Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8789
2026-06-19
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/378001
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beëindiging van het gezag van de vader en de moeder. Het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging is niet mogelijk gebleken met een minder ingrijpende maatregel. De rechtbank acht voortduring van het gezag van de moeder schadelijk voor de minderjarige en het gezag alleen uit laten oefenen door de vader, niet in haar belang. De GI is benoemd tot voogd over de minderjarige. Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing bij gebrek aan belang afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (26.036 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378001 / FA RK 26-2632 en C/15/377713 / JU RK 26-701
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging en het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , [land] ,
advocaat mr. H. Polat uit Haarlem,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader en de moeder, met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026 (C/15/378001 / FA RK 26-2632);
het verzoekschrift van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026 (C/15/377713 / JU RK 26-701);
het rapport van de Raad van 18 mei 2026, ontvangen op 19 mei 2026;
de brief van de raadsonderzoeker van 19 mei 2026;
de brief van de GI, locatie Haarlem, over de bereidverklaring voogdij van 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader (via een online-videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
[jongerencoach] , jongerencoach bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder juist is opgeroepen.
1.4.
De moeder is in het kader van de pilot rechtsbescherming in de jeugdbescherming kosteloos rechtsbijstand door een advocaat aangeboden, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
1.5.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De vader en [de minderjarige] zijn burger van de [land] . De moeder is burger van de [land] en heeft daarnaast ook de Amerikaanse nationaliteit.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 november 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en heeft voortgeduurd tot 24 augustus 2021.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 oktober 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, te weten tot
25 januari 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van
24 januari 2025 is [de minderjarige] vervolgens onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt tot 24 juli 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 oktober 2024 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is vervolgens verlengd tot 25 oktober 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2025 is opnieuw een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is daarna steeds verlengd en duurt tot 24 juni 2026.
2.6.
[de minderjarige] verblijft op basis van de hiervoor genoemde machtiging bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] , eerst bij [groep] en sinds mei 2025 verblijft zij op de groep [groep] . In de weekenden kan [de minderjarige] naar de moeder toe.
3De verzoeken
Gezagsbeëindiging
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] heeft in haar jeugd weinig stabiliteit en steun gekend en is redelijk op zichzelf aangewezen geweest. Zij heeft een beperkt vangnet en beperkte sociale steun. Gezien wordt dat [de minderjarige] gebukt gaat onder de impasse die is ontstaan doordat de moeder pertinent weigert om in contact te treden met school, instanties en hulpverlening. [de minderjarige] zit klem tussen aan de ene kant wat de rechtbank, de Raad, de GI, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en de vader belangrijk vinden en aan de andere kant wat de moeder van haar verwacht. Op momenten dat de spanning oploopt lukt het [de minderjarige] niet goed om in contact te blijven met de mensen die haar willen helpen. Het lukt [de minderjarige] niet om beide ouders in haar leven te hebben; zij lijkt het idee te hebben te moeten kiezen en kiest uit loyaliteit voor de moeder en probeert haar vader (en ook andere steunfiguren) af te vallen of op afstand te houden. Contact onderhouden met de groep op het moment dat zij bij de moeder is, vindt zij lastig.
3.3.
De Raad heeft anderhalf jaar geleden al verzocht om het gezag van de moeder te schorsen, omdat zij destijds misbruik maakte van haar gezag. Nu een jaar is verstreken ziet de Raad geen verbetering. Er is door geen enkele professional contact te krijgen met de moeder, er is geen zicht op haar thuissituatie en er is geen samenwerking mogelijk. De ontwikkeling van [de minderjarige] stagneert doordat zij niet naar school gaat, geen vervangende dagbesteding heeft en continu moet schipperen tussen haar leven op de groep en thuis bij de moeder. [de minderjarige] krijgt op dit moment niet de praktische mogelijkheden en de emotionele ruimte om zich te ontwikkelen naar volwassenheid omdat de moeder haar geen praktische, emotionele en juridische toestemming geeft hiervoor. [de minderjarige] zit klem tussen haar eigen behoeften en de loyaliteit richting haar moeder.
