Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7104
Inhoudsindicatie
De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven over kort gezegd bepaalde milieuregels en het overgangsrecht uit de Omgevingswet. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eisers tegen het bestuurlijk rechtsoordeel niet-ontvankelijk kon verklaren. In hetgeen eisers hebben aangevoerd over noodzakelijke investeringen en verwachte negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering, handhavingsrisico's en andere vereiste toestemmingen, is niet gebleken dat het voor eisers onredelijk bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit aan de orde te stellen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2021:582 Raad van State 17-03-2021
- ECLI:NL:RVS:2026:460 Raad van State 28-01-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.548 tekens)
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] ., uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.G.J. Laan),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar
(gemachtigde: mr. M. Blom).
Samenvatting
1. De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft een bestuurlijk rechtsoordeel gegeven over kort gezegd bepaalde milieuregels en het overgangsrecht uit de Omgevingswet. Deze uitspraak gaat over de vraag of dit bestuurlijk rechtsoordeel gelijk moet worden gesteld met een besluit, omdat het onevenredig bezwarend is om een procedure over een daadwerkelijk besluit af te wachten.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eisers tegen het bestuurlijk rechtsoordeel niet-ontvankelijk kon verklaren. Niet is gebleken dat het voor eisers onredelijk bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit aan de orde te stellen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eisers exploiteren kort gezegd metaalverwerkingsbedrijven. Zij zijn momenteel gevestigd aan de [adres] in [plaats] .
3.1.
Bij brief van 12 augustus 2024 hebben eisers de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (de Omgevingsdienst) verzocht juridisch te toetsen of zij voor wat betreft de bodembeschermende voorzieningen onder specifiek overgangsrecht uit de Omgevingswet vallen. Dit vragen eisers omdat de Omgevingsdienst een negatief advies had gegeven aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over een kennisgeving op grond van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).
3.2.
Bij brief van 4 november 2024 heeft de Omgevingsdienst gereageerd op de brief van 12 augustus 2024. Volgens de Omgevingsdienst is het specifieke overgangsrecht voor bodembeschermende voorzieningen in de Omgevingswet niet van toepassing op eisers. Daarnaast stelt de Omgevingsdienst zich op het standpunt dat eisers milieuvergunningplichtig zijn voor de zogeheten ‘Hammel Primary Shredder Type 850’ (de Hammel) omdat dit kwalificeert als shredder in de zin van het Besluit omgevingsrecht en Activiteitenbesluit, waarvoor Gedeputeerde Staten van de provincie (GS) het bevoegd gezag is.
3.3.
Tegen deze brief hebben eisers bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 maart 2025 heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is er sprake van een bestuurlijk rechtsoordeel en doet zich geen uitzonderlijke situatie voor waardoor de brief omwille van de rechtsbescherming van eisers gelijk moet worden gesteld met een besluit.
3.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben eisers nog aanvullende producties ingediend.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 4] .
Beoordeling door de rechtbank
Inschakeling bezwarencommissie
4.1.
Eisers voeren aan dat het college ten onrechte geen advies heeft gevraagd aan de bezwarencommissie.
4.2.
Deze grond slaagt niet. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat niet aan de voorwaarden voor inschakeling van de bezwarencommissie uit de Verordening bezwaarschriften Alkmaar is voldaan. Eisers hebben niet (verder) concreet onderbouwd waarom het college in dit geval een verkeerde beoordeling van deze voorwaarden zou hebben gemaakt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan die beoordeling te twijfelen.
Bestuurlijk rechtsoordeel gelijk te stellen met besluit?
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de brief van 4 november 2024 een bestuurlijk rechtsoordeel bevat en de rechtbank volgt dat. In deze uitspraak neemt de rechtbank deze omstandigheid tot uitgangspunt.
5.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat een bestuurlijk rechtsoordeel slechts in zeer uitzonderlijke situaties omwille van de rechtsbescherming met een besluit wordt gelijkgesteld. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van de rechtsregels via een procedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. De algemene lijn is dat het indienen van een aanvraag voor een vergunning of het afwachten van een besluit omtrent handhaving niet als een onevenredig bezwarende weg kan worden aangemerkt.
5.3.
