Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7627
2026-04-22
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11848433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Luchtvaart; causale verband verbroken? Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering wordt afgewezen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:13042 Rechtbank Limburg 31-12-2025
- ECLI:EU:C:2017:342
- ECLI:EU:T:2026:167
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.329 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11848433 \ CV EXPL 25-5537
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1]
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
allen wonende te [plaats 2]
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
beiden wonende te [plaats 3]
eisers
gemachtigden: mr. R. Bos en J. Oudshoorn (ProBe-ASP B.V.)
tegen
De besloten vennootschap Corendon Dutch Airlines B.V.
gevestigd te Badhoevedorp
gedaagde
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD advocaten)
1Het procesverloop
1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 24 juli 2025 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
1.3.
Op 30 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij gebruikgemaakt van spreekaantekeningen. Daarnaast heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat partijen voor het overige ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
2De feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 23 juli 2024 moest vervoeren van N. Kazantzakis Airport, Heraklion (Griekenland) naar Maastricht Aachen Airport, met vlucht CD824 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagiers met een vertraging van meer dan 3 uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
3De vordering
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
€ 4.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 605,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
de proceskosten;
en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Maastricht – Heraklion – Maastricht (met vluchtnummers CD823 en CD824). Vlucht CD823 stond gepland om 08:40 uur UTC te vertrekken. De vlucht kreeg een CTOT opgelegd, omdat er beperkt luchtverkeer was op de route vanwege slecht weer (code WE81). De CTOT werd meerdere keren herzien. De vlucht mocht uiteindelijk om 09:25 uur UTC vertrekken. De vervoerder heeft het geplande vertrek vervolgens uitgesteld naar 12:00 uur UTC. Dit leverde een vertraging van 2 uur en 35 minuten op. De reden hiervoor is volgens de vervoerder niet relevant. Hij doet voor dit deel van de vertraging geen beroep op een buitengewone omstandigheid. Vervolgens is weer de CTOT aangepast, vanwege beperkingen op de luchthaven van bestemming (code GA83). De vlucht is met een vertraging van 3 uur en 39 minuten vertrokken om 12:27 uur UTC. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. De vlucht in kwestie zou om 16:15 uur UTC vertrekken met een vertraging van 3 uur en 15 minuten. Echter kreeg het toestel ook een CTOT opgelegd vanwege het slechte weer op de route. De vlucht kreeg uiteindelijk om 16:58 uur UTC toestemming om te vertrekken en steeg op om 17:09 uur UTC. De vlucht is met een vertraging van 3 uur en 36 minuten aangekomen in Maastricht. De vlucht heeft te maken gekregen met twee vertragingsoorzaken, 51 minuten vertraging vanwege beslissing van de luchtverkeersleiding en (maximaal) 2 uur en 45 minuten vanwege overige redenen. De vervoerder dient zich te houden aan de opgelegde CTOT. Hij mag namelijk niet vertrekken van de gate zonder een klaring van de luchtverkeersleiding. Deze omstandigheden zijn niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder en hij kan hier geen daadwerkelijke invloed op uitoefenen. Bij conclusie van dupliek heeft de vervoerder een vonnis van de rechtbank Limburg overgelegd. Hierin heeft de kantonrechter met betrekking tot de vlucht in kwestie geoordeeld dat de beslissingen van de luchtverkeersleiding aangemerkt dienen te worden als een buitengewone omstandigheid en dit deel van de vertraging van de algehele vertraging afgetrokken moet worden. De vervoerder verzoekt ons om gelijkluidend te oordelen. In dit geval zou de vlucht zonder de buitengewone omstandigheden met minder dan drie uur zijn aankomen op de eindbestemming. De vervoerder doet daarom een beroep op het Pešková-arrest.
4.4.