3.4.
De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer (volledig) op zich kan gaan nemen.
3.5.
Hoewel de vader weliswaar niet in de mogelijkheid is om [de minderjarige] een stabiele opvoedsituatie te bieden, is hij wel bereikbaar en beschikbaar voor de betrokken hulpverlening en zoekt hij in het belang van [de minderjarige] actief de samenwerking. De ouderrelatie is echter dermate verstoord en de loyaliteitsproblematiek is zo sterk dat de Raad het niet in het belang van [de minderjarige] vindt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het lijkt erop dat [de minderjarige] last zou ervaren als de vader een dergelijke rol in haar leven zou krijgen en dit zou schadelijk zijn voor hun relatie, die al ernstig onder druk staat. Daarnaast is de vader beperkt in het uitoefenen van zijn gezag omdat hij in [land] woont en al langere tijd geen contact heeft met [de minderjarige] (omdat zij dit afhoudt). Het is daarom ook niet de verwachting dat de vader de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer op zich zal kunnen nemen.
3.6.
De Raad heeft hier ter zitting aan toegevoegd het noodzakelijk te vinden dat het gezag van beide ouders wordt beëindigd. [de minderjarige] heeft dit nodig om stappen richting zelfstandigheid te kunnen maken. Zij heeft toestemming nodig om voor zichzelf te kunnen kiezen, dat kan bij de GI. Niet bij de moeder.
verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
3.7.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.8.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds mei 2025 (gedeeltelijk) op groep [groep] . Sinds de laatste zitting van 20 februari 2026 is duidelijk geworden dat verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] te kunnen borgen. De moeder is nog steeds niet in contact met de GI en de vader kan op afstand weinig praktische ondersteuning bieden. Hoewel de afspraak is gemaakt dat [de minderjarige] door de weeks op de groep verblijft en in het weekend naar de moeder kan, zijn periodes geweest waarin [de minderjarige] langere tijd bij de moeder verbleef. Het lijkt moeilijk te zijn voor [de minderjarige] om - uit loyaliteit naar de moeder toe - terug te keren naar de groep. Op de momenten dat [de minderjarige] bij de moeder is, is [de minderjarige] uit contact en komt zij afspraken met de hulpverlening/onderwijs niet na. Inmiddels is [de minderjarige] haar plek bij [dagbesteding] kwijtgeraakt omdat ze niet weten hoe ze [de minderjarige] kunnen begeleiden. Sindsdien heeft [de minderjarige] geen dagbesteding meer. Als er geen gedwongen kader meer is, voorziet de GI dat [de minderjarige] niet voor haar eigen belangen durft dan wel kan opkomen en dat zij weer fulltime bij de moeder zal verblijven en dat is niet in haar belang.
4De standpunten
4.1.
Het standpunt van de moeder is niet bekend. De moeder heeft niet meegewerkt aan het onderzoek van de Raad. Ook is de moeder niet ter zitting verschenen.
4.2.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het een lastige beslissing voor hem is om zijn gezag “op te geven”, maar gelet op de leeftijd van [de minderjarige] ziet hij geen andere mogelijkheid meer. Het zou helpend zijn voor [de minderjarige] als zij voor belangrijke beslissingen niet meer afhankelijk is van de moeder. De vader heeft er veel verdriet van dat [de minderjarige] dit moet meemaken. Hij is ook van mening dat het een onwenselijke situatie zou zijn als hij het gezag over [de minderjarige] alleen uit moet oefenen. Hij vindt dat het belang van [de minderjarige] voorop moet staan en zal zich daarom neerleggen bij de beslissingen van de rechtbank.
4.3.
De GI heeft ter zitting aangegeven achter het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen, te staan. Daarnaast heeft de GI naar voren gebracht dat . [de minderjarige] iemand naast zich nodig heeft die keuzes voor haar en in haar belang kan maken.
