Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:9007
2026-06-30
Bestuursrecht; Belastingrecht
HAA - 25 _ 2868
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Foutenleer kan niet worden toegepast ten aanzien van correcties wat betreft de volgens belanghebbende vermeende te hoge in rekening gebrachte en bijgeschreven rente op de aandeelhouderslening. Vertrouwensbeginsel niet geschonden. Aandeelhoudersvordering en pensioenvoorziening terecht op de balans.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:2007:BA0721 Hoge Raad 16-03-2007
- ECLI:NL:HR:2009:BB5878 Hoge Raad 13-03-2009
- ECLI:NL:HR:2025:850 Hoge Raad 06-06-2025
- ECLI:NL:HR:2010:BN6304 Hoge Raad 10-09-2010
- ECLI:NL:HR:2018:673 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:HR:2020:1069 Hoge Raad 19-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.823 tekens)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: HAA 25/2868
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [gemeente] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.D. Kamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbare winst van negatief € 47.850.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026 te Haarlem.
Namens belanghebbende zijn haar gemachtigde, [naam 1] (kantoorgenoot van de gemachtigde) en [naam 2] (bestuurder van belanghebbende) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
Algemeen
1. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door de heer [naam 2] (hierna: de aandeelhouder). De aandeelhouder is tevens de enig bestuurder van belanghebbende.
De aandeelhouderslening
2. Op 21 november 1999 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen belanghebbende (als schuldeiser) en de aandeelhouder (als schuldenaar) (hierna: de leningsovereenkomst of de aandeelhouderslening). De hiermee samenhangende balanspost van belanghebbende wordt hierna aangeduid als: de aandeelhoudersvordering.
3. In de leningsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘(…)
dat [belanghebbende] haar niet dadelijk voor de uitoefening voor haar activiteiten benodigde liquide middelen ten leen ter beschikking wil stellen aan [de aandeelhouder];
komen als volgt overeen:
[de aandeelhouder] verklaart ontvangen te hebben van [belanghebbende] een krediet in rekening-courant tot een maximum van f 2.000.000,00 (…), onder de volgende voorwaarden en bedingen:
(…)
c. Over het gebruikte deel van de kredietfaciliteiten is [de aandeelhouder] [belanghebbende] jaarlijks rente verschuldigd, welke rente aan het eind van het kalenderjaar wordt berekend. Het op 1 december van dat jaar geldende [toevoeging rechtbank: met pen is ‘3maands’ bijgeschreven] Euribor tarief, verhoogd met een opslag van 0,6%.
d. Het rekeningcourant krediet zal jaarlijks met f 200.000 worden afgelost c.q. afnemen, met ingang van 1999. Uiterlijk in 2009 zal de stand van de rekeningcourant nihil bedragen.
(…)’
4. De aan de aandeelhouder in rekening gebrachte rente op de aandeelhouderslening is gedurende de jaren 2001 tot en met 2018 bijgeschreven op de aandeelhoudersvordering.
5. In de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 is de aandeelhoudersvordering aan het einde van het boekjaar gewaardeerd op een bedrag van € 871.240.
De pensioenvoorziening
6. Op 15 december 1995 heeft belanghebbende een pensioenbrief aan de aandeelhouder uitgereikt (hierna: de pensioenbrief).
7. Op basis van de pensioenbrief is in het jaar 2001 een berekening van de pensioenvoorziening per ultimo van het jaar 1999 gemaakt, waarin een pensioenvoorziening van f 311.021 (€ 141.135) is berekend.
8. In de jaren na 1999 is de pensioenvoorziening ongewijzigd op de balans op een bedrag van € 141.135 blijven staan.
Aangifte/aanslag/bezwaarfase
9. Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 gedaan (hierna: de aangifte). In de aangifte is een belastbare winst van negatief € 47.850 opgenomen, mede als gevolg van een ‘overige buitengewone last’ ter grootte van € 48.703.
10. In de aangifte is de aandeelhoudersvordering per eind 2019 gewaardeerd op een bedrag van € 686.283, waarop volgens de aangifte een bedrag van € 1.489 aan rente is bijgeschreven in het jaar 2019.
11. In de aangifte is tevens een voorziening ‘lijfrente, pensioen en stamrechten’ opgenomen voor een bedrag van € 141.135.
12. Per e-mailbericht van 25 oktober 2022 stuurt verweerder naar belanghebbende een vragenbrief, waarin onder meer is vermeld:
‘(…)
Naar aanleiding van de door uw kantoor verzorgde aangifte Vpb 2019 ten name van [belanghebbende] (…), heb ik een vraag.
In de aangifte vermeldt u in de V&W een (overige) buitengewone last t.b.v. € 48.703.
Gaarne ontvang ik van u een toelichting op deze last.
(…)’
13. Per e-mailbericht van 16 november 2022 stuurt verweerder naar belanghebbende een verzoek te reageren op zijn eerdere e-mailbericht en vraagt verweerder:
‘(…)
Aanvullend op die vragenbrief wil ik u ook vragen naar de rente die [belanghebbende] m.i. van 2019 rekent op haar vordering op de dga, [de aandeelhouder].
In de aangifte Vpb 2019 wordt een opbrengst aangegeven van € 1.489 op de vordering t.b.v. € 686.283. Ik zou graag vernemen welk rentepercentage wordt gerekend en op grond van welke overeenkomst dat is gebeurd.
(…)’
14. Per e-mailbericht van 21 november 2022 reageert belanghebbende, voor zover van belang, als volgt:
‘(…)
[Verweerder] heeft naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting 2019 vragen gesteld (…). Omdat de vragen in grote mate samenhangen met dezelfde problematiek, heb ik (…) voorgesteld verder gezamenlijk op te trekken. (…)’
15. Per e-mailbericht van 23 november 2022 reageert verweerder:
‘(…)
Ik wil u beiden bij deze vragen uw opstelling te heroverwegen en toch nu te antwoorden. [De gemachtigde] heeft de aangifte verzorgd en naar ik meen is het ‘goed gebruik’ dat t.b.v. de beoordeling door de belastingdienst op vragen dezerzijds wordt geantwoord. Of er uberhaupt een geschilpunt is m.b.t. de Vpb 2019 wordt mij door uw opstelling niet duidelijk. T.a.v. bijvoorbeeld de buitengewone last weet ik op dit moment niet eens waar die betrekking op heeft. Ik zou graag zelf een oordeel vormen over de aangifte.
