van deze rechtbank van 5 november 2025
- de verzetdagvaarding van 12 december 2025 met eis in voorwaardelijke reconventie en producties
- de conclusie van antwoord in reconventie van [gedaagden] met producties
- het tussenvonnis van 11 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van door hen overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagden] zijn eigenaar van een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Begin 2024 hebben zij een offerte (hierna: de offerte) gevraagd bij [eiser] voor de uitvoering van verscheidene (bouw)werkzaamheden in en om de woning.
2.2.
[eiser] is langsgegaan in de woning en [gedaagden] hebben hem gezegd wat zij wilden. Daarna heeft [eiser] een offerte uitgebracht waarin ook werkzaamheden aan de badkamer waren meegenomen. Het bedrag van die offerte was te hoog voor
[gedaagden] Zij hebben de werkzaamheden voor de badkamer laten schrappen, waarna [eiser] een nieuwe offerte gedateerd 12 februari 2024 heeft uitgebracht. In deze offerte staat een totale aanneemsom van € 60.000,00 (inclusief 21% btw). De werkzaamheden en het bedrag zijn in de offerte als volgt gespecificeerd:
€
Sierlijsten + schrootjes verwijderen gang woonkamer BG
Houtwerk aflakken BG inc materiaal
Schoorsteen BG verwijderen
Vloer isoleren BG inc materiaal
Pvc vloer leggen BG inc materiaal
Leidingen verleggen BG woonkamer inc materiaal
Openslaande deuren plaatsen Achter/tuin inclusief kozijn kunststof
Plafond woonkamer vervangen inc materiaal
BG wanden stuken inc materiaal
Woonkamer plafond stukken inc materiaal
Toilet verleggen voor inbouw wc BG Ex sanitair & wc inbouwresservoir
Inc materiaal leidingen & afvoer
Deurpost kozijn + 1 voordeur plaatsen
Inclusief kunststof kozijn
Buiten/Tuin
Fundering plaatsen
Vochtdicht maken
Blokhut plaatsen
Subtotaal
49.586,78
Btw 21%
10.413,22
Totale aanneemsom
60.000,-
In de offerte staat verder (voor zover van belang) dat de betaling zal plaatsvinden in vier termijnen, als volgt:
1e termijn: 50%= € 30.000,-
uiterlijk 30 dagen voor de aanvang van de werkzaamheden
2e termijn: 25%= € 15.000,-
Bij het verleggen leidingen BG;
3e termijn: 20%= € 12.000,-
Bij het isoleren vloer BG;
4e termijn: 5%= € 3.000,-
Bij het opleveren
2.3.
De offerte is door [gedaagden] op 12 februari 2024 voor akkoord getekend.
2.4.
Met een e-mail van 10 maart 2024 hebben [gedaagden] aan [eiser] meegedeeld dat de eerste termijn was betaald. Daarbij hebben zij aangegeven dat zij graag een afspraak zouden maken met [eiser] om de tijdlijn af te stemmen.
2.5.
[eiser] is aan het werk gegaan. [gedaagden] hebben vervolgens ook de tweede en derde termijn van de aanneemsom en een door [eiser] berekende meerwerkvergoedingen van € 1.403,60 inclusief btw betaald. Op 31 mei 2024 heeft [eiser] een factuur gezonden voor de vierde termijn en een factuur voor een beperkt bedrag aan extra werkzaamheden. [gedaagden] hebben van de facturen van 31 mei 2024 alleen die voor extra werkzaamheden betaald. Daarmee hebben [gedaagden] € 59.910,00 inclusief btw aan [eiser] betaald.
2.6.
De vierde termijn van de aanneemsom hebben [gedaagden] niet betaald. In dat verband hebben partijen de volgende Whatsapp-correspondentie gevoerd:
[gedaagden] (31 mei 2025, 19:47 uur):
Hoi [eiser] [rechtbank: [eiser] ], ziet er goed uit. Ik had begrepen dat de laatste betaling pas gedaan hoefde te worden als alles is afgerond. Bij oplevering. Dus als de voordeur en de openslaande deuren zijn geplaatst, toch?
