Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8108
2026-03-04
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11872088 CV EXPL 25-3188
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
ambtschalve toetsing oneerlijk incassokostenbeding
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.958 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11872088 \ CV EXPL 25-3188
Uitspraakdatum: 4 maart 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] , h.o.d.n. Advocatenpraktijk [naam]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Vermeer Schutte & Musen B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de eventuele (on)eerlijkheid van bedingen uit de algemene voorwaarden. De eisende partij heeft naar aanleiding hiervan een akte genomen.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij haar akte heeft de eisende partij de op de overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Prins en Koster advocaten overgelegd.
2.2.
Artikel 9 lid 1 van deze algemene voorwaarden bevat een rentebeding. Het beding luidt als volgt.
‘Na verstrijken van de betalingstermijn van veertien dagen is de cliënt van rechtswege in verzuim en is de cliënt over het opeisbare bedrag de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:119(a) BW, vermeerderd met 1,5 %, verschuldigd, zonder dat deze eerst aangezegd hoeft te worden.’
2.3.
De overeengekomen rente is dus hoger dan de wettelijke rente, doordat de wettelijke rente wordt verhoogd met 1,5%. Omdat het rentepercentage beneden de destijds geldende wettelijke handelsrente blijft, is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. Het beding is daarom niet oneerlijk.
2.4.
De kantonrechter heeft ook het incassokostenbeding uit artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden getoetst. Dit beding luidt als volgt.
‘Indien de cliënt in verzuim is één of meer van zijn verplichtingen jegens het kan Prins en Koster advocaten na te komen, komen alle redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor rekening van cliënt, e.e.a. conform de bepalingen krachtens de Wet Buitengerechtelijke incassokosten.’
2.5.
Dit beding is wel oneerlijk, omdat de formulering suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. De verwijzing naar de Wet Buitengerechtelijke incassokosten is onvoldoende, omdat onduidelijk is op welke wettelijke bepalingen de eisende partij daarmee precies doelt. Er is immers geen bestaande wet met die naam. De kantonrechter zal artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden dan ook vernietigen. Dit heeft tot gevolg dat de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
De gevorderde hoofdsom van € 484,00 wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Omdat de gedaagde partij in verzuim is met de betaling van dit bedrag is hij tevens wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen zoals gevorderd.
2.7.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 535,47 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 484,00 vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78
griffierecht € 226,00
salaris gemachtigde € 144,00 ;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11872088 \ CV EXPL 25-3188
Uitspraakdatum: 4 maart 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] , h.o.d.n. Advocatenpraktijk [naam]
te [plaats]
de eisende partij
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor Vermeer Schutte & Musen B.V.
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1De verdere procedure
1.1.
Bij tussenvonnis van 10 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de eventuele (on)eerlijkheid van bedingen uit de algemene voorwaarden. De eisende partij heeft naar aanleiding hiervan een akte genomen.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij haar akte heeft de eisende partij de op de overeenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Prins en Koster advocaten overgelegd.
2.2.
Artikel 9 lid 1 van deze algemene voorwaarden bevat een rentebeding. Het beding luidt als volgt.
‘Na verstrijken van de betalingstermijn van veertien dagen is de cliënt van rechtswege in verzuim en is de cliënt over het opeisbare bedrag de wettelijke (handels)rente ex artikel 6:119(a) BW, vermeerderd met 1,5 %, verschuldigd, zonder dat deze eerst aangezegd hoeft te worden.’
2.3.
De overeengekomen rente is dus hoger dan de wettelijke rente, doordat de wettelijke rente wordt verhoogd met 1,5%. Omdat het rentepercentage beneden de destijds geldende wettelijke handelsrente blijft, is geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument. Het beding is daarom niet oneerlijk.
2.4.
De kantonrechter heeft ook het incassokostenbeding uit artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden getoetst. Dit beding luidt als volgt.
‘Indien de cliënt in verzuim is één of meer van zijn verplichtingen jegens het kan Prins en Koster advocaten na te komen, komen alle redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor rekening van cliënt, e.e.a. conform de bepalingen krachtens de Wet Buitengerechtelijke incassokosten.’
2.5.
Dit beding is wel oneerlijk, omdat de formulering suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. Op dat punt is het beding te onduidelijk en onbegrijpelijk. De verwijzing naar de Wet Buitengerechtelijke incassokosten is onvoldoende, omdat onduidelijk is op welke wettelijke bepalingen de eisende partij daarmee precies doelt. Er is immers geen bestaande wet met die naam. De kantonrechter zal artikel 10 lid 1 van de algemene voorwaarden dan ook vernietigen. Dit heeft tot gevolg dat de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
De gevorderde hoofdsom van € 484,00 wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Omdat de gedaagde partij in verzuim is met de betaling van dit bedrag is hij tevens wettelijke rente verschuldigd. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen zoals gevorderd.
2.7.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 535,47 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 484,00 vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78
griffierecht € 226,00
salaris gemachtigde € 144,00 ;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter