Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7597
2026-06-09
Strafrecht
15/353096-24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van het slachtoffer door hem opzettelijk met een mes in de linkerbil te steken. Het beroep op (putatief) noodweer(exces) faalt. De verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 311 dagen. Daarnaast heeft de rechtbank een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden opgelegd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BK4788 Hoge Raad 08-06-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (45.388 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/353096-24 (P)
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij op 24 oktober 2024 in Alkmaar [benadeelde] (hierna ook: de aangever) in de bil en schouder heeft gestoken. Dit handelen is primair ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag). De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde] zou komen te overlijden, doordat hij met een groot vleesmes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam en de nek van de aangever en daarbij steekwonden in de schouder en de bil heeft veroorzaakt.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair (poging tot doodslag), subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van een van de ten laste gelegde varianten, dan heeft de raadsman betoogd dat de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en hetgeen is besproken ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Er is sprake van een langer lopend conflict tussen de verdachte en de aangever. De verdachte en de aangever maken naar aanleiding van dit conflict een afspraak met elkaar en treffen elkaar op een parkeerplaats in Alkmaar. De verdachte neemt een mes mee naar deze ontmoeting en staat op de parkeerplaats als de aangever samen met [getuige 1] aan komt rijden. De aangever en [getuige 1] zijn ongewapend. De aangever stapt uit de auto en de verdachte maakt vervolgens zwaaiende bewegingen in zijn richting met het mes in zijn hand. De aangever ontwijkt dit door naar achteren te lopen, maar de verdachte blijft naar voren komen en zwaaien. Daarop geeft de aangever (die kickbokser is) de verdachte een hoge trap tegen het gezicht, waardoor de verdachte op de grond valt. Daarna heeft de verdachte de aangever gestoken.
De aangever heeft naar aanleiding van het incident een steekwond opgelopen aan zijn linkerbil. Daarbij is een slagader geraakt, waardoor een bloeding is ontstaan. Om de verwonding te onderzoeken en te behandelen is een operatie uitgevoerd. Tijdens deze operatie bleek dat ook de heupzenuw was beschadigd. De artsen hebben de gescheurde slagader in de bil gehecht om de bloeding te stoppen en de heupzenuw hersteld. Tevens heeft de verdachte letsel aan zijn schouder opgelopen. Het dossier biedt geen nadere informatie over de aard van dit letsel.
Het staat in deze zaak niet ter discussie dat de verdachte de aangever in zijn bil heeft gestoken, met bovenstaand letsel tot gevolg. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of dit handelen kan worden gekwalificeerd als poging tot doodslag, zware mishandeling of poging tot zware mishandeling.
3.3.2
Geen opzet op de dood
Voor een poging tot doodslag is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Dit betekent dat ten minste moet worden bewezen dat de kans dat het slachtoffer als gevolg van de zwaaiende bewegingen met het mes en/of de steekverwonding in de linkerbil zou komen te overlijden aanmerkelijk was, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Of de kans dat het slachtoffer door het geweld zou komen te overlijden aanmerkelijk was, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het zal, in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank stelt vast dat het dossier te weinig specifieke informatie bevat om te kunnen concluderen dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer als gevolg van de zwaaiende bewegingen met het mes en de steekverwonding aan de linkerbil zou komen te overlijden. Zo kan niet worden vastgesteld op welke afstand de verdachte zich ten opzichte van de aangever bevond toen hij zwaaiende bewegingen met het mes in zijn hand maakte, en ook niet in welke richting hij deze bewegingen heeft gemaakt en hoe vaak dit is gebeurd. Het moment waarop de verdachte de aangever met het mes in de bil heeft gestoken is niet op de camerabeelden te zien evenmin beschreven door de aangever of getuigen. Het dossier bevat daarnaast geen vaststellingen over de lengte van het lemmet van het mes. De foto’s van het mes geven hierover geen duidelijkheid. Verder bevat het dossier geen informatie over mogelijke (levensbedreigende) gevolgen van de steekverwonding aan de linkerbil. Uit de medische verklaring blijkt dat sprake is van een steekwond, gelet op de scherpe wondranden en het dieper gelegen letsel, te weten een slagaderlijke bloeding en een beschadigde heupzenuw. Er ontbreekt echter informatie – bijvoorbeeld van een forensisch arts die de aangever heeft onderzocht – over de locatie van het letsel ten opzichte van belangrijke lichamelijke structuren die, wanneer deze worden geraakt met een mes, tot de dood kunnen leiden. Kortom: het is onduidelijk wat het risico op een dodelijke verwonding was en daarmee ook of de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.3.3
Opzet op zwaar lichamelijk letsel
De verdachte heeft wel voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Het steken met een mes in de linkerbil levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waaronder – zoals in deze zaak het geval is – een slagaderlijke bloeding. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, te weten het kennelijk met enige kracht steken met een mes in de linkerbil van de aangever, worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens aan deze aanmerkelijke kans heeft blootgesteld en deze bewust heeft aanvaard.
