Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7645
2026-02-19
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
HAA 24/1115
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
NATUURBESCHERMING. FAUNABEHEERPLAN. JACHT. TOETSINGSCRITERIA. Gedeputeerde staten hoeven de staat van instandhouding van een wildsoort en de door de wildsoort veroorzaakte schade in het jachtgebied niet te betrekken bij een besluit tot goedkeuring van het faunabeheerplan voor de jacht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:875 Raad van State 20-03-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.807 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1115
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, uit Monnickendam,
de vereniging Wildbeheereenheid Amstelland, uit De Kwakel,
de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge, uit Berkhout,
de vereniging Wildbeheereenheid IJmeer en Vechtstreek, uit Weesp,
de vereniging Vereniging Wildbeheer Zaanstreek en Omgeving, uit Zaandam,
de vereniging Wildbeheereenheid Waterland en Omstreken, uit Amsterdam,
eisers,
hierna aangehaald als de wildbeheereenheden (de WBE)
gemachtigde: mr. H. Koolen, advocaat te Amsterdam,
en
gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder
gemachtigden: mr. T.C. Leemans en K. Groenevelt, beiden beleidsmedewerker in dienst van de provincie.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, uit Haarlem (FBE)
gemachtigden: [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] , beiden ecoloog in dienst van de FBE.
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de WBE tegen het besluit waarmee verweerder het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 heeft goedgekeurd.
1.2.
De WBE zijn het met de goedkeuring van het faunabeheerplan niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het goedkeuringsbesluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beroepsgronden niet meebrengen dat het college het faunabeheerplan niet kon goedkeuren. Anders dan de WBE aanvoeren, kan een faunabeheerplan (ook) alleen zien op de uitoefening van de jacht. De in het faunabeheerplan opgenomen, volgens de WBE overbodige of onjuiste informatie vormt geen reden voor de conclusie dat het goedkeuringsbesluit in strijd is met de Wet natuurbescherming (Wnb) of de Omgevingsverordening HH 2020. De WBE krijgen dus geen gelijk en hun beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
De FBE heeft op 21 juni 2023 het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 (hierna: faunabeheerplan) vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2023 heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd. De WBE hebben op 5 september 2023 bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
De WBE hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep geregistreerd onder nummer HAA 24/1113. Dit beroep, ingesteld door Stichting De Faunabescherming, is ook gericht tegen het bestreden besluit. Aan de zitting hebben namens de WBE deelgenomen [naam 1] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, en [naam 2] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van de FBE.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3.1.
Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wnb. Op 1 januari 2024 zijn de Aanvullingswet natuur Omgevingswet en de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Als een aanvraag om goedkeuring van een faunabeheerplan is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het oude recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.2.
Het verzoek om goedkeuring is in dit geval ingediend op 30 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb nog van toepassing is.
3.3.
Enige voor deze zaak relevante bepalingen uit de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, de Wnb, de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsverordening NH2020 zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Bevoegdheid rechtbank
3.4.
De rechtbank stelt voorop, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het goedkeuringsbesluit, dat betrekking heeft op een faunabeheerplan voor (uitsluitend) de jacht, een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is en de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder vooropgesteld dat een goedgekeurd faunabeheerplan is vereist om de jacht te kunnen uitoefenen. Om te bezien of het door de FBE vastgestelde faunabeheerplan kon worden goedgekeurd heeft verweerder dat plan, zo stelt hij, getoetst aan de inhoudelijke eisen die de Wnb stelt aan het opstellen, vaststellen en goedkeuren van een faunabeheerplan en tevens bezien of het faunabeheerplan voldoet aan de inhoudelijke eisen die afdeling 6.11 Omgevingsverordening NH2020 daaraan stelt. Om de jachthouder goed invulling te kunnen laten geven aan diens verantwoordelijkheid tot het in stand houden van een goede wildstand en het voorkomen van schade door de wildsoorten in het jachtveld is in het faunabeheerplan informatie gegeven over de wildsoorten wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn, is het aantal in eerdere jaren gedode dieren per jaar vermeld en een indicatie gegeven van de (potentiële) schade. Verder is daarin inzicht gegeven in de trendontwikkeling van de populaties, de staat van instandhouding van de wildsoorten en de wijze waarop de ontwikkeling van populaties, de beheergegevens en de schade worden gemonitord. Volgens verweerder voldoet het faunabeheerplan daarmee aan de daaraan te stellen eisen.
Is een (goedgekeurd) faunabeheerplan nodig om de jacht te mogen uitoefenen?
5. Ter zitting hebben de WBE aangegeven dat de rechtbank hun standpunt dat een (vastgesteld en goedgekeurd) faunabeheerplan niet is vereist om de jacht te mogen uitoefenen, buiten bespreking kan laten, omdat die stelling, zo realiseren zij zich, niet af kan doen aan de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit. De rechtbank gaat op het betoog daarom niet in.
Hebben de WBE belang bij hun beroep?
6.1.
Verweerder stelt dat de WBE geen toereikend procesbelang hebben bij hun beroep. Als de WBE in het gelijk worden gesteld, komen zij, aldus verweerder, niet in een betere positie omdat dit zou betekenen dat de jacht voorlopig niet kan worden uitgeoefend wegens het ontbreken van een (goedgekeurd) faunabeheerplan.
6.2.
De rechtbank volgt verweerder niet in dat verweer. De WBE zijn het niet eens met de inhoud van het faunabeheerplan. Het plan is van belang voor hun activiteiten. Met het beroep kunnen zij bereiken dat het faunabeheerplan niet langer is goedgekeurd en dus aanpassing zou behoeven. Daar is een toereikend procesbelang in gelegen. Dat vernietiging van het bestreden besluit (en eventueel het primaire besluit) tot consequentie kan hebben dat de jacht (voorlopig) niet volgens een faunabeheerplan kan worden uitgeoefend, betekent niet dat de WBE met een ongedaanmaking van de goedkeuring niet in een andere positie kunnen geraken.
Strijd met Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 omdat het faunabeheerplan alleen ziet op jacht?
7.1.
De WBE betogen dat het faunabeheerplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.12, derde lid, Wnb en artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020. Uit eerstgenoemd artikel volgt weliswaar dat faunabeheereenheden meerdere faunabeheerplannen kunnen vaststellen, maar uit laatstgenoemd artikel volgt, volgens de WBE, dat elk faunabeheerplan gegevens moet bevatten over zowel beheer van populaties in het wild levende dieren, als een beschrijving van de bestrijding van door dieren veroorzaakte schade èn een rapportage van de uitoefening van de jacht. Omdat het onderhavige faunabeheerplan niet ziet op beheer en bestrijding, maar alleen op jacht, had verweerder het vastgestelde faunabeheerplan, aldus de WBE, niet mogen goedkeuren.
7.2.
Zoals verweerder heeft aangegeven en de WBE ook onderkennen, biedt artikel 3.12, derde lid, Wnb expliciet de mogelijk om meerdere faunabeheerplannen vast te stellen. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020, gelet op artikel 3.12, derde lid, Wnb, niet zo moet worden gelezen dat daaruit een dwingende verplichting voortvloeit dat elk faunabeheerplan moet zien op zowel de uitoefening van de jacht, als het duurzaam beheer van populaties èn schadebestrijding, maar dat in dit artikel, in overeenstemming met de Wnb, is aangegeven dat een faunabeheerplan ook slechts op een (of twee) van deze onderwerpen kan zien. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat ook uit de systematiek van de artikelen in afdeling 6.11 Omgevingsverordening HN2020 en met name de artikelen 6.87 tot en met 6.89 Omgevingsverordening NH2020, waarin in elk artikel afzonderlijk een van de drie onderwerpen wordt behandeld, volgt dat er meerdere faunabeheerplannen kunnen worden gemaakt en dat de inhoud van een faunabeheerplan ook kan zien op slechts een (of twee) van die onderwerpen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat een faunabeheerplan dat alleen ziet op jacht, niet in strijd is met artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020. Verweerder heeft in het betoog van de WBE daarom geen aanleiding hoeven zien de goedkeuring aan het onderhavige faunabeheerplan te onthouden.
Leidt de inhoud van het faunabeheerplan tot (een negatieve) wijziging van de rechtspositie van de WBE?
8.1.
De WBE voeren verder aan dat het faunabeheerplan meer informatie bevat dan op grond van de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 is vereist. Het gaat dan om het benoemen van jachtwildsoorten, jachtseizoenen middels een tabel, tijdstippen waarop in beginsel mag worden gejaagd, het noemen van de vereiste jachtakten en het omschrijven van de term ‘bebouwde kom’. Het opnemen van deze informatie kan, aldus de WBE, leiden tot verwarring, complicaties, problemen en overtredingen. Als bijvoorbeeld de wettelijke regelingen waarin de aanwijzing van jachtwildsoorten, jachtseizoenen of tijdstippen worden gewijzigd en het faunabeheerplan niet, dan is sprake van een discrepantie tussen de regelgeving en het faunabeheerplan. Jagers zouden aangesproken kunnen worden op vermeende overtreding van het faunabeheerplan voor de jacht. Die verwarring moet, aldus de WBE, worden voorkomen door dergelijke informatie niet op te nemen in het faunabeheerplan. De WBE wijzen er in dat verband op dat hetgeen in het faunabeheerplan is opgenomen over de jacht op de wilde eend ook nu al niet overeenkomt met en beperkter is voor de jachthouder dan hetgeen is opgenomen in artikel 11.67, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving. Verder is de in het faunabeheerplan genoemde verplichte “jachtakte” onder de Omgevingswet vervallen en vervangen door een omgevingsvergunning voor een jachtactiviteit. Ook wordt onder de Omgevingswet niet meer gesproken van bebouwde kom, maar van bebouwingscontour jacht. Omdat dergelijke overbodige informatie de rechtspositie van de jachthouders kan beïnvloeden, had verweerder, aldus de WBE, het faunabeheerplan zonder schrapping van die informatie niet mogen goedkeuren.
8.2.
De rechtbank volgt de WBE niet in deze beroepsgrond. In de Wnb en – uitgewerkt – in de Omgevingsverordening NH2020 zijn weliswaar regels neergelegd waaraan faunabeheerplannen ‘ten minste’ moeten voldoen, maar die regels verbieden niet de door de WBE bedoelde informatieve passages op te nemen. Dat in het faunabeheerplan meer informatie is opgenomen dan op zich op grond van Wnb en Omgevingsverordening NH2020 is vereist, is met die bepalingen dan ook niet in strijd. Die door de WBE bedoelde en gesteld onjuiste informatie in het faunabeheerplan is slechts informatief van aard. Het bevat geen bindende regels en voorschriften over de uitoefening van de jacht door de jachthouder die afwijken van de regels in Wnb en daarbij horende uitvoeringsregels, met name in de artikelen 3.20 en 3.22 Wnb en artikel 3.5 Regeling natuurbescherming. Die informatie, opgenomen in het faunabeheerplan, leidt dan ook niet tot een wijziging in de rechtspositie van de jachthouder bij de uitoefening van de jacht. Hij zal zich bij de uitoefening van de jacht wel moeten richten naar de in het faunabeheerplan opgenomen informatie over populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht mag plaatsvinden, maar de (hogere) wettelijke regels over de jacht worden door een faunabeheerplan met betrekking tot jacht niet gewijzigd. Verweerder heeft in deze beroepsgrond van de WBE dan ook geen aanleiding hoeven zien goedkeuring aan het faunabeheerplan te onthouden. Dat geldt ook voor informatie die volgens de WBE verwarring wekt en, naar zij stellen, andere complicaties in de handhaving van de regels over de jacht kan veroorzaken. Nog daargelaten dat in het faunabeheerplan alleen informerend is verwezen naar de bedoelde wet- en regelgeving, mag van de jachthouder en de handhavers worden verwacht dat zij bekend zijn met de toepasselijke wet- en regelgeving en daarnaar zullen handelen.
Zijn de jachthouders onevenredig geraakt en heeft verweerder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
9.1.
De WBE voeren voorts nog aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter onderbouwing stellen zij dat sprake is van onevenredige gevolgen van het faunabeheerplan voor jachthouders en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen in verhouding tot de met het faunabeheerplan te dienen doelen.
9.2.
Zoals hiervoor is overwogen stelt het faunabeheerplan geen van de wet afwijkende, beperkende voorschriften aan de wijze waarop de jacht wordt uitgeoefend en heeft het goedkeuringsbesluit enkel tot rechtsgevolg dat de jacht kan worden uitgeoefend. Het bevat met name informatie over populatieontwikkeling van de wildsoorten die de jachthouders wel steeds in acht moeten nemen, Gelet hierop ziet de rechtbank met verweerder niet in op welke wijze de jachthouders door de goedkeuring van het faunabeheerplan onevenredig kunnen worden geraakt in hun belangen, noch op welke wijze verweerder het motiveringsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel zou kunnen hebben geschonden met het besluit waarbij het faunabeheerplan is goedgekeurd. De rechtbank volgt de WBE dan ook niet in hun niet onderbouwde betoog over de gestelde schending van deze beginselen.
Conclusie en gevolgen
10. Hetgeen de WBE aanvoeren wettigt niet de conclusie dat verweerder ten onrechte het faunabeheerplan heeft goedgekeurd. Het beroep is daarom ongegrond. De goedkeuring blijft in stand. Dat betekent dat de WBE het griffierecht niet terugkrijgen. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage wettelijk kader
De bepalingen zijn opgenomen voor zover aangehaald.
Aanvullingswet natuur Omgevingswet
Artikel 2.9. (eerbiedigend overgangsrecht procedures)
1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is (…)
Wet natuurbescherming
Artikel 3.12
1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
(…)
3. Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. (..).
7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. (..)
9. Provinciale staten stellen bij verordening regels waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:
a. de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b. de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend op grond van artikel 3.18;
c. de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen, bedoeld in onderdeel b worden verricht, en
d. de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties als bedoeld in het tweede lid in het bestuur van de faunabeheereenheid.
