Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8998
2026-07-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/380295
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.499 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380295 / JU RK 26-1122
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting (PI) [PI] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 16 juli 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3. Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder 24-uurs te verlenen voor de duur van 4 weken . De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De Raad verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder 24-uurs, te verlenen voor het resterende deel van voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De moeder woont samen met [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en haar zestien jaar oude zoon, [oudste zoon] . In het weekend van 11 juli 2026 zijn de moeder en [oudste zoon] aangehouden na een conflict. Zij worden ervan verdacht hierbij iemand te hebben verwond met een mes en zijn door de rechter-commissaris in strafzaken in bewaring gesteld voor een periode van 14 dagen. De moeder is aangehouden in aanwezigheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij verblijft in de Penitentiaire Inrichting [PI] en [oudste zoon] verblijft in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI). De moeder heeft een geschiedenis van conflicten met, onder andere, buren, leerkrachten, de wijkagent en hulpverlening vanuit Leviaan. De moeder lijkt in conflictsituaties snel over te gaan tot escalatie. Daarnaast bestaan er vermoedens van alcohol- en drugsgebruik door moeder en psychische problematiek.
4.2.
De meisjes hebben verschillende vaders. De vader van [de minderjarige 1] verblijft in Suriname. De vader van [de minderjarige 2] (en [oudste zoon] ) heeft geen contact met het gezin. Er zou sprake zijn van een contactverbod jegens hem vanwege angst vanuit de moeder en mogelijk seksueel misbruik van [de minderjarige 2] . Beide vaders hebben geen gezag.
4.3.
Na de aanhouding van de moeder zijn [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en de hond bij oma (moederszijde) ondergebracht. Oma heeft aangegeven de zorg voor de kinderen niet langer te kunnen en willen dragen. De moeder heeft zich de afgelopen periode telefonisch ook dreigend opgesteld ten aanzien van oma en de meisjes luisteren niet naar oma en zijn bij haar niet te handhaven.
4.4.
De moeder is het niet eens met met een uithuisplaatsing plaatsing van de meisjes omdat de hond niet mee kan. Het Jeugdteam en JBRA hebben een plek gevonden waar [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk kunnen worden geplaatst maar helaas kan de hond niet mee.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.6.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. De kinderrechter houdt het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing aan.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De Raad, [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , de moeder en de GIworden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de zitting bij de kinderrechter van [datum] . Iedere verdere beslissing wordt in afwachting hiervan aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 16 juli 2026 tot 16 oktober 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 juli 2026 tot 13 augustus 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI en de moeder op voor de zitting van mr. S.W.S. Kiliç op [datum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/380295 / JU RK 26-1122
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming te Haarlem,
hierna te noemen de Raad,
over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
thans gedetineerd te Penitentiaire Inrichting (PI) [PI] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam, hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 16 juli 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 17 juli 2026.
2De feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
3. Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder 24-uurs te verlenen voor de duur van 4 weken . De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De Raad verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder 24-uurs, te verlenen voor het resterende deel van voorlopige ondertoezichtstelling van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De beoordeling
4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De moeder woont samen met [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en haar zestien jaar oude zoon, [oudste zoon] . In het weekend van 11 juli 2026 zijn de moeder en [oudste zoon] aangehouden na een conflict. Zij worden ervan verdacht hierbij iemand te hebben verwond met een mes en zijn door de rechter-commissaris in strafzaken in bewaring gesteld voor een periode van 14 dagen. De moeder is aangehouden in aanwezigheid van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Zij verblijft in de Penitentiaire Inrichting [PI] en [oudste zoon] verblijft in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI). De moeder heeft een geschiedenis van conflicten met, onder andere, buren, leerkrachten, de wijkagent en hulpverlening vanuit Leviaan. De moeder lijkt in conflictsituaties snel over te gaan tot escalatie. Daarnaast bestaan er vermoedens van alcohol- en drugsgebruik door moeder en psychische problematiek.
4.2.
De meisjes hebben verschillende vaders. De vader van [de minderjarige 1] verblijft in Suriname. De vader van [de minderjarige 2] (en [oudste zoon] ) heeft geen contact met het gezin. Er zou sprake zijn van een contactverbod jegens hem vanwege angst vanuit de moeder en mogelijk seksueel misbruik van [de minderjarige 2] . Beide vaders hebben geen gezag.
4.3.
Na de aanhouding van de moeder zijn [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en de hond bij oma (moederszijde) ondergebracht. Oma heeft aangegeven de zorg voor de kinderen niet langer te kunnen en willen dragen. De moeder heeft zich de afgelopen periode telefonisch ook dreigend opgesteld ten aanzien van oma en de meisjes luisteren niet naar oma en zijn bij haar niet te handhaven.
4.4.
De moeder is het niet eens met met een uithuisplaatsing plaatsing van de meisjes omdat de hond niet mee kan. Het Jeugdteam en JBRA hebben een plek gevonden waar [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gezamenlijk kunnen worden geplaatst maar helaas kan de hond niet mee.
4.5.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.6.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met spoed uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. De kinderrechter houdt het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing aan.
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De Raad, [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , de moeder en de GIworden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de zitting bij de kinderrechter van [datum] . Iedere verdere beslissing wordt in afwachting hiervan aangehouden.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 16 juli 2026 tot 16 oktober 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 16 juli 2026 tot 13 augustus 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI en de moeder op voor de zitting van mr. S.W.S. Kiliç op [datum] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, in aanwezigheid van L.I. Fernandes Paredes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.
Artikel 1:257 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).