5De mening van [de minderjarige]
heeft gezegd dat het goed gaat met haar. Ze woont alweer een tijdje bij de moeder en dat vindt zij fijn. Het verblijf bij de groep vindt zij ook fijn maar het liefste wil zij bij de moeder thuis zijn. [de minderjarige] is op zoek naar werk en wil volgend schooljaar weer naar school.
6De mening van de coach
De coach van [de minderjarige] heeft ter zitting aangegeven dat zij een keer in de week contact heeft met [de minderjarige] . De regeling dat [de minderjarige] doordeweeks op de groep verblijft en in het weekend naar de moeder kan, geldt nog steeds. De coach heeft [de minderjarige] zien opbloeien sinds zij op deze groep is gekomen. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] loopt er echter tegenaan dat zij geen contact met de moeder kunnen krijgen en daardoor ook niet kunnen verifiëren of het goed met [de minderjarige] gaat in de thuissituatie bij de moeder. Het is nog niet mogelijk om te werken aan de psychische gesteldheid van [de minderjarige] ; de basisvoorwaarden moeten eerst in orde zijn. Praktisch gezien zou beëindiging van het gezag goed zijn, maar kijkend vanuit het gevoelsperspectief van [de minderjarige] vindt de coach het een moeilijke situatie. Daarbij komt dat als [de minderjarige] op de groep verblijft, het haar 80% van de tijd lukt om naar school te gaan, als zij bij de moeder verblijft lukt dit slechts 10% van de tijd.
7De beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
7.1.
Door de omstandigheid dat de vader en [de minderjarige] burger van de [land] zijn en de moeder zowel burger van de [land] is als de Amerikaanse nationaliteit heeft, dragen deze zaken een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaken rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van de Verordening Brussel-II-ter rechtsmacht toe om deze verzoeken te behandelen.
7.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van
artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Gezagsbeëindiging
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
7.4.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd en kunnen de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen.
7.6.
Verder blijkt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op basis van artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als de ontwikkeling van de minderjarige wordt geschaad indien de ouder(s) gezag behoudt/behouden.
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat aan de criteria is voldaan. [de minderjarige] is langdurig geconfronteerd met de scheidingsproblematiek van de ouders en de onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder. De moeder kan onvoldoende voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige] . Zo komt [de minderjarige] niet aan op school wanneer zij bij de moeder verblijft. Als [de minderjarige] medische hulp nodig heeft, komt ze daarvoor terug naar de groep. Ook praktische zaken, zoals het regelen van een bankpas en de inschrijving op een nieuwe school, worden door de moeder niet dan wel niet voortvarend opgepakt. Voor het aanvragen van een identiteitsbewijs is vervangende toestemming van de kinderrechter nodig geweest. Omdat periodes zijn geweest waarin [de minderjarige] langere tijd bij de moeder verbleef en zij dan niet verscheen bij [dagbesteding] , is zij haar plek daar kwijtgeraakt en sindsdien heeft zij geen dagbesteding meer. [de minderjarige] wordt door de moeder niet kenbaar gestimuleerd om tot ontwikkeling te komen en te werken aan haar zelfstandigheid. Gelet op haar leeftijd is dat echter van groot belang. Ondanks alle geboden hulpverlening, waarin het tempo en behoefte van [de minderjarige] lijdend zij geweest, staat zij al een tijd stil in haar ontwikkeling. Dat is schadelijk voor [de minderjarige] .
7.8.