[eiser] (31 mei 2024, 19:48 en 19:49 uur):
Maakt niet uit wat u het beste uitkomt
Dan stuur ik alleen de extra werkzaamheden
Wat jullie het beste uitkomt
[eiser] (31 mei 2024, 19:53 uur):
Dus moet ik ff de factuur aanpassen en de extra werkzaamheden alleen doen?
[gedaagden] (31 mei 2025, 19:54 uur):
We hebben inmiddels als 58.160,- betaald. Vind het wel netjes om de rest pas te hoeven betalen als het werk ook helemaal af is.
[eiser] (31 mei 2024, 19:55 uur):
Ja daarom laat ik de slot termijn
En stuur ik de extra werkzaamheden aleen
[eiser] (31 mei 2024, 19:56 uur):
De extra werkzaamheden staan los van de overeenkomst ik pas hem even aan‘
[eiser] (31 mei 2024, 19:59 uur):
extra werkzaamheden aangepast [factuur bijgevoegd].
2.7.
In verdere communicatie via WhatsApp hebben [gedaagden] onder meer aan de orde gesteld dat de medewerkers van [eiser] de woning smerig hebben achtergelaten en dat er vlekken in het stucwerk zitten. Daarbij hebben zij ook navraag gedaan wanneer de vloer wordt gerepareerd en de deur en het deurkozijn worden geplaatst. Op 13 juli 2024 hebben zij aangegeven dat zij zich zorgen beginnen te maken omdat [eiser] niet op hun WhatsApp-berichten reageert. Eind september 2024 is er nog geen afspraak gemaakt voor het plaatsen van de deur en het kozijn en het repareren van de vloer.
2.8.
[gedaagden] hebben met een e-mail van 28 september 2024 het volgende aan [eiser] meegedeeld:
We zijn zeer teleurgesteld in de huidige gang van zaken.
Op 1 juni heb ik jou geappt dat we niet tevreden waren en dat we het huis heel smerig aantroffen nadat jij het eerste deel van de verbouwing naar jou zeggen had afgerond. Jij zou die week langskomen om het een en ander te bespreken en bent niet geweest.
Ik heb op 5 juni om een gespecificeerde factuur gevraagd om subsidie te kunnen aanvragen. Deze heb ik helaas nooit ontvangen.
Ik heb je op 14 juni geappt over de schoorsteen waarop je 18 juni pas antwoord met dat we maar een isoleerspray moeten halen.
24 juni heb ik je gevraagd om de huissleutel terug te brengen. Uiteindelijk, na diverse keren appen heb ik hem op 5 juli teruggekregen.
Vervolgens heeft [gedaagde 2] je ook begin juli geappt dat de vloer kapot is. Na diverse keren bellen en appen kregen we te horen dat degene die de vloer hebben gedaan met bouwvak was en dat jij zelf ook met vakantie zou gaan.
Je zou ons regelmatig een update geven maar hebt dat niet gedaan. Inmiddels is het eind september en het lukt niet om concrete afspraken te maken om te bespreken wat er mis is gegaan.
Onder andere:
- verzakte plank in de vloer
- slechte afwerking mbt kit vlekken
- missende spullen oa messen, multitool
- beschadiging van de trap en de kozijnen
- en inmiddels ook lekkage in de door jou geplaatste schuur.
En om te bespreken wanneer je het werk komt afmaken.
Het vertrouwen is bij ons weg.
Ik stel voor dat jij € 30.000.- naar ons terug stort zodat wij een andere aannemer kunnen gaan zoeken die de werkzaamheden afmaakt en repareert.
(…)
2.9.