De passagiers betwisten dat de vertraging is ontstaan door buitengewone omstandigheden. De vertraging van de eerste vlucht kon niet meer ingelopen worden, omdat de tweede vlucht door deze vertragingen geen gebruik meer kon maken van haar oorspronkelijke slot. Daardoor moest er voor de opvolgende vlucht een andere slot in een andere periode gevonden worden. Een deel van de vertraging van vlucht CD823 is door de vervoerder zelf veroorzaakt. Hij heeft namelijk zelf de uitvoering van de vlucht uitgesteld naar 12:00 UTC. De vervoerder stelt dat de reden hiervoor niet relevant is, maar de passagiers betwisten dit. Door deze beslissing kon het toestel uiteindelijk pas om 12:27 uur UTC vertrekken. Deze vertraging van meer dan drie uur heeft de vervoerder zelf veroorzaakt. De vervoerder heeft niet aangetoond wat de reden was van de beslissingen om de vlucht uit te stellen tot 12:00 uur UTC. Hij heeft ook niet aangetoond dat er sprake is van buitengewone omstandigheden en daarom kan het beroep op een doorwerking hiervan op de vlucht in kwestie niet slagen, aldus de passagiers.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de passagiers verwezen naar een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof). Hierin heeft het Hof geoordeeld dat het causale verband doorbroken kan worden als een vertraging is veroorzaakt door een autonome beslissing van de vervoerder die de doorslaggevende oorzaak van de vertraging vormt. Indien het uitstel van vertrek tot 12:00 uur UTC een autonome beslissing van de vervoerder was, dan is de causale reeks verbroken. Dat betekent dat de eerste 45 minuten vertraging niet meer in een rechtstreeks causaal verband staat tot de vertraging van de passagiers op de tweede vlucht. De CTOT’s die daarna zijn opgelegd aan het toestel zijn dan ook niet ontstaan door een buitengewone omstandigheid. Als een vlucht hierdoor later vertrekt en op het moment van uitvoering te maken heeft met een drukte op de luchthaven of slecht weer, dan zijn deze omstandigheden ontstaan door beslissingen van de vervoerder en niet door buitengewone omstandigheden.
4.6.
De vervoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de onderhavige zaak niet soortgelijk is aan de zaak van het Hof. In die zaak stond het toestel klaar voor vertrek, maar heeft de vervoerder besloten om niet te vertrekken. In dat geval is het causale verband dus wel verbroken. In deze zaak stond het toestel ook klaar voor vertrek, maar had het een CTOT van de luchtverkeersleiding opgelegd gekregen, waardoor het toestel niet mocht vertrekken. Het causale verband is daarmee niet verbroken. Er is daarom voldaan aan de voorwaarden voor een buitengewone omstandigheid. Indien een CTOT niet aangemerkt kan worden als een buitengewone omstandigheid, omdat een deel van de voorgaande vertraging ook is veroorzaakt door een niet buitengewone omstandigheid dan zou het betekenen dat je nooit een beroep kan doen op een buitengewone omstandigheid. Dat is niet in lijn met de Verordening, aldus de vervoerder.
4.7.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de punten 14 en 15 van de Considerans van de Verordening is vermeld dat er geacht moet worden sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifieke toestel op een specifieke dag een vertraging of annulering van één of meer vluchten van dat toestel veroorzaakt. In dit geval heeft de vervoerder met zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling en overgelegde stukken in ieder geval aangetoond dat de voorgaande vlucht restricties opgelegd heeft gekregen van de luchtverkeersleiding die aangemerkt dienen te worden als buitengewone omstandigheden, waardoor een vertraging van 45 minuten is ontstaan. Dit is ook niet betwist door de passagiers waardoor dit vast is komen te staan.
4.8.
In onderhavige zaak heeft de vervoerder zich op het standpunt gesteld dat de totale vertraging van meer dan 3 uur gedeeltelijk is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden en gedeeltelijk door niet buitengewone omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder terecht aangevoerd dat volgens het Pešková-arrest de vertraging veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, afgetrokken kan worden van de gehele vertraging. Hiermee wordt de vertraging op de eindbestemming bedoeld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit dus voort dat beoordeeld moet worden of de 45 minuten vertraging die is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden in mindering kunnen worden gebracht op de totale vertraging en of na die aftrek nog een vertraging resteert die aanspraak geeft op compensatie op grond van de Verordening.
4.9.
Hoewel de passagiers bij dagvaarding hebben aangevoerd dat zij met vertraging van 3 uur en 49 minuten zijn aangekomen op hun eindbestemming, hebben zij in hun pleitnota ten behoeve van de mondelinge behandeling onderschreven dat zij met een vertraging van 3 uur en 36 minuten zijn aangekomen op hun eindbestemming, de vertraging die vervoerder in zijn processtukken naar voren heeft gebrachte. De kantonrechter neemt derhalve als vaststaand aan dat sprake was van een vertraging van 3 uur en 36 minuten. Omdat vertraging van de vlucht deels door buitengewone omstandigheden en deels door een andere omstandigheid is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagiers met minder dan drie uur vertraging waren aangekomen op de eindbestemming zonder de buitengewone omstandigheden. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerdere vlucht in de rotatie, vlucht CD823 door buitengewone omstandigheden (opgelegde CTOT’s) 45 minuten is vertraagd. In geschil is of de latere beslissing van de vervoerder om het vertrek van de vlucht uit te stellen de causale keten heeft doorbroken.