(…)’
16. Per e-mailbericht van 24 november 2022 reageert belanghebbende:
‘(…) stuur ik u als bijlage een specificatie van de buitengewone last van € 48.703,20 in de aangifte Vpb 2019 van [belanghebbende].
Toelichting: In de jaren 2015 t/m 2018 is rente berekend over het saldo van de rekening courant van de DGA. In 2019 is die rente herberekend, gebaseerd op de overeenkomst van geldlening d.d. 21-11-1999. Dit leidde tot lagere rente over de genoemde jaren, dus een eenmalige buitengewone last voor [belanghebbende] in 2019. (…)’
Bij het e-mailbericht is een overzicht ‘ [belanghebbende] BV – correctie berekende rente over rkg crt directie’ gevoegd, waarin belanghebbende een berekening voor de jaren 2015 tot en met 2018 heeft gemaakt. Het totaalbedrag aan berekende correctie bedraagt hierin € 48.703,20.
17. Per e-mailbericht van 24 november 2022 reageert verweerder:
‘(…)
De stand van zaken m.b.t. de Vpb 2019 is op dit moment dat u op mijn eerdere vraag heeft geantwoord, ik heb uw reactie met bijlagen doorgenomen, maar dat ik nog vervolgvragen heb naar aanleiding van uw reactie. De uiterste termijn waarop ik de aangifte Vpb moet vaststellen nadert (…). Daarom stel ik u nu alvast mijn vervolgvragen.
1-U maakt met ingang van het boekjaar 2015 een herberekening van de door [belanghebbende] aan [de aandeelhouder] in rekening gebrachte rente. Uit de door u toegestuurde bijlagen volgt dat u de rente baseert op de overeenkomst van geldlening gedateerd 21 november 1999. U brengt deze last ten laste van het boekjaar 2019. Ik wil u vragen: waarom herberekend u met ingang van het jaar 2015? Is 2015 het eerste jaar geweest waarin de, zoals nu door u geconstateerd wordt, de rente niet conform de overeenkomst van geldlening is berekend? Ik veronderstel dat maar kan het niet vaststellen.
2-De herberekening vindt plaats over het "gem. saldo" blijkens de bijlage van uw email. Kunt u mij ook de onderliggende berekening van de gemiddelde saldi (per boekjaar) doen toekomen? Ter toelichting: ik beschik, o.g.v. de ingediende aangiften Vpb, enkel over de verschillende saldi van de gehele vordering op aandeelhouder per einde boekjaar kan daarom nu niet goed volgen hoe u het element "gem.saldo" heeft berekend.
(…)’
18. Per e-mailbericht van 9 mei 2023 reageert belanghebbende:
‘(…)
1) In de Vpb aangifte van 2019 hebben we ervoor gekozen om alleen de rente over 2015-2019 te corrigeren. De periode 2001-2014 was op dat moment al onderdeel van de uitgebreide discussie met uw dienst. Met onze kennis in 2020 meenden we die beter buiten de Vpb-aangifte 2019 te houden. We hopen dat het overleg met de heer [naam 5] een definitieve oplossing zal bieden.
2) Het gemiddeld saldo is de helft van de som van de stand per 01-01 plust stand per 31-12 (excl. Rente).
(…)’
19. In een e-mailbericht van 27 juni 2023 bericht verweerder aan belanghebbende als volgt:
‘(…)
Ik heb de door u gegeven onderbouwing van de buitengewone last wel beoordeeld en accepteer deze last die voorkomt uit de over 2015-2018 herberekende rente(vordering). Naar mijn mening heeft u deze terecht als fiscale last genomen. Ter toelichting merk ik op dat ik de conclusie van mijn collega [naam 5] , d.d. 27 oktober 2022, dat de hoofdsom als een onzakelijke lening moet worden aangemerkt daarmee niet volg.
Ik stel de aanslag Vpb 2019 conform de door u verzorgde aangifte vast. (…)’
20. De aanslag is met dagtekening 15 juli 2023 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Naar de hierin geaccepteerde buitengewone last ter grootte van € 48.703 wordt hierna mede verwezen als: de verleende buitengewone last.
21. Per e-mailbericht van 15 juli 2023 stuurt belanghebbende naar verweerder het volgende:
‘(…)
Dank voor uw onderstaande e-mail van 27 juni jl. Het spreekt vanzelf dat wij verheugd zijn dat u ons standpunt inzake de rente over de schuld deelt.
In mijn e-mail van 9 mei jl. schreef ik u dat we de rentecorrectie over de periode 2001 t/m 2014 niet hebben meegenomen in de vpb-aangifte 2019. Inmiddels zijn we ruim 2 maanden verder, maar we hebben nog steeds geen reactie ontvangen van uw collega de heer [naam 5] . We hebben deze afgelopen tijd gebruikt om een complete herberekening van de rente te maken, dus over de hele periode van 2001 t/m 2019. Als bijlage doe ik u de herberekening toekomen. Hieruit volgt dat er in totaal € 164.196 teveel rente in rekening is gebracht en de schuld van [de aandeelhouder] aan [belanghebbende] € 590.948,05 bedraagt per 31-12-2019.
Namens de heer [naam 2] verzoeken we u de vpb-aangifte 2019 alsnog te corrigeren met dit bedrag. Indien u daarmee akkoord gaat, dan kunnen we de vpb-aangiften van 2020 en 2021 nogmaals indienen, gecorrigeerd met deze nieuwe informatie en nieuwe situatie.
(…).’
Bij het e-mailbericht is een overzicht gevoegd, waarin belanghebbende een berekening voor de jaren 2001 tot en met 2009 heeft gemaakt. Het totaalbedrag aan berekende correctie bedraagt hierin € 164.196,31.
22. Per e-mailbericht van 24 juli 2023 reageert verweerder als volgt:
‘(…)
vervelend dat mij nu pas bericht want de aanslag is op 17 juli 2023 al gedagtekend. Dat houdt in dat ik geen wijzigingen op de door u verzorgde aangifte meer kan meenemen in het vaststellen van de aanslag.
(…)’
23. Belanghebbende heeft met dagtekening 31 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag.
24. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2024 is het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
Geschil 25. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende een aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van haar resultaat mag brengen op de grond dat:
i) belanghebbende een geslaagd beroep op de foutenleer kan doen, of
ii) belanghebbende een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.