Het is duidelijk dat [de minderjarige] tussen een aantal vuren zit: tussen de ouders, de groep en de GI. Het is lastig voor haar om zich daartussen te manoeuvreren. Dat zij zo klem zit en in een loyaliteitsconflict zit is ook in het gesprek wat zij met de voorzitter heeft gevoerd naar voren gekomen. De GI heeft in de afgelopen jaren geprobeerd om dit te doorbreken, maar tot op heden heeft niets het gewenste effect gehad. De moeder werkt al sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling niet mee aan de uitvoering hiervan. Sterker nog, zij wil geen contact met de GI en is volkomen buiten beeld van de GI en de hulpverlening. Omdat de GI bij de moeder geen zicht heeft kunnen krijgen, is tot op heden ook onduidelijk of bij de moeder sprake is van acute onveiligheid. Duidelijk is wel [de minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, waarbij het de GI niet lukt om met de moeder samen te werken en die weg te nemen, ook niet na het geven van meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder. De rechtbank acht het van belang dat de impasse die is ontstaan, doorbroken wordt. Het belang van [de minderjarige] moet daarbij voorop staan. Het is in haar belang dat gezagsbeslissingen worden genomen op een wijze die voor haar het minst belastend zijn. Dat de communicatie tussen de GI en de moeder via [de minderjarige] gaat, waarbij [de minderjarige] als tussenpersoon tussen de moeder en de hulpverlening moet fungeren, is schadelijk voor [de minderjarige] . Als de moeder niet langer het gezag heeft, maar dat bij de GI wordt belegd, wordt naar verwachting ook de verantwoordelijkheid voor de communicatie over gezagsbeslissingen bij [de minderjarige] weggenomen, zodat zij zich meer kan focussen op haar eigen ontwikkeling richting volwassenheid.
7.9.
Gebleken is dat de vader welwillend is en goed in samenwerking is met de GI. Gelet op de fysieke afstand tussen hem en [de minderjarige] en de omstandigheid dat hij al langere tijd geen contact met [de minderjarige] heeft, lukt het de vader echter niet (goed) praktische zaken te regelen. Daarbij komt dat nu [de minderjarige] volledig vast zit in haar loyaliteit naar de moeder toe, de band tussen de vader en [de minderjarige] alleen nog maar verder onder druk kan komen te staan als de vader alleen met het gezag zal worden belast. Dat is een onwenselijke situatie.
7.10.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank gezamenlijk gezag van de ouders niet in het belang van [de minderjarige] . Het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging is niet mogelijk gebleken met een minder ingrijpende maatregel. De rechtbank acht voortduring van het gezag van de moeder schadelijk voor [de minderjarige] en het gezag alleen uit laten oefenen door de vader, niet in haar belang. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en omdat haar ontwikkeling nu stil staat, is de rechtbank van oordeel dat deze verstrekkende maatregel in dit geval proportioneel is. De inmenging in het familie- en gezinsleven is noodzakelijk in het belang van [de minderjarige] en is gerechtvaardigd door de bescherming van haar belangen. Deze beslissing neemt niet weg dat de vader en de moeder altijd de ouders van [de minderjarige] zullen blijven.
7.11.
Door de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [de minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen.
7.12.
De rechtbank zal bepalen dat de vader en de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [de minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [de minderjarige] de geldzaken kan regelen.
7.13.
Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
7.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
7.15.
Nu het verzoek van de Raad wordt toegewezen en de GI de voogdij krijgt over [de minderjarige] , wijst de rechtbank het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij gebrek aan belang af.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aan de GI is om in het belang van [de minderjarige] te bepalen wat haar hoofdverblijfplaats is.
8De beslissing
De rechtbank:
8.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ) en [de moeder], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] );
8.2.
benoemt de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd in Amsterdam dan wel Haarlem tot voogd over genoemde minderjarige;
8.3.
bepaalt dat de vader en de moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] ;
8.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.5.
draagt de griffie op om de beslissing aan te tekenen in het centraal gezagsregister;
8.6.