3.3.4
Zwaar lichamelijk letsel
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het letsel dat de aangever naar aanleiding van het steekincident heeft opgelopen, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel worden meegenomen. Het uitgangspunt daarbij is dat lichamelijk letsel als ‘zwaar’ te beschouwen is, wanneer dit letsel voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever een steekverwonding in zijn linkerbil heeft opgelopen. Er is vastgesteld dat een slagader was geraakt, waardoor een bloeding is ontstaan. Om deze verwonding te onderzoeken en te behandelen, is een operatie uitgevoerd. Tijdens deze operatie is de gescheurde slagader gehecht om de bloeding te stoppen en is ook de heupzenuw hersteld, omdat deze beschadigd was. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de aangever, nadat hij op 30 oktober 2024 uit het ziekenhuis werd ontslagen, volledig afhankelijk was van zorg van zijn familie omdat zijn been de eerste twee weken na de operatie in het gips zat. Nadat het gips was verwijderd, is een intensief multidisciplinair revalidatietraject gestart. De aangever heeft maandenlang last gehad van pijn, krachtsverlies in zijn been en voet, en gevoelsverlies. Op dit moment, circa negentien maanden na het incident, ondervindt de aangever nog steeds klachten en is hij voor nader onderzoek doorverwezen naar de neuroloog. Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak van het medisch ingrijpen en de aard daarvan, alsmede de klachten die hij tot op heden ondervindt, concludeert de rechtbank dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
3.3.5
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit, zware mishandeling bewezen acht.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 24 oktober 2024 te Alkmaar aan [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond en een slagaderlijke bloeding en een beschadigde heupzenuw heeft toegebracht, door met een mes in de linker bil van die [benadeelde] te steken.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Strafbaarheid van het feit en kwalificatie
4.1
Beroep op (putatief) noodweer(exces)
4.1.1
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). De verdediging heeft bepleit dat sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat de verdachte door de aangever werd aangevallen. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft de verdachte zich moeten verdedigen.
4.1.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen beroep toekomt op noodweer(exces). Op het moment dat de aangever uit de auto stapte, had de verdachte al een mes in zijn hand en maakte hij daarmee zwaaiende bewegingen. De verdachte heeft de confrontatie met de aangever zelf opgezocht.
4.1.3
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard als de gedraging van de verdachte, naar de kern bezien, als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Uitgaande van de feiten zoals de rechtbank die onder 3.3.1 heeft vastgesteld, komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachte in de kern als aanvallend moeten worden aangemerkt. Naar aanleiding van een onderliggend conflict hebben de verdachte en de aangever een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten. De verdachte is naar deze afspraak gegaan en heeft daarbij een mes meegenomen. Op het moment dat de aangever uit de auto stapt, maakt de verdachte gelijk zwaaiende bewegingen met een mes in zijn hand in de richting van de aangever. Dit past ook bij het telefoongesprek dat de verdachte kort na het incident met [getuige 2] heeft gevoerd. Daarin heeft de verdachte gezegd: ‘Ewa ik zeg gelijk he broer. Ik trek hem gelijk ja. Omdat ik echt kwaad was.’ De aangever heeft de verdachte vervolgens een hoge trap tegen het hoofd gegeven, waardoor de verdachte ten val is gekomen. Daarna heeft de verdachte de aangever gestoken.
Het handelen van de verdachte – te weten: het gewapend met een mes naar een afspraak met de aangever gaan en vervolgens zwaaien met het mes – was gericht op een confrontatie met de aangever en ziet de rechtbank als aanvallend. Het beroep op noodweer faalt. Om dezelfde reden kan ook het beroep op noodweerexces en putatief noodweer niet slagen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
4.2
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
5Strafbaarheid van de verdachte
Ten aanzien van de vraag of het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, is onder 4.1.3 reeds overwogen dat geen sprake is van putatief noodweer of noodweerexces. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 13 april 2026, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog, en [psychiater], psychiater. De conclusies van de deskundigen luiden, samengevat, dat de verdachte lijdt aan een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (gecombineerd beeld), een posttraumatische stresstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde feit bij de verdachte aanwezig en hebben bij het plegen van dit strafbare feit (indien bewezen) doorgewerkt op het gedrag en de gedragskeuzes van de verdachte. De deskundigen adviseren daarom het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke motivering. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 498 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk. Aan deze straf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, met uitzondering van het locatieverbod voor de gemeente Alkmaar, omdat de verdachte in een andere regio verblijft, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman verzocht een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, en te bepalen dat de vervangende jeugddetentie zo laag mogelijk wordt vastgesteld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling van het slachtoffer door hem opzettelijk met een mes in de linkerbil te steken. De verdachte heeft met dit handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de medische stukken en de slachtofferverklaring blijkt dat het handelen van de verdachte ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het eerder genoemde Pro Justitia-rapport. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte een in de kern beschadigde jongen is, die vanaf jonge leeftijd chronisch is getraumatiseerd. Daarnaast is sprake van een verstoorde emotieregulatie, gebrekkige coping- en probleemoplossende vaardigheden en impulsiviteit.
De deskundigen stellen vast dat er beperkingen worden gezien ten aanzien van de handelingsvaardigheden van de verdachte en dat hij op sociaal en emotioneel gebied sterk achterloopt. De verdachte komt in het contact fors jonger over dan zijn kalenderleeftijd, woonde tot aan zijn detentie nog thuis en heeft veel praktische ondersteuning nodig. Daarbij wordt een pedagogische aanpak als passend gezien. Op deze wijze kan verder worden ingezet op het verwerven van vaardigheden die passend zijn bij de ontwikkelingstaken in de adolescentie. De deskundigen adviseren daarom het jeugdstrafrecht toe te passen.
De deskundigen concluderen dat het risico op gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat.