26. Verder is in geschil of sprake is van een vrijval van de aandeelhoudersvordering en/of een vrijval van de pensioenverplichting en de daaruit voortvloeiende fiscale gevolgen (al dan niet onder toepassing van de foutenleer).
Beoordeling van het geschil
De stukken van belanghebbende
27. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende op 25 maart 2026 ingediende bijlagen behorende bij het ingediende stuk genaamd ‘pleitnota’ buiten beschouwing gelaten moet worden wegens strijd met de goede procesorde. Volgens verweerder heeft hij de bijlagen niet (goed) kunnen doornemen.
28. Indien aan de pleitnota bijlagen worden gehecht, geldt voor die bijlagen dat een afweging moet plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het inbrengen van dat bewijsmateriaal en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (vgl. HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721).
29. De rechtbank is van oordeel dat de late indiening van de bijlagen niet in strijd met de goede procesorde moet worden geacht, in ogenschouw nemend dat de bijlagen bewijsmiddelen betreffen die reeds bekend zijn of hadden kunnen zijn bij verweerder (oude aangiften, correspondentie met verweerder zelf en al eerder overgelegde bewijsmiddelen) of waarover in eerdere correspondentie al is gesproken (de arbeidsongeschiktheid van de aandeelhouder). Daar komt bij dat belanghebbende met ‘de pleitnota’ reageert op een omvangrijk en zeer recent (19 maart 2026) ingediend stuk van verweerder. Gezien deze omstandigheden worden de bijlagen niet buiten beschouwing gelaten.
Kan een (aanvullende) buitengewone last op grond van de foutenleer in aanmerking worden genomen?
30. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, met een beroep op de foutenleer, een aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van de belastbare winst van het boekjaar 2019 kan worden gebracht. De buitengewone last bestaat – volgens belanghebbende – uit te veel in rekening gebrachte en bijgeschreven rente in eerdere jaren. Het subsidiair betoogde bedrag van € 115.493 beslaat een correctie over de jaren 2001 tot en met 2014 en het primair betoogde bedrag van € 232.248 beslaat een correctie over de jaren 2001 tot en met 2018. Bij het subsidiaire bedrag gaat belanghebbende bij de berekening uit van het percentage genoemd in de leningsovereenkomst. Bij het primaire bedrag gaat belanghebbende bij de berekening uit van de situatie dat de aandeelhoudersvordering vanaf het jaar 2009 (of eerder) nihil had moeten bedragen. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende ten aanzien van het primaire bedrag aldus op dat belanghebbende betoogt dat de aandeelhoudersvordering een onzakelijke lening betreft en dat deze vordering dientengevolge niet opgenomen had moeten blijven op de balans, met als gevolg dat vanaf het jaar 2009 (helemaal) geen rente in aanmerking genomen had moeten worden.
31. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende betoogde aanvullende buitengewone last niet in het jaar 2019 in aanmerking genomen kan worden op grond van de foutenleer. Allereerst zijn volgens verweerder geen fouten gemaakt in eerdere jaren. De door belanghebbende herrekende rente is onjuist. Ten tweede, mocht de herrekening van belanghebbende wel juist zijn, dan dienen de herrekende rentebaten te worden gezien als incidentele fouten in de jaarwinsten van de desbetreffende jaren. Hierop is de foutenleer niet van toepassing, aldus verweerder.
32. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de standpunten van belanghebbende het volgende geldt. De foutenleer strekt ertoe te voorkomen, dat ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft, hetzij dubbel wordt belast (vgl. onder meer HR 22 oktober 1953, nr. 11064, B. 9293, HR 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BB5878 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850). Meer specifiek ligt in de onderhavige zaak de vraag voor of belanghebbende een (gesteld) bedrag aan onzakelijke rente die in voorafgaande jaren volgens belanghebbende ten onrechte in aanmerking is genomen, met een beroep op de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) kan corrigeren. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat de foutenleer geen grondslag verschaft voor een correctie indien de desbetreffende vermogensvermeerdering in de eerdere jaren ten onrechte in de fiscale winst is meegenomen en destijds dus geen (toereikende) correctie wegens een informele kapitaalstorting heeft plaatsgevonden. Een dergelijk geval gaat immers niet om het herstel van een gemaakte balansfout maar enkel om een correctie van de fiscale winstberekening. (Vgl. HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6304 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:673.)
33. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aandeelhouder een betalingsverplichting jegens belanghebbende heeft ter grootte van de in rekening gebrachte en bijgeschreven rente.
34. Voor zover belanghebbende de toepassing van de foutenleer baseert op het betoog dat de verschuldigde rente (deels) als onzakelijk bestempeld zou moeten worden, faalt dit. Een correctie van het in de desbetreffende jaren veronderstelde onzakelijke handelen (het in aanmerking nemen van een te hoge rente) zou in die jaren slechts leiden tot een aanpassing (verlaging) van de winst van belanghebbende voor hetzelfde bedrag als waarvoor een storting van informeel kapitaal door de aandeelhouder in belanghebbende in aanmerking genomen zou moeten worden. De correctie zou derhalve geen invloed hebben op de hoogte van het eindvermogen van het vorige boekjaar. De veronderstelde fout bestaat erin dat bij de jaarlijkse opboeking van de rentevordering (/aandeelhoudersvordering) met de in het desbetreffende jaar verschuldigde rente, ten dele een informele kapitaalstorting in aanmerking had moeten worden genomen en dat is niet gebeurd. Er is hier geen sprake van een balansfout maar enkel van een onjuiste fiscale (winst)berekening.
35. Voor zover belanghebbende de toepassing van de foutenleer baseert op het betoog dat geen rente in aanmerking genomen had moeten worden omdat de aandeelhoudersvordering niet meer op de balans had moeten staan omdat het een onzakelijke lening zou betreffen, faalt dit. Ook in deze situatie zou de correctie van het in de desbetreffende jaren veronderstelde onzakelijk handelen (het in aanmerking nemen van rente) in die jaren slechts leiden tot een aanpassing (verlaging) van de winst van belanghebbende voor hetzelfde bedrag als waarvoor een storting van informeel kapitaal door de aandeelhouder in belanghebbende in aanmerking genomen zou moeten worden. De correctie zou derhalve geen invloed hebben op de hoogte van het eindvermogen van het vorige boekjaar. Ook hier zou geen sprake zijn van een balansfout maar enkel van een onjuiste fiscale (winst)berekening.