wijst af het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige];
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door
mr. A.K. Mireku, mr. J. van Beek en mr. J. Lintjer, kinderrechters, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378001 / FA RK 26-2632 en C/15/377713 / JU RK 26-701
Datum uitspraak: 19 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging en het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , [land] ,
advocaat mr. H. Polat uit Haarlem,
hierna tezamen ook te noemen: de ouders.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de Raad tot beëindiging van het gezag van de vader en de moeder, met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026 (C/15/378001 / FA RK 26-2632);
het verzoekschrift van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026 (C/15/377713 / JU RK 26-701);
het rapport van de Raad van 18 mei 2026, ontvangen op 19 mei 2026;
de brief van de raadsonderzoeker van 19 mei 2026;
de brief van de GI, locatie Haarlem, over de bereidverklaring voogdij van 12 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader (via een online-videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
[jongerencoach] , jongerencoach bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder juist is opgeroepen.
1.4.
De moeder is in het kader van de pilot rechtsbescherming in de jeugdbescherming kosteloos rechtsbijstand door een advocaat aangeboden, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.
1.5.
De rechtbank heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De vader en [de minderjarige] zijn burger van de [land] . De moeder is burger van de [land] en heeft daarnaast ook de Amerikaanse nationaliteit.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 24 november 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en heeft voortgeduurd tot 24 augustus 2021.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 oktober 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden, te weten tot
25 januari 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van
24 januari 2025 is [de minderjarige] vervolgens onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en duurt tot 24 juli 2026.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 25 oktober 2024 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is vervolgens verlengd tot 25 oktober 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 22 oktober 2025 is opnieuw een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is daarna steeds verlengd en duurt tot 24 juni 2026.
2.6.
[de minderjarige] verblijft op basis van de hiervoor genoemde machtiging bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] , eerst bij [groep] en sinds mei 2025 verblijft zij op de groep [groep] . In de weekenden kan [de minderjarige] naar de moeder toe.
3De verzoeken
Gezagsbeëindiging
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] heeft in haar jeugd weinig stabiliteit en steun gekend en is redelijk op zichzelf aangewezen geweest. Zij heeft een beperkt vangnet en beperkte sociale steun. Gezien wordt dat [de minderjarige] gebukt gaat onder de impasse die is ontstaan doordat de moeder pertinent weigert om in contact te treden met school, instanties en hulpverlening. [de minderjarige] zit klem tussen aan de ene kant wat de rechtbank, de Raad, de GI, [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en de vader belangrijk vinden en aan de andere kant wat de moeder van haar verwacht. Op momenten dat de spanning oploopt lukt het [de minderjarige] niet goed om in contact te blijven met de mensen die haar willen helpen. Het lukt [de minderjarige] niet om beide ouders in haar leven te hebben; zij lijkt het idee te hebben te moeten kiezen en kiest uit loyaliteit voor de moeder en probeert haar vader (en ook andere steunfiguren) af te vallen of op afstand te houden. Contact onderhouden met de groep op het moment dat zij bij de moeder is, vindt zij lastig.
3.3.
De Raad heeft anderhalf jaar geleden al verzocht om het gezag van de moeder te schorsen, omdat zij destijds misbruik maakte van haar gezag. Nu een jaar is verstreken ziet de Raad geen verbetering. Er is door geen enkele professional contact te krijgen met de moeder, er is geen zicht op haar thuissituatie en er is geen samenwerking mogelijk. De ontwikkeling van [de minderjarige] stagneert doordat zij niet naar school gaat, geen vervangende dagbesteding heeft en continu moet schipperen tussen haar leven op de groep en thuis bij de moeder. [de minderjarige] krijgt op dit moment niet de praktische mogelijkheden en de emotionele ruimte om zich te ontwikkelen naar volwassenheid omdat de moeder haar geen praktische, emotionele en juridische toestemming geeft hiervoor. [de minderjarige] zit klem tussen haar eigen behoeften en de loyaliteit richting haar moeder.
3.4.
De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer (volledig) op zich kan gaan nemen.
3.5.