Op 14 oktober 2024 hebben [gedaagden] een aangetekende brief aan [eiser] gestuurd (welke [eiser] zegt niet te hebben ontvangen). In die brief schrijven [gedaagden] dat het vertrouwen in de samenwerking verloren is gegaan en dat zij meerdere keren hebben geprobeerd om contact met [eiser] te zoeken, maar dat dit tot op dat moment niet lukt. Vervolgens herhalen [gedaagden] de hiervoor opgenomen tekst van de e-mail van 28 september 2024 geheel, waarna zij als volgt afsluiten:
Op bovenstaande e-mail hebben wij nog steeds geen reactie ontvangen. Met deze aangetekende brief geven wij jouw een laatste kans om dit op een correcte wijze af te sluiten. Mochten wij na 1 week van de datum van deze brief nog niets hebben ontvangen van jou, dan zijn wij genoodzaakt om juridische stappen te ondernemen.
2.10.
[gedaagden] hebben vervolgens een gemachtigde ingeschakeld. Bij brief van 18 november 2024 (die door de deurwaarder op 27 november 2024 aan [eiser] is betekend) heeft deze gemachtigde het volgende aan [eiser] meegedeeld:
(…)
Overeenkomst van aanneming van werk en gebreken
U heeft met cliënten een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor werkzaamheden bij de woning van cliënten. Cliënten hebben u er herhaaldelijk van op de hoogte gebracht dat cliënten gebreken aan het werk hebben geconstateerd. Daarnaast hebben cliënten aan u kenbaar gemaakt dat het werk nog niet door u is opgeleverd. Door cliënten is aan u een groot gedeelte van de overeengekomen aanneemsom voldaan.
Geen reactie daarom laatste termijn
Cliënten hebben herhaaldelijk geprobeerd om met u in contact te komen over de gebreken en de oplevering van het werk. Tot vandaag laat u helaas niets meer van zich horen en op berichten die cliënten aan u verstuurd, wordt door u niet meer gereageerd.
(…)
Namens cliënten zal ik u hieronder nog eenmalig een termijn geven om de gebreken te herstellen en het werk op te leveren naar de eisen van goed en deugdelijk werk. Indien u hieraan niet voldoet zullen cliënten de gebreken en de nog uit te voeren werkzaamheden door een ander bedrijf laten herstellen en de kosten hiervan op uw verhalen.
Sommatie
Hierbij verzoek ik u dan ook - voor zover nodig met de kracht van sommatie-
om binnen 10 dagen na betekening
van deze brief door de gerechtsdeurwaarder mij schriftelijk te bevestigen dat u
binnen 3 weken na betekening van deze brief:
A. de onderstaande gebreken zal hebben hersteld naar de eisen van goed en deugdelijk werk:
- het plaatsen van een voordeur met een nieuw kozijn;
- het plaatsen van openslaande deuren inclusief kozijn in de woonkamer;
- het aflakken van het houtwerk (staat nu nog in de grondverf);
- verzakte plank in de vloer;
- slechte afwerking mbt kit vlekken;
- beschadiging van de trap en de kozijnen;
- verhelpen lekkage in geplaatste schuur;
- herstellen van de plank onder het et keukenblok (is een plank weggehaald waardoor er nu een open ruimte onder het keukenblok zit).
B. Het werk binnen de gestelde termijn van 3 weken te hebben opgeleverd naar de eisen van goed en deugdelijk werk.
Verder missen cliënten een Japans keukenhakmes en een normaal keukenmes met houten handvat die door u blijkbaar is meegenomen. Daarnaast mist de door cliënten ingeschakelde elektricien een multitool die door u blijkbaar ook is meegenomen. Cliënt verzoek u - voor zover nodig wordt u hiervoor gesommeerd - deze hiervoor vermelde zaken binnen 3 weken na vandaag aan cliënten te hebben teruggeven.
Namens cliënten worden alle rechten en weren voorbehouden.
2.11.