4.10.
De kantonrechter volgt de passagiers niet in hun stelling dat de latere beslissing van de vervoerder om het vertrek uit te stellen de causale keten heeft verbroken. Voor zover de vervoerder zich beroept op na deze beslissing opgelegde CTOT’s kan een doorbreking van de causale keten aan de orde zijn. In zoverre kan het relevant zijn dat de vervoerder opheldering geeft over de aanleiding(en) tot die beslissing, zoals de passagiers hebben geëist. Omdat in deze zaak echter vaststaat dat 45 minuten van de vertraging is opgetreden als gevolg van buitengewone omstandigheden en aftrek van deze tijd leidt tot een vertraging van minder dan 3 uur, behoeft het beroep van vervoerder op de nadien opgelegde CTOT’s en de mogelijke doorbreking van het causaal verband geen bespreking meer. Het beroep van de passagiers op het arrest van het Gerecht van 4 maart 2026 slaagt niet. De in dat arrest aan de orde zijnde mogelijkheid van doorbreking van het causaal verband had immers niet betrekking op een situatie als in onderhavige zaak aan de orde is, namelijk dat de totale vertraging is ontstaan als gevolg van meerdere in de tijd te onderscheiden oorzaken, gedeeltelijk vanwege buitengewone omstandigheden en gedeeltelijk vanwege niet buitengewone omstandigheden.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder in onderhavige zaak voldoende aangetoond dat de vlucht in kwestie met minder dan drie uur vertraging zou zijn aangekomen als geen sprake zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden. Het betoog van de vervoerder slaagt.
4.12.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder voert aan dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen. De passagiers hebben dit niet betwist, waardoor dit vast is komen te staan. De kantonrechter oordeelt dat het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering is niet toewijsbaar.
4.13.
De proceskosten komt voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 1.080,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 180,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Rechtbank Limburg 31 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:13042.
HvJEU 4 mei 2017, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342 (Pešková).
Gerecht 4 maart 2026, T656/24, ECLI:EU:T:2026:167.
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11848433 \ CV EXPL 25-5537
Uitspraakdatum: 22 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1
[eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1]
3. [eiser 3],
4. [eiser 4],
5. [eiser 5],
6. [eiser 6],
allen wonende te [plaats 2]
7. [eiser 7],
8. [eiser 8],
beiden wonende te [plaats 3]
eisers
gemachtigden: mr. R. Bos en J. Oudshoorn (ProBe-ASP B.V.)
tegen
De besloten vennootschap Corendon Dutch Airlines B.V.
gevestigd te Badhoevedorp
gedaagde
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD advocaten)
1Het procesverloop
1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 24 juli 2025 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.
1.3.
Op 30 maart 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij gebruikgemaakt van spreekaantekeningen. Daarnaast heeft de griffier aantekeningen gemaakt van wat partijen voor het overige ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
2De feiten
2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 23 juli 2024 moest vervoeren van N. Kazantzakis Airport, Heraklion (Griekenland) naar Maastricht Aachen Airport, met vlucht CD824 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagiers met een vertraging van meer dan 3 uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
3De vordering
3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
€ 4.800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 605,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
de proceskosten;
en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
4De beoordeling
4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van (een doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.3.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatievlucht Maastricht – Heraklion – Maastricht (met vluchtnummers CD823 en CD824). Vlucht CD823 stond gepland om 08:40 uur UTC te vertrekken. De vlucht kreeg een CTOT opgelegd, omdat er beperkt luchtverkeer was op de route vanwege slecht weer (code WE81). De CTOT werd meerdere keren herzien. De vlucht mocht uiteindelijk om 09:25 uur UTC vertrekken. De vervoerder heeft het geplande vertrek vervolgens uitgesteld naar 12:00 uur UTC. Dit leverde een vertraging van 2 uur en 35 minuten op. De reden hiervoor is volgens de vervoerder niet relevant. Hij doet voor dit deel van de vertraging geen beroep op een buitengewone omstandigheid. Vervolgens is weer de CTOT aangepast, vanwege beperkingen op de luchthaven van bestemming (code GA83). De vlucht is met een vertraging van 3 uur en 39 minuten vertrokken om 12:27 uur UTC. Deze vertraging werkte door op de vlucht in kwestie. De vlucht in kwestie zou om 16:15 uur UTC vertrekken met een vertraging van 3 uur en 15 minuten. Echter kreeg het toestel ook een CTOT opgelegd vanwege het slechte weer op de route. De vlucht kreeg uiteindelijk om 16:58 uur UTC toestemming om te vertrekken en steeg op om 17:09 uur UTC. De vlucht is met een vertraging van 3 uur en 36 minuten aangekomen in Maastricht. De vlucht heeft te maken gekregen met twee vertragingsoorzaken, 51 minuten vertraging vanwege beslissing van de luchtverkeersleiding en (maximaal) 2 uur en 45 minuten vanwege overige redenen. De vervoerder dient zich te houden aan de opgelegde CTOT. Hij mag namelijk niet vertrekken van de gate zonder een klaring van de luchtverkeersleiding. Deze omstandigheden zijn niet inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van de vervoerder en hij kan hier geen daadwerkelijke invloed op uitoefenen. Bij conclusie van dupliek heeft de vervoerder een vonnis van de rechtbank Limburg overgelegd. Hierin heeft de kantonrechter met betrekking tot de vlucht in kwestie geoordeeld dat de beslissingen van de luchtverkeersleiding aangemerkt dienen te worden als een buitengewone omstandigheid en dit deel van de vertraging van de algehele vertraging afgetrokken moet worden. De vervoerder verzoekt ons om gelijkluidend te oordelen. In dit geval zou de vlucht zonder de buitengewone omstandigheden met minder dan drie uur zijn aankomen op de eindbestemming. De vervoerder doet daarom een beroep op het Pešková-arrest.
