Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:6971

2026-06-12 Strafrecht 15/104935-25
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
15/104935-25
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De verdachte wordt veroordeeld voor verkrachting van een 14-jarige jongen. Hij wordt in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht. Aan hem wordt opgelegd een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 303 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast wordt aan hem opgelegd een taakstraf van 240 uur. Ook moet de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding betalen van € 5.000,-.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.590 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer


Parketnummer: 15/104935-25 (P)
Uitspraakdatum: 12 juni 2026
Tegenspraak



Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 mei 2026 in de zaak tegen:





[verdachte]

,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].



De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.H.I. van Dongen en van wat de raadsvrouw van de verdachte mr. T. Mustafazade, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.





1Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:


hij op of omstreeks 4 april 2025 te Enkhuizen, in elk geval in Nederland met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [het slachtoffer], geboren op [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het zich laten pijpen door [het slachtoffer] en/of
- het pijpen van [het slachtoffer] en/of
- het likken van de anus van [het slachtoffer].




2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.




3Beoordeling van het bewijs

3.1.


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.




3.2


Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.




3.3


Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.



Omdat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:


- De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd bij de rechter-commissaris op 8 april 2025, losbladig;
- Een proces-verbaal van verhoor getuige [het slachtoffer] van 6 april 2025, procesdossier pagina 10 e.v., welk proces-verbaal in de wettelijke vorm is opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en ook overigens voldoet aan de daaraan bij wet gestelde eisen.



3.4.


Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat



hij op 4 april 2025 te Enkhuizen, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [het slachtoffer], geboren op [het slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten

- het zich laten pijpen door [het slachtoffer] en
- het pijpen van [het slachtoffer] en
- het likken van de anus van [het slachtoffer].


Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.






4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezen verklaarde levert op:



verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren




Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is dus strafbaar.





5Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.




6Motivering van de sanctie

6.1


Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.




6.2


Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de context waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is sociaal geïsoleerd, kwetsbaar en het recidiverisico is laag. Dit wordt onderschreven door het psychologisch rapport en het reclasseringsrapport. De raadsvrouw heeft verder gewezen op het feit dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en direct openheid van zaken heeft gegeven.




6.3


Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.




Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een toen 14-jarige jongen. De wetgever heeft bepalingen, waaronder artikel 248 Sr, in het leven geroepen vanuit een beschermingsgedachte voor 12 tot 16-jarigen. Minderjarigen moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden in onvoldoende mate in staat te zijn zelf hun (seksuele) grenzen te bewaken en de gevolgen van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Het was dan ook aan de verdachte, die op dat moment 55 jaar oud was en op de hoogte was van de jonge leeftijd van de verdachte, om de verstandige volwassene te zijn en de seksuele voorstellen die het slachtoffer naar hem maakte, af te kappen. Door toch in te gaan op die voorstellen en met het slachtoffer af te spreken en seksuele handelingen met en bij hem te verrichten, heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Hierbij heeft de verdachte zijn gevoelens boven de gezonde seksuele ontwikkeling van het slachtoffer gesteld. Het slachtoffer heeft als gevolg van het feit nog altijd spanningsklachten, slaapproblemen en terugkerende angstgedachten. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.



In strafmatigende zin weegt de rechtbank in deze zaak mee dat, hoewel de verdachte nooit op het voorstel had moeten ingaan, het initiatief tot een ontmoeting niet vanuit hem is gekomen en het erop lijkt dat hij nooit uit zichzelf contact heeft gelegd met het slachtoffer. Daarnaast blijkt uit het rapport van de psycholoog dat de verdachte ook geen specifieke seksuele interesse lijkt te hebben voor minderjarigen.




Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van de verdachte van 17 april 2026. Daaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.



De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitia-rapport van 21 juli 2025. Uit dit rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige en vermijdende trekken en daarnaast een persisterende depressieve stoornis. De verdachte heeft door zijn persoonlijkheidsstoornis beperkte manieren om stress en spanningen te hanteren. Daarnaast is hij gehecht aan houvast en vaste patronen. Door het overlijden van zijn ouders en zijn zus is hij een deel van zijn houvast kwijtgeraakt en dit bracht in de periode van het bewezen verklaarde veel spanning met zich mee. De verdachte werd toenemend eenzaam en zijn zelfbeeld stond onder druk. De psycholoog concludeert dat de persoonlijkheidsstoornis invloed heeft gehad op het gedrag van de verdachte ten tijde van het strafbare feit. Daarom heeft de psycholoog geadviseerd om het feit enigszins verminderd aan de verdachte toe te rekenen.



