Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8375
2026-06-10
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/15/377988
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
verlening ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:454 Hoge Raad 24-03-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.365 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377988 / JU RK 26-773
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna samen ook te noemen: de ouders,
advocaat mr. E.J. Coxon uit Utrecht.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026;
het bericht van de GI, ontvangen op 2 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de ouders met hun advocaat;
de pleegmoeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De zaak over [de minderjarige] ’s broer, [broer] , is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Daarna is zij definitief onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is verlengd en duurt nu nog tot 14 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier weken. De machtiging is daarna steeds opnieuw verleend en duurde tot 25 maart 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 april 2025 is opnieuw een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin). Deze machtiging is daarna verlengd. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank is het perspectiefbesluit van de GI (waarin is geconcludeerd dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders ligt) onderschreven en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 juni 2026.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin met één jaar te verlengen. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI onderbouwt de verzoeken als volgt.
3.2.
[de minderjarige] ’s ontwikkelingsbedreigingen zijn:
i) tussen de ouders is er tijdens de omgangsmomenten een ongelijk verdeelde opvoedrol,
ii) er is een risico op overvragen van [de minderjarige] en de pleegmoeder als de ouders niet binnen duidelijke kaders handelen; en
iii) [de minderjarige] wordt mogelijk emotioneel belast door het loskomen van gevoelens tijdens de speltherapie waarvoor zij op de wachtlijst staat.
3.3.
In het perspectiefbiedende pleeggezin komt [de minderjarige] tot rust, ontwikkelt zij zich goed en volgt zij onderwijs in haar directe omgeving. Ook de ouders maken goede stappen, waardoor [de minderjarige] sinds januari 2026 onbegeleide omgang met haar ouders heeft. Dit gaat goed, al blijven er aandachtspunten. Het is daarom noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders te monitoren, de samenwerking tussen de ouders en het pleeggezin te begeleiden en de veiligheid te waarborgen. Bij [de minderjarige] zal nog geen diagnostiek plaatsvinden, omdat eerst wordt gefocust op haar emotieregulatie en traumaverwerking. De GI moet ook betrokken blijven om hulpverlening op tijd in te zetten, bij te sturen en/of af te schalen.
3.4.
De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat [de minderjarige] ’s speltherapie waarschijnlijk in september 2026 zal starten. De GI houdt er rekening mee dat [de minderjarige] hierop heftig gaat reageren. De GI moet dan ook betrokken blijven om hier zicht op te houden en mogelijk aanvullende hulp/ondersteuning in te zetten voor [de minderjarige] , de ouders en/of de pleegmoeder.
3.5.
De GI staat ervoor open om een uitbreiding en versoepeling van de omgangsmomenten met de ouders en de pleegmoeder te bespreken. Zij vindt het daarbij wel belangrijk om zicht te blijven houden op de communicatie tussen de ouders en de pleegmoeder, maar hoeft bijvoorbeeld niet meer overal toestemming voor te geven.
4Het standpunt van de ouders
4.1.
De ouders en hun advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de ouders zich refereren aan het oordeel van de kinderrechter over de verzoeken. De samenwerking tussen de ouders en de pleegmoeder gaat erg goed. De ouders willen graag wat meer flexibiliteit in de omgang met [de minderjarige] en willen dat deze omgang wordt uitgebreid. Nu [de minderjarige] ’s therapie nog moet worden opgestart en de pleegmoeder behoefte heeft aan begeleiding, begrijpen de ouders dat de situatie wordt voortgezet in het gedwongen kader. Wel willen de ouders graag toewerken naar een plaatsing in het vrijwillig kader.
5De pleegmoeder
5.1.
De pleegmoeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat het erg goed gaat met [de minderjarige] bij de pleegmoeder en dat er goed contact is tussen de pleegmoeder en de ouders. Nu [de minderjarige] het eerste pleegkind is van de pleegmoeder, wil de pleegmoeder nog graag begeleiding krijgen. Kort geleden kreeg [de minderjarige] bijvoorbeeld een terugval tijdens een sportles en was het fijn dat de pleegmoeder daarbij begeleid werd. De pleegmoeder staat open voor meer flexibiliteit in de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders. Zij probeert soms extra omgangsmomenten te regelen tussen [de minderjarige] en de ouders, zoals bij zwemles.