[gedaagden] hebben [bedrijf 2] ingeschakeld om het werk te onderzoeken. Daarbij zijn de vragen voorgelegd wat naar het oordeel van de deskundige de begrote waarde van het door de aannemer uitgevoerde werk zoals vermeld op de offerte van 12 februari 2024 is, welke gebreken er aan het uitgevoerde werk zijn en wat de begrote kosten van herstel zijn en of de deskundige nog andere relevante op- of aanmerkingen had. Op 3 juni 2025 heeft de heer [betrokkene] van [bedrijf 2] de woning opgenomen. [eiser] was hiervoor niet uitgenodigd en niet aanwezig. De deskundige heeft geconcludeerd dat het aangenomen werk op een aantal onderdelen niet was uitgevoerd en dat een aantal van de wel uitgevoerde onderdelen gebrekkig was uitgevoerd. Hij heeft de waarde van het door [eiser] uitgevoerde werk op € 25.440,25 (inclusief btw) geraamd en de kosten van het afronden van niet uitgevoerd werk en herstel gebreken op € 37.594,70 (inclusief btw).
2.12.
Met een e-mail van 31 juli 2025 heeft de gemachtigde van [gedaagden] het volgende aan [eiser] meegedeeld:
Aan de sommaties tot herstel en oplevering heeft u niet voldaan.
Cliënten hebben een deskundige het werk laten beoordelen. In de bijlage treft u een kopie van het rapport van de deskundige aan.
Uit het rapport blijkt dat u toerekenbaar tekort bent geschoten bij de uitvoering van het werk. U bent herhaaldelijk gesommeerd tot het uitvoeren van het herstel en het opleveren van het werk. Hieraan heeft u niet voldaan. U bent daarom dan ook in verzuim gekomen.
Namens cliënten ontbind ik hierbij de overeenkomst die cliënten met u hebben gesloten. Door cliënten wordt tevens aanspraak gemaakt op aanvullende schadevergoeding.
Door de deskundige is de waarde van het door u uitgevoerde werk begroot. Op basis hiervan en de betalingen van cliënten dient u aan cliënten een bedrag van € 31.559,75 inclusief BTW. Voor dit bedrag verwijs ik u naar blz 15 en volgende van het rapport.
Omdat u toerekenbaar tekort bent geschoten hebben cliënten een deskundige moeten inschakelen. Deze kosten van de deskundige ten bedrage van € 2.437,89 inclusief BTW komen voor uw rekening. In de bijlage treft u een kopie van de factuur van de deskundige aan.
Namens cliënten verzoek ik u dan ook - voor zover nodig met de kracht van sommatie - om binnen
ZEVEN dagen na vandaag
het totaalbedrag van
€ 33.997,64 inclusief BTW
(€ 31.559,75+ € 2.437,89) te hebben voldaan (…).
2.13.
[eiser] heeft verder niet meer op dit e-mailbericht gereageerd en geen betalingen gedaan.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[gedaagden] hebben bij inleidende dagvaarding gevorderd, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] veroordeelt tot betaling van:
I. € 34.469,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;
II. schadevergoeding, op te maken bij staat;
III. € 1.354,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente;
IV. € 2.437,89 aan beslagkosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente;
V. de proceskosten, te vermeerderen met de (naar de rechtbank begrijpt: wettelijke) rente.
3.2.
[gedaagden] voeren het volgende aan. Eind mei 2024 hebben [gedaagden] vastgesteld dat [eiser] de werkzaamheden had gestaakt. De werkzaamheden waren toen nog niet afgerond. Uit een onderzoek van een deskundige blijkt dat een deel van de wel uitgevoerde werkzaamheden gebrekkig is. [eiser] is dan ook tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van aanneming. [eiser] is in gebreke gesteld en verkeerde daarna in verzuim. [gedaagden] hebben de overeenkomst vervolgens buitengerechtelijk ontbonden. Deze ontbinding brengt ongedaanmakingsverbintenissen met zich. Daarom moet [eiser] de door [gedaagden] betaalde bedragen terugbetalen. Omdat de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden niet ongedaan gemaakt kunnen worden, komt kan hij aanspraak maken op een vergoeding van de waarde van het werk. [eiser] moet het verschil tussen de betalingen en de waarde van zijn werk aan [gedaagden] terugbetalen. Dat verschil is € 34.469,75. [gedaagden] hebben ook schade geleden. Die schade moet nader worden opgemaakt bij staat en door [eiser] worden vergoed. [gedaagden] hebben een deskundige moeten inschakelen. Ook de kosten van het deskundigenonderzoek moeten voor rekening van [eiser] komen, aldus nog steeds [gedaagden]
3.3.