36. Nu de foutenleer niet toegepast kan worden ten aanzien van correcties wat betreft de volgens belanghebbende vermeende te hoge in rekening gebrachte en bijgeschreven rente, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het betoog van belanghebbende dat sprake is van onzakelijk hoge rente in voorgaande jaren.
37. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende geen aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van haar resultaat mag brengen met toepassing van de foutenleer.
Kan een (aanvullende) buitengewone last wegens schending van het vertrouwensbeginsel in aanmerking worden genomen?
38. Belanghebbende heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel met het betoog dat, nu het bedrag van € 48.703 is geaccepteerd in de aangifte (de verleende buitengewone last), ook het meerdere (zijnde het subsidiair betoogde bedrag; zie onder 30) geaccepteerd moet worden. Het meerdere is volgens belanghebbende gestoeld op dezelfde grondslagen en beoordelingscriteria. Volgens verweerder is het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
39. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.).
40. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Uit het e-mailbericht van 27 juni 2023 (zie onder 19) mocht belanghebbende redelijkerwijs niet afleiden dat verweerder een buitengewone last ten aanzien van eerdere jaren (2001 tot en met 2014) zou accepteren. In het laatstgenoemde e-mailbericht is vermeld dat de door belanghebbende gegeven onderbouwing van de buitengewone last (bestaande uit een herberekening van bijgeschreven rente gedurende de jaren 2015 tot en met 2018) is beoordeeld. Uit het e-mailbericht, en ook overige correspondentie tussen partijen (onder meer betreffende aanslagen van eerdere en latere jaren), is niet op de maken dat verweerder de situatie voor het jaar 2015 heeft beoordeeld. In het aan 27 juni 2023 voorafgaande e-mailbericht van belanghebbende van 9 mei 2023 (zie onder 18) benoemt belanghebbende dat ervoor is gekozen alleen de rente vanaf de jaren 2015 te corrigeren. Daar komt bij dat dit laatstgenoemde bericht van belanghebbende een reactie is geweest op de (expliciete) vraag van verweerder ‘waarom [belanghebbende] met ingang van het jaar 2015 [de rente herberekent]’ (zie onder 17). Pas in een e-mailbericht van 15 juli 2023 (van gelijke datum als de aanslag) verzoekt belanghebbende ook de jaren voor 2015 te heroverwegen, waarbij belanghebbende pas dan nadere informatie ten aanzien van deze jaren heeft verstrekt.
Ook uit de e-mail van verweerder van 24 juli 2023 (zie onder 22), na het opleggen van de aanslag, kan gelet op de tekst daarvan niet het vertrouwen worden ontleend dat de door belanghebbende voorgestane rentecorrectie alsnog door verweerder aanvaard zou worden. Gegeven de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden uit de (e-mail)correspondentie redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe verweerder ten aanzien van de jaren voor 2015 zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
De aandeelhoudersvordering en de pensioenvoorziening
41. Belanghebbende stelt zich, in een nader stuk, op het standpunt dat de aandeelhoudersvordering en de pensioenvoorziening ten onrechte op de balans staan opgenomen.
42. Wat betreft de aandeelhoudersvordering heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is van een onzakelijke lening en dat reeds daarom deze vordering vanaf het jaar 2009 geheel van de balans had moeten verdwijnen. Belanghebbende heeft als onderbouwing aangegeven dat de financiële mogelijkheden van de aandeelhouder tot terugbetalen uitgeput waren na de verkoop van zijn eigen woning (waarbij belanghebbende onder meer naar aangiften inkomstenbelasting van de aandeelhouder verwijst). Ook was volgens belanghebbende sprake van medische moeilijkheden, als gevolg waarvan de aandeelhouder gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Daarnaast zouden in de jaren 1999 tot (en met) 2009 winstuitdelingen hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor gestelde – tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder – onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een waardeloze vordering, nog daargelaten dat het waardeloos worden van een vordering als zodanig nog niet als gevolg heeft dat de vordering in het verleden van de balans had moeten verdwijnen. De enkele verwijzing naar de overgelegde herberekeningen en de leningsovereenkomst is daarvoor overigens ook onvoldoende. Hierbij zij nog opgemerkt dat het, zo verweerder ook heeft betoogd, onduidelijk is gebleven hoe het verloop van de aandeelhoudersvordering in eerdere jaren is geweest. Ook heeft belanghebbende onvoldoende inzicht gegeven in de reden waarom het door haar ingenomen standpunt afwijkt van eerder ingediende aangiften en de eigen administratie, alsook de reden dat de in rekening gebrachte rente afwijkt van het percentage opgenomen in de leningsovereenkomst. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de aandeelhoudersvordering terecht op de balans van belanghebbende is opgenomen.
43. Voor zover belanghebbende een oordeel wenst te verkrijgen over het betoog dat verweerder (inmiddels) te laat is met het heffen van (inkomsten)belasting over de gestelde winstuitdelingen bij de aandeelhouder, zal de rechtbank daar niet toe overgaan. Deze procedure betreft enkel de onderhavige aanslag.
44. Wat betreft de pensioenvoorziening heeft belanghebbende aangevoerd dat de pensioenvoorziening uiterlijk in het jaar 2009 reeds als afgekocht dient te worden beschouwd. Ter onderbouwing heeft belanghebbende aangevoerd dat in/vanaf het jaar 2009 het vermogen van belanghebbende niet toereikend was, omdat volgens belanghebbende vanaf dat jaar de aandeelhoudersvordering van de balans had moeten verdwijnen en te veel winst in aanmerking is genomen vanwege de te veel betaalde rente.
45. Volgens verweerder is het pensioen nog voor verwezenlijking vatbaar, omdat het verrekend kan worden met de vordering in rekening-courant die belanghebbende heeft op de aandeelhouder (de aandeelhoudersvordering). Bovendien heeft belanghebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aandeelhouder heeft afgezien van het pensioen. Van vrijval van het pensioen is dus geen sprake, aldus verweerder.
46. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de uitkering van het pensioen niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verplichting van de aandeelhouder tot het betalen van rente en aflossing kan worden verrekend met het aan de aandeelhouder toekomende pensioen. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt heeft op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de aandeelhouder zijn rechten op pensioen heeft prijsgegeven. Van enige handelingen tot het prijsgeven is niet gebleken. Hierbij zij opgemerkt dat enkel uit een ongewijzigde pensioenvoorziening op de balans nog niet volgt dat belanghebbende en de aandeelhouder zijn overeengekomen de pensioenaanspraak te beëindigen.