Zij achten behandeling noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen en de ontwikkeling van de verdachte in positieve zin te beïnvloeden. Omdat de kern van de problematiek traumagerelateerd is, dient dit als uitgangspunt voor de behandeling te worden genomen. Binnen de behandeling dient aandacht te zijn voor het aanleren van adequate coping- en probleemoplossende vaardigheden, het vergroten van de weerbaarheid en het versterken van de emotieregulatie. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan het middelengebruik en is het noodzakelijk om het systeem van de verdachte bij de behandeling te betrekken. De deskundigen achten het noodzakelijk dat de voorgaande behandeling wordt ingebed in een gestructureerde, stimulerende en veilige omgeving. Dit dient een passende begeleid wonen plek te zijn, waar begeleiding gedurende 24 uur per dag wordt geboden en de verdachte wordt ondersteund bij het organiseren en plannen van zijn leven, het maken van pro-sociale keuzes en het aanhouden van een gezonde dagstructuur. Daarbij wordt door de deskundigen sterk aanbevolen de behandeling te laten uitvoeren door een instelling met forensische expertise.
Naast behandeling achten de deskundigen praktische ondersteuning door middel van een jongerencoach passend. Op deze wijze kan de verdachte worden ondersteund bij het vasthouden van de motivatie voor scholing, het verkrijgen van inzicht in zijn kwaliteiten, het maken van keuzes voor veiligere vormen van vrijetijdsbesteding en het aflossen van zijn schulden.
De deskundigen adviseren een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van twaalf maanden op te leggen. Binnen deze maatregel kunnen diverse behandelvormen en coaching worden ingezet. Een time-out behoort tot de mogelijkheden wanneer de verdachte zich niet aan de afspraken houdt. De deskundigen baseren dit advies mede op het feit dat de verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan de behandeling en begeleiding.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 19 mei 2026. Uit dit advies blijkt dat de reclassering zich kan vinden in het advies van de deskundigen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet forse beperkingen in de handelingsvaardigheden van de verdachte, hetgeen pleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Daarnaast is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, impulsiviteit en beïnvloedbaarheid. De verdachte komt zowel fysiek als in zijn gedragingen jonger over dan zijn kalenderleeftijd en heeft veel ondersteuning nodig op praktische leefgebieden. De reclassering ziet dan ook geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert echter wel het toezicht te laten uitvoeren door de volwassenreclassering, omdat de verdachte behoefte heeft aan een strak kader waarin consequenties snel volgen op ongewenst gedrag of overtredingen.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen en daaraan de volgende onderdelen te verbinden:
meldplicht bij reclassering;
ambulante behandeling;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
contactverbod;
locatieverbod (zonder elektronisch toezicht);
locatiegebod in de vorm van een avondklok;
dagbesteding;
aflossing schulden; en
middelencontrole.
Daarnaast adviseert de reclassering de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat het risico op een soortgelijk feit als hoog wordt ingeschat.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wil meewerken aan de gedragsbeïnvloedende maatregel met de door de reclassering geadviseerde onderdelen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit tweeëntwintig jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is, gelet op het Pro Justitia-rapport en het rapport van de reclassering, van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk is en dat hij daarbij gebaat zal zijn. Toepassing van het jeugdstrafrecht is van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte en in het belang van de maatschappij, om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank enkel de oplegging van jeugddetentie gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 311 dagen, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd. Omdat de verdachte deze straf in zijn voorarrest al heeft uitgezeten, hoeft hij niet opnieuw in detentie.
De op te leggen maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit aanleiding geeft tot oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank heeft bij de keuze voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Gelet op de problematiek van de verdachte is behandeling en begeleiding noodzakelijk. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven gemotiveerd te zijn en te willen meewerken aan de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Binnen het kader van een dergelijke maatregel kan de benodigde sturing worden gegeven aan een positieve ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank zal daarom de gedragsbeïnvloedende maatregel opleggen voor de duur van twaalf maanden en daaraan de door de reclassering geadviseerde onderdelen verbinden.
De rechtbank zal aan de gedragsbeïnvloedende maatregel een vervangende jeugddetentie verbinden, indien de verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel. De rechtbank acht daartoe een termijn van maximaal zes maanden voldoende als stok achter de deur, zodat de verdachte zich blijft inzetten voor de noodzakelijke behandeling en begeleiding.
Dadelijke uitvoerbaarheid gedragsbeïnvloedende maatregel
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling. Gelet op het hoge recidiverisico en het feit dat behandeling en begeleiding noodzakelijk zijn om het risico te verminderen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Daarnaast is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte, zodat de behandeling en begeleiding direct kunnen worden voortgezet. De rechtbank zal daarom bevelen dat de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.
7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De advocaat van de benadeelde partij, mr. L. Jense, advocaat te Wognum, heeft namens de benadeelde partij, [benadeelde], een vordering tot schadevergoeding van € 31.220,42 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 2.220,42 aan materiële schade, bestaande uit beschadigde kleding (€ 1.257,15), zorgkosten (€ 735,27) en een daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname (€ 228,-), en € 29.000,- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) en een daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname (€ 228,-), moet worden toegewezen. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de beschadigde kleding van de benadeelde partij. Daarnaast heeft de officier van justitie zich ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer(exces). Indien het feit bewezen wordt verklaard, heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde materiële schade met betrekking tot de beschadigde kleding dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat enkel de zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) kunnen worden toegewezen en dat de gevorderde zorgkosten voor het jaar 2026 dienen te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd. Verder heeft hij verzocht om matiging van de vordering wegens eigen schuld van het slachtoffer. Tot slot heeft de raadsman verzocht het aantal dagen gijzeling op nihil te stellen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt.