Hoewel de vader weliswaar niet in de mogelijkheid is om [de minderjarige] een stabiele opvoedsituatie te bieden, is hij wel bereikbaar en beschikbaar voor de betrokken hulpverlening en zoekt hij in het belang van [de minderjarige] actief de samenwerking. De ouderrelatie is echter dermate verstoord en de loyaliteitsproblematiek is zo sterk dat de Raad het niet in het belang van [de minderjarige] vindt als de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast. Het lijkt erop dat [de minderjarige] last zou ervaren als de vader een dergelijke rol in haar leven zou krijgen en dit zou schadelijk zijn voor hun relatie, die al ernstig onder druk staat. Daarnaast is de vader beperkt in het uitoefenen van zijn gezag omdat hij in [land] woont en al langere tijd geen contact heeft met [de minderjarige] (omdat zij dit afhoudt). Het is daarom ook niet de verwachting dat de vader de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn weer op zich zal kunnen nemen.
3.6.
De Raad heeft hier ter zitting aan toegevoegd het noodzakelijk te vinden dat het gezag van beide ouders wordt beëindigd. [de minderjarige] heeft dit nodig om stappen richting zelfstandigheid te kunnen maken. Zij heeft toestemming nodig om voor zichzelf te kunnen kiezen, dat kan bij de GI. Niet bij de moeder.
verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
3.7.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.8.
De GI heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] verblijft sinds mei 2025 (gedeeltelijk) op groep [groep] . Sinds de laatste zitting van 20 februari 2026 is duidelijk geworden dat verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn om de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige] te kunnen borgen. De moeder is nog steeds niet in contact met de GI en de vader kan op afstand weinig praktische ondersteuning bieden. Hoewel de afspraak is gemaakt dat [de minderjarige] door de weeks op de groep verblijft en in het weekend naar de moeder kan, zijn periodes geweest waarin [de minderjarige] langere tijd bij de moeder verbleef. Het lijkt moeilijk te zijn voor [de minderjarige] om - uit loyaliteit naar de moeder toe - terug te keren naar de groep. Op de momenten dat [de minderjarige] bij de moeder is, is [de minderjarige] uit contact en komt zij afspraken met de hulpverlening/onderwijs niet na. Inmiddels is [de minderjarige] haar plek bij [dagbesteding] kwijtgeraakt omdat ze niet weten hoe ze [de minderjarige] kunnen begeleiden. Sindsdien heeft [de minderjarige] geen dagbesteding meer. Als er geen gedwongen kader meer is, voorziet de GI dat [de minderjarige] niet voor haar eigen belangen durft dan wel kan opkomen en dat zij weer fulltime bij de moeder zal verblijven en dat is niet in haar belang.
4De standpunten
4.1.
Het standpunt van de moeder is niet bekend. De moeder heeft niet meegewerkt aan het onderzoek van de Raad. Ook is de moeder niet ter zitting verschenen.
4.2.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat het een lastige beslissing voor hem is om zijn gezag “op te geven”, maar gelet op de leeftijd van [de minderjarige] ziet hij geen andere mogelijkheid meer. Het zou helpend zijn voor [de minderjarige] als zij voor belangrijke beslissingen niet meer afhankelijk is van de moeder. De vader heeft er veel verdriet van dat [de minderjarige] dit moet meemaken. Hij is ook van mening dat het een onwenselijke situatie zou zijn als hij het gezag over [de minderjarige] alleen uit moet oefenen. Hij vindt dat het belang van [de minderjarige] voorop moet staan en zal zich daarom neerleggen bij de beslissingen van de rechtbank.
4.3.
De GI heeft ter zitting aangegeven achter het verzoek van de Raad om het gezag van de moeder te beëindigen, te staan. Daarnaast heeft de GI naar voren gebracht dat . [de minderjarige] iemand naast zich nodig heeft die keuzes voor haar en in haar belang kan maken.