4.4.
De passagiers betwisten dat de vertraging is ontstaan door buitengewone omstandigheden. De vertraging van de eerste vlucht kon niet meer ingelopen worden, omdat de tweede vlucht door deze vertragingen geen gebruik meer kon maken van haar oorspronkelijke slot. Daardoor moest er voor de opvolgende vlucht een andere slot in een andere periode gevonden worden. Een deel van de vertraging van vlucht CD823 is door de vervoerder zelf veroorzaakt. Hij heeft namelijk zelf de uitvoering van de vlucht uitgesteld naar 12:00 UTC. De vervoerder stelt dat de reden hiervoor niet relevant is, maar de passagiers betwisten dit. Door deze beslissing kon het toestel uiteindelijk pas om 12:27 uur UTC vertrekken. Deze vertraging van meer dan drie uur heeft de vervoerder zelf veroorzaakt. De vervoerder heeft niet aangetoond wat de reden was van de beslissingen om de vlucht uit te stellen tot 12:00 uur UTC. Hij heeft ook niet aangetoond dat er sprake is van buitengewone omstandigheden en daarom kan het beroep op een doorwerking hiervan op de vlucht in kwestie niet slagen, aldus de passagiers.
4.5.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben de passagiers verwezen naar een recente uitspraak van het Europese Hof van Justitie (hierna: het Hof). Hierin heeft het Hof geoordeeld dat het causale verband doorbroken kan worden als een vertraging is veroorzaakt door een autonome beslissing van de vervoerder die de doorslaggevende oorzaak van de vertraging vormt. Indien het uitstel van vertrek tot 12:00 uur UTC een autonome beslissing van de vervoerder was, dan is de causale reeks verbroken. Dat betekent dat de eerste 45 minuten vertraging niet meer in een rechtstreeks causaal verband staat tot de vertraging van de passagiers op de tweede vlucht. De CTOT’s die daarna zijn opgelegd aan het toestel zijn dan ook niet ontstaan door een buitengewone omstandigheid. Als een vlucht hierdoor later vertrekt en op het moment van uitvoering te maken heeft met een drukte op de luchthaven of slecht weer, dan zijn deze omstandigheden ontstaan door beslissingen van de vervoerder en niet door buitengewone omstandigheden.
4.6.
De vervoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de onderhavige zaak niet soortgelijk is aan de zaak van het Hof. In die zaak stond het toestel klaar voor vertrek, maar heeft de vervoerder besloten om niet te vertrekken. In dat geval is het causale verband dus wel verbroken. In deze zaak stond het toestel ook klaar voor vertrek, maar had het een CTOT van de luchtverkeersleiding opgelegd gekregen, waardoor het toestel niet mocht vertrekken. Het causale verband is daarmee niet verbroken. Er is daarom voldaan aan de voorwaarden voor een buitengewone omstandigheid. Indien een CTOT niet aangemerkt kan worden als een buitengewone omstandigheid, omdat een deel van de voorgaande vertraging ook is veroorzaakt door een niet buitengewone omstandigheid dan zou het betekenen dat je nooit een beroep kan doen op een buitengewone omstandigheid. Dat is niet in lijn met de Verordening, aldus de vervoerder.