Artikel 3.20
1. In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde.
2. Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten:
a. fazant (Phasianus colchicus);
b. wilde eend (Anas platyrhynchos);
c. houtduif (Columba palumbus);
d. haas (Lepus Europaeus);
e. konijn (Oryctolagus cuniculus).
3. De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in het tweede lid te handhaven, dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild als bedoeld in het tweede lid te voorkomen.
Artikel 3.22, voor zover hier van belang
1. Het is verboden om de jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, uit te oefenen indien de jacht op de betreffende soort niet is geopend.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht is geopend. De opening van de jacht kan naar plaats of tijd worden beperkt.
(…)
5. De jacht wordt niet geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.
Regeling natuurbescherming
Artikel 3.5
De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:
a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;
b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;
c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland;
d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari;
e. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.
Omgevingsverordening NH2020
Afdeling 6.11 Faunabeheer
Artikel 6.84 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een Faunabeheereenheid.
Artikel 6.85 Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan
1. Een faunabeheerplan bevat:
a. een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren;
b. een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren, en;
c. een rapportage van de uitoefening van de jacht.
2. Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
(…)
Artikel 6.86 Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen
1. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
2. Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen:
a. in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen;
b. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een gevalideerde telmethode en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als bedoeld in artikel 2.12;
c. relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en
d. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.
Artikel 6.87 Eisen aan een faunabeheerplan – duurzaam beheer van populaties
Indien sprake is van duurzaam beheer van populaties, bevat een faunabeheerplan tevens:
a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;
b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;
c. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;
d. een beschrijving van de mate waarin de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
e. de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten;
f. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat tenminste de volgende gegevens:
i. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan.
ii. een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.
iii. per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn.
g. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
h. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
i. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel k omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en
j. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, deze activiteit dient.
Artikel 6.88 Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade
Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens:
a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;
b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;
c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;
d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
f. een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt;
g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;
h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;
i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;
j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
k. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;
l. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming deze activiteit dient;
m. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.
Artikel 6.89 Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht
Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens:
a. kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en
b. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.
De rechtbank verwijst ten overvloede naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875, overweging 7.4.
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/1115
uitspraak van de meervoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, uit Monnickendam,
de vereniging Wildbeheereenheid Amstelland, uit De Kwakel,
de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge, uit Berkhout,
de vereniging Wildbeheereenheid IJmeer en Vechtstreek, uit Weesp,
de vereniging Vereniging Wildbeheer Zaanstreek en Omgeving, uit Zaandam,
de vereniging Wildbeheereenheid Waterland en Omstreken, uit Amsterdam,
eisers,
hierna aangehaald als de wildbeheereenheden (de WBE)
gemachtigde: mr. H. Koolen, advocaat te Amsterdam,
en
gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland, verweerder
gemachtigden: mr. T.C. Leemans en K. Groenevelt, beiden beleidsmedewerker in dienst van de provincie.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: stichting Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, uit Haarlem (FBE)
gemachtigden: [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] , beiden ecoloog in dienst van de FBE.
Samenvatting
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de WBE tegen het besluit waarmee verweerder het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 heeft goedgekeurd.
1.2.
De WBE zijn het met de goedkeuring van het faunabeheerplan niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het goedkeuringsbesluit.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beroepsgronden niet meebrengen dat het college het faunabeheerplan niet kon goedkeuren. Anders dan de WBE aanvoeren, kan een faunabeheerplan (ook) alleen zien op de uitoefening van de jacht. De in het faunabeheerplan opgenomen, volgens de WBE overbodige of onjuiste informatie vormt geen reden voor de conclusie dat het goedkeuringsbesluit in strijd is met de Wet natuurbescherming (Wnb) of de Omgevingsverordening HH 2020. De WBE krijgen dus geen gelijk en hun beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.1.
De FBE heeft op 21 juni 2023 het Faunabeheerplan Wildsoorten 2023-2029 (hierna: faunabeheerplan) vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2023 heeft verweerder het faunabeheerplan goedgekeurd. De WBE hebben op 5 september 2023 bezwaar gemaakt tegen het goedkeuringsbesluit. Bij besluit van 9 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
De WBE hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep geregistreerd onder nummer HAA 24/1113. Dit beroep, ingesteld door Stichting De Faunabescherming, is ook gericht tegen het bestreden besluit. Aan de zitting hebben namens de WBE deelgenomen [naam 1] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid Laag Holland, en [naam 2] , voorzitter van de vereniging Wildbeheereenheid De Oude Kogge, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Aan de zitting hebben verder deelgenomen de gemachtigden van verweerder en de gemachtigden van de FBE.
Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3.1.
Het bestreden besluit is genomen op grond van de Wnb. Op 1 januari 2024 zijn de Aanvullingswet natuur Omgevingswet en de Omgevingswet in werking getreden en is de Wnb ingetrokken. Als een aanvraag om goedkeuring van een faunabeheerplan is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het oude recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.2.