5De mening van [de minderjarige]
heeft gezegd dat het goed gaat met haar. Ze woont alweer een tijdje bij de moeder en dat vindt zij fijn. Het verblijf bij de groep vindt zij ook fijn maar het liefste wil zij bij de moeder thuis zijn. [de minderjarige] is op zoek naar werk en wil volgend schooljaar weer naar school.
6De mening van de coach
De coach van [de minderjarige] heeft ter zitting aangegeven dat zij een keer in de week contact heeft met [de minderjarige] . De regeling dat [de minderjarige] doordeweeks op de groep verblijft en in het weekend naar de moeder kan, geldt nog steeds. De coach heeft [de minderjarige] zien opbloeien sinds zij op deze groep is gekomen. [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] loopt er echter tegenaan dat zij geen contact met de moeder kunnen krijgen en daardoor ook niet kunnen verifiëren of het goed met [de minderjarige] gaat in de thuissituatie bij de moeder. Het is nog niet mogelijk om te werken aan de psychische gesteldheid van [de minderjarige] ; de basisvoorwaarden moeten eerst in orde zijn. Praktisch gezien zou beëindiging van het gezag goed zijn, maar kijkend vanuit het gevoelsperspectief van [de minderjarige] vindt de coach het een moeilijke situatie. Daarbij komt dat als [de minderjarige] op de groep verblijft, het haar 80% van de tijd lukt om naar school te gaan, als zij bij de moeder verblijft lukt dit slechts 10% van de tijd.
7De beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
7.1.
Door de omstandigheid dat de vader en [de minderjarige] burger van de [land] zijn en de moeder zowel burger van de [land] is als de Amerikaanse nationaliteit heeft, dragen deze zaken een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaken rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 7 van de Verordening Brussel-II-ter rechtsmacht toe om deze verzoeken te behandelen.
7.2.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van
artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Gezagsbeëindiging
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
7.4.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders.
7.5.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [de minderjarige] ernstig bedreigd en kunnen de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen.
7.6.
Verder blijkt uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op basis van artikel 8 van het Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag als de ontwikkeling van de minderjarige wordt geschaad indien de ouder(s) gezag behoudt/behouden.
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat aan de criteria is voldaan. [de minderjarige] is langdurig geconfronteerd met de scheidingsproblematiek van de ouders en de onveilige en instabiele thuissituatie bij de moeder. De moeder kan onvoldoende voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige] . Zo komt [de minderjarige] niet aan op school wanneer zij bij de moeder verblijft. Als [de minderjarige] medische hulp nodig heeft, komt ze daarvoor terug naar de groep. Ook praktische zaken, zoals het regelen van een bankpas en de inschrijving op een nieuwe school, worden door de moeder niet dan wel niet voortvarend opgepakt. Voor het aanvragen van een identiteitsbewijs is vervangende toestemming van de kinderrechter nodig geweest. Omdat periodes zijn geweest waarin [de minderjarige] langere tijd bij de moeder verbleef en zij dan niet verscheen bij [dagbesteding] , is zij haar plek daar kwijtgeraakt en sindsdien heeft zij geen dagbesteding meer. [de minderjarige] wordt door de moeder niet kenbaar gestimuleerd om tot ontwikkeling te komen en te werken aan haar zelfstandigheid. Gelet op haar leeftijd is dat echter van groot belang. Ondanks alle geboden hulpverlening, waarin het tempo en behoefte van [de minderjarige] lijdend zij geweest, staat zij al een tijd stil in haar ontwikkeling. Dat is schadelijk voor [de minderjarige] .
7.8.