De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid uit het Pro Justitia-rapport over en maakt die tot de hare. De rechtbank acht de verdachte daarom in enigszins verminderde mate toerekeningsvatbaar.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 19 mei 2026. Hierin is beschreven dat het recidiverisico laag is en de reclassering geen problemen ziet op het gebied van huisvesting, dagbesteding en financiën. De verdachte heeft sinds augustus 2025 in een schorsingstoezicht gelopen. Hierin heeft hij zich aan alle afspraken en voorwaarden gehouden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en behandeling bij De Waag. Tijdens de behandeling is een risicotaxatie en delictanalyse opgesteld. Behandeling ziet op dit moment alleen nog op de depressieve en suïcidale gevoelens van de verdachte. Deze behandeling kan de verdachte in vrijwillig kader voortzetten. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.




De op te leggen straf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank heeft daarnaast rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en meer in het bijzonder zijn kwetsbaarheid, zoals die naar voren komt uit de Pro Justitiarapportage. De rechtbank komt daarom op een lagere straf uit dan door de officier van justitie is geëist.



Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 303 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Het onvoorwaardelijk strafdeel is daarmee gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.




Geen contactverbod

Hoewel de wens voor een contactverbod begrijpelijk is, ziet de rechtbank geen noodzaak een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Op de zitting is gebleken dat de verdachte in de periode na het strafbare feit tot het moment van de terechtzitting geen contact heeft gezocht met het slachtoffer en vanuit de verdachte lijkt daaraan ook geen behoefte te bestaan.




Voorlopige hechtenis

De verdachte heeft 62 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarmee is het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf al uitgezeten. De rechtbank zal om die reden het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.






7Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel


De vordering

Namens [het slachtoffer] is door mr. W. van Egmond een vordering tot schadevergoeding van € 5.600,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.




Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-. De officier van justitie heeft gevorderd om de benadeelde partij ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk te verklaren.



Hij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag vermeerderd moet worden met de wettelijke rente, dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd en voorts te bepalen dat de schadevergoeding die ten behoeve van de minderjarige moet worden betaald, zal worden gestort op een bankrekening die ten behoeve van deze minderjarige wordt geopend met een zogenaamde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).




De verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gestelde schade die is ontstaan een rechtstreeks gevolg is geweest van het ten laste gelegde feit. De psychische schade is namelijk niet onderbouwd. Volgens de raadsvrouw kan de benadeelde partij daarom niet in de vordering worden ontvangen.




Het oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.



Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.



De rechtbank stelt vast dat de verdachte door zijn handelen een dusdanige inbreuk op een fundamenteel recht heeft gemaakt, namelijk het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, dat dit als aantasting van de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangemerkt. Gelet op de aard en ernst van de normschending liggen de in dit verband relevante nadelige gevolgen zo voor de hand dat ook zonder nadere onderbouwing daarvan een dergelijke aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding is een vergoeding van immateriële schade toe te kennen, begroot naar billijkheid.



De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van het bedrag ook acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank zoekt aansluiting bij paragraaf 15.2, categorie C. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met vergoedingen die in (min of meer) soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoedingen naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,-. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk. De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die door of namens de benadeelde partij [het slachtoffer] zijn gemaakt (tot op heden begroot op nihil) en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog zijn te maken.




Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet.




BEM-clausule
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding die ten behoeve van de minderjarige moet worden betaald, zal worden gestort op een bankrekening die ten behoeve van deze minderjarige wordt geopend met een BEM-clausule. Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarigen. Door de BEM-clausule kunnen de minderjarigen en hun wettelijke vertegenwoordigers alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op deze rekening van de minderjarigen beschikken totdat zij de leeftijd van achttien jaar oud hebben bereikt.





9Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.





10Beslissing
De rechtbank:


Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.



Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.



Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert



Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.



Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 303 (driehonderddrie) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.



Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.



Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.



Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.




Ten aanzien van de vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.



Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.



Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.



Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.



Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer], geboren op [het slachtoffer], te openen spaarrekening met een BEM-clausule.




Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.








Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door
mr. N.M.L. Rogmans, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van der Velden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 juni 2026.