Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:7056
2026-06-16
Strafrecht
15/264251-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewezenverklaring verkrachting van een veertienjarig slachtoffer. Beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 248 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht slaagt niet. Oplegging gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.266 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/264251-25 (P)
Uitspraakdatum: 16 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.G.T. Kramer, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , en/of- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;
subsidiair:
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] .
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit met uitzondering van penetratie met de penis.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde penetratie met de vingers bewezen kan worden. Voor de ten laste gelegde penetratie met de penis bevat het dossier onvoldoende (steun)bewijs, waardoor de verdachte hiervoor moet worden vrijgesproken.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit met uitzondering van het seksueel binnendringen van het lichaam met de penis, nu de aangeefster hierover wisselend en met onvoldoende zekerheid heeft verklaard. Omdat de verdachte het feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2026;
- een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever] van 19 juli 2025 (dossierpagina 4 e.v.);
- een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 28 augustus 2025 (dossierpagina 24 e.v.).
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een seksuele handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het duwen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] .
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
5.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de strafuitsluitingsgrond van artikel 248, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de orde is. Er was sprake van een gering leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] en de seksuele handeling is in een gelijkwaardige verhouding tussen hen begaan.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen, omdat tussen de verdachte en [slachtoffer] geen sprake was van een gelijkwaardige seksuele relatie. Er was sprake van een leeftijdsverschil van ruim 3,5 jaar en tussen hen bestond geen seksuele relatie.
5.3
Oordeel van de rechtbank
In artikel 248, lid 3, Sr is bepaald dat niet strafbaar is degene die als leeftijdsgenoot de in het eerste lid bedoelde gedragingen begaat in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen diegene en dat kind. Of sprake is van deze genoemde strafuitsluitingsgrond is afhankelijk van omstandigheden. Volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie kunnen hierbij onder meer de volgende factoren relevant zijn: het leeftijdsverschil tussen betrokkenen, of sprake was van vrijwilligheid bij betrokkenen, of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden en de aard van de seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake was van een gelijkwaardige situatie tussen de verdachte en [slachtoffer] en overweegt daartoe als volgt.
Onder leeftijdsgenoot wordt een persoon met een gering leeftijdsverschil verstaan. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) en jurisprudentie bij artikel 245 (oud) Sr (vergelijkbaar met het nieuwe artikel 248 Sr), wordt als uitgangspunt een leeftijdsverschil van twee jaar gehanteerd. De verdachte was ten tijde van de seksuele handeling 18 jaar. [slachtoffer] was toen 14 jaar oud. Het leeftijdsverschil is ruim 3,5 jaar en niet gering te noemen.
De dag van de seksuele handeling, 10 juli 2025, was tevens de dag dat de verdachte en [slachtoffer] voor het eerst hadden afgesproken elkaar te ontmoeten. Zij kenden elkaar dus nagenoeg niet, laat staan dat sprake was van een affectieve relatie. De verdachte heeft [slachtoffer] meegenomen naar een kleine beschutte maar openbare plek in het bos die omringd was door struiken en bomen. Op die plek heeft [slachtoffer] haar eerste seksuele ervaring gehad met de verdachte die ze pas net had ontmoet en die aanzienlijk ouder was dan [slachtoffer] zelf. Het ging hierbij om het binnendringen van haar vagina, dus een vergaande seksuele handeling.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er van vrijwilligheid geen sprake was. [slachtoffer] heeft in het informatieve gesprek met de politie en in haar verhoor als getuige consistent en gedetailleerd verklaard hoe hij haar tegen de grond drukte terwijl zij meermaals tegen de verdachte duidelijk “nee” heeft gezegd. De verdachte heeft weliswaar betwist dat sprake was van enige vorm van dwang, maar de rechtbank acht dit ongeloofwaardig nu de verdachte zeer wisselend heeft verklaard over wat zich die dag heeft plaatsgevonden. Aanvankelijk heeft hij alles ontkend en later, nadat de politie aangaf dat DNA-onderzoek verricht zou gaan worden, heeft hij bekend dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd. Ook heeft hij wisselend verklaard over hoe die seksuele handeling precies zou zijn gegaan. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van [slachtoffer] dat de seksuele handeling niet vrijwillig was.