4.7.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de punten 14 en 15 van de Considerans van de Verordening is vermeld dat er geacht moet worden sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifieke toestel op een specifieke dag een vertraging of annulering van één of meer vluchten van dat toestel veroorzaakt. In dit geval heeft de vervoerder met zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling en overgelegde stukken in ieder geval aangetoond dat de voorgaande vlucht restricties opgelegd heeft gekregen van de luchtverkeersleiding die aangemerkt dienen te worden als buitengewone omstandigheden, waardoor een vertraging van 45 minuten is ontstaan. Dit is ook niet betwist door de passagiers waardoor dit vast is komen te staan.
4.8.
In onderhavige zaak heeft de vervoerder zich op het standpunt gesteld dat de totale vertraging van meer dan 3 uur gedeeltelijk is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden en gedeeltelijk door niet buitengewone omstandigheden. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder terecht aangevoerd dat volgens het Pešková-arrest de vertraging veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, afgetrokken kan worden van de gehele vertraging. Hiermee wordt de vertraging op de eindbestemming bedoeld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit dus voort dat beoordeeld moet worden of de 45 minuten vertraging die is ontstaan als gevolg van buitengewone omstandigheden in mindering kunnen worden gebracht op de totale vertraging en of na die aftrek nog een vertraging resteert die aanspraak geeft op compensatie op grond van de Verordening.
4.9.
Hoewel de passagiers bij dagvaarding hebben aangevoerd dat zij met vertraging van 3 uur en 49 minuten zijn aangekomen op hun eindbestemming, hebben zij in hun pleitnota ten behoeve van de mondelinge behandeling onderschreven dat zij met een vertraging van 3 uur en 36 minuten zijn aangekomen op hun eindbestemming, de vertraging die vervoerder in zijn processtukken naar voren heeft gebrachte. De kantonrechter neemt derhalve als vaststaand aan dat sprake was van een vertraging van 3 uur en 36 minuten. Omdat vertraging van de vlucht deels door buitengewone omstandigheden en deels door een andere omstandigheid is veroorzaakt, dient te worden vastgesteld of de passagiers met minder dan drie uur vertraging waren aangekomen op de eindbestemming zonder de buitengewone omstandigheden. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerdere vlucht in de rotatie, vlucht CD823 door buitengewone omstandigheden (opgelegde CTOT’s) 45 minuten is vertraagd. In geschil is of de latere beslissing van de vervoerder om het vertrek van de vlucht uit te stellen de causale keten heeft doorbroken.
4.10.
De kantonrechter volgt de passagiers niet in hun stelling dat de latere beslissing van de vervoerder om het vertrek uit te stellen de causale keten heeft verbroken. Voor zover de vervoerder zich beroept op na deze beslissing opgelegde CTOT’s kan een doorbreking van de causale keten aan de orde zijn. In zoverre kan het relevant zijn dat de vervoerder opheldering geeft over de aanleiding(en) tot die beslissing, zoals de passagiers hebben geëist. Omdat in deze zaak echter vaststaat dat 45 minuten van de vertraging is opgetreden als gevolg van buitengewone omstandigheden en aftrek van deze tijd leidt tot een vertraging van minder dan 3 uur, behoeft het beroep van vervoerder op de nadien opgelegde CTOT’s en de mogelijke doorbreking van het causaal verband geen bespreking meer. Het beroep van de passagiers op het arrest van het Gerecht van 4 maart 2026 slaagt niet. De in dat arrest aan de orde zijnde mogelijkheid van doorbreking van het causaal verband had immers niet betrekking op een situatie als in onderhavige zaak aan de orde is, namelijk dat de totale vertraging is ontstaan als gevolg van meerdere in de tijd te onderscheiden oorzaken, gedeeltelijk vanwege buitengewone omstandigheden en gedeeltelijk vanwege niet buitengewone omstandigheden.
4.11.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder in onderhavige zaak voldoende aangetoond dat de vlucht in kwestie met minder dan drie uur vertraging zou zijn aangekomen als geen sprake zou zijn geweest van buitengewone omstandigheden. Het betoog van de vervoerder slaagt.
4.12.
De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de vlucht te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder voert aan dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen. De passagiers hebben dit niet betwist, waardoor dit vast is komen te staan. De kantonrechter oordeelt dat het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering is niet toewijsbaar.
4.13.
De proceskosten komt voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 1.080,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 180,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 5 lid 3 van de Verordening.
Rechtbank Limburg 31 december 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:13042.
HvJEU 4 mei 2017, C-315/15, ECLI:EU:C:2017:342 (Pešková).
Gerecht 4 maart 2026, T656/24, ECLI:EU:T:2026:167.