Bij verstekvonnis van 5 november 2025 heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld om aan [gedaagden] te betalen:
- een bedrag van € 34.469,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- een aanvullende schadevergoeding, op te maken bij staat;
- € 1.119,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- € 2.437,89 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- € 4.592,94 aan proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
3.4.
[eiser] heeft hiertegen verzet ingesteld. [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het verstekvonnis van 5 november 2025 vernietigt;
II. opnieuw rechtdoende alle vorderingen van [gedaagden] afwijst.
3.5.
[eiser] voert samengevat het volgende aan. Er is geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. [eiser] heeft de werkzaamheden volgens de overeenkomst uitgevoerd. De door [gedaagden] gestelde gebreken zijn onjuist, te breed geformuleerd en niet objectief vastgesteld. Het door [gedaagden] overgelegde rapport is zonder hoor en wederhoor opgesteld en moet daarom als bewijsrechtelijk ontoereikend terzijde worden geschoven. Er waren enkel nog wat restpunten. Die zouden in de vierde termijn worden afgerond. [eiser] had echter nog een vordering van € 30.000,00 op [gedaagden] en geen vertrouwen dat die laatste werkzaamheden zouden worden betaald. Daarom mocht hij de werkzaamheden opschorten, totdat hij zekerheid van betaling kreeg. Ook hebben [gedaagden] [eiser] niet rechtsgeldig in gebreke gesteld. Volledige ontbinding is niet aan de orde omdat [gedaagden] hebben aangekondigd dat zij de werkzaamheden door een derde zouden laten afmaken op kosten van [eiser] . Daarbij voldoet de wijze waarop [gedaagden] de te verrekenen waarde berekenen niet aan de wettelijke criteria. De deskundigenkosten moeten voor rekening van [gedaagden] blijven. Het gaat om een rapport van een partijdeskundige dat niet bruikbaar is. Ook worden de kosten van dat rapport gedragen door de rechtsbijstandverzekeraar van [gedaagden]
3.6.
[eiser] stelt ook een voorwaardelijke tegenvordering (vordering in reconventie) in.
In voorwaardelijke reconventie
3.7.
[eiser] vordert voorwaardelijk – uitsluitend voor het geval de rechtbank oordeelt dat van een rechtsgeldige ontbinding geen sprake is of [gedaagden] in conventie alsnog aanspraak maken op nakoming dan wel vervangende schadevergoeding – de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] € 3.000,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.8.
[eiser] voert samengevat het volgende aan. Als [gedaagden] alsnog aanspraak maken op nakoming of vervangende schadevergoeding of als de overeenkomst niet is ontbonden, dan moet worden afgerekend conform de aannemingsovereenkomst. Op grond van die overeenkomst moeten [gedaagden] voor de vierde termijn van de aanneemsom nog € 3.000,00 betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze termijn is volgens [eiser] verschuldigd nu het werk als opgeleverd dient te worden beschouwd.
3.9.
[gedaagden] voeren verweer en brengen (kort gezegd) het volgende naar voren. De overeenkomst van aanneming is rechtsgeldig ontbonden. Daarmee is de grondslag voor enige verplichting om nog aan [eiser] te betalen vervallen. Daarbij komt dat de vierde termijn pas bij oplevering betaald moet worden en oplevering niet heeft plaatsgevonden.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
Verzet is tijdig ingesteld
4.1.
Het verzet is tijdig ingesteld, zodat [eiser] in zijn (verzets)vordering kan worden ontvangen. Het verstekvonnis is niet eerder dan op 17 november 2025 aan [eiser] bekend geworden. Met de dagvaarding in verzet van 12 december 2025 is verzet ingesteld. Dat is binnen vier weken na de betekening van het vonnis zoals bepaald in artikel 143 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Wettelijke mogelijkheden om te ontbinden
4.2.
