Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:8696

2026-07-07 Civiel recht; Personen- en familierecht C/15/378587 / JU RK 26-868
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-07-07
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/15/378587 / JU RK 26-868
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. Onderschrijving perspectiefbesluit.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.590 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Haarlem



Zaaknummer: C/15/378587 / JU RK 26-868
Datum uitspraak: 7 juli 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van



de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,



over





[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.



De rechtbank merkt als informanten aan:





[de pleegouder 1] en [de pleegouder 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2026, mee in de beoordeling.



1.2.

Het verzoek is gelijktijdig met het verzoek van de GI met zaaknummer C/15/378903 / JU RK 26-921 behandeld op de zitting met gesloten deuren op 26 juni 2026.
Daarbij waren aanwezig:

- de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;



1.3.
Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen zijn de vader en de pleegouders niet ter zitting verschenen. De moeder heeft toegelicht dat de vader wegens ziekte niet naar de zitting kon komen.





2De feiten


2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] .



2.2.

[de minderjarige 1] verblijft in een pleeggezin.



2.3.
Bij beschikking van 11 juli 2025 is (de toen nog ongeboren) [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 11 juli 2026.



2.4.
Bij beschikking van [geboortedatum] heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van vier weken en het verzoek voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 7 augustus 2025 is een machtiging verleend [de minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot 7 februari 2026.



2.5.
Voornoemde machtiging is bij beschikking van 3 februari 2026 verlengd tot 11 juli 2026.



2.6.
De ouders zijn ook de ouders van de minderjarige kinderen:




[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,



[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,



[de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,



[de minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] .




De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] . Bij beschikking van 30 december 2022 zijn zij onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst bij verschillende pleeggezinnen. De maatregelen zijn nadien steeds verlengd en duren nu nog tot 16 maart 2027. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 11 maart 2026 is – in het kader van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing – het perspectiefbesluit ten aanzien van deze kinderen onderschreven. Hun perspectief ligt sindsdien bij de pleeggezinnen.






3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft tevens een perspectiefbesluit genomen en de rechtbank verzocht dat besluit te toetsen.



3.2.
De GI heeft het verzoek – samengevat – als volgt onderbouwd en toegelicht.



3.3.
De ouders zijn door ernstige psychische problematiek en beperkte draagkracht niet in staat om [de minderjarige 1] structureel een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie te bieden. De vader kampt met psychiatrische problematiek, waaronder psychotische ontregeling, en is in stressvolle situaties verminderd emotioneel beschikbaar. De moeder maakt een overbelaste indruk en volgt de vader in zijn overtuigingen. De zorgen over de verzorging en hygiëne in de thuissituatie zijn niet weggenomen. Daarnaast waren er ernstige zorgen over de (seksuele) veiligheid van de andere kinderen in de thuissituatie bij de ouders. De andere kinderen zijn blootgesteld aan spanningen en mogelijk huiselijk geweld tussen de ouders.



3.4.
Er is de afgelopen periode geen zicht gekomen op de thuissituatie en de actuele psychische gesteldheid van de ouders. De samenwerking tussen de GI en de ouders is daarnaast nog steeds moeizaam. Het contact verloopt via de e-mail en de ouders willen niet in gesprek met de GI. Na de geboorte van [de minderjarige 1] heeft er één omgangsmoment met de ouders plaatsgevonden. De ouders stellen voorwaarden aan de omgang die niet in het belang van [de minderjarige 1] zijn. De GI heeft aangeboden om contact op te nemen met de bewindvoerder van de ouders omdat zij hadden aangegeven dat de omgangslocatie te ver was en de reiskosten te hoog waren. De ouders hebben hiervoor geen toestemming verleend en hebben de omgang met [de minderjarige 1] vervolgens stopgezet. Zij hebben het aanbod tot een herstelgesprek meermaals afgewezen. Verder hebben de ouders niet deelgenomen aan Goed genoeg ouderschap of meegewerkt aan een gezinsopname bij GGZ [plaats] . Het ontbreken van een werkzame samenwerking draagt bij aan de zorgen over het opvoedklimaat en het vermogen van de ouders om aan te sluiten bij de behoeften van [de minderjarige 1] . Er is in september 2024 een perspectiefonderzoek bij William Schrikker Gezinsvormen (WSGV) gestart voor de andere kinderen. Na een wachtperiode van bijna een jaar is het perspectiefonderzoek voortijdig beëindigd omdat de ouders niet wilden meewerken en hun eigen voorwaarden stelden.