Beschadigde kleding
De rechtbank is op grond van de vordering en de toelichting ter zitting van oordeel dat de benadeelde partij schade aan zijn kleding (te weten een jas, een trainingspak, een T-shirt en schoenen) heeft opgelopen die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Nu deze schadeposten, met uitzondering van de jas, niet met stukken zijn onderbouwd, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de helft van het gevorderde schadebedrag (€ 628,58) toewijzen. De rechtbank zal het overige deel afwijzen.
Zorgkosten
De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd.
Daarnaast vordert de benadeelde partij toekomstige zorgkosten, te weten het eigen risico over 2026, vanwege bezoeken aan de psycholoog en het ziekenhuis. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat de noodzaak van die toekomstige behandelingen en de daarmee samenhangende kosten onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de gevorderde materiële kosten voor zover het toekomstige schade betreft dan ook niet ontvankelijk verklaren, onder vermelding dat deze schadevergoeding eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Daggeldvergoeding ziekenhuisopname
De rechtbank is van oordeel dat de daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Deze post is door de verdediging ook niet betwist, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Voor de hoogte van het toe te wijzen schadevergoedingsbedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en specifiek naar paragraaf 15.13 (ander beenletsel). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie d, omdat sprake is van ernstig letsel aan het been dat leidt tot functionele beperkingen en/of enige zenuwschade. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 12.000,- billijk is voor het beenletsel.
Daarnaast blijkt ook uit de overgelegde stukken dat de aangever psychisch letsel heeft opgelopen, te weten een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Voor het toekennen van een schadevergoeding hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar paragraaf 14.2 van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie c (middelzwaar), omdat de benadeelde partij grotendeels is hersteld en de resterende klachten niet tot ernstige beperkingen leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.500,- in beginsel billijk is voor het geestelijk letsel.
Nu sprake is van samenloop van meer dan één categorie van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag ten aanzien van het geestelijk letsel (het laagste bedrag) halveren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van in totaal € 14.750,- billijk is en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Eigen schuld
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Dit is door de verdediging ook niet voldoende onderbouwd. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Gijzeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om de gijzeling op nihil te stellen, omdat de rechtbank het noodzakelijk acht dat een dwangmiddel resteert indien de verdachte de toegewezen schadevergoeding niet betaalt. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 15.956,85, bestaande uit € 1.206,85 als vergoeding voor materiële schade en € 14.750,-
als vergoeding voor immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde materiële schade ten aanzien van de beschadigde kleding wordt afgewezen en de overige gevorderde materiële en immateriële schade wordt niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 15.956,85 aan de Staat moet betalen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 77c, 77i, 77w, 77wb, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 311 [driehonderdelf] dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 311 dagen, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op voor de duur van twaalf maanden. De maatregel bestaat uit de volgende onderdelen:
- de verdachte meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- de verdachte laat zich behandelen door het FACT-team van Fivoor Ambulant of Topzorg van De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel (maar niet uitsluitend) de traumagerelateerde problematiek als het middelengebruik van de verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- de verdachte verblijft bij Care & Coaching op het adres Amsterdamsestraatweg 733 in Utrecht of bij het Leger des Heils (Lelystad) of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- de verdachte heeft en zoekt op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2]. De politie zal toezien op de naleving van het contactverbod;
- de verdachte bevindt zich niet in de gemeente Alkmaar. De politie zal toezien op de naleving van het locatieverbod;
- de verdachte bevindt zich van 22:00 uur tot 07:00 uur op zijn inschrijfadres, zolang de reclassering dit, in overleg met het Openbaar Ministerie, nodig acht. De tijden waarop de verdachte zich op zijn inschrijfadres moet bevinden, kunnen in overleg met het Openbaar Ministerie worden gewijzigd. De politie zal toezien op de naleving van het locatiegebod;
- de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, opleiding en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
- de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan budgetbeheer en/of schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekselonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voormelde onderdelen van de maatregel en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 [zes] maanden als de verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 15.956,85, bestaande uit € 1.206,85 als vergoeding voor de materiële en € 14.750,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst het meer gevorderde bedrag met betrekking tot de beschadigde kleding af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.956,85, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 maand en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.H. Bouwers, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. P. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.
Bijlage 1
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, een of meermalen met een (groot) mes, althans een scherp voorwerp, in zijn linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar aan [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) en/of een (slag)aderlijke bloeding(en) en/of (een) beschadigde (heup) zenuw(en) heeft toegebracht, door met een (groot) mes, althans een scherp voorwerp een of meermalen in de linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] te steken;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen in de linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van
die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(..)
HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788, r.o. 2.5.
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/353096-24 (P)
Uitspraakdatum: 9 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr I. Hermans, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij op 24 oktober 2024 in Alkmaar [benadeelde] (hierna ook: de aangever) in de bil en schouder heeft gestoken. Dit handelen is primair ten laste gelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit (poging tot doodslag). De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde] zou komen te overlijden, doordat hij met een groot vleesmes zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam en de nek van de aangever en daarbij steekwonden in de schouder en de bil heeft veroorzaakt.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair (poging tot doodslag), subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet had op de dood, dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van een van de ten laste gelegde varianten, dan heeft de raadsman betoogd dat de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces dan wel putatief noodweer toekomt.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Feiten en omstandigheden
Op basis van het dossier en hetgeen is besproken ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.