[gedaagden] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat zij de overeenkomst van aanneming met [eiser] buitengerechtelijk hebben ontbonden. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een of meer van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Tekortkoming en verzuim
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen voor de werkzaamheden aan de woning een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, zodat de rechtbank daar ook van uitgaat. Tussen partijen staat ook vast dat [eiser] het door hem aangenomen werk niet heeft voltooid en dat het werk niet is opgeleverd conform de overeenkomst. Zo heeft [eiser] de voordeur en kozijnen niet geleverd en geplaatst. Ook heeft hij de openslaande deuren niet geleverd en geplaatst.
4.4.
[eiser] betwist wel dat hij in verzuim is geraakt. Hij zegt dat [gedaagden] hem niet in gebreke hebben gesteld als bedoeld in artikel 6:82 BW. De rechtbank volgt [eiser] daarin niet.
4.5.
Verzuim treedt (onder meer) in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarin hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft.De (toenmalige) gemachtigde van [gedaagden] heeft [eiser] bij brief van 18 november 2024 (bij exploot van 27 november 2024 door de deurwaarder betekend) nog eenmalig een termijn gegeven om (onder meer) voormelde gebreken te herstellen en het werk naar de eisen van goed en deugdelijk werk op te leveren. Dit kan niet anders worden gelezen dan als een ingebrekestelling in de zin artikel 6:82 BW. Anders dan [eiser] betoogt is voor een ingebrekestelling niet nodig dat daarin wordt gewaarschuwd voor ontbinding.
4.6.
[eiser] heeft hier vervolgens geen gevolg aan gegeven, waardoor in [eiser] bij het verstrijken van de termijn op dat moment in beginsel in verzuim is geraakt.
4.7.
[eiser] voert hier tegen aan nog dat hij niet in verzuim is geraakt omdat hij – al voor de ingebrekestelling – zijn werkzaamheden bevoegd had opgeschort. Eventuele nog uit te voeren restpunten maakten onderdeel uit van de laatste (vierde) termijn. Die termijn hadden [gedaagden] nog niet betaald. Omdat [gedaagden] hadden aangedrongen op een terugbetaling had [eiser] er ook geen vertrouwen meer in dat hij voor die laatste werkzaamheden zou worden betaald. Daarom was hij gerechtigd om zijn verdere werkzaamheden op grond van artikel 6:52 BW op te schorten, aldus [eiser] .
4.8.
Het beroep van [eiser] op opschorting faalt. Partijen zijn overeengekomen dat de vierde termijn pas bij oplevering betaald moet worden. Dat het werk al is opgeleverd heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd. Hij zegt weliswaar dat de werkzaamheden die nog verricht moeten worden van ondergeschikte betekenis waren, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. [eiser] heeft niet weersproken dat hij in ieder geval de voordeur niet heeft geleverd en vervangen, het hout niet heeft afgelakt en de openslaande deuren niet heeft geleverd en niet in de achtergevel heeft aangebracht. Ook heeft hij niet weersproken dat hij in dat verband de bestaande muur niet heeft doorgebroken en de gevelindeling niet heeft gewijzigd, hetgeen wel een (overeengekomen) vereiste was. Daarmee kan niet worden gezegd dat dat deze werkzaamheden enkel restpunten, opleverpunten of aanvullende wensen van [gedaagden] waren. Gelet op de hierboven onder 2.6 bij de feiten weergegeven WhapsApp-correspondentie heeft [eiser] in de communicatie met [gedaagden] ook erkend dat de vierde termijn nog niet betaald hoefde te worden. Daarmee gaf het feit dat de vierde termijn nog niet was betaald [eiser] geen recht zijn werkzaamheden op te schorten. Dat tussen partijen discussie bestond over eventuele gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden geeft – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – evenmin recht om de werkzaamheden op te schorten. Dat hij de werkzaamheden niet kon afronden door voortdurende belemmeringen van [gedaagden] heeft [eiser] niet voldoende onderbouwd. Er is weliswaar correspondentie overgelegd, waarin [gedaagden] vragen of [eiser] mogelijk een keer in de avond langs kan komen om te spreken, maar dat is niet voldoende voor het oordeel dat zij hem niet in de gelegenheid hebben gesteld de werkzaamheden uit te voeren.