Het verzoek om goedkeuring is in dit geval ingediend op 30 juni 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb nog van toepassing is.
3.3.
Enige voor deze zaak relevante bepalingen uit de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, de Wnb, de Regeling natuurbescherming en de Omgevingsverordening NH2020 zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Bevoegdheid rechtbank
3.4.
De rechtbank stelt voorop, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het goedkeuringsbesluit, dat betrekking heeft op een faunabeheerplan voor (uitsluitend) de jacht, een voor (bezwaar en) beroep vatbaar besluit is en de rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit heeft verweerder vooropgesteld dat een goedgekeurd faunabeheerplan is vereist om de jacht te kunnen uitoefenen. Om te bezien of het door de FBE vastgestelde faunabeheerplan kon worden goedgekeurd heeft verweerder dat plan, zo stelt hij, getoetst aan de inhoudelijke eisen die de Wnb stelt aan het opstellen, vaststellen en goedkeuren van een faunabeheerplan en tevens bezien of het faunabeheerplan voldoet aan de inhoudelijke eisen die afdeling 6.11 Omgevingsverordening NH2020 daaraan stelt. Om de jachthouder goed invulling te kunnen laten geven aan diens verantwoordelijkheid tot het in stand houden van een goede wildstand en het voorkomen van schade door de wildsoorten in het jachtveld is in het faunabeheerplan informatie gegeven over de wildsoorten wilde eend, fazant, houtduif, haas en konijn, is het aantal in eerdere jaren gedode dieren per jaar vermeld en een indicatie gegeven van de (potentiële) schade. Verder is daarin inzicht gegeven in de trendontwikkeling van de populaties, de staat van instandhouding van de wildsoorten en de wijze waarop de ontwikkeling van populaties, de beheergegevens en de schade worden gemonitord. Volgens verweerder voldoet het faunabeheerplan daarmee aan de daaraan te stellen eisen.
Is een (goedgekeurd) faunabeheerplan nodig om de jacht te mogen uitoefenen?
5. Ter zitting hebben de WBE aangegeven dat de rechtbank hun standpunt dat een (vastgesteld en goedgekeurd) faunabeheerplan niet is vereist om de jacht te mogen uitoefenen, buiten bespreking kan laten, omdat die stelling, zo realiseren zij zich, niet af kan doen aan de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit. De rechtbank gaat op het betoog daarom niet in.
Hebben de WBE belang bij hun beroep?
6.1.
Verweerder stelt dat de WBE geen toereikend procesbelang hebben bij hun beroep. Als de WBE in het gelijk worden gesteld, komen zij, aldus verweerder, niet in een betere positie omdat dit zou betekenen dat de jacht voorlopig niet kan worden uitgeoefend wegens het ontbreken van een (goedgekeurd) faunabeheerplan.
6.2.
De rechtbank volgt verweerder niet in dat verweer. De WBE zijn het niet eens met de inhoud van het faunabeheerplan. Het plan is van belang voor hun activiteiten. Met het beroep kunnen zij bereiken dat het faunabeheerplan niet langer is goedgekeurd en dus aanpassing zou behoeven. Daar is een toereikend procesbelang in gelegen. Dat vernietiging van het bestreden besluit (en eventueel het primaire besluit) tot consequentie kan hebben dat de jacht (voorlopig) niet volgens een faunabeheerplan kan worden uitgeoefend, betekent niet dat de WBE met een ongedaanmaking van de goedkeuring niet in een andere positie kunnen geraken.
Strijd met Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 omdat het faunabeheerplan alleen ziet op jacht?
7.1.
De WBE betogen dat het faunabeheerplan is vastgesteld in strijd met artikel 3.12, derde lid, Wnb en artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020. Uit eerstgenoemd artikel volgt weliswaar dat faunabeheereenheden meerdere faunabeheerplannen kunnen vaststellen, maar uit laatstgenoemd artikel volgt, volgens de WBE, dat elk faunabeheerplan gegevens moet bevatten over zowel beheer van populaties in het wild levende dieren, als een beschrijving van de bestrijding van door dieren veroorzaakte schade èn een rapportage van de uitoefening van de jacht. Omdat het onderhavige faunabeheerplan niet ziet op beheer en bestrijding, maar alleen op jacht, had verweerder het vastgestelde faunabeheerplan, aldus de WBE, niet mogen goedkeuren.
7.2.