3.5.
De GI heeft de ouders per brief van 20 april 2026 geïnformeerd over het perspectiefbesluit dat [de minderjarige 1] bij de pleegouders zal blijven wonen en dat niet langer wordt gewerkt aan thuisplaatsing. De aanvaardbare termijn is verstreken. [de minderjarige 1] doet het goed in het pleeggezin en heeft zich aan de pleegouders gehecht.



3.6.
Het komende jaar wil de GI werken aan het borgen van een haalbare, veilige en stabiele omgang tussen [de minderjarige 1] en de ouders. Afhankelijk van de onderschrijving van het perspectiefbesluit door de rechtbank, zal de komende periode worden onderzocht of afgeschaald kan worden naar het vrijwillig kader of dat een gezagsbeëindigende maatregel moet worden overwogen.





4Het standpunt van de moeder


4.1.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij kan zich echter niet vinden in de door de GI genoemde argumenten ter onderbouwing van het genomen perspectiefbesluit. Zij heeft daartoe – samengevat – het volgende naar voren gebracht.



4.2.
De ouders hebben geen last van psychiatrische problematiek waar hulpverlening voor ingezet zou moeten worden. Het gezinshuis in [plaats] is om die reden niet geschikt en daarnaast te ver weg voor de ouders. Er is volgens de moeder onvoldoende onderzocht of een gezinsopname dichterbij huis tot de mogelijkheden behoort. De ouders ontvangen verder geen foto’s van of updates over [de minderjarige 1] van de GI. De ouders willen niet afspreken op het kantoor van de GI omdat daar camera’s hangen. De bewindvoerder van de ouders heeft aangegeven niets te kunnen betekenen voor de reiskosten die de ouders zouden moeten maken naar de externe omgangslocatie en het gezinshuis in [plaats] . Het eerdere perspectiefonderzoek voor de andere kinderen kon niet doorgaan wegens werkverplichtingen van de vader. De moeder heeft naar voren gebracht dat er een nieuw perspectiefonderzoek moet komen omdat de ouders nu geen werk hebben. De ouders zouden verder graag zien dat met de inzet van ambulante hulpverlening wordt onderzocht wat mogelijk is in de omgang met [de minderjarige 1] . De moeder heeft verder aangegeven dat zij weer in verwachting is.





5De beoordeling



Het perspectiefbesluit




5.1.
De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouder(s) maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan een rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.



5.2.
De GI heeft in het perspectiefbesluit geconcludeerd dat [de minderjarige 1] bij de pleegouders zal blijven wonen en dat niet langer wordt gewerkt aan thuisplaatsing. De rechtbank ziet aanleiding om – in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] – het perspectiefbesluit van de GI te toetsen.



5.3.
Het perspectiefbesluit moet mede worden bezien tegen de achtergrond van het verleden en de jarenlange zorgen over de woon- en opvoedsituatie bij de ouders en hun persoonlijke en gezamenlijke problematiek. De vader kampt met psychische problematiek en bij de moeder bestaat het vermoeden van een gedeelde psychotische stoornis (folie à deux). Dit betekent dat de ouders elkaar bevestigen in gedachten en overtuigingen die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Er was sprake van structurele onveiligheid, verwaarlozing en een gebrek aan stabiliteit, waaraan de andere kinderen voor hun uithuisplaatsing langdurig zijn blootgesteld. Bij de andere kinderen is gebleken dat sprake is van trauma- en hechtinggerelateerde problematiek die ontstaan is in de thuissituatie bij de ouders. Het perspectiefbesluit van de andere kinderen is recent onderschreven door de rechtbank.



5.4.
Er is de afgelopen periode (nog steeds) geen zicht gekomen op de woon- en opvoedsituatie bij de ouders en hun psychische gesteldheid. De ouders willen of kunnen niet samenwerken met de GI en weigeren mee te werken aan iedere vorm van hulpverlening. Er is sprake van een onwerkbare relatie tussen de ouders en de hulpverlening, waarbij de vader zich verbaal grensoverschrijdend uitlaat richting de hulpverlening. Het is niet aannemelijk dat deze situatie op een redelijke termijn zal veranderen.



5.5.
WSGV is in september 2024 een perspectiefonderzoek gestart voor de andere kinderen. Het was daarbij van belang dat beide ouders beschikbaar waren en zich intensief in zouden zetten. Het is de begeleider van het perspectiefonderzoek destijds niet gelukt om een afspraak te maken met de ouders. Daarnaast had de begeleider beledigende en bedreigende mails en vervelende spraakberichten ontvangen van de ouders. WSGV heeft vervolgens besloten het perspectiefonderzoek voortijdig te beëindigen.



5.6.