6De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
[de minderjarige] heeft sinds september 2025 een fijne plek bij de pleegmoeder en heeft sinds januari 2026 onbegeleide omgang met de ouders. Dit is een grote verbetering in vergelijking met de situatie vorig jaar. Deze verbetering is te danken aan de inzet van alle betrokken partijen en de kinderrechter wil de ouders en de pleegmoeder een compliment geven voor hun inzet en de grote stappen die zij hebben gezet. Deze positieve ontwikkelingen hebben een deel van de zorgen over [de minderjarige] weggenomen, maar de kinderrechter constateert net als de GI dat er nog ontwikkelingsbedreigingen zijn en dat er nog stappen moeten worden gezet voordat deze zijn weggenomen. Zo is het van belang dat de GI de omgang blijft monitoren, vooral rond de nog te starten speltherapie van [de minderjarige] . Het is namelijk onduidelijk welke emoties en gevoelens speltherapie bij [de minderjarige] zullen opwekken en of de ouders mogelijk extra ondersteuning nodig hebben om in dat geval voldoende bij [de minderjarige] ’s behoeften te kunnen (blijven) aansluiten.
6.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het nog te vroeg is om de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten. [de minderjarige] verblijft namelijk pas sinds een aantal maanden bij de pleegmoeder en de kinderrechter begrijpt goed dat de pleegmoeder hierbij nog begeleiding wenst en nodig heeft. Daarbij komt dat het verloop en de effecten van [de minderjarige] ’s speltherapie nog moeten worden afgewacht, waardoor het toezicht van GI nodig blijft vanwege het risico op terugval. De betrokkenheid van de GI blijft het komende jaar daarom noodzakelijk om regie te voeren en de juiste hulpverlening in- en voort te zetten.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Nu [de minderjarige] ’s speltherapie waarschijnlijk in september 2026 zal starten en het verloop daarvan nog moet worden afgewacht, is een kortere duur van de ondertoezichtstelling niet passend. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom voor de duur van één jaar.
6.5.
De kinderrechter overweegt ten overvloede dat tijdens de zitting uitgebreid is gesproken over de wens van de ouders om de afspraken over de omgang met [de minderjarige] uit te breiden en te versoepelen. De pleegmoeder gunt dit de ouders en de GI heeft aangegeven hier welwillend tegenover te staan. De kinderrechter vertrouwt er dan ook op dat de GI de mogelijkheden daarvan gaat onderzoeken.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.6.
De kinderrechter stelt bij de beoordeling van het verzoek over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voorop dat als een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op grond van de wet samen moet gaan met een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) over de verlenging van die ondertoezichtstelling. Volgens de Hoge Raad moet de rechter die een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toewijst zonder dat het verzoek daartoe samen ging met een advies van de Raad in de motivering van zijn beslissing aangeven op grond waarvan hij van oordeel is dat die verlenging nodig is.
6.7.
De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] formeel nog niet langer dan twee jaar heeft geduurd, nu deze machtiging tussen 25 maart 2025 en 14 april 2025 ontbrak. De kinderrechter stelt alleen ook vast dat [de minderjarige] in die periode niet naar huis is gegaan en bij haar toenmalige pleeggezin is gebleven, zodat haar feitelijke uithuisplaatsing langer dan twee jaar heeft geduurd. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat de Raad geen advies zoals bedoeld onder 6.6. heeft afgegeven, omdat de Raad aangaf dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Volgens de kinderrechter had het in dit geval op de weg van de Raad gelegen om – vanwege de bedoeling van de wetgever bij het genoemde advies – wel een advies af te geven zoals bedoeld onder 6.6. Hoewel dat advies nu ontbreekt, zal de kinderrechter hierna uitleggen waarom hij toch van oordeel is dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.
6.8.
Zoals onder 2.5. aangegeven, is bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 10 december 2025 het perspectiefbesluit door de rechtbank onderschreven. [de minderjarige] kan daarom niet bij de ouders opgroeien. [de minderjarige] verblijft sinds september 2025 bij de pleegmoeder, waar haar perspectief definitief is bepaald. De ouders zijn het eens met [de minderjarige] ’s plaatsing bij de pleegmoeder. Bij de pleegmoeder gaat het goed met [de minderjarige] . Zij krijgt daar voldoende structuur, stabiliteit en begrenzing. Het is dan ook noodzakelijk in het belang de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat dit zo blijft en dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd.
6.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 14 juni 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot 14 juni 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. G. Elst, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/15/377987 / JU RK 26-772.
Artikel 1:260 BW. zij
Zoals bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, BW.