Slotsom
47. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
48. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. M. van Doesburg, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: HAA 25/2868
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [gemeente] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.D. Kamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbare winst van negatief € 47.850.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende en verweerder hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026 te Haarlem.
Namens belanghebbende zijn haar gemachtigde, [naam 1] (kantoorgenoot van de gemachtigde) en [naam 2] (bestuurder van belanghebbende) verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
Algemeen
1. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door de heer [naam 2] (hierna: de aandeelhouder). De aandeelhouder is tevens de enig bestuurder van belanghebbende.
De aandeelhouderslening
2. Op 21 november 1999 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen belanghebbende (als schuldeiser) en de aandeelhouder (als schuldenaar) (hierna: de leningsovereenkomst of de aandeelhouderslening). De hiermee samenhangende balanspost van belanghebbende wordt hierna aangeduid als: de aandeelhoudersvordering.
3. In de leningsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘(…)
dat [belanghebbende] haar niet dadelijk voor de uitoefening voor haar activiteiten benodigde liquide middelen ten leen ter beschikking wil stellen aan [de aandeelhouder];
komen als volgt overeen:
[de aandeelhouder] verklaart ontvangen te hebben van [belanghebbende] een krediet in rekening-courant tot een maximum van f 2.000.000,00 (…), onder de volgende voorwaarden en bedingen:
(…)
c. Over het gebruikte deel van de kredietfaciliteiten is [de aandeelhouder] [belanghebbende] jaarlijks rente verschuldigd, welke rente aan het eind van het kalenderjaar wordt berekend. Het op 1 december van dat jaar geldende [toevoeging rechtbank: met pen is ‘3maands’ bijgeschreven] Euribor tarief, verhoogd met een opslag van 0,6%.
d. Het rekeningcourant krediet zal jaarlijks met f 200.000 worden afgelost c.q. afnemen, met ingang van 1999. Uiterlijk in 2009 zal de stand van de rekeningcourant nihil bedragen.
(…)’
4. De aan de aandeelhouder in rekening gebrachte rente op de aandeelhouderslening is gedurende de jaren 2001 tot en met 2018 bijgeschreven op de aandeelhoudersvordering.
5. In de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2018 is de aandeelhoudersvordering aan het einde van het boekjaar gewaardeerd op een bedrag van € 871.240.
De pensioenvoorziening
6. Op 15 december 1995 heeft belanghebbende een pensioenbrief aan de aandeelhouder uitgereikt (hierna: de pensioenbrief).
7. Op basis van de pensioenbrief is in het jaar 2001 een berekening van de pensioenvoorziening per ultimo van het jaar 1999 gemaakt, waarin een pensioenvoorziening van f 311.021 (€ 141.135) is berekend.
8. In de jaren na 1999 is de pensioenvoorziening ongewijzigd op de balans op een bedrag van € 141.135 blijven staan.
Aangifte/aanslag/bezwaarfase
9. Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2019 gedaan (hierna: de aangifte). In de aangifte is een belastbare winst van negatief € 47.850 opgenomen, mede als gevolg van een ‘overige buitengewone last’ ter grootte van € 48.703.
10. In de aangifte is de aandeelhoudersvordering per eind 2019 gewaardeerd op een bedrag van € 686.283, waarop volgens de aangifte een bedrag van € 1.489 aan rente is bijgeschreven in het jaar 2019.
11. In de aangifte is tevens een voorziening ‘lijfrente, pensioen en stamrechten’ opgenomen voor een bedrag van € 141.135.
12. Per e-mailbericht van 25 oktober 2022 stuurt verweerder naar belanghebbende een vragenbrief, waarin onder meer is vermeld:
‘(…)
Naar aanleiding van de door uw kantoor verzorgde aangifte Vpb 2019 ten name van [belanghebbende] (…), heb ik een vraag.
In de aangifte vermeldt u in de V&W een (overige) buitengewone last t.b.v. € 48.703.
Gaarne ontvang ik van u een toelichting op deze last.
(…)’
13. Per e-mailbericht van 16 november 2022 stuurt verweerder naar belanghebbende een verzoek te reageren op zijn eerdere e-mailbericht en vraagt verweerder:
‘(…)
Aanvullend op die vragenbrief wil ik u ook vragen naar de rente die [belanghebbende] m.i. van 2019 rekent op haar vordering op de dga, [de aandeelhouder].
In de aangifte Vpb 2019 wordt een opbrengst aangegeven van € 1.489 op de vordering t.b.v. € 686.283. Ik zou graag vernemen welk rentepercentage wordt gerekend en op grond van welke overeenkomst dat is gebeurd.
(…)’
14. Per e-mailbericht van 21 november 2022 reageert belanghebbende, voor zover van belang, als volgt:
‘(…)
[Verweerder] heeft naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting 2019 vragen gesteld (…). Omdat de vragen in grote mate samenhangen met dezelfde problematiek, heb ik (…) voorgesteld verder gezamenlijk op te trekken. (…)’
15. Per e-mailbericht van 23 november 2022 reageert verweerder:
‘(…)
Ik wil u beiden bij deze vragen uw opstelling te heroverwegen en toch nu te antwoorden. [De gemachtigde] heeft de aangifte verzorgd en naar ik meen is het ‘goed gebruik’ dat t.b.v. de beoordeling door de belastingdienst op vragen dezerzijds wordt geantwoord. Of er uberhaupt een geschilpunt is m.b.t. de Vpb 2019 wordt mij door uw opstelling niet duidelijk. T.a.v. bijvoorbeeld de buitengewone last weet ik op dit moment niet eens waar die betrekking op heeft. Ik zou graag zelf een oordeel vormen over de aangifte.
(…)’
16. Per e-mailbericht van 24 november 2022 reageert belanghebbende:
‘(…) stuur ik u als bijlage een specificatie van de buitengewone last van € 48.703,20 in de aangifte Vpb 2019 van [belanghebbende].
Toelichting: In de jaren 2015 t/m 2018 is rente berekend over het saldo van de rekening courant van de DGA. In 2019 is die rente herberekend, gebaseerd op de overeenkomst van geldlening d.d. 21-11-1999. Dit leidde tot lagere rente over de genoemde jaren, dus een eenmalige buitengewone last voor [belanghebbende] in 2019. (…)’
Bij het e-mailbericht is een overzicht ‘ [belanghebbende] BV – correctie berekende rente over rkg crt directie’ gevoegd, waarin belanghebbende een berekening voor de jaren 2015 tot en met 2018 heeft gemaakt. Het totaalbedrag aan berekende correctie bedraagt hierin € 48.703,20.