[de minderjarige 1] is na de voortijdige beëindiging van het perspectiefonderzoek voor de andere kinderen geboren. Zij is vrijwel direct na haar geboorte uit huis geplaatst in het huidige pleeggezin. Zij heeft sindsdien één omgangsmoment met de ouders gehad. De omgang is de afgelopen periode niet verder opgestart omdat de ouders niet bereid zijn om hierover afspraken te maken. Vanwege het gebrek aan omgang tussen [de minderjarige 1] en de ouders kan er geen (nieuw) perspectiefonderzoek plaatsvinden. De enige mogelijkheid om de opvoedvaardigheden van de ouders vast te kunnen stellen is een gezinsopname bij GGZ [plaats] . Het is de ouders meermaals duidelijk gemaakt dat zij enkel via een gezinsopname kunnen aantonen dat zij in staat zijn om voor [de minderjarige 1] te zorgen. In de beschikking van de kinderrechter van 7 augustus 2025 is (voor zover in dit kader relevant) het volgende overwogen:



“De kinderrechter acht het ook van belang dat de ouders het aanbod van een gezinsopname of een ouder-kind huis in het belang van [de minderjarige 1] zullen aangrijpen.”




In de beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2026 is verder (voor zover in dit kader relevant) het volgende overwogen:




“Het is ook van belang dat zij gaan meewerken met de hulpverlening en (nogmaals) het aanbod van een verblijf in ouder-kind huis in overweging nemen. Dit is namelijk de enige manier om te laten zien dat zij voor [de minderjarige 1] kunnen zorgen.”




De ouders hebben de beoogde gezinsopname bij GGZ [plaats] meermaals uitdrukkelijk geweigerd, en blijven dat doen. Dit heeft de moeder ook ter zitting nog bevestigd. De GI heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat er geen andere mogelijkheden meer zijn om de opvoedvaardigheden van de ouders vast te stellen. GGZ [plaats] is de enige plek voor een gezinsopname met beide ouders.




5.7.
De rechtbank stelt vast dat de aanvaardbare termijn waarbinnen [de minderjarige 1] in onzekerheid kan verkeren over haar opgroeiperspectief is verstreken. [de minderjarige 1] is op zeer jonge leeftijd in het huidige pleeggezin geplaatst. Hier krijgt zij de stabiliteit, rust en aandacht die zij nodig heeft om tot een verdere ontwikkeling te kunnen komen. Het wordt voor [de minderjarige 1] steeds belangrijker om duidelijkheid te krijgen over waar zij blijvend zal opgroeien.



5.8.
De rechtbank zal het standpunt van de GI over het perspectief van [de minderjarige 1] dan ook onderschrijven. Dat betekent dat het perspectief van [de minderjarige 1] niet meer bij de ouders ligt, maar in het huidige pleeggezin en dat de GI niet meer zal (hoeven) werken aan de thuisplaatsing van [de minderjarige 1] bij de ouders.



De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing





5.9.
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing en dat deze maatregelen ook noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] . De rechtbank legt hieronder uit waarom.



5.10.
De ontwikkelingsbedreigingen zoals benoemd in de beschikking van 11 juli 2025 zijn de afgelopen periode niet verminderd. De zorgen over de persoonlijke en gezamenlijke problematiek van de ouders zijn nog steeds aanwezig omdat zij iedere vorm van hulpverlening weigeren. De GI werkt niet meer aan terugplaatsing bij de ouders en het verblijf van [de minderjarige 1] in het huidige pleeggezin moet gewaarborgd worden. Zij is hier veilig gehecht geraakt en ontwikkelt zich goed. Daarnaast woont [de minderjarige 2] , de biologische zus van [de minderjarige 1] , ook in het pleeggezin.



5.11.
De komende periode is het belangrijk dat de GI in kaart brengt of omgang tussen [de minderjarige 1] en de ouders haalbaar is, en zo ja, op welke manier deze omgang veilig kan plaatsvinden. Het ligt daarbij op de weg van de GI om rekening te houden met de financiële situatie van de ouders. Om deze doelen te behalen blijft de regie van de GI in het gedwongen kader noodzakelijk.



5.12.
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar.



5.13.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

























6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] van 11 juli 2026 tot 11 juli 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] in een pleeggezin van 11 juli 2026 tot 11 juli 2027;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Voskens, mr. E.M. ten Bos en mr. J. Lintjer, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier. Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beschikking ondertekend door de jongste rechter.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Hoge Raad 1 september 2023, vindplaats: ECLI:NL:HR:2023:1148.


Artikelen 1:255, eerste lid en 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW).


Artikelen 1:260, eerste lid, en 1:265c, tweede lid, BW.


Artikel 2 Besluit gezagsregisters.