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:454.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377988 / JU RK 26-773
Datum uitspraak: 10 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna samen ook te noemen: de ouders,
advocaat mr. E.J. Coxon uit Utrecht.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026;
het bericht van de GI, ontvangen op 2 juni 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de ouders met hun advocaat;
de pleegmoeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De zaak over [de minderjarige] ’s broer, [broer] , is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Daarna is zij definitief onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is verlengd en duurt nu nog tot 14 juni 2026.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier weken. De machtiging is daarna steeds opnieuw verleend en duurde tot 25 maart 2025.
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 april 2025 is opnieuw een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg (pleeggezin). Deze machtiging is daarna verlengd. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank is het perspectiefbesluit van de GI (waarin is geconcludeerd dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders ligt) onderschreven en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 juni 2026.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin met één jaar te verlengen. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI onderbouwt de verzoeken als volgt.
3.2.
[de minderjarige] ’s ontwikkelingsbedreigingen zijn:
i) tussen de ouders is er tijdens de omgangsmomenten een ongelijk verdeelde opvoedrol,
ii) er is een risico op overvragen van [de minderjarige] en de pleegmoeder als de ouders niet binnen duidelijke kaders handelen; en
iii) [de minderjarige] wordt mogelijk emotioneel belast door het loskomen van gevoelens tijdens de speltherapie waarvoor zij op de wachtlijst staat.
3.3.
In het perspectiefbiedende pleeggezin komt [de minderjarige] tot rust, ontwikkelt zij zich goed en volgt zij onderwijs in haar directe omgeving. Ook de ouders maken goede stappen, waardoor [de minderjarige] sinds januari 2026 onbegeleide omgang met haar ouders heeft. Dit gaat goed, al blijven er aandachtspunten. Het is daarom noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders te monitoren, de samenwerking tussen de ouders en het pleeggezin te begeleiden en de veiligheid te waarborgen. Bij [de minderjarige] zal nog geen diagnostiek plaatsvinden, omdat eerst wordt gefocust op haar emotieregulatie en traumaverwerking. De GI moet ook betrokken blijven om hulpverlening op tijd in te zetten, bij te sturen en/of af te schalen.
3.4.
De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat [de minderjarige] ’s speltherapie waarschijnlijk in september 2026 zal starten. De GI houdt er rekening mee dat [de minderjarige] hierop heftig gaat reageren. De GI moet dan ook betrokken blijven om hier zicht op te houden en mogelijk aanvullende hulp/ondersteuning in te zetten voor [de minderjarige] , de ouders en/of de pleegmoeder.
3.5.
De GI staat ervoor open om een uitbreiding en versoepeling van de omgangsmomenten met de ouders en de pleegmoeder te bespreken. Zij vindt het daarbij wel belangrijk om zicht te blijven houden op de communicatie tussen de ouders en de pleegmoeder, maar hoeft bijvoorbeeld niet meer overal toestemming voor te geven.
4Het standpunt van de ouders
4.1.
De ouders en hun advocaat hebben tijdens de zitting aangegeven dat de ouders zich refereren aan het oordeel van de kinderrechter over de verzoeken. De samenwerking tussen de ouders en de pleegmoeder gaat erg goed. De ouders willen graag wat meer flexibiliteit in de omgang met [de minderjarige] en willen dat deze omgang wordt uitgebreid. Nu [de minderjarige] ’s therapie nog moet worden opgestart en de pleegmoeder behoefte heeft aan begeleiding, begrijpen de ouders dat de situatie wordt voortgezet in het gedwongen kader. Wel willen de ouders graag toewerken naar een plaatsing in het vrijwillig kader.
5De pleegmoeder
5.1.
De pleegmoeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat het erg goed gaat met [de minderjarige] bij de pleegmoeder en dat er goed contact is tussen de pleegmoeder en de ouders. Nu [de minderjarige] het eerste pleegkind is van de pleegmoeder, wil de pleegmoeder nog graag begeleiding krijgen. Kort geleden kreeg [de minderjarige] bijvoorbeeld een terugval tijdens een sportles en was het fijn dat de pleegmoeder daarbij begeleid werd. De pleegmoeder staat open voor meer flexibiliteit in de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders. Zij probeert soms extra omgangsmomenten te regelen tussen [de minderjarige] en de ouders, zoals bij zwemles.