4.9.
De conclusie is dan ook dat [eiser] in verzuim is geraakt en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst.
Geen (beroep op) ontbinding
4.10.
Toch hebben [gedaagden] de overeenkomst van aanneming niet rechtsgeldig ontbonden en slaagt hun beroep op ontbinding niet. Artikel 6:87 lid 1 BW bepaalt dat voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, de verbintenis wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Deze omzettingsverklaring kan door een schriftelijke mededeling worden gedaan waarvoor geen formele bewoordingen vereist zijn. De omzettingsverklaring moet de schuldenaar bereiken. Als eenmaal de keuze is gemaakt om de vordering om te zetten, kan daar in beginsel niet meer op worden teruggekomen. Door de omzetting gaat de oorspronkelijke verbintenis teniet en eindigt het verzuim van de schuldenaar. Slechts als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een schuldeiser aan zijn omzettingsverklaring te houden, kan hij daar op terugkomen.
4.11.
Een ingebrekestelling kan worden gecombineerd met een omzettingsverklaring door mee te delen dat na het verstrijken van de in de ingebrekestelling genoemde termijn schadevergoeding in plaats van nakoming wordt gevorderd.
4.12.
[gedaagden] hebben in de brief van 18 november 2024 bij de gestelde termijn om de gebreken te herstellen en het werk op te leveren naar de eisen van goed en deugdelijk werk, geschreven:
(…) Indien u hieraan niet voldoet zullen cliënten de gebreken en de nog uit te voeren werkzaamheden door een ander bedrijf laten herstellen en de kosten hiervan op uw verhalen.(…)
[eiser] heeft aangevoerd dat hij deze mededeling heeft uitgelegd als een omzetting van de verbintenis tot nakoming in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding, waarbij hij aannam dat die vervangende schadevergoeding niet veel om het lijf kon hebben. Daar heeft hij zijn gedrag op afgestemd. Dat [gedaagden] meer dan een half jaar later meedelen de hele overeenkomst te willen ontbinden, past dan niet en kan ook niet, aldus [eiser] . [gedaagden] hebben niet aangegeven waarom de aankondiging anders moet worden uitgelegd dan een omzettingsverklaring.
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is een redelijke uitleg van deze mededeling dat [gedaagden] hiermee een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 lid 1 BW deden. Zij deelden mee dat zij bij het verstrijken van de gestelde termijn de werkzaamheden door een ander bedrijf zouden laten herstellen en uitvoeren en dat de kosten daarvan op [eiser] verhaald zouden worden. Daarmee zijn de verplichtingen van [eiser] – met het verstrijken van de gestelde termijn – feitelijk omgezet in een verplichting tot het betalen van vervangende schadevergoeding.
4.14.
Wanneer een niet nagekomen verbintenis voortvloeit uit een wederkerige overeenkomst, heeft de schuldeiser in principe de keuze tussen vervangende schadevergoeding en ontbinding. Als hiervoor uiteengezet hebben [gedaagden] met de brief van 18 november 2024 gekozen voor vervangende schadevergoeding.
4.15.
[gedaagden] leggen – ook nadat bij de mondelinge behandeling over bovenstaande problematiek van de omzettingsverklaring is gesproken – aan hun vorderingen alleen een beroep op ontbinding ten grondslag. Zoals hiervoor overwogen kunnen [gedaagden] na de omzettingsverklaring echter in beginsel niet meer op de omzetting terug komen en alsnog een beroep doen op ontbinding. Dat is enkel anders als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [gedaagden] aan hun omzettingsverklaring te houden. Dit is noch door [gedaagden] gesteld noch (gelet op de terughoudende toets van de rechtbank) gebleken.