Er is sprake van een langer lopend conflict tussen de verdachte en de aangever. De verdachte en de aangever maken naar aanleiding van dit conflict een afspraak met elkaar en treffen elkaar op een parkeerplaats in Alkmaar. De verdachte neemt een mes mee naar deze ontmoeting en staat op de parkeerplaats als de aangever samen met [getuige 1] aan komt rijden. De aangever en [getuige 1] zijn ongewapend. De aangever stapt uit de auto en de verdachte maakt vervolgens zwaaiende bewegingen in zijn richting met het mes in zijn hand. De aangever ontwijkt dit door naar achteren te lopen, maar de verdachte blijft naar voren komen en zwaaien. Daarop geeft de aangever (die kickbokser is) de verdachte een hoge trap tegen het gezicht, waardoor de verdachte op de grond valt. Daarna heeft de verdachte de aangever gestoken.
De aangever heeft naar aanleiding van het incident een steekwond opgelopen aan zijn linkerbil. Daarbij is een slagader geraakt, waardoor een bloeding is ontstaan. Om de verwonding te onderzoeken en te behandelen is een operatie uitgevoerd. Tijdens deze operatie bleek dat ook de heupzenuw was beschadigd. De artsen hebben de gescheurde slagader in de bil gehecht om de bloeding te stoppen en de heupzenuw hersteld. Tevens heeft de verdachte letsel aan zijn schouder opgelopen. Het dossier biedt geen nadere informatie over de aard van dit letsel.
Het staat in deze zaak niet ter discussie dat de verdachte de aangever in zijn bil heeft gestoken, met bovenstaand letsel tot gevolg. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of dit handelen kan worden gekwalificeerd als poging tot doodslag, zware mishandeling of poging tot zware mishandeling.
3.3.2
Geen opzet op de dood
Voor een poging tot doodslag is vereist dat kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Dit betekent dat ten minste moet worden bewezen dat de kans dat het slachtoffer als gevolg van de zwaaiende bewegingen met het mes en/of de steekverwonding in de linkerbil zou komen te overlijden aanmerkelijk was, en dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Of de kans dat het slachtoffer door het geweld zou komen te overlijden aanmerkelijk was, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het zal, in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank stelt vast dat het dossier te weinig specifieke informatie bevat om te kunnen concluderen dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer als gevolg van de zwaaiende bewegingen met het mes en de steekverwonding aan de linkerbil zou komen te overlijden. Zo kan niet worden vastgesteld op welke afstand de verdachte zich ten opzichte van de aangever bevond toen hij zwaaiende bewegingen met het mes in zijn hand maakte, en ook niet in welke richting hij deze bewegingen heeft gemaakt en hoe vaak dit is gebeurd. Het moment waarop de verdachte de aangever met het mes in de bil heeft gestoken is niet op de camerabeelden te zien evenmin beschreven door de aangever of getuigen. Het dossier bevat daarnaast geen vaststellingen over de lengte van het lemmet van het mes. De foto’s van het mes geven hierover geen duidelijkheid. Verder bevat het dossier geen informatie over mogelijke (levensbedreigende) gevolgen van de steekverwonding aan de linkerbil. Uit de medische verklaring blijkt dat sprake is van een steekwond, gelet op de scherpe wondranden en het dieper gelegen letsel, te weten een slagaderlijke bloeding en een beschadigde heupzenuw. Er ontbreekt echter informatie – bijvoorbeeld van een forensisch arts die de aangever heeft onderzocht – over de locatie van het letsel ten opzichte van belangrijke lichamelijke structuren die, wanneer deze worden geraakt met een mes, tot de dood kunnen leiden. Kortom: het is onduidelijk wat het risico op een dodelijke verwonding was en daarmee ook of de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Dat betekent dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
3.3.3
Opzet op zwaar lichamelijk letsel
De verdachte heeft wel voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever. Het steken met een mes in de linkerbil levert naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waaronder – zoals in deze zaak het geval is – een slagaderlijke bloeding. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte, te weten het kennelijk met enige kracht steken met een mes in de linkerbil van de aangever, worden afgeleid dat de verdachte zich willens en wetens aan deze aanmerkelijke kans heeft blootgesteld en deze bewust heeft aanvaard.
3.3.4
Zwaar lichamelijk letsel
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het letsel dat de aangever naar aanleiding van het steekincident heeft opgelopen, kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.
Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling of sprake is van zwaar lichamelijk letsel de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op volledig herstel worden meegenomen. Het uitgangspunt daarbij is dat lichamelijk letsel als ‘zwaar’ te beschouwen is, wanneer dit letsel voldoende ernstig is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangemerkt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de aangever een steekverwonding in zijn linkerbil heeft opgelopen. Er is vastgesteld dat een slagader was geraakt, waardoor een bloeding is ontstaan. Om deze verwonding te onderzoeken en te behandelen, is een operatie uitgevoerd. Tijdens deze operatie is de gescheurde slagader gehecht om de bloeding te stoppen en is ook de heupzenuw hersteld, omdat deze beschadigd was. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de aangever, nadat hij op 30 oktober 2024 uit het ziekenhuis werd ontslagen, volledig afhankelijk was van zorg van zijn familie omdat zijn been de eerste twee weken na de operatie in het gips zat. Nadat het gips was verwijderd, is een intensief multidisciplinair revalidatietraject gestart. De aangever heeft maandenlang last gehad van pijn, krachtsverlies in zijn been en voet, en gevoelsverlies. Op dit moment, circa negentien maanden na het incident, ondervindt de aangever nog steeds klachten en is hij voor nader onderzoek doorverwezen naar de neuroloog. Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak van het medisch ingrijpen en de aard daarvan, alsmede de klachten die hij tot op heden ondervindt, concludeert de rechtbank dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt.