Al het voorgaande draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de vaststelling dat geen sprake was van een gelijkwaardige seksuele relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] . Dat betekent dat geen sprake is van de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in lid 3 van artikel 248 Sr. Er is ook is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van twee jaren, te vervangen door 14 dagen hechtenis per overtreding tot maximaal 6 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds veertienjarig meisje, terwijl hijzelf op dat moment achttien jaar oud was. Hij heeft in een beschutte maar openbare plek zijn vingers in haar vagina gebracht ondanks dat het voor hem duidelijk moet zijn geweest dat het slachtoffer dat niet wilde. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen om een normale seksuele ontwikkeling door te maken. Hoe groot de impact van het feit voor het slachtoffer is, blijkt mede uit de slachtofferverklaring die zij op de zitting heeft voorgelezen. Ze heeft last van herbelevingen, concentratieproblemen, negatieve gedachten en is snel overprikkeld. Door haar begeleiding is ze doorverwezen voor traumatherapie.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 12 mei 2026.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank in beginsel enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken door Nederlandse rechters zijn opgelegd.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om in het voordeel van de verdachte af te wijken van dergelijke opgelegde straffen en van de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank betrekt daarbij de zeer jeugdige leeftijd van de verdachte, het feit dat hij schoolgaand is en dat hij niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat daarvan 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Om recht te doen aan de ernst van het feit is de rechtbank ook van oordeel dat daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren moet worden opgelegd.
Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer] noodzakelijk. Dat verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf worden verbonden.
Geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38v Sr
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden hiervoor. Wel zal de rechtbank een contactverbod opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke strafdeel.
7Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding van
€ 7.885,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 385,- aan materiële schade, bestaande uit toekomstige schade die bestaat uit het te betalen eigen risico voor de verwachte traumabehandeling. Daarnaast wordt € 7.500,- aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid moet worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade omdat dit toekomstige schade betreft en dat de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er voor minderjarigen geen eigen risico voor zorgkosten geldt. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering omdat die vooral ingezet lijkt te zijn op het idee dat sprake is geweest van dwang of geweld. Nu dit niet ten laste is gelegd en de vordering in die zin zou moeten worden gesplitst, levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding op.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is omdat de toekomstige behandelingen (en daarmee samenhangende kosten) op dit moment onvoldoende kan kunnen worden afgeleid afleiden uit de vordering en de daarbij horende bijlagen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van deze gevorderde toekomstige materiële, onder vermelding dat deze schadevergoeding in de toekomst eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Een verzochte vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als een benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij paragraaf 15.1, categorie C (tamelijk ernstig) met bandbreedte € 2.500,- t/m € 7.500,-. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade rekening met de ernst van de -onvrijwillige- seksuele handeling en de impact daarvan op de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer en haar leeftijd. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 6.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij wordt voor het resterende deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 55 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.A. Hesselink, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/264251-25 (P)
Uitspraakdatum: 16 juni 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.G.T. Kramer, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Baadoudi, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
primair:
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , en/of- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ;
subsidiair:
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, in elk geval in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het betasten van de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer] .
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit met uitzondering van penetratie met de penis.
3.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde penetratie met de vingers bewezen kan worden. Voor de ten laste gelegde penetratie met de penis bevat het dossier onvoldoende (steun)bewijs, waardoor de verdachte hiervoor moet worden vrijgesproken.