17. Per e-mailbericht van 24 november 2022 reageert verweerder:
‘(…)
De stand van zaken m.b.t. de Vpb 2019 is op dit moment dat u op mijn eerdere vraag heeft geantwoord, ik heb uw reactie met bijlagen doorgenomen, maar dat ik nog vervolgvragen heb naar aanleiding van uw reactie. De uiterste termijn waarop ik de aangifte Vpb moet vaststellen nadert (…). Daarom stel ik u nu alvast mijn vervolgvragen.
1-U maakt met ingang van het boekjaar 2015 een herberekening van de door [belanghebbende] aan [de aandeelhouder] in rekening gebrachte rente. Uit de door u toegestuurde bijlagen volgt dat u de rente baseert op de overeenkomst van geldlening gedateerd 21 november 1999. U brengt deze last ten laste van het boekjaar 2019. Ik wil u vragen: waarom herberekend u met ingang van het jaar 2015? Is 2015 het eerste jaar geweest waarin de, zoals nu door u geconstateerd wordt, de rente niet conform de overeenkomst van geldlening is berekend? Ik veronderstel dat maar kan het niet vaststellen.
2-De herberekening vindt plaats over het "gem. saldo" blijkens de bijlage van uw email. Kunt u mij ook de onderliggende berekening van de gemiddelde saldi (per boekjaar) doen toekomen? Ter toelichting: ik beschik, o.g.v. de ingediende aangiften Vpb, enkel over de verschillende saldi van de gehele vordering op aandeelhouder per einde boekjaar kan daarom nu niet goed volgen hoe u het element "gem.saldo" heeft berekend.
(…)’
18. Per e-mailbericht van 9 mei 2023 reageert belanghebbende:
‘(…)
1) In de Vpb aangifte van 2019 hebben we ervoor gekozen om alleen de rente over 2015-2019 te corrigeren. De periode 2001-2014 was op dat moment al onderdeel van de uitgebreide discussie met uw dienst. Met onze kennis in 2020 meenden we die beter buiten de Vpb-aangifte 2019 te houden. We hopen dat het overleg met de heer [naam 5] een definitieve oplossing zal bieden.
2) Het gemiddeld saldo is de helft van de som van de stand per 01-01 plust stand per 31-12 (excl. Rente).
(…)’
19. In een e-mailbericht van 27 juni 2023 bericht verweerder aan belanghebbende als volgt:
‘(…)
Ik heb de door u gegeven onderbouwing van de buitengewone last wel beoordeeld en accepteer deze last die voorkomt uit de over 2015-2018 herberekende rente(vordering). Naar mijn mening heeft u deze terecht als fiscale last genomen. Ter toelichting merk ik op dat ik de conclusie van mijn collega [naam 5] , d.d. 27 oktober 2022, dat de hoofdsom als een onzakelijke lening moet worden aangemerkt daarmee niet volg.
Ik stel de aanslag Vpb 2019 conform de door u verzorgde aangifte vast. (…)’
20. De aanslag is met dagtekening 15 juli 2023 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld. Naar de hierin geaccepteerde buitengewone last ter grootte van € 48.703 wordt hierna mede verwezen als: de verleende buitengewone last.
21. Per e-mailbericht van 15 juli 2023 stuurt belanghebbende naar verweerder het volgende:
‘(…)
Dank voor uw onderstaande e-mail van 27 juni jl. Het spreekt vanzelf dat wij verheugd zijn dat u ons standpunt inzake de rente over de schuld deelt.
In mijn e-mail van 9 mei jl. schreef ik u dat we de rentecorrectie over de periode 2001 t/m 2014 niet hebben meegenomen in de vpb-aangifte 2019. Inmiddels zijn we ruim 2 maanden verder, maar we hebben nog steeds geen reactie ontvangen van uw collega de heer [naam 5] . We hebben deze afgelopen tijd gebruikt om een complete herberekening van de rente te maken, dus over de hele periode van 2001 t/m 2019. Als bijlage doe ik u de herberekening toekomen. Hieruit volgt dat er in totaal € 164.196 teveel rente in rekening is gebracht en de schuld van [de aandeelhouder] aan [belanghebbende] € 590.948,05 bedraagt per 31-12-2019.
Namens de heer [naam 2] verzoeken we u de vpb-aangifte 2019 alsnog te corrigeren met dit bedrag. Indien u daarmee akkoord gaat, dan kunnen we de vpb-aangiften van 2020 en 2021 nogmaals indienen, gecorrigeerd met deze nieuwe informatie en nieuwe situatie.
(…).’
Bij het e-mailbericht is een overzicht gevoegd, waarin belanghebbende een berekening voor de jaren 2001 tot en met 2009 heeft gemaakt. Het totaalbedrag aan berekende correctie bedraagt hierin € 164.196,31.
22. Per e-mailbericht van 24 juli 2023 reageert verweerder als volgt:
‘(…)
vervelend dat mij nu pas bericht want de aanslag is op 17 juli 2023 al gedagtekend. Dat houdt in dat ik geen wijzigingen op de door u verzorgde aangifte meer kan meenemen in het vaststellen van de aanslag.
(…)’
23. Belanghebbende heeft met dagtekening 31 juli 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag.
24. Bij uitspraak op bezwaar van 1 augustus 2024 is het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
Geschil 25. In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende een aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van haar resultaat mag brengen op de grond dat:
i) belanghebbende een geslaagd beroep op de foutenleer kan doen, of
ii) belanghebbende een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.
26. Verder is in geschil of sprake is van een vrijval van de aandeelhoudersvordering en/of een vrijval van de pensioenverplichting en de daaruit voortvloeiende fiscale gevolgen (al dan niet onder toepassing van de foutenleer).
Beoordeling van het geschil
De stukken van belanghebbende
27. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende op 25 maart 2026 ingediende bijlagen behorende bij het ingediende stuk genaamd ‘pleitnota’ buiten beschouwing gelaten moet worden wegens strijd met de goede procesorde. Volgens verweerder heeft hij de bijlagen niet (goed) kunnen doornemen.
28. Indien aan de pleitnota bijlagen worden gehecht, geldt voor die bijlagen dat een afweging moet plaatsvinden van enerzijds het belang dat die partij heeft bij het inbrengen van dat bewijsmateriaal en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (vgl. HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0721).