3.3.5
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde feit, zware mishandeling bewezen acht.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 24 oktober 2024 te Alkmaar aan [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond en een slagaderlijke bloeding en een beschadigde heupzenuw heeft toegebracht, door met een mes in de linker bil van die [benadeelde] te steken.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Strafbaarheid van het feit en kwalificatie
4.1
Beroep op (putatief) noodweer(exces)
4.1.1
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, een beroep gedaan op (putatief) noodweer(exces). De verdediging heeft bepleit dat sprake is geweest van een noodweersituatie, omdat de verdachte door de aangever werd aangevallen. Tegen deze ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft de verdachte zich moeten verdedigen.
4.1.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen beroep toekomt op noodweer(exces). Op het moment dat de aangever uit de auto stapte, had de verdachte al een mes in zijn hand en maakte hij daarmee zwaaiende bewegingen. De verdachte heeft de confrontatie met de aangever zelf opgezocht.
4.1.3
Oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard als de gedraging van de verdachte, naar de kern bezien, als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Uitgaande van de feiten zoals de rechtbank die onder 3.3.1 heeft vastgesteld, komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachte in de kern als aanvallend moeten worden aangemerkt. Naar aanleiding van een onderliggend conflict hebben de verdachte en de aangever een afspraak gemaakt om elkaar te ontmoeten. De verdachte is naar deze afspraak gegaan en heeft daarbij een mes meegenomen. Op het moment dat de aangever uit de auto stapt, maakt de verdachte gelijk zwaaiende bewegingen met een mes in zijn hand in de richting van de aangever. Dit past ook bij het telefoongesprek dat de verdachte kort na het incident met [getuige 2] heeft gevoerd. Daarin heeft de verdachte gezegd: ‘Ewa ik zeg gelijk he broer. Ik trek hem gelijk ja. Omdat ik echt kwaad was.’ De aangever heeft de verdachte vervolgens een hoge trap tegen het hoofd gegeven, waardoor de verdachte ten val is gekomen. Daarna heeft de verdachte de aangever gestoken.
Het handelen van de verdachte – te weten: het gewapend met een mes naar een afspraak met de aangever gaan en vervolgens zwaaien met het mes – was gericht op een confrontatie met de aangever en ziet de rechtbank als aanvallend. Het beroep op noodweer faalt. Om dezelfde reden kan ook het beroep op noodweerexces en putatief noodweer niet slagen.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
4.2
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
5Strafbaarheid van de verdachte
Ten aanzien van de vraag of het gepleegde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, is onder 4.1.3 reeds overwogen dat geen sprake is van putatief noodweer of noodweerexces. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 13 april 2026, opgesteld door [psycholoog], GZ-psycholoog, en [psychiater], psychiater. De conclusies van de deskundigen luiden, samengevat, dat de verdachte lijdt aan een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (gecombineerd beeld), een posttraumatische stresstoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ten tijde van het ten laste gelegde feit bij de verdachte aanwezig en hebben bij het plegen van dit strafbare feit (indien bewezen) doorgewerkt op het gedrag en de gedragskeuzes van de verdachte. De deskundigen adviseren daarom het ten laste gelegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke motivering. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit verminderd toerekeningsvatbaar en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 498 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk. Aan deze straf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, met uitzondering van het locatieverbod voor de gemeente Alkmaar, omdat de verdachte in een andere regio verblijft, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman verzocht een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, en te bepalen dat de vervangende jeugddetentie zo laag mogelijk wordt vastgesteld.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zware mishandeling van het slachtoffer door hem opzettelijk met een mes in de linkerbil te steken. De verdachte heeft met dit handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de medische stukken en de slachtofferverklaring blijkt dat het handelen van de verdachte ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 30 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het eerder genoemde Pro Justitia-rapport. Uit dit rapport blijkt onder meer dat de verdachte een in de kern beschadigde jongen is, die vanaf jonge leeftijd chronisch is getraumatiseerd. Daarnaast is sprake van een verstoorde emotieregulatie, gebrekkige coping- en probleemoplossende vaardigheden en impulsiviteit.
De deskundigen stellen vast dat er beperkingen worden gezien ten aanzien van de handelingsvaardigheden van de verdachte en dat hij op sociaal en emotioneel gebied sterk achterloopt. De verdachte komt in het contact fors jonger over dan zijn kalenderleeftijd, woonde tot aan zijn detentie nog thuis en heeft veel praktische ondersteuning nodig. Daarbij wordt een pedagogische aanpak als passend gezien. Op deze wijze kan verder worden ingezet op het verwerven van vaardigheden die passend zijn bij de ontwikkelingstaken in de adolescentie. De deskundigen adviseren daarom het jeugdstrafrecht toe te passen.
De deskundigen concluderen dat het risico op gewelddadig gedrag als hoog wordt ingeschat.
Zij achten behandeling noodzakelijk om het recidiverisico te verminderen en de ontwikkeling van de verdachte in positieve zin te beïnvloeden. Omdat de kern van de problematiek traumagerelateerd is, dient dit als uitgangspunt voor de behandeling te worden genomen. Binnen de behandeling dient aandacht te zijn voor het aanleren van adequate coping- en probleemoplossende vaardigheden, het vergroten van de weerbaarheid en het versterken van de emotieregulatie. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan het middelengebruik en is het noodzakelijk om het systeem van de verdachte bij de behandeling te betrekken. De deskundigen achten het noodzakelijk dat de voorgaande behandeling wordt ingebed in een gestructureerde, stimulerende en veilige omgeving. Dit dient een passende begeleid wonen plek te zijn, waar begeleiding gedurende 24 uur per dag wordt geboden en de verdachte wordt ondersteund bij het organiseren en plannen van zijn leven, het maken van pro-sociale keuzes en het aanhouden van een gezonde dagstructuur. Daarbij wordt door de deskundigen sterk aanbevolen de behandeling te laten uitvoeren door een instelling met forensische expertise.