6De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
[de minderjarige] heeft sinds september 2025 een fijne plek bij de pleegmoeder en heeft sinds januari 2026 onbegeleide omgang met de ouders. Dit is een grote verbetering in vergelijking met de situatie vorig jaar. Deze verbetering is te danken aan de inzet van alle betrokken partijen en de kinderrechter wil de ouders en de pleegmoeder een compliment geven voor hun inzet en de grote stappen die zij hebben gezet. Deze positieve ontwikkelingen hebben een deel van de zorgen over [de minderjarige] weggenomen, maar de kinderrechter constateert net als de GI dat er nog ontwikkelingsbedreigingen zijn en dat er nog stappen moeten worden gezet voordat deze zijn weggenomen. Zo is het van belang dat de GI de omgang blijft monitoren, vooral rond de nog te starten speltherapie van [de minderjarige] . Het is namelijk onduidelijk welke emoties en gevoelens speltherapie bij [de minderjarige] zullen opwekken en of de ouders mogelijk extra ondersteuning nodig hebben om in dat geval voldoende bij [de minderjarige] ’s behoeften te kunnen (blijven) aansluiten.
6.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het nog te vroeg is om de hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten. [de minderjarige] verblijft namelijk pas sinds een aantal maanden bij de pleegmoeder en de kinderrechter begrijpt goed dat de pleegmoeder hierbij nog begeleiding wenst en nodig heeft. Daarbij komt dat het verloop en de effecten van [de minderjarige] ’s speltherapie nog moeten worden afgewacht, waardoor het toezicht van GI nodig blijft vanwege het risico op terugval. De betrokkenheid van de GI blijft het komende jaar daarom noodzakelijk om regie te voeren en de juiste hulpverlening in- en voort te zetten.
6.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. Nu [de minderjarige] ’s speltherapie waarschijnlijk in september 2026 zal starten en het verloop daarvan nog moet worden afgewacht, is een kortere duur van de ondertoezichtstelling niet passend. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] daarom voor de duur van één jaar.
6.5.
De kinderrechter overweegt ten overvloede dat tijdens de zitting uitgebreid is gesproken over de wens van de ouders om de afspraken over de omgang met [de minderjarige] uit te breiden en te versoepelen. De pleegmoeder gunt dit de ouders en de GI heeft aangegeven hier welwillend tegenover te staan. De kinderrechter vertrouwt er dan ook op dat de GI de mogelijkheden daarvan gaat onderzoeken.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.6.
De kinderrechter stelt bij de beoordeling van het verzoek over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voorop dat als een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op grond van de wet samen moet gaan met een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) over de verlenging van die ondertoezichtstelling. Volgens de Hoge Raad moet de rechter die een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toewijst zonder dat het verzoek daartoe samen ging met een advies van de Raad in de motivering van zijn beslissing aangeven op grond waarvan hij van oordeel is dat die verlenging nodig is.
6.7.
De kinderrechter stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] formeel nog niet langer dan twee jaar heeft geduurd, nu deze machtiging tussen 25 maart 2025 en 14 april 2025 ontbrak. De kinderrechter stelt alleen ook vast dat [de minderjarige] in die periode niet naar huis is gegaan en bij haar toenmalige pleeggezin is gebleven, zodat haar feitelijke uithuisplaatsing langer dan twee jaar heeft geduurd. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat de Raad geen advies zoals bedoeld onder 6.6. heeft afgegeven, omdat de Raad aangaf dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Volgens de kinderrechter had het in dit geval op de weg van de Raad gelegen om – vanwege de bedoeling van de wetgever bij het genoemde advies – wel een advies af te geven zoals bedoeld onder 6.6. Hoewel dat advies nu ontbreekt, zal de kinderrechter hierna uitleggen waarom hij toch van oordeel is dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.
6.8.
Zoals onder 2.5. aangegeven, is bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 10 december 2025 het perspectiefbesluit door de rechtbank onderschreven. [de minderjarige] kan daarom niet bij de ouders opgroeien. [de minderjarige] verblijft sinds september 2025 bij de pleegmoeder, waar haar perspectief definitief is bepaald. De ouders zijn het eens met [de minderjarige] ’s plaatsing bij de pleegmoeder. Bij de pleegmoeder gaat het goed met [de minderjarige] . Zij krijgt daar voldoende structuur, stabiliteit en begrenzing. Het is dan ook noodzakelijk in het belang de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dat dit zo blijft en dat de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd.
6.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7De beslissing
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 14 juni 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin tot 14 juni 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. G. Elst, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/15/377987 / JU RK 26-772.
Artikel 1:260 BW. zij
Zoals bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, BW.
Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:454.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.