Zoals verweerder heeft aangegeven en de WBE ook onderkennen, biedt artikel 3.12, derde lid, Wnb expliciet de mogelijk om meerdere faunabeheerplannen vast te stellen. De rechtbank volgt verweerder in de stelling dat artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020, gelet op artikel 3.12, derde lid, Wnb, niet zo moet worden gelezen dat daaruit een dwingende verplichting voortvloeit dat elk faunabeheerplan moet zien op zowel de uitoefening van de jacht, als het duurzaam beheer van populaties èn schadebestrijding, maar dat in dit artikel, in overeenstemming met de Wnb, is aangegeven dat een faunabeheerplan ook slechts op een (of twee) van deze onderwerpen kan zien. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat ook uit de systematiek van de artikelen in afdeling 6.11 Omgevingsverordening HN2020 en met name de artikelen 6.87 tot en met 6.89 Omgevingsverordening NH2020, waarin in elk artikel afzonderlijk een van de drie onderwerpen wordt behandeld, volgt dat er meerdere faunabeheerplannen kunnen worden gemaakt en dat de inhoud van een faunabeheerplan ook kan zien op slechts een (of twee) van die onderwerpen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat een faunabeheerplan dat alleen ziet op jacht, niet in strijd is met artikel 6.85, eerste lid, Omgevingsverordening NH2020. Verweerder heeft in het betoog van de WBE daarom geen aanleiding hoeven zien de goedkeuring aan het onderhavige faunabeheerplan te onthouden.
Leidt de inhoud van het faunabeheerplan tot (een negatieve) wijziging van de rechtspositie van de WBE?
8.1.
De WBE voeren verder aan dat het faunabeheerplan meer informatie bevat dan op grond van de Wnb en de Omgevingsverordening NH2020 is vereist. Het gaat dan om het benoemen van jachtwildsoorten, jachtseizoenen middels een tabel, tijdstippen waarop in beginsel mag worden gejaagd, het noemen van de vereiste jachtakten en het omschrijven van de term ‘bebouwde kom’. Het opnemen van deze informatie kan, aldus de WBE, leiden tot verwarring, complicaties, problemen en overtredingen. Als bijvoorbeeld de wettelijke regelingen waarin de aanwijzing van jachtwildsoorten, jachtseizoenen of tijdstippen worden gewijzigd en het faunabeheerplan niet, dan is sprake van een discrepantie tussen de regelgeving en het faunabeheerplan. Jagers zouden aangesproken kunnen worden op vermeende overtreding van het faunabeheerplan voor de jacht. Die verwarring moet, aldus de WBE, worden voorkomen door dergelijke informatie niet op te nemen in het faunabeheerplan. De WBE wijzen er in dat verband op dat hetgeen in het faunabeheerplan is opgenomen over de jacht op de wilde eend ook nu al niet overeenkomt met en beperkter is voor de jachthouder dan hetgeen is opgenomen in artikel 11.67, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving. Verder is de in het faunabeheerplan genoemde verplichte “jachtakte” onder de Omgevingswet vervallen en vervangen door een omgevingsvergunning voor een jachtactiviteit. Ook wordt onder de Omgevingswet niet meer gesproken van bebouwde kom, maar van bebouwingscontour jacht. Omdat dergelijke overbodige informatie de rechtspositie van de jachthouders kan beïnvloeden, had verweerder, aldus de WBE, het faunabeheerplan zonder schrapping van die informatie niet mogen goedkeuren.
8.2.
De rechtbank volgt de WBE niet in deze beroepsgrond. In de Wnb en – uitgewerkt – in de Omgevingsverordening NH2020 zijn weliswaar regels neergelegd waaraan faunabeheerplannen ‘ten minste’ moeten voldoen, maar die regels verbieden niet de door de WBE bedoelde informatieve passages op te nemen. Dat in het faunabeheerplan meer informatie is opgenomen dan op zich op grond van Wnb en Omgevingsverordening NH2020 is vereist, is met die bepalingen dan ook niet in strijd. Die door de WBE bedoelde en gesteld onjuiste informatie in het faunabeheerplan is slechts informatief van aard. Het bevat geen bindende regels en voorschriften over de uitoefening van de jacht door de jachthouder die afwijken van de regels in Wnb en daarbij horende uitvoeringsregels, met name in de artikelen 3.20 en 3.22 Wnb en artikel 3.5 Regeling natuurbescherming. Die informatie, opgenomen in het faunabeheerplan, leidt dan ook niet tot een wijziging in de rechtspositie van de jachthouder bij de uitoefening van de jacht. Hij zal zich bij de uitoefening van de jacht wel moeten richten naar de in het faunabeheerplan opgenomen informatie over populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht mag plaatsvinden, maar de (hogere) wettelijke regels over de jacht worden door een faunabeheerplan met betrekking tot jacht niet gewijzigd. Verweerder heeft in deze beroepsgrond van de WBE dan ook geen aanleiding hoeven zien goedkeuring aan het faunabeheerplan te onthouden. Dat geldt ook voor informatie die volgens de WBE verwarring wekt en, naar zij stellen, andere complicaties in de handhaving van de regels over de jacht kan veroorzaken. Nog daargelaten dat in het faunabeheerplan alleen informerend is verwezen naar de bedoelde wet- en regelgeving, mag van de jachthouder en de handhavers worden verwacht dat zij bekend zijn met de toepasselijke wet- en regelgeving en daarnaar zullen handelen.