Naast behandeling achten de deskundigen praktische ondersteuning door middel van een jongerencoach passend. Op deze wijze kan de verdachte worden ondersteund bij het vasthouden van de motivatie voor scholing, het verkrijgen van inzicht in zijn kwaliteiten, het maken van keuzes voor veiligere vormen van vrijetijdsbesteding en het aflossen van zijn schulden.
De deskundigen adviseren een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van twaalf maanden op te leggen. Binnen deze maatregel kunnen diverse behandelvormen en coaching worden ingezet. Een time-out behoort tot de mogelijkheden wanneer de verdachte zich niet aan de afspraken houdt. De deskundigen baseren dit advies mede op het feit dat de verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan de behandeling en begeleiding.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 19 mei 2026. Uit dit advies blijkt dat de reclassering zich kan vinden in het advies van de deskundigen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering ziet forse beperkingen in de handelingsvaardigheden van de verdachte, hetgeen pleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Daarnaast is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel, impulsiviteit en beïnvloedbaarheid. De verdachte komt zowel fysiek als in zijn gedragingen jonger over dan zijn kalenderleeftijd en heeft veel ondersteuning nodig op praktische leefgebieden. De reclassering ziet dan ook geen contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert echter wel het toezicht te laten uitvoeren door de volwassenreclassering, omdat de verdachte behoefte heeft aan een strak kader waarin consequenties snel volgen op ongewenst gedrag of overtredingen.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen en daaraan de volgende onderdelen te verbinden:
meldplicht bij reclassering;
ambulante behandeling;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
contactverbod;
locatieverbod (zonder elektronisch toezicht);
locatiegebod in de vorm van een avondklok;
dagbesteding;
aflossing schulden; en
middelencontrole.
Daarnaast adviseert de reclassering de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat het risico op een soortgelijk feit als hoog wordt ingeschat.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wil meewerken aan de gedragsbeïnvloedende maatregel met de door de reclassering geadviseerde onderdelen.
Toepassing van het jeugdstrafrecht?
Wat betreft de vraag of het volwassenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte was ten tijde van het bewezen verklaarde feit tweeëntwintig jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan berechting volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank kan, ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, beslissen het jeugdstrafrecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank is, gelet op het Pro Justitia-rapport en het rapport van de reclassering, van oordeel dat pedagogische beïnvloeding van de verdachte nog mogelijk is en dat hij daarbij gebaat zal zijn. Toepassing van het jeugdstrafrecht is van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte en in het belang van de maatschappij, om de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank enkel de oplegging van jeugddetentie gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 311 dagen, met aftrek van voorarrest, moet worden opgelegd. Omdat de verdachte deze straf in zijn voorarrest al heeft uitgezeten, hoeft hij niet opnieuw in detentie.
De op te leggen maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde feit aanleiding geeft tot oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.
De rechtbank heeft bij de keuze voor het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Gelet op de problematiek van de verdachte is behandeling en begeleiding noodzakelijk. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven gemotiveerd te zijn en te willen meewerken aan de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Binnen het kader van een dergelijke maatregel kan de benodigde sturing worden gegeven aan een positieve ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank zal daarom de gedragsbeïnvloedende maatregel opleggen voor de duur van twaalf maanden en daaraan de door de reclassering geadviseerde onderdelen verbinden.
De rechtbank zal aan de gedragsbeïnvloedende maatregel een vervangende jeugddetentie verbinden, indien de verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel. De rechtbank acht daartoe een termijn van maximaal zes maanden voldoende als stok achter de deur, zodat de verdachte zich blijft inzetten voor de noodzakelijke behandeling en begeleiding.
Dadelijke uitvoerbaarheid gedragsbeïnvloedende maatregel
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten zware mishandeling. Gelet op het hoge recidiverisico en het feit dat behandeling en begeleiding noodzakelijk zijn om het risico te verminderen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal begaan. Daarnaast is de dadelijke uitvoerbaarheid in het belang van de verdachte, zodat de behandeling en begeleiding direct kunnen worden voortgezet. De rechtbank zal daarom bevelen dat de onderdelen van de gedragsbeïnvloedende maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.
7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De advocaat van de benadeelde partij, mr. L. Jense, advocaat te Wognum, heeft namens de benadeelde partij, [benadeelde], een vordering tot schadevergoeding van € 31.220,42 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 2.220,42 aan materiële schade, bestaande uit beschadigde kleding (€ 1.257,15), zorgkosten (€ 735,27) en een daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname (€ 228,-), en € 29.000,- aan immateriële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) en een daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname (€ 228,-), moet worden toegewezen. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de beschadigde kleding van de benadeelde partij. Daarnaast heeft de officier van justitie zich ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde feit, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer(exces). Indien het feit bewezen wordt verklaard, heeft de raadsman betoogd dat de gevorderde materiële schade met betrekking tot de beschadigde kleding dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat enkel de zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) kunnen worden toegewezen en dat de gevorderde zorgkosten voor het jaar 2026 dienen te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade aanzienlijk dient te worden gematigd. Verder heeft hij verzocht om matiging van de vordering wegens eigen schuld van het slachtoffer. Tot slot heeft de raadsman verzocht het aantal dagen gijzeling op nihil te stellen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt.