Eisers voeren aan dat het voor hen onevenredig bezwarend is om een daadwerkelijk besluit af te wachten om via die procedures rechtsbescherming te verkrijgen over het standpunt van de Omgevingsdienst in de brief van 4 november 2024. Eisers zijn in samenspraak met de gemeente en de provincie bezig met de verplaatsing van de bedrijfsvoering naar een locatie aan de [locatie] . Als de verplaatsing definitief is, dan zullen eisers moeten voldoen aan de huidige regels voor milieubelastende activiteiten. Van eisers kan niet worden gevraagd om vanwege het bestuurlijk rechtsoordeel voor de tijdelijke situatie aan de [adres] grote investeringen te doen. Daarbij kost een eventuele aanvraag voor een legaliserende vergunning te veel tijd en geld en willen eisers op voorhand duidelijkheid over de bestuursorganen die betrokken zouden moeten zijn (provincie of gemeente en welke omgevingsdienst). Daarnaast merken eisers direct negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering. Omdat de Omgevingsrecht nu negatief adviseert over eisers aan ILT, komen hun EVOA-kennisgevingen in gevaar en daarmee hun mogelijkheden tot im- en export van afvalstoffen. Dit leidt tot grote omzetverliezen. Volgens eisers kan dit onvoldoende in een procedure tegen een besluit van ILT aan de orde worden gesteld, omdat ILT zich baseert op het advies van de Omgevingsdienst. Tot slot lopen eisers direct handhavingsrisico’s, die zich ondertussen ook hebben geopenbaard, aangezien GS een last onder dwangsom hebben opgelegd in verband met de Hammel.
5.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers onvoldoende concreet hebben gemaakt dat het voor hen onevenredig bezwarend is om een geschil over de interpretatie van de milieuregels en het overgangsrecht via een beroepsprocedure tegen een daadwerkelijk besluit aan de orde te stellen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eisers vanwege de nu nog tijdelijke situatie op de huidige locatie willen weten waar zij aan toe zijn en bij wie zij moeten aankloppen over de milieubelastende activiteiten, vindt zij die omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het onevenredig bezwarend is om een procedure over daadwerkelijke besluitvorming af te wachten. Daarbij betrekt de rechtbank dat eisers wel noemen dat het grote investeringen van hen op de tijdelijke locatie vraagt, maar dit niet concreet hebben onderbouwd. Het is voor de rechtbank onvoldoende gebleken welke investeringen dit zijn, en waarom een procedure tegen een daadwerkelijk besluit om die reden niet kan worden afgewacht. Eisers hebben nog gesteld dat met een vergunningsaanvraag onevenredig veel tijd en kosten zijn gemoeid, maar hebben dit ook niet concreet onderbouwd.
5.5.
Voor wat betreft de advisering in verband met de EVOA-kennisgevingen bij ILT is daarnaast op de zitting duidelijk geworden dat eisers in ieder geval voor een deel van hun activiteiten goedkeuring hebben gekregen. Verder is voor de rechtbank niet concreet geworden wat het advies van de Omgevingsdienst aan ILT precies inhoudt, wat dat voor eisers concreet betekent en wat de stand van zaken is omtrent eventuele besluitvorming van ILT. Zo is niet gebleken dat er al daadwerkelijk besluitvorming heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat de rechtbank niet inziet waarom eisers een procedure naar aanleiding van besluitvorming van ILT niet kan afwachten. Dat de beoordeling van het advies van de Omgevingsdienst via een besluit van ILT op meer afstand staat dan een beoordeling van het bestuurlijk rechtsoordeel, is onvoldoende om aan te nemen dat het bewandelen van die weg onredelijk bezwarend is voor eisers. Ook als er besluitvorming is waaraan een advies ten grondslag ligt, kan dit namelijk wel voldoende in die procedure worden besproken.
5.6.
Tot slot is de omstandigheid dat er mogelijke handhavingsrisico’s zijn, onvoldoende om nu een rechtsingang tegen het bestuurlijk oordeel te creëren. De rechtbank wijst er daarbij op dat er op de zitting is gebleken dat er inmiddels op 4 mei 2026 een last onder dwangsom is opgelegd aan eisers voor de Hammel. In de opgestarte procedure kunnen eisers de regels omtrent de eventuele vergunningplicht voor de Hammel ter discussie stellen.
Conclusie en gevolgen
6.1.
Het bestuurlijk rechtsoordeel hoeft niet omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijk te worden gesteld. Het bezwaar van eisers is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt aan een bespreking van de inhoudelijke gronden van eisers tegen het bestuurlijk rechtsoordeel niet toe.
6.2.
Het beroep is ongegrond. Ook krijgen eisers geen vergoeding van het griffierecht of van proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:582 en van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:460.