Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:6468

2026-05-07 Bestuursrecht; Belastingrecht HAA 22/2384
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-05-07
Publicatiedatum
2026-06-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
HAA 22/2384
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zijn stelling dat de door eiseres voor het vrije verkeer aangegeven biodiesel niet in Bosnië en Herzegovina is vervaardigd, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres, niet aannemelijk gemaakt. Dit geldt ook wanneer de verschillende door OLAF vastgestelde feiten in onderlinge samenhang worden bezien. Hieruit volgt dat verweerder ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de biodiesel van oorsprong is uit de VS. De utb kan niet in stand blijven.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.129 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 22/2384




uitspraak van de meervoudige douanekamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. B.J.B. Boersma),


en


de inspecteur van de Douane, verweerder.




Inleiding en procesverloop


Deze uitspraak gaat over de oorsprong van biodiesel die door eiseres voor het vrije verkeer is aangegeven.



Verweerder heeft aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) met dagtekening 27 mei 2021 uitgereikt voor een bedrag van in totaal € 6.861.371,76, bestaande uit € 773.596,59 aan invoerrecht, € 2.343.407,81 aan antidumpingrecht, € 3.225.247,68 aan compenserend recht en € 519.119,68 aan rente op achterstallen.



Bij uitspraak op bezwaar van 28 maart 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.



Eiseres heeft beroep ingesteld, verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Verweerder heeft bij het indienen van de stukken van het geding een beroep gedaan op beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres heeft verklaard akkoord te gaan met de beperkte kennisneming, waarna de rechtbank op 24 september 2024 heeft besloten de zaak zonder beslissing van de geheimhoudingskamer voort te zetten.



Eiseres heeft een nader stuk ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Namens eiseres zijn verschenen gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] LL.M. en mr. [naam 3] .






Feiten

1. In de periode van 1 mei 2016 tot en met 28 februari 2018 heeft eiseres partijen biodiesel van GN-onderverdeling 3826 0010 in het vrije verkeer gebracht en daarvoor maandaangiften ingediend. Zij heeft de biodiesel aangegeven met als preferentiële oorsprong Bosnië en Herzegovina, waardoor een tarief aan invoerrechten van 0% is toegepast. Deze biodiesel was afkomstig van de Bosnische leverancier [leverancier] ( [leverancier] ) en bestemd voor [bedrijf 1] . Op de facturen aan [bedrijf 1] heeft [leverancier] vermeld dat het biodiesel betreft van preferentiële oorsprong uit Bosnië en Herzegovina.

2. Op 23 augustus 2019 is het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek gestart naar biodiesel die met preferentiële oorsprong Bosnië en Herzegovina in de EU werd ingevoerd (OLAF-onderzoek). Het vermoeden bestond dat deze biodiesel in werkelijkheid van oorsprong was uit de Verenigde Staten waardoor bij de invoer in de EU invoerrechten, antidumpingrechten en compenserende rechten verschuldigd waren. OLAF vermoedde dat de biodiesel niet in Bosnië en Herzegovina was vervaardigd uit Amerikaanse Used Cooking Oil Methyl Ester (UCOME), maar dat het betreffende uit de Verenigde Staten uitgevoerde product in werkelijkheid al biodiesel betrof.

3. In een melding van 4 september 2019 van OLAF aan de lidstaten wordt de aanleiding voor het onderzoek als volgt beschreven:


“(…) OLAF noticed an increase of imports of biodiesel from Bosnia and Herzegovina. Since 2015 up to 30 April 2019, the EU imported from Bosnia and Herzegovina around 100 000 MT of biodiesel. At the same time the US export statistics (source GTA) show export to Bosnia and Herzegovina of similar quantities of animal or vegetable fats, classified under HS 1518 00. Searches in the NCTS and ConTraffic showed that US animal or vegetable fats were shipped in containers from the US to the port of Rijeka, and transited via Croatia to Bosnia and Herzegovina. The biodiesel from Bosnia and Herzegovina to the EU was also transported in containers. As animal or vegetable fats are feedstock for production of biodiesel, it was assumed that indeed, the production of biodiesel might take place in Bosnia and Herzegovina. However, the following elements led to certain suspicions:



l) The fats are of very low price (around 400 USD/MT). The low price could have been explained that the raw material was waste oil. However, OLAF learnt from previous investigations that such large quantity of waste oil (100 000 MT) is not easily available. In addition, declaring low price which is just below 50% of the price of biodiesel imported to the EU (around 950 USD/MT) might be a way to demonstrate fulfilling preferential rules of origin, which in case of biodiesel produced in Bosnia and Hercegovina is "manufacture where the value of all the materials used does not exceed 50% of the ex-works price of the product".



2) The description given by the Bosnian factory, [leverancier] D.O.O, on their website indicated a "new technology" in low temperature and without methanol. Namely "...high-frequency rotation turbine inside of our processors is responsible for reaction on molecular level. The molecules of fatty acids are split within micro seconds, resulting in decrease of viscosity, increase of cetane number, improvement of energetic parameters of future fuels as well as considerable acceleration and improvement of quality of esterification reaction. Moreover the reaction goes by room temperature and there is no need to heat oil". Whereas, classical production of biodiesel, as known to OLAF investigators, would require heating of the feedstock and using methanol (in proportion of around 10% of the feedstock used). This led to further suspicions that "new technology" might be used, in the case of governmental audits, to explain low energy and methanol consumption.



3) Production is based solely on a feedstock imported from the US.



Therefore, it has been suspected that no or minimal production of biodiesel might take place in Bosnia and Herzegovina.




Direct export of biodiesel from the US to the EU




At the same time, OLAF noticed increase of export of biodiesel from the US to the Netherlands, which however was not mirrored in the Dutch statistics. Namely the US statistics showed export of 56 069 MT of biodiesel to the Netherlands, between l October 2016 and 30 April 2019. At the same time the Dutch import statistics showed only 190 MT of biodiesel imported from the US. The average price of the biodiesel exported to the Netherlands was very low of around 400 USD/MT. Similar prices of biodiesel exported from the US to the Netherlands and the prices of animal or vegetable oils exported from the US to Bosnia and Herzegovina indicated that both traffics might be related to each
other.
(…)




Samples taken by Croatian Customs




Tracking of certain containers registered in DESCARTES data showed that the containers with "recovered vegetable oil", which were originally to be shipped to the Netherlands were diverted from Rotterdam to Rijeka.



Therefore, OLAF liaised with Croatian Customs. Upon OLAF request, Croatian Customs took samples from several containers which were to be transited from Rijeka to Bosnia Herzegovina, namely to [leverancier] D.O.O.



OLAF was informed by Croatian Customs that up to date in all cases, where the laboratory examinations were concluded, the goods contain 93.5 till 97.4% of biodiesel and the correct tariff heading for this product is 3826 and not 1518 (see Annex 2) (…)”


4. In het kader van het onderzoek heeft OLAF in de periode van 1 tot 6 december 2019 een bezoek gebracht aan de Bosnische belastingautoriteiten en gegevens verzameld. Over dat bezoek is een Mission Report opgesteld. OLAF heeft in het kader van het onderzoek op 4 december 2019 een bezoek gebracht aan de productielocatie van [leverancier] in [plaats 2] . In het verslag van dat bezoek is onder meer het volgende opgenomen:


“(…) Ms [naam 4] who received the mission informed that she is the forwarding agent of the company and Mr [naam 5] is a factory's employee. She informed that the company has two owners but neither of them were present in Bosnia and Herzegovina at the time of visit.
(…)
As regards the production, it was explained that the following input materials are used:
- used cooking oil,
- methanol,
- Potassium hydroxide (KOH) as a catalyst.



At the beginning used cooking oil is heated to the temperature 60°C to 70°C in tanks designed for this purpose and pumped to other tanks were mixed with methanol and potassium hydroxide. Methanol is pumped from another storage tank, while potassium hydroxide is added to the mixing tanks manually. After the mixture is pumped to a trans-esterification machine where the mixture trans-esterifies into biodiesel and glycerine. The final products are filtered and glycerine is removed.