Zijn de jachthouders onevenredig geraakt en heeft verweerder het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
9.1.
De WBE voeren voorts nog aan dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter onderbouwing stellen zij dat sprake is van onevenredige gevolgen van het faunabeheerplan voor jachthouders en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen in verhouding tot de met het faunabeheerplan te dienen doelen.
9.2.
Zoals hiervoor is overwogen stelt het faunabeheerplan geen van de wet afwijkende, beperkende voorschriften aan de wijze waarop de jacht wordt uitgeoefend en heeft het goedkeuringsbesluit enkel tot rechtsgevolg dat de jacht kan worden uitgeoefend. Het bevat met name informatie over populatieontwikkeling van de wildsoorten die de jachthouders wel steeds in acht moeten nemen, Gelet hierop ziet de rechtbank met verweerder niet in op welke wijze de jachthouders door de goedkeuring van het faunabeheerplan onevenredig kunnen worden geraakt in hun belangen, noch op welke wijze verweerder het motiveringsbeginsel dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel zou kunnen hebben geschonden met het besluit waarbij het faunabeheerplan is goedgekeurd. De rechtbank volgt de WBE dan ook niet in hun niet onderbouwde betoog over de gestelde schending van deze beginselen.
Conclusie en gevolgen
10. Hetgeen de WBE aanvoeren wettigt niet de conclusie dat verweerder ten onrechte het faunabeheerplan heeft goedgekeurd. Het beroep is daarom ongegrond. De goedkeuring blijft in stand. Dat betekent dat de WBE het griffierecht niet terugkrijgen. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage wettelijk kader
De bepalingen zijn opgenomen voor zover aangehaald.
Aanvullingswet natuur Omgevingswet
Artikel 2.9. (eerbiedigend overgangsrecht procedures)
1. Als voor de inwerkingtreding van deze wet een aanvraag om een besluit op grond van de Wet natuurbescherming is ingediend, blijft het oude recht van toepassing:
a. als tegen het besluit beroep openstaat, tot het besluit onherroepelijk is (…)
Wet natuurbescherming
Artikel 3.12
1. Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.
(…)
3. Faunabeheereenheden stellen een of meer faunabeheerplannen vast voor hun werkgebied. (..).
7. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. (..)
9. Provinciale staten stellen bij verordening regels waaraan in hun provincie werkzame faunabeheereenheden en de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen voldoen. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op:
a. de omvang en begrenzing van het werkgebied van de faunabeheereenheid;
b. de aard, omvang en noodzaak van de op grond van het faunabeheerplan te verrichten handelingen waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3.17 wordt verleend of waartoe opdracht wordt verleend op grond van artikel 3.18;
c. de wijze waarop en de perioden waarin de handelingen, bedoeld in onderdeel b worden verricht, en
d. de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties als bedoeld in het tweede lid in het bestuur van de faunabeheereenheid.
Artikel 3.20
1. In afwijking van de artikelen 3.1, eerste en vierde lid, 3.5, eerste en tweede lid, en 3.10, eerste lid, is het de jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen, te doden en te verontrusten, en met het oog daarop op te sporen ter uitoefening van de jacht, indien is voldaan aan het bij en krachtens deze paragraaf en paragraaf 3.6 bepaalde.
2. Wild als bedoeld in het eerste lid zijn in het wild levende dieren van de volgende soorten:
a. fazant (Phasianus colchicus);
b. wilde eend (Anas platyrhynchos);
c. houtduif (Columba palumbus);
d. haas (Lepus Europaeus);
e. konijn (Oryctolagus cuniculus).
3. De jachthouder doet datgene wat een goed jachthouder betaamt om een redelijke stand van de in zijn jachtveld aanwezige wild als bedoeld in het tweede lid te handhaven, dan wel, bij het ontbreken daarvan, te bereiken, en om schade door in zijn jachtveld aanwezig wild als bedoeld in het tweede lid te voorkomen.
Artikel 3.22, voor zover hier van belang
1. Het is verboden om de jacht op wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, uit te oefenen indien de jacht op de betreffende soort niet is geopend.
2. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in hoeverre de jacht is geopend. De opening van de jacht kan naar plaats of tijd worden beperkt.
(…)
5. De jacht wordt niet geopend op soorten waarvan de staat van instandhouding in het geding is.
Regeling natuurbescherming
Artikel 3.5
De jacht op de hierna genoemde wildsoorten is geopend gedurende de daarbij vermelde tijdvakken:
a. fazantenhaan: van 15 oktober tot en met 31 januari;
b. fazantenhen: van 15 oktober tot en met 31 december;
c. haas: van 15 oktober tot en met 31 december in de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Gelderland, Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Zeeland en Zuid-Holland;
d. houtduif: van 15 oktober tot en met 31 januari;
e. wilde eend: van 15 augustus tot en met 31 januari.