29. De rechtbank is van oordeel dat de late indiening van de bijlagen niet in strijd met de goede procesorde moet worden geacht, in ogenschouw nemend dat de bijlagen bewijsmiddelen betreffen die reeds bekend zijn of hadden kunnen zijn bij verweerder (oude aangiften, correspondentie met verweerder zelf en al eerder overgelegde bewijsmiddelen) of waarover in eerdere correspondentie al is gesproken (de arbeidsongeschiktheid van de aandeelhouder). Daar komt bij dat belanghebbende met ‘de pleitnota’ reageert op een omvangrijk en zeer recent (19 maart 2026) ingediend stuk van verweerder. Gezien deze omstandigheden worden de bijlagen niet buiten beschouwing gelaten.
Kan een (aanvullende) buitengewone last op grond van de foutenleer in aanmerking worden genomen?
30. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, met een beroep op de foutenleer, een aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van de belastbare winst van het boekjaar 2019 kan worden gebracht. De buitengewone last bestaat – volgens belanghebbende – uit te veel in rekening gebrachte en bijgeschreven rente in eerdere jaren. Het subsidiair betoogde bedrag van € 115.493 beslaat een correctie over de jaren 2001 tot en met 2014 en het primair betoogde bedrag van € 232.248 beslaat een correctie over de jaren 2001 tot en met 2018. Bij het subsidiaire bedrag gaat belanghebbende bij de berekening uit van het percentage genoemd in de leningsovereenkomst. Bij het primaire bedrag gaat belanghebbende bij de berekening uit van de situatie dat de aandeelhoudersvordering vanaf het jaar 2009 (of eerder) nihil had moeten bedragen. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende ten aanzien van het primaire bedrag aldus op dat belanghebbende betoogt dat de aandeelhoudersvordering een onzakelijke lening betreft en dat deze vordering dientengevolge niet opgenomen had moeten blijven op de balans, met als gevolg dat vanaf het jaar 2009 (helemaal) geen rente in aanmerking genomen had moeten worden.
31. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door belanghebbende betoogde aanvullende buitengewone last niet in het jaar 2019 in aanmerking genomen kan worden op grond van de foutenleer. Allereerst zijn volgens verweerder geen fouten gemaakt in eerdere jaren. De door belanghebbende herrekende rente is onjuist. Ten tweede, mocht de herrekening van belanghebbende wel juist zijn, dan dienen de herrekende rentebaten te worden gezien als incidentele fouten in de jaarwinsten van de desbetreffende jaren. Hierop is de foutenleer niet van toepassing, aldus verweerder.
32. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de standpunten van belanghebbende het volgende geldt. De foutenleer strekt ertoe te voorkomen, dat ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een deel van de bedrijfswinst onbelast blijft, hetzij dubbel wordt belast (vgl. onder meer HR 22 oktober 1953, nr. 11064, B. 9293, HR 13 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BB5878 en HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:850). Meer specifiek ligt in de onderhavige zaak de vraag voor of belanghebbende een (gesteld) bedrag aan onzakelijke rente die in voorafgaande jaren volgens belanghebbende ten onrechte in aanmerking is genomen, met een beroep op de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) kan corrigeren. Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat de foutenleer geen grondslag verschaft voor een correctie indien de desbetreffende vermogensvermeerdering in de eerdere jaren ten onrechte in de fiscale winst is meegenomen en destijds dus geen (toereikende) correctie wegens een informele kapitaalstorting heeft plaatsgevonden. Een dergelijk geval gaat immers niet om het herstel van een gemaakte balansfout maar enkel om een correctie van de fiscale winstberekening. (Vgl. HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6304 en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:673.)
33. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de aandeelhouder een betalingsverplichting jegens belanghebbende heeft ter grootte van de in rekening gebrachte en bijgeschreven rente.
34. Voor zover belanghebbende de toepassing van de foutenleer baseert op het betoog dat de verschuldigde rente (deels) als onzakelijk bestempeld zou moeten worden, faalt dit. Een correctie van het in de desbetreffende jaren veronderstelde onzakelijke handelen (het in aanmerking nemen van een te hoge rente) zou in die jaren slechts leiden tot een aanpassing (verlaging) van de winst van belanghebbende voor hetzelfde bedrag als waarvoor een storting van informeel kapitaal door de aandeelhouder in belanghebbende in aanmerking genomen zou moeten worden. De correctie zou derhalve geen invloed hebben op de hoogte van het eindvermogen van het vorige boekjaar. De veronderstelde fout bestaat erin dat bij de jaarlijkse opboeking van de rentevordering (/aandeelhoudersvordering) met de in het desbetreffende jaar verschuldigde rente, ten dele een informele kapitaalstorting in aanmerking had moeten worden genomen en dat is niet gebeurd. Er is hier geen sprake van een balansfout maar enkel van een onjuiste fiscale (winst)berekening.
35. Voor zover belanghebbende de toepassing van de foutenleer baseert op het betoog dat geen rente in aanmerking genomen had moeten worden omdat de aandeelhoudersvordering niet meer op de balans had moeten staan omdat het een onzakelijke lening zou betreffen, faalt dit. Ook in deze situatie zou de correctie van het in de desbetreffende jaren veronderstelde onzakelijk handelen (het in aanmerking nemen van rente) in die jaren slechts leiden tot een aanpassing (verlaging) van de winst van belanghebbende voor hetzelfde bedrag als waarvoor een storting van informeel kapitaal door de aandeelhouder in belanghebbende in aanmerking genomen zou moeten worden. De correctie zou derhalve geen invloed hebben op de hoogte van het eindvermogen van het vorige boekjaar. Ook hier zou geen sprake zijn van een balansfout maar enkel van een onjuiste fiscale (winst)berekening.
36. Nu de foutenleer niet toegepast kan worden ten aanzien van correcties wat betreft de volgens belanghebbende vermeende te hoge in rekening gebrachte en bijgeschreven rente, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het betoog van belanghebbende dat sprake is van onzakelijk hoge rente in voorgaande jaren.
37. Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende geen aanvullende buitengewone last (primair ter grootte van € 232.248 en subsidiair ter grootte van € 115.493) ten laste van haar resultaat mag brengen met toepassing van de foutenleer.
Kan een (aanvullende) buitengewone last wegens schending van het vertrouwensbeginsel in aanmerking worden genomen?