As regards used cooking oil, the employee and the logistic agent explained that they never check its quality or its free fatty acids content. At the beginning, they received used cooking oil of poor quality, which caused some problems. However, now, the used cooking oil received is already filtered and of good quality. As regards the free fatty acid content, the employee informed that he processes a sample of used cooking oil (on around 20 litters) to check how it will go. However, up to date, he has never had any problems with the processing of used cooking oil and always the same process and portion is applied. He informed that for 10 liters of oil l liter of methanol is necessary.



The forwarding agent informed that now, from the beginning of 2017, instead of an "open" a "closed" technology system is applied. Thanks to this "closed" system, the process is more efficient, lower temperature and methanol are required, and they have fewer losses. The biodiesel obtained is slightly of less quality but always meeting EU standard EN14214. Thanks to the new system, they use less oil (2,89% less), less methanol (16% less), Potassium Hydroxide (2,9% less), fewer losses in pipelines (95,5% less), and fewer losses due to evaporation (70,5% less) for the same quantity of biodiesel.



The forwarding agent informed that they apply the following formulas as regards quantity of methanol used, which is based on their experience:
- to 24 tonnes of oil they add 1 538 kg of methanol,
- to 24,5 tonnes of oil they add 1 570 kg of methanol,
- to 25 tonnes of oil they add 1 604 kg of methanol.
(…)
As regards the ISCC (Certified Sustainability) certificates, the forwarding agent informed that the company is certifying each consignment based on the authorization Certificate issued for [leverancier] according to Renewable Energy Directive (RED).
(…)
As regards traceability in the factory between containers coming with raw materials and going out with the finished product, they do not have such traceability. However, they are able for each date to show how much raw material was brought to the factory (linked to import declaration), how much biodiesel was produced, and how much was transported out.
(…)
According to the forwarding agent, flexi tanks might be used more than one time depending of their types. As regards [leverancier] , if a flexi tank after unloading of used cooking oil is not damaged, it is re-used for transporting biodiesel. The re-used flexi tank is not cleaned from used cooking oil. According to forwarding agent, cleaning is not necessary as biodiesel is produced from used cooking oil. The flexi tanks, which were damaged, were given out to local farmers.



As regards excess of methanol after processing, it is probably together with glycerine, which is sold locally without any purification.



The joint team visited after the factory. The forwarding agent did not agree to take photos. During the visit, the factory was not working. The trans-esterification machines
were dismantled from the processing line and according to the technologist were subject to maintenance works. It was visible that some connections were unfastened between tanks. The factory, as well as a small laboratory, was dirty. In the space designed for biodiesel production, various materials were stored (new and old flex tanks, empty bags, bags with potassium hydroxides, tanks with additives etc.). (…)”


5. In het Mission Report van 9 januari 2020 is onder meer het volgende opgenomen:

“- Methanol, acid and by-product (glycerol) declared by the company
Preliminary investigation has been carried out by the Bosnian authorities as regards buyers of by-product glycerol and sellers of methanol and Potassium hydroxide (catalyst).



As regards the Methanol and Potassium hydroxide (catalyst) purchases, the products were allegedly bought locally. Glycerol, a by-product, was released for free circulation in Bosnia and Herzegovina after the inward processing regime (regime 4051). Verification of the above transactions is ongoing by Bosnian authorities.
The preliminary result of the audit shows that;
- From September 2012 to September 2016, the company [bedrijf 2] D.o.o. located at [plaats 1] was allegedly supplying Methanol and the catalyst to [leverancier] and it was allegedly buying glycerol. During tax audit at this time, fictitious transactions were found and because of that in August 2016, the operator lost its VAT number.
- From January 2017 up to September 2019, the company [bedrijf 3] D.o.o., registered on 21 January 2017 and located at the same address as the previous company [bedrijf 2] D.o.o, was allegedly supplying Methanol and catalyst to [leverancier] and it was allegedly buying glycerol. The representative of this company is the son of the previous representative of company [bedrijf 2] D.o.o. The company also declared reprocessing the glycerol.