3.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in de hierna te noemen bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit met uitzondering van het seksueel binnendringen van het lichaam met de penis, nu de aangeefster hierover wisselend en met onvoldoende zekerheid heeft verklaard. Omdat de verdachte het feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 juni 2026;
- een proces-verbaal van aangifte gedaan door [aangever] van 19 juli 2025 (dossierpagina 4 e.v.);
- een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] van 28 augustus 2025 (dossierpagina 24 e.v.).
De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:
hij op 10 juli 2025 te Wormer, gemeente Wormerland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] een seksuele handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het duwen van zijn vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] .
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair: verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
5.1 Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de strafuitsluitingsgrond van artikel 248, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de orde is. Er was sprake van een gering leeftijdsverschil tussen de verdachte en [slachtoffer] en de seksuele handeling is in een gelijkwaardige verhouding tussen hen begaan.
5.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen, omdat tussen de verdachte en [slachtoffer] geen sprake was van een gelijkwaardige seksuele relatie. Er was sprake van een leeftijdsverschil van ruim 3,5 jaar en tussen hen bestond geen seksuele relatie.
5.3
Oordeel van de rechtbank
In artikel 248, lid 3, Sr is bepaald dat niet strafbaar is degene die als leeftijdsgenoot de in het eerste lid bedoelde gedragingen begaat in het kader van een gelijkwaardige situatie tussen diegene en dat kind. Of sprake is van deze genoemde strafuitsluitingsgrond is afhankelijk van omstandigheden. Volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie kunnen hierbij onder meer de volgende factoren relevant zijn: het leeftijdsverschil tussen betrokkenen, of sprake was van vrijwilligheid bij betrokkenen, of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden en de aard van de seksuele handelingen. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake was van een gelijkwaardige situatie tussen de verdachte en [slachtoffer] en overweegt daartoe als volgt.
Onder leeftijdsgenoot wordt een persoon met een gering leeftijdsverschil verstaan. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven (hierna: WSM) en jurisprudentie bij artikel 245 (oud) Sr (vergelijkbaar met het nieuwe artikel 248 Sr), wordt als uitgangspunt een leeftijdsverschil van twee jaar gehanteerd. De verdachte was ten tijde van de seksuele handeling 18 jaar. [slachtoffer] was toen 14 jaar oud. Het leeftijdsverschil is ruim 3,5 jaar en niet gering te noemen.
De dag van de seksuele handeling, 10 juli 2025, was tevens de dag dat de verdachte en [slachtoffer] voor het eerst hadden afgesproken elkaar te ontmoeten. Zij kenden elkaar dus nagenoeg niet, laat staan dat sprake was van een affectieve relatie. De verdachte heeft [slachtoffer] meegenomen naar een kleine beschutte maar openbare plek in het bos die omringd was door struiken en bomen. Op die plek heeft [slachtoffer] haar eerste seksuele ervaring gehad met de verdachte die ze pas net had ontmoet en die aanzienlijk ouder was dan [slachtoffer] zelf. Het ging hierbij om het binnendringen van haar vagina, dus een vergaande seksuele handeling.
De rechtbank is voorts van oordeel dat er van vrijwilligheid geen sprake was. [slachtoffer] heeft in het informatieve gesprek met de politie en in haar verhoor als getuige consistent en gedetailleerd verklaard hoe hij haar tegen de grond drukte terwijl zij meermaals tegen de verdachte duidelijk “nee” heeft gezegd. De verdachte heeft weliswaar betwist dat sprake was van enige vorm van dwang, maar de rechtbank acht dit ongeloofwaardig nu de verdachte zeer wisselend heeft verklaard over wat zich die dag heeft plaatsgevonden. Aanvankelijk heeft hij alles ontkend en later, nadat de politie aangaf dat DNA-onderzoek verricht zou gaan worden, heeft hij bekend dat hij [slachtoffer] heeft gevingerd. Ook heeft hij wisselend verklaard over hoe die seksuele handeling precies zou zijn gegaan. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van [slachtoffer] dat de seksuele handeling niet vrijwillig was.
