Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:6966

2026-06-03 Civiel recht; Verbintenissenrecht K/4101/11950756
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
K/4101/11950756
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Gedaagde partij stelt zich op het standpunt dat hij een betaling heeft gedaan, maar heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit dat volgt. De gestelde betaling is daarom niet komen vast te staan. De beslagkosten zijn toewijsbaar omdat geen sprake is van een nietig, onnodig of onrechtmatig beslag. Ten slotte is geen sprake van een onnodige procedure, omdat de geldlening al twee jaar opeisbaar was en aan sommaties en betalingsvoorstellen niet werd voldaan.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.857 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Alkmaar



Zaaknummer: 11950756 \ CV EXPL 25-4139 (NE)




Vonnis van 3 juni 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] ,

te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. B.J. Mekkelholt,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.





1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.




1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Partijen hebben op 7 oktober 2023 een overeenkomst van geldlening gesloten op grond waarvan [eisers] € 18.000,00 hebben betaald aan [gedaagde] voor de aankoop van zijn woning en [gedaagde] dat bedrag binnen 30 dagen en uiterlijk op 10 november 2023 moet terugbetalen aan [eisers]



2.2.

[eisers] hebben het bedrag op 8 oktober 2023 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] .



2.3.

[gedaagde] heeft het geleende bedrag niet terugbetaald aan [eisers]



2.4.
Op 13 juni 2025 heeft [gedaagde] verklaard dat hij eind juli € 3.000,00, eind september € 5.000,00 en eind november 2025 € 10.000,00 aan [eisers] zal betalen.



2.5.
Op 13 oktober 2025 hebben [eisers] [gedaagde] aangemaand binnen veertien dagen na heden het geleende bedrag terug te betalen en aanspraak gemaakt op rente en kosten. Ook hebben [eisers] op 13 oktober 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] .



2.6.

[gedaagde] heeft op 16 oktober 2025 aangeboden het geleende bedrag in twee termijnen terug te betalen. [eisers] hebben op 20 oktober 2025 aan [gedaagde] bericht dat hij niet alleen de hoofdsom maar ook rente is verschuldigd en dat zij er niet (langer) in geloven dat een minnelijke regeling kan worden getroffen en daarom een procedure wordt gestart.



2.7.

[gedaagde] heeft op 24 december 2025 € 500,00 met omschrijving rente over 2025 en € 10.000,00 met omschrijving terugbetaling hoofdsom overgemaakt naar [eisers]





3Het geschil


3.1.

[eisers] vorderen na wijziging van eis - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.991,69, vermeerderd met rente en kosten.



3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde rente en kosten en heeft onder de voorwaarde dat de in de dagvaarding gevorderde rente ter hoogte van de wettelijke rente juist blijkt te zijn een tegenvordering ingesteld.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat een overeenkomst van geldlening is gesloten en dat de geldlening opeisbaar is. Ook is niet meer onderwerp van geschil dat [gedaagde] vanaf 1 januari 2024 een rentevergoeding aan [eisers] moet betalen ter hoogte van de rente die zij vergoed krijgen op hun spaarrekening bij de bank. [eisers] maken dus geen aanspraak meer op de wettelijke rente. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de voorwaarde waaronder [gedaagde] een tegenvordering heeft ingesteld niet is vervuld en deze daarom geen behandeling behoeft.



4.2.

[eisers] hebben onbetwist aangevoerd dat de verschuldigde rente over 2024 1,5 procent per jaar en vanaf 1 januari 2025 1,25 procent per jaar is. Hoewel in de conclusie van repliek staat dat de rente over 2024 € 225,00 is, begrijpt de kantonrechter dat dit een verschrijving is. Uit de bijgevoegde productie 13 blijkt dat de rente over dat jaar € 250,00 is en dat bedrag sluit aan bij het in de conclusie van repliek vermelde totaalbedrag aan nog verschuldigde hoofdsom en rente van € 7.991,69 en bij de vordering.



4.3.
Volgens [gedaagde] heeft hij naast de betalingen op 24 december 2025 van in totaal € 10.500,00 ook een betaling gedaan van € 385,00 en ziet deze betaling op de rente over 2024. [eisers] hebben de ontvangst van dat bedrag gemotiveerd weersproken. De gestelde betaling is een bevrijdend verweer dat [gedaagde] moet bewijzen. Het is daarom aan [gedaagde] feiten en omstandigheden te stellen waaruit deze betaling volgt. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende gedaan. [gedaagde] heeft alleen aangevoerd dat dit is besproken en bevestigd via WhatsApp, maar deze of andere stukken waaruit de betaling blijkt heeft [gedaagde] niet overgelegd. [gedaagde] wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt over de rentebetaling.



4.4.
De conclusie is dat het gevorderde bedrag van € 7.991,69 toewijsbaar is.



4.5.

[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering wordt afgewezen, omdat niet is gebleken dat in de aanmaning aan [gedaagde] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals op grond van de wet en de rechtspraak van de Hoge Raad vereist.



4.6.

[gedaagde] voert ook verweer tegen de gevorderde beslagkosten. De kosten van het beslag kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Omdat de geldlening opeisbaar was en betaling ondanks aanmaningen en eigen betalingsvoorstellen uitbleef, is geen sprake van een nietig, onnodig of onrechtmatig beslag. Deze vordering is daarom toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 437,01 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 432,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt(en) × € 432,00), totaal € 1.200,01.



4.7.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De geldlening was al twee jaar opeisbaar en aan sommaties en betalingsvoorstellen werd niet voldaan. [eisers] zijn dan ook geen onnodige procedure gestart. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


145,45







- griffierecht


€


401,00







- salaris gemachtigde


€


864,00


(2 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.554,45











4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 7.991,69, te vermeerderen met de overeengekomen rente van (thans) 1,25% per jaar over een bedrag van € 7.975,30, met ingang van 1 maart 2026, tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.200,01, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.554,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de beslag- en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.




Artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.


Artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.


Griffierecht van € 732,00 -/- griffierecht van € 331,00 voor conservatoir beslag.


Artikel 6:119 BW.