During the preliminary audit during the first week of December 2019, the company was not able to demonstrate that the process of methanol or re-processing of glycerol was taking place there. The business records of the company was not complete. There was no records of glycerol re-processing or methanol production. There was no stock records. The company has only a basic and an old distillatory, the same as owned before by [bedrijf 2] D.o,o., which is stored in the cellar. It was not working during the audit and it was dismantled. According to the owner, the main part of the distillery was sent for reparation, but the owner could not indicate to whom.



No records were found as regards raw material used to produce methanol and no invoice was presented for purchasing/supplying such product, and other documents which could indicate any subcontractor. The company has one employee, who is the book keeper. Direct payments between [bedrijf 3] D.o.o. and [leverancier] are recorded in the accounting but the amounts concern only the difference between alleged products exchange: methanol/catalyst vs glycerol. According to the tax auditors, only production of few quantities of nitric acid might have taken place. The investigation will be continued and results will be provided to OLAF.”


6. In een verslag van 11 februari 2020 van een onderzoek door de Bosnische autoriteiten naar BTW-aangiften van [bedrijf 3] D.o.o. over de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 oktober 2019 wordt onder meer het volgende geconcludeerd:


“Having carried out the inspection and examined all the evidence, the inspectors find that there is no proof that [bedrijf 3] actually purchased glycerine from [leverancier] , produced methanol and sold it back to the supplier. Only the statement made by Mr [naam 11] suggests otherwise; however, the inspectors believe that the statement is unfounded and unsupported by any solid proof or facts. [bedrijf 3] lacks the requisite equipment and technology as well as authorisation by the competent authorities, staff and resources to produce the methanol in the quantities it purports.
(…)
It follows that the transactions, as shown in the books, between [bedrijf 3] and [leverancier] (the transactions of which are to be examined separately according to a request for information dated 22 November 2019) never actually occurred. (…)”


7. Het Final Report van OLAF van 1 december 2020 bevat onder meer de volgende informatie:



“1.3 Production process


Biodiesel is produced from vegetable oils, yellow grease, used cooking oils, or animal fats.
The fuel is produced by transesterification - a process that converts fats and oils into biodiesel and glycerin (a coproduct).



Approximately 100 kg of oil or fat are reacted with 10 kg of a short-chain alcohol (usually methanol) in the presence of a catalyst (usually sodium hydroxide [NaOH] or potassium hydroxide [KOH]) to form 100 kg of biodiesel and 10 kg of glycerin (or glycerol). Glycerin, a co-product, is commonly used in the manufacture of pharmaceuticals and cosmetics.
(…)


2.1


Pre-information of the Member States and collection of data

(…)
In particular, the Member States were informed that Croation Customs took randomly 8 samples in July 2019 of products from containers coming from the US, described in the maritime bills of lading as “used cooking oil”(HS 1518 00). The laboratory results showed that these goods were actually biodiesel and should be declared under tariff HS 3826 00 (…). The first three containers, from which samples were taken, were subsequently imported in Bosnia and Herzegovina by the company [leverancier] D.O.O., where they were declared as “used cooking oil”(…).




2.3

Results of mutual assistance to Bosnia and Herzegovina and follow-up



(…)
- General information
(…)
The company has an authorization to do inward processing (51customs regime). (…) On 18 September 2019, the company requested a new authorization under inward processing for processing biodiesel (…). The Bosnian authorities rejected this request on 31 October 2019.
(…)
All the raw material imported by the company was from US origin and declared under HS 1518 as used cooking oil..
(…)
From 2015 to October 2019, 116 597 536 kg of the declared raw material has been imported for a value of 162 050 232 MK from the following suppliers:



- [bedrijf 4] Inc ( [bedrijf 4] ) between 2015 and 2016,
- [bedrijf 5] LLC from 2017 up to now.



There is no official relation between companies, However, Bosnian company [leverancier] D.O.O and US companies [bedrijf 4] Inc ( [bedrijf 4] ) and [bedrijf 5] LLC belong to the same persons.