Al het voorgaande draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de vaststelling dat geen sprake was van een gelijkwaardige seksuele relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] . Dat betekent dat geen sprake is van de strafuitsluitingsgrond als bedoeld in lid 3 van artikel 248 Sr. Er is ook is geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6Motivering van de sanctie
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] voor de duur van twee jaren, te vervangen door 14 dagen hechtenis per overtreding tot maximaal 6 maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds veertienjarig meisje, terwijl hijzelf op dat moment achttien jaar oud was. Hij heeft in een beschutte maar openbare plek zijn vingers in haar vagina gebracht ondanks dat het voor hem duidelijk moet zijn geweest dat het slachtoffer dat niet wilde. Hiermee heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen om een normale seksuele ontwikkeling door te maken. Hoe groot de impact van het feit voor het slachtoffer is, blijkt mede uit de slachtofferverklaring die zij op de zitting heeft voorgelezen. Ze heeft last van herbelevingen, concentratieproblemen, negatieve gedachten en is snel overprikkeld. Door haar begeleiding is ze doorverwezen voor traumatherapie.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;
- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 12 mei 2026.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit acht de rechtbank in beginsel enkel oplegging van een gevangenisstraf gerechtvaardigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur daarvan rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken door Nederlandse rechters zijn opgelegd.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden om in het voordeel van de verdachte af te wijken van dergelijke opgelegde straffen en van de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank betrekt daarbij de zeer jeugdige leeftijd van de verdachte, het feit dat hij schoolgaand is en dat hij niet eerder is veroordeeld wegens een strafbaar feit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat daarvan 6 maanden, vooralsnog niet ten uitvoer zullen worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Om recht te doen aan de ernst van het feit is de rechtbank ook van oordeel dat daarnaast de maximale taakstraf van 240 uren moet worden opgelegd.
Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer] noodzakelijk. Dat verbod zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf worden verbonden.
Geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in 38v Sr
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden hiervoor. Wel zal de rechtbank een contactverbod opleggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke strafdeel.
7Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is een vordering tot schadevergoeding van
€ 7.885,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 385,- aan materiële schade, bestaande uit toekomstige schade die bestaat uit het te betalen eigen risico voor de verwachte traumabehandeling. Daarnaast wordt € 7.500,- aan immateriële schade gevorderd, gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW.
7.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid moet worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade omdat dit toekomstige schade betreft en dat de gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er voor minderjarigen geen eigen risico voor zorgkosten geldt. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering omdat die vooral ingezet lijkt te zijn op het idee dat sprake is geweest van dwang of geweld. Nu dit niet ten laste is gelegd en de vordering in die zin zou moeten worden gesplitst, levert de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding op.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gevorderde materiële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat geschieden als voldoende is onderbouwd dat de gevorderde schade ook in de toekomst daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank is van oordeel dat daar geen sprake van is omdat de toekomstige behandelingen (en daarmee samenhangende kosten) op dit moment onvoldoende kan kunnen worden afgeleid afleiden uit de vordering en de daarbij horende bijlagen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering ten aanzien van deze gevorderde toekomstige materiële, onder vermelding dat deze schadevergoeding in de toekomst eventueel aan de burgerlijke rechter kan worden voorgelegd.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële kosten overweegt de rechtbank als volgt. Een verzochte vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als een benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij paragraaf 15.1, categorie C (tamelijk ernstig) met bandbreedte € 2.500,- t/m € 7.500,-. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade rekening met de ernst van de -onvrijwillige- seksuele handeling en de impact daarvan op de (seksuele) ontwikkeling van het slachtoffer en haar leeftijd. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 6.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom tot dat bedrag toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij wordt voor het resterende deel niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: verkrachting] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
9Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000,- (zesduizend euro), bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 55 dagen en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.A. Hesselink, voorzitter,
mr. I.A.M. Tel en mr. A. Talmricht, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2026.