38. Belanghebbende heeft zich beroepen op het vertrouwensbeginsel met het betoog dat, nu het bedrag van € 48.703 is geaccepteerd in de aangifte (de verleende buitengewone last), ook het meerdere (zijnde het subsidiair betoogde bedrag; zie onder 30) geaccepteerd moet worden. Het meerdere is volgens belanghebbende gestoeld op dezelfde grondslagen en beoordelingscriteria. Volgens verweerder is het vertrouwensbeginsel niet geschonden.
39. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist is dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van verweerder toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe verweerder in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, r.o. 2.3.1.).
40. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Uit het e-mailbericht van 27 juni 2023 (zie onder 19) mocht belanghebbende redelijkerwijs niet afleiden dat verweerder een buitengewone last ten aanzien van eerdere jaren (2001 tot en met 2014) zou accepteren. In het laatstgenoemde e-mailbericht is vermeld dat de door belanghebbende gegeven onderbouwing van de buitengewone last (bestaande uit een herberekening van bijgeschreven rente gedurende de jaren 2015 tot en met 2018) is beoordeeld. Uit het e-mailbericht, en ook overige correspondentie tussen partijen (onder meer betreffende aanslagen van eerdere en latere jaren), is niet op de maken dat verweerder de situatie voor het jaar 2015 heeft beoordeeld. In het aan 27 juni 2023 voorafgaande e-mailbericht van belanghebbende van 9 mei 2023 (zie onder 18) benoemt belanghebbende dat ervoor is gekozen alleen de rente vanaf de jaren 2015 te corrigeren. Daar komt bij dat dit laatstgenoemde bericht van belanghebbende een reactie is geweest op de (expliciete) vraag van verweerder ‘waarom [belanghebbende] met ingang van het jaar 2015 [de rente herberekent]’ (zie onder 17). Pas in een e-mailbericht van 15 juli 2023 (van gelijke datum als de aanslag) verzoekt belanghebbende ook de jaren voor 2015 te heroverwegen, waarbij belanghebbende pas dan nadere informatie ten aanzien van deze jaren heeft verstrekt.
Ook uit de e-mail van verweerder van 24 juli 2023 (zie onder 22), na het opleggen van de aanslag, kan gelet op de tekst daarvan niet het vertrouwen worden ontleend dat de door belanghebbende voorgestane rentecorrectie alsnog door verweerder aanvaard zou worden. Gegeven de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden uit de (e-mail)correspondentie redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe verweerder ten aanzien van de jaren voor 2015 zijn bevoegdheden zou uitoefenen.
De aandeelhoudersvordering en de pensioenvoorziening
41. Belanghebbende stelt zich, in een nader stuk, op het standpunt dat de aandeelhoudersvordering en de pensioenvoorziening ten onrechte op de balans staan opgenomen.
42. Wat betreft de aandeelhoudersvordering heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is van een onzakelijke lening en dat reeds daarom deze vordering vanaf het jaar 2009 geheel van de balans had moeten verdwijnen. Belanghebbende heeft als onderbouwing aangegeven dat de financiële mogelijkheden van de aandeelhouder tot terugbetalen uitgeput waren na de verkoop van zijn eigen woning (waarbij belanghebbende onder meer naar aangiften inkomstenbelasting van de aandeelhouder verwijst). Ook was volgens belanghebbende sprake van medische moeilijkheden, als gevolg waarvan de aandeelhouder gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Daarnaast zouden in de jaren 1999 tot (en met) 2009 winstuitdelingen hebben plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is het hiervoor gestelde – tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder – onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een waardeloze vordering, nog daargelaten dat het waardeloos worden van een vordering als zodanig nog niet als gevolg heeft dat de vordering in het verleden van de balans had moeten verdwijnen. De enkele verwijzing naar de overgelegde herberekeningen en de leningsovereenkomst is daarvoor overigens ook onvoldoende. Hierbij zij nog opgemerkt dat het, zo verweerder ook heeft betoogd, onduidelijk is gebleven hoe het verloop van de aandeelhoudersvordering in eerdere jaren is geweest. Ook heeft belanghebbende onvoldoende inzicht gegeven in de reden waarom het door haar ingenomen standpunt afwijkt van eerder ingediende aangiften en de eigen administratie, alsook de reden dat de in rekening gebrachte rente afwijkt van het percentage opgenomen in de leningsovereenkomst. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de aandeelhoudersvordering terecht op de balans van belanghebbende is opgenomen.
43. Voor zover belanghebbende een oordeel wenst te verkrijgen over het betoog dat verweerder (inmiddels) te laat is met het heffen van (inkomsten)belasting over de gestelde winstuitdelingen bij de aandeelhouder, zal de rechtbank daar niet toe overgaan. Deze procedure betreft enkel de onderhavige aanslag.
44. Wat betreft de pensioenvoorziening heeft belanghebbende aangevoerd dat de pensioenvoorziening uiterlijk in het jaar 2009 reeds als afgekocht dient te worden beschouwd. Ter onderbouwing heeft belanghebbende aangevoerd dat in/vanaf het jaar 2009 het vermogen van belanghebbende niet toereikend was, omdat volgens belanghebbende vanaf dat jaar de aandeelhoudersvordering van de balans had moeten verdwijnen en te veel winst in aanmerking is genomen vanwege de te veel betaalde rente.
45. Volgens verweerder is het pensioen nog voor verwezenlijking vatbaar, omdat het verrekend kan worden met de vordering in rekening-courant die belanghebbende heeft op de aandeelhouder (de aandeelhoudersvordering). Bovendien heeft belanghebbende geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de aandeelhouder heeft afgezien van het pensioen. Van vrijval van het pensioen is dus geen sprake, aldus verweerder.
46. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de uitkering van het pensioen niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verplichting van de aandeelhouder tot het betalen van rente en aflossing kan worden verrekend met het aan de aandeelhouder toekomende pensioen. Verder is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt heeft op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de aandeelhouder zijn rechten op pensioen heeft prijsgegeven. Van enige handelingen tot het prijsgeven is niet gebleken. Hierbij zij opgemerkt dat enkel uit een ongewijzigde pensioenvoorziening op de balans nog niet volgt dat belanghebbende en de aandeelhouder zijn overeengekomen de pensioenaanspraak te beëindigen.
Slotsom
47. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
48. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. G.H. de Soeten en mr. M. van Doesburg, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).