Beschadigde kleding
De rechtbank is op grond van de vordering en de toelichting ter zitting van oordeel dat de benadeelde partij schade aan zijn kleding (te weten een jas, een trainingspak, een T-shirt en schoenen) heeft opgelopen die rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Nu deze schadeposten, met uitzondering van de jas, niet met stukken zijn onderbouwd, zal de rechtbank gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de helft van het gevorderde schadebedrag (€ 628,58) toewijzen. De rechtbank zal het overige deel afwijzen.
Zorgkosten
De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte zorgkosten voor 2025 (€ 350,27) rechtstreeks voortvloeien uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd.
Daarnaast vordert de benadeelde partij toekomstige zorgkosten, te weten het eigen risico over 2026, vanwege bezoeken aan de psycholoog en het ziekenhuis. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is, omdat de noodzaak van die toekomstige behandelingen en de daarmee samenhangende kosten onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de gevorderde materiële kosten voor zover het toekomstige schade betreft dan ook niet ontvankelijk verklaren, onder vermelding dat deze schadevergoeding eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Daggeldvergoeding ziekenhuisopname
De rechtbank is van oordeel dat de daggeldvergoeding voor de ziekenhuisopname rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit en dat deze kosten voldoende zijn onderbouwd. Deze post is door de verdediging ook niet betwist, zodat dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.
In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Voor de hoogte van het toe te wijzen schadevergoedingsbedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en specifiek naar paragraaf 15.13 (ander beenletsel). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie d, omdat sprake is van ernstig letsel aan het been dat leidt tot functionele beperkingen en/of enige zenuwschade. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 12.000,- billijk is voor het beenletsel.
Daarnaast blijkt ook uit de overgelegde stukken dat de aangever psychisch letsel heeft opgelopen, te weten een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Voor het toekennen van een schadevergoeding hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar paragraaf 14.2 van de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie c (middelzwaar), omdat de benadeelde partij grotendeels is hersteld en de resterende klachten niet tot ernstige beperkingen leiden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 5.500,- in beginsel billijk is voor het geestelijk letsel.
Nu sprake is van samenloop van meer dan één categorie van de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de hoogte van het schadebedrag ten aanzien van het geestelijk letsel (het laagste bedrag) halveren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een immateriële schadevergoeding van in totaal € 14.750,- billijk is en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Eigen schuld
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. Dit is door de verdediging ook niet voldoende onderbouwd. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Gijzeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om de gijzeling op nihil te stellen, omdat de rechtbank het noodzakelijk acht dat een dwangmiddel resteert indien de verdachte de toegewezen schadevergoeding niet betaalt. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 15.956,85, bestaande uit € 1.206,85 als vergoeding voor materiële schade en € 14.750,-
als vergoeding voor immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De overige gevorderde materiële schade ten aanzien van de beschadigde kleding wordt afgewezen en de overige gevorderde materiële en immateriële schade wordt niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 15.956,85 aan de Staat moet betalen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 77c, 77i, 77w, 77wb, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4.2 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 311 [driehonderdelf] dagen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 311 dagen, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op voor de duur van twaalf maanden. De maatregel bestaat uit de volgende onderdelen:
- de verdachte meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
- de verdachte laat zich behandelen door het FACT-team van Fivoor Ambulant of Topzorg van De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op zowel (maar niet uitsluitend) de traumagerelateerde problematiek als het middelengebruik van de verdachte. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- de verdachte verblijft bij Care & Coaching op het adres Amsterdamsestraatweg 733 in Utrecht of bij het Leger des Heils (Lelystad) of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- de verdachte heeft en zoekt op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2]. De politie zal toezien op de naleving van het contactverbod;
- de verdachte bevindt zich niet in de gemeente Alkmaar. De politie zal toezien op de naleving van het locatieverbod;
- de verdachte bevindt zich van 22:00 uur tot 07:00 uur op zijn inschrijfadres, zolang de reclassering dit, in overleg met het Openbaar Ministerie, nodig acht. De tijden waarop de verdachte zich op zijn inschrijfadres moet bevinden, kunnen in overleg met het Openbaar Ministerie worden gewijzigd. De politie zal toezien op de naleving van het locatiegebod;
- de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, opleiding en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur;
- de verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan budgetbeheer en/of schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de verdachte werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen genoemd in lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekselonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel de verdachte wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voormelde onderdelen van de maatregel en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van maximaal 6 [zes] maanden als de verdachte niet naar behoren meewerkt aan de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.
Vordering benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 15.956,85, bestaande uit € 1.206,85 als vergoeding voor de materiële en € 14.750,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Wijst het meer gevorderde bedrag met betrekking tot de beschadigde kleding af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.956,85, bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 maand en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.H. Bouwers, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. P. Hesselink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.
Bijlage 1
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, een of meermalen met een (groot) mes, althans een scherp voorwerp, in zijn linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar aan [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) steekwond(en) en/of een (slag)aderlijke bloeding(en) en/of (een) beschadigde (heup) zenuw(en) heeft toegebracht, door met een (groot) mes, althans een scherp voorwerp een of meermalen in de linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] te steken;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 24 oktober 2024 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen in de linker bil en/of linker schouder, althans in het lichaam van
die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(..)
HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788, r.o. 2.5.