The total quantity of the biodiesel allegedly produced in Bosnia and Herzegovina from 2015 to October 2019 was 115 530 920 kg for a total value of 191 298 351 MK. All the biodiesel was produced from the raw materials imported from the US and exported out of Bosnia and Herzegovina. No raw materials was procured from the local market; no biodiesel was sold to the local market. From Bosnia and Herzegovina, the transport of biodiesel from the plant is made generally by cistern truck using services of other transport companies or by train with the use of containers (flexi tanks).
(…)




- Energy consumption

The consumption of electric power of the company varied between min. 3 340 KWh in July 2015 and maxi. 11 264 KWh in December 2018. There is no difference between the average electricity consumption in September/October 2019 and the previous period despite the fact that production stopped in August 2019 (…). The company explained to the Bosnian authorities that they have two electric generators for the production which according to the company reduce de facto the electricity consumption.
(…)
As regards the argument of the company of using generators, it should be noted that for biodiesel production it is technically (…) and economically doubtful (…). In order to produce 10 000 of Kwh of electrical energy, it would be necessary to burn (…) 3 000 litres to 5 000 litres of diesel. The electricity price in Bosnia was around 0,15 BAM per Kwh during this period (…). In order to be competitive to electrical energy (…), the cost of 3 000 litres of diesel would have had to be 1 500 BAM, which means 0,5 BAM per litre. The average price per litre of biodiesel was 2.30 BAM (including taxes) during this period, which represents 6 900 BAM for 3 000 litres. For example, in the case of December 2018 (…) the company would have to use at least 301 504 litres of diesel, which would cost 693 459 BAM. This amount represents 379 BAM per 1 tonne of biodiesel produced. It is more than the difference in prices between the goods imported form the US and the biodiesel exported to the EU. In other words, such cost would make the production unprofitable. (…)

-
Use of methanol

According to the company booking, the following formulas as regards quantity of methanol is systematically used since August 2017:



- to 23 034.50 kg of oil they add l 474.21 litres of methanol,
- to 24 536.75 kg of oil they add l 570.35 litres of methanol,
- to 25 037.50 kg of oil they add l 602.4 litres methanol.



Consequently, the quantity used according to the company booking is 6.4 litres of methanol per 100 kg of oil. This methanol amount represents 5 kg of mass (with convertor correlation of 0.7865 between volume and mass).



According to the processing scheme given by the company to Bosnian customs for transesterification of 100 kg of oil into 100 kg of biodiesel, the methanol requirement is 15 kg. This formula appears to be correct taking into account an industry expert explanation (Annex 6).



The company booking figures related to methanol actually used and declared for discharge of the inward processing regime are much lower than those shown in the processing scheme and in fact not realistic for producing biodiesel (see point 2 and the industry expertise).



It corroborates results of analysis of energy consumption that there was no production of biodiesel.
(…)
- Laboratory control of quality of used cooking oil
(…), according to the industrial expert, the biodiesel producers must check the quality of use cooking oil on daily basis, in particular free fatty acid content. If the content of free fatty acids is too high, used cooking oil needs pre-treatment (…).



Lack of laboratory control corroborates results of analysis of energy consumption that there was no production of biodiesel.




- Sales of by-product (glycerine) and purchases of methanol

According to the information provided, [leverancier] was buying methanol and potassium hydroxide from the Bosnian company [bedrijf 3] . To the same company [leverancier] was selling by-product (glycerine).
After the mission, the Bosnian authorities transmitted to OLAF the result of their control as regards buyers of by-product glycerol and sellers of methanol and Potassium hydroxide (catalyst). According to the conclusion of Bosnian inspection report dated 11 February 2020 (…), the transactions, as shown in the books, between [bedrijf 3] and [leverancier] never actually occurred. The period inspected was the lst October 2017 to 31 October 2019. In addition, Bosnian authorities informed OLAF that the company [bedrijf 3] following the inspection submitted to the Bosnian Indirect Taxation Authorities the amended VAT returns from October 2017 to August 2019, by which they cancelled the incoming and outgoing invoices from the legal entity-taxpayer " [leverancier] " d.o.o. [plaats 2] , because they do not reflect actual business events.
(…)
- transport
(…)It appears that 241 FLEXI-TANKS (…) with biodiesel exported to Netherlands (via maritime line from Croatia) were "re-used" from imports of “used cooking oil”. According to the forwarding agent of [leverancier] , these re-used flexi tank were not cleaned from used cooking oil.



The industry expert informed that actually, it is not recommended to re-use flexi-tanks because of cross-contamination. Taking into account that the production of biodiesel in the factory did not happen, it is more likely that these 241 matching FLEXI-TANKS contained biodiesel transported directly from the US without unloading it in Bosnia and Herzegovina.”


8. In onderdeel 5 van het Final Report is een beknopte weergave opgenomen van de reactie van [leverancier] op de bevindingen van OLAF. De argumenten van [leverancier] worden daarin door OLAF weersproken.

9. De “industrial expert” naar wie in het Final Report verschillende keren wordt verwezen, is ‘ [bedrijf 7] ’ ( [bedrijf 7] ) waarvan een verklaring als Annex 6 bij het Final Report is gevoegd. Het is een verklaring in de vorm van antwoorden op vragen van OLAF. De verklaring is ondertekend door “DR [naam 10] ”.

10. In een nader rapport van 28 augustus 2020 van een controle over de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 juli 2020 verklaart de “Bosnia and Herzegovina Indirect Taxation Authority” dat het douanekantoor van Banja Luka heeft bevestigd dat de door [leverancier] uitgevoerde biodiesel is verkregen onder de regeling actieve veredeling (zonder terugbetaling) en van Bosnische oorsprong is.

11. In een vervolg op bovengenoemd rapport schrijft de “Bosnia and Herzegovina Indirect Taxation Authority” in een brief van 21 september 2020 onder meer het volgende:


“On 20 May 2020, the Customs Sector requested administrative assistance from the US Customs Border Protection Service (…) in checking the authenticity of 234 invoices issued by Miami-based company [bedrijf 5] LLC Miami USA over the period of 2016-2019, (…). OLAF's information confirmed that most of the products were declared in the USA as used cooking oil, except for 16 consignments. Of these 16 consignments, OLAF was able to match 15 exports declared in the USA as 'biodiesel', code 382600, with associated imports into BiH, declared as 'used cooking oil', code 151800.



(…) the audit team cannot determine, based on available documentation and in the absence of the production process, whether the exported quantity of biodiesel could actually have been produced in the indicated period of time, and whether and in what quantity there was any fictitious processing of used refined oil into biodiesel.”


12. Tot de stukken van het geding behoort een Nederlandse vertaling van een onderzoeksrapport van de Universiteit van Belgrado inzake [leverancier] van augustus 2020, waarin onder meer het volgende is opgenomen:


“(…) Dit onderzoek is uitgevoerd op basis van de overeenkomst ("Letter of Intent") van 13.08.2020, ondertekend door [naam 12] , directeur van het bedrijf " [leverancier] ", als opdrachtgever, en Dr. [naam 8] , namens het team van deskundigen, als contractant (…)
Het overzicht is gemaakt op basis van het inzicht in de huidige toestand van de fabriek (…)”


13. Tot de stukken van het geding behoort een Nederlandse vertaling van een onderzoeksrapport van de Universiteit van Gent inzake [leverancier] van 5 oktober 2021, waarin onder meer het volgende is opgenomen:


“II. ANALYSE EN EVALUATIE VAN THEORETISCHE AARD
4. In het eerste deel van ons verslag is ons gevraagd de juistheid na te gaan van de verklaringen in de volgende documenten en waar nodig ons commentaar te geven:



I. Audit van "Onderzoek van het technologisch proces van biodieselproductie bij [leverancier] , uitgevoerd door Prof. Dr. [naam 6] , Prof. Dr. [naam 7] , Prof. Dr. [naam 8] en Prof. Dr. [naam 9] van de Universiteit van Belgrado, augustus 2020" (…);



II. Het verslag van het [bedrijf 7] ,
(…)
”

14. De onderzoeker van de Universiteit van Gent heeft ook een bezoek gebracht aan de productielocatie van [leverancier] . Daarover staat in het rapport het volgende:


“III. ANALYSE EN EVALUATIE OP BASIS VAN EEN BEZOEK TER PLAATSE VERSLAG VAN HET ON-SITE BEZOEK VAN DE [leverancier] PLANTATIE BIJ [plaats 2] (6-9 augustus 2021)
(…)
Aangezien de installatie de afgelopen twee jaar niet is gebruikt, heeft het experiment
alleen betrekking op de cavitatiereactor voor de productie van ruwe biodiesel (…)”


15. In het rapport van de Universiteit van Gent wordt ook ingegaan op de conclusies van [bedrijf 7] . In punt 104 van dat rapport is in dat kader het volgende opgenomen:


“(…) Het grootste deel van de bij [leverancier] verbruikte energie wordt echter opgewekt door de dieselmotor die intern geproduceerde biodiesel gebruikt.”


16. Van augustus 2015 tot augustus 2018 was [leverancier] door [bedrijf 6] GmbH gecertificeerd in de zin van RL 2009/28/EG. In de daartoe afgegeven ISCC-certificaten staat [leverancier] beschreven als “biodiesel plant and trader”. In de bijlage staat als input material “used cooking oil (UCO) entirely of veg. origin” en als output material “biodiesel (UCO) entirely of veg. origin”. In het ISCC-controlerapport over [leverancier] (“Summary Audit Report”) staat onder “Scope certified” het vak “Processing Unit” aangevinkt. Onder “Risk Assessment” staat in het vak “Major risk indicators identified” ingevuld “origin UCO, BD production”.

17. Tegen het Final Report heeft [leverancier] beroep ingesteld bij het Gerecht van het Hof van Justitie. Bij arrest van 19 oktober 2022 (T-81/21) heeft het Gerecht het beroep ongegrond verklaard en bij arrest van 30 november 2023 (C-787/22 P) heeft het Hof van Justitie de hogere voorziening in die zin afgewezen dat het Final Report in stand is gebleven.





Geschil en standpunten van partijen

18. In geschil is de utb. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder terecht de verlengde verjaringstermijn heeft toegepast en of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de ingevoerde biodiesel van oorsprong is uit de Verenigde Staten.

19. Eiseres neemt primair het standpunt in dat de utb niet aan haar uitgereikt had mogen worden, omdat alle daarin begrepen douaneschulden zijn ontstaan meer dan drie jaar voorafgaand aan het uitreiken van de utb. Volgens eiseres is geen ruimte voor verlenging van de termijn omdat alleen bij verwijtbaar handelen sprake kan zijn van een strafrechtelijk vervolgbare handeling. Die situatie doet zich hier volgens eiseres niet voor. Ook handelt verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat hij afwijkt van de tot 2019 gebruikelijke handelwijze dat de verlengde navorderingstermijn slechts werd toegepast bij een op ontduiking van invoerrechten gerichte handeling. Eiseres betoogt verder dat verweerder het doeltreffendheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de biodiesel van oorsprong is uit de Verenigde Staten. Verweerder baseert zich ten onrechte op het OLAF-rapport zonder zelf onderzoek uitgevoerd te hebben en zonder rekening te houden met het bewijs dat eiseres heeft ingebracht. Met name uit de onderzoeken van de Bosnische autoriteiten, de Universiteit van Belgrado en de Universiteit van Gent blijkt volgens eiseres dat in Bosnië en Herzegovina uit Amerikaanse UCOME biodiesel is geproduceerd. Verder wijst eiseres erop dat de Bosnische producent gecertificeerd is door de ISCC als producent van biodiesel.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de utb en vergoeding van haar integrale proceskosten. Verder verzoekt zij om vergoeding van de immateriële schade die zij heeft geleden door de lange duur van de behandeling van haar zaak.


20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de utb mocht uitreiken omdat in