4.16.
[gedaagden] konden dus niet meer terugkomen op hun keuze voor vervangende schadevergoeding en waren op 31 juli 2025 dus niet gerechtigd de overeenkomst te ontbinden. De rechtbank merkt in dit verband op dat het bedrag dat [gedaagden] uit hoofde van de ongedaanmakingsverbintenis vorderen voor een gedeelte is gebaseerd op gestelde gebreken die eerst na de ingebrekestelling op 18 november 2024 naar boven zijn gekomen (met name naar aanleiding van het deskundigenonderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van de blokhut). [eiser] is voor deze gebreken echter niet in gebreke gesteld, zodat [eiser] voor deze gestelde gebreken überhaupt niet in verzuim verkeert.
4.17.
Het gevolg van het voorgaande is dat de vordering uit hoofde van een ongedaanmakingsverplichting na ontbinding (gevorderde sub I) niet toewijsbaar is. Ook de vordering tot vergoeding van de gevorderde schadevergoeding naast de ontbinding (ex artikel 6:277 BW) zal bij gebreke van een rechtsgeldige ontbinding worden afgewezen. Omdat deze vorderingen worden afgewezen zal de rechtbank ook de gevorderde veroordelingen in de kosten afwijzen. Omdat de vorderingen van [gedaagden] worden afgewezen, hoeft hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over de inhoud van het deskundigenrapport, de waarde van het werk en de schadeberekening, niet te worden besproken.
4.18.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
1.414,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.275,00
in (voorwaardelijke) reconventie
4.19.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat geen sprake is van een rechtsgeldige ontbinding. Dat betekent dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld vervuld is, zodat de rechtbank deze vordering hierna zal beoordelen.
4.20.
[eiser] vordert betaling van de laatste termijn ad € 3.000 die [gedaagden] onbetaald hebben gelaten te vermeerderen met rente. Volgens [eiser] is deze termijn verschuldigd, nu het werk als opgeleverd dient te worden beschouwd.
4.21.
[gedaagden] voeren verweer. Primair stellen zij zich op het standpunt dat de overeenkomst bevoegdelijk is ontbonden. Subsidiair betwisten zij – samengevat – dat de vierde termijn opeisbaar is, omdat het werk niet is opgeleverd.
4.22.
Aan het primaire verweer gaat de rechtbank voorbij gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Het subsidiaire verweer slaagt wel. Zoals hiervoor overwogen is tussen partijen niet in geschil dat de voordeur en de kozijnen met openslaande deuren in de achtergevel niet geleverd en geplaatst zijn en dat de hierbij behorende werkzaamheden (het doorbreken van een bestaande muur en het wijzigen van de gevelindeling) nog niet zijn verricht. Alleen al hierom kan naar het oordeel van de rechtbank het werk niet als opgeleverd worden beschouwd. Dat terzake sprake is van ondergeschikte werkzaamheden, zoals [eiser] betoogt, volgt de rechtbank niet omdat het hier een substantiële post betreft, waarbij de rechtbank opmerkt dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling de waarde van het leveren en monteren van de kozijnen en deuren zelf heeft geschat op een bedrag van circa € 6.000. Nu tussen partijen is overeengekomen dat de vierde termijn eerst bij oplevering zou dienen te worden betaald en geen sprake is geweest van oplevering, is deze termijn dus niet opeisbaar. Zoals hiervoor overwogen lijkt [eiser] daar zelf overigens ook van uit te zijn gegaan (zie 4.8). De vordering zal daarom worden afgewezen.
4.23.
Het voorgaande betekent dat [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
554,00
(2 punten × € 554,00 x 0,5)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
786,00
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
vernietigt het door deze rechtbank op 5 november 2025 onder zaaknummer C/15/370195/ HA ZA 25-643 gewezen verstekvonnis,
en opnieuw rechtdoende:
in conventie
5.2.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 3.275,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.6.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 786,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.7.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
Artikel 265 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 6:265 lid 2 BW
Artikel 6:82 lid 1 BW