Het is duidelijk dat [de minderjarige] tussen een aantal vuren zit: tussen de ouders, de groep en de GI. Het is lastig voor haar om zich daartussen te manoeuvreren. Dat zij zo klem zit en in een loyaliteitsconflict zit is ook in het gesprek wat zij met de voorzitter heeft gevoerd naar voren gekomen. De GI heeft in de afgelopen jaren geprobeerd om dit te doorbreken, maar tot op heden heeft niets het gewenste effect gehad. De moeder werkt al sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling niet mee aan de uitvoering hiervan. Sterker nog, zij wil geen contact met de GI en is volkomen buiten beeld van de GI en de hulpverlening. Omdat de GI bij de moeder geen zicht heeft kunnen krijgen, is tot op heden ook onduidelijk of bij de moeder sprake is van acute onveiligheid. Duidelijk is wel [de minderjarige] in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, waarbij het de GI niet lukt om met de moeder samen te werken en die weg te nemen, ook niet na het geven van meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder. De rechtbank acht het van belang dat de impasse die is ontstaan, doorbroken wordt. Het belang van [de minderjarige] moet daarbij voorop staan. Het is in haar belang dat gezagsbeslissingen worden genomen op een wijze die voor haar het minst belastend zijn. Dat de communicatie tussen de GI en de moeder via [de minderjarige] gaat, waarbij [de minderjarige] als tussenpersoon tussen de moeder en de hulpverlening moet fungeren, is schadelijk voor [de minderjarige] . Als de moeder niet langer het gezag heeft, maar dat bij de GI wordt belegd, wordt naar verwachting ook de verantwoordelijkheid voor de communicatie over gezagsbeslissingen bij [de minderjarige] weggenomen, zodat zij zich meer kan focussen op haar eigen ontwikkeling richting volwassenheid.
7.9.
Gebleken is dat de vader welwillend is en goed in samenwerking is met de GI. Gelet op de fysieke afstand tussen hem en [de minderjarige] en de omstandigheid dat hij al langere tijd geen contact met [de minderjarige] heeft, lukt het de vader echter niet (goed) praktische zaken te regelen. Daarbij komt dat nu [de minderjarige] volledig vast zit in haar loyaliteit naar de moeder toe, de band tussen de vader en [de minderjarige] alleen nog maar verder onder druk kan komen te staan als de vader alleen met het gezag zal worden belast. Dat is een onwenselijke situatie.
7.10.
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank gezamenlijk gezag van de ouders niet in het belang van [de minderjarige] . Het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging is niet mogelijk gebleken met een minder ingrijpende maatregel. De rechtbank acht voortduring van het gezag van de moeder schadelijk voor [de minderjarige] en het gezag alleen uit laten oefenen door de vader, niet in haar belang. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en omdat haar ontwikkeling nu stil staat, is de rechtbank van oordeel dat deze verstrekkende maatregel in dit geval proportioneel is. De inmenging in het familie- en gezinsleven is noodzakelijk in het belang van [de minderjarige] en is gerechtvaardigd door de bescherming van haar belangen. Deze beslissing neemt niet weg dat de vader en de moeder altijd de ouders van [de minderjarige] zullen blijven.
7.11.
Door de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [de minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [de minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen.
7.12.
De rechtbank zal bepalen dat de vader en de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [de minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [de minderjarige] de geldzaken kan regelen.
7.13.
Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
7.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
7.15.
Nu het verzoek van de Raad wordt toegewezen en de GI de voogdij krijgt over [de minderjarige] , wijst de rechtbank het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij gebrek aan belang af.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het aan de GI is om in het belang van [de minderjarige] te bepalen wat haar hoofdverblijfplaats is.
8De beslissing
De rechtbank:
8.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ) en [de moeder], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ), over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] );
8.2.
benoemt de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd in Amsterdam dan wel Haarlem tot voogd over genoemde minderjarige;
8.3.
bepaalt dat de vader en de moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [de minderjarige] ;
8.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.5.
draagt de griffie op om de beslissing aan te tekenen in het centraal gezagsregister;
8.6.
wijst af het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige];
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door
mr. A.K. Mireku, mr. J. van Beek en mr. J. Lintjer, kinderrechters, in aanwezigheid van S.M.J. Boon als griffier, en op schrift gesteld op 30 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.
Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
Artikel 1:275, eerste lid, BW.
Artikel 1:276, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.