Omgevingsverordening NH2020
Afdeling 6.11 Faunabeheer
Artikel 6.84 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over een faunabeheerplan van een Faunabeheereenheid.
Artikel 6.85 Inhoud, reikwijdte en geldigheidsduur faunabeheerplan
1. Een faunabeheerplan bevat:
a. een beschrijving van het planmatig, doelmatig, gecoördineerd en duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren;
b. een beschrijving van de planmatige, doelmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren, en;
c. een rapportage van de uitoefening van de jacht.
2. Een faunabeheerplan geldt voor ten minste 5.000 hectare van het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid.
(…)
Artikel 6.86 Eisen aan een faunabeheerplan - algemeen
1. Een faunabeheerplan bevat ten minste de volgende gegevens:
a. de omvang van het werkingsgebied van het faunabeheerplan;
b. een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
2. Een faunabeheerplan voldoet aan de volgende eisen:
a. in het plan gebruikte gegevens zijn gevalideerd en op kloppende en congruente wijze overgenomen uit de gebruikte bronnen;
b. gebruikte telgegevens van voorgaande jaren welke zijn gebaseerd op een gevalideerde telmethode en zijn gecontroleerd door de verschillende partijen in het bestuur van een faunabeheereenheid, in samenspraak met de rechtstreeks aan het bestuur adviserende partijen als bedoeld in artikel 2.12;
c. relevante wetenschappelijke literatuur is gebruikt om conclusies te ondersteunen; en
d. bronvermeldingen en referenties zijn conform wetenschappelijke richtlijnen op heldere en gestructureerde wijze vermeld en een literatuurlijst is aanwezig.
Artikel 6.87 Eisen aan een faunabeheerplan – duurzaam beheer van populaties
Indien sprake is van duurzaam beheer van populaties, bevat een faunabeheerplan tevens:
a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;
b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;
c. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer van populaties van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;
d. een beschrijving van de mate waarin de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
e. de streefstand van de in onderdeel b bedoelde diersoorten;
f. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht ter voorkoming van schade aan de belangen ten behoeve waarvan die handelingen zijn verricht. Deze beschrijving bevat tenminste de volgende gegevens:
i. een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer of bestrijding van de in het faunabeheerplan beschreven diersoorten, waaronder een onderbouwde verwachting van de belangen die zouden worden geschaad, indien niet tot beheer of bestrijding zou worden overgegaan.
ii. een beschrijving van de mate waarin de belangen ten behoeve waarvan de handelingen worden verricht zijn geschaad in de zes jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.
iii. per diersoort en gewas een beschrijving van de effectiviteit van de handelingen, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn.
g. voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dierensoorten alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
h. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
i. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel k omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is; en
j. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, deze activiteit dient.
Artikel 6.88 Eisen aan een faunabeheerplan - bestrijding van schade
Indien sprake is van schadebestrijding, bevat een faunabeheerplan tevens:
a. een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties;
b. kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten ten aanzien waarvan sprake is van schadebestrijding door grondgebruikers met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied;
c. een onderbouwing van de noodzaak van schadebestrijding van de in onderdeel b bedoelde diersoorten, waaronder een onderbouwing van de schade aan de doelstellingen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming;
d. een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel c bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad;
e. per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om het schaden van de in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming bedoelde belangen te voorkomen, alsmede, voor zover daarover redelijkerwijs kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;
f. een beschrijving van de staat van instandhouding en hoe de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt;
g. per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de schade zoals bedoeld in onderdeel c te voorkomen dan wel te beperken;
h. voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel g bedoelde handelingen;
i. een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald;
j. een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel g bedoelde handelingen zullen plaatsvinden;
k. bepalingen over de voorwaarden waaronder het mogelijk is om gebruik te maken van een aan de faunabeheereenheid verleende ontheffing op gronden van jachthouders die niet bij de faunabeheereenheid zijn aangesloten, mits die gronden binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid vallen en voor zover die gronden plaatsen als bedoeld in onderdeel j omvatten waar planmatig beheer noodzakelijk is;
l. per beheermaatregel een aanduiding welk wettelijk belang, zoals uiteengezet in artikel 3.17, eerste lid, van de Wet natuurbescherming deze activiteit dient;
m. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen.
Artikel 6.89 Eisen aan een faunabeheerplan – uitoefening jacht
Een faunabeheerplan bevat met betrekking tot de uitoefening van de jacht tevens:
a. kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan de uitoefening van de jacht plaatsvindt; en
b. een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan.
De rechtbank verwijst ten overvloede naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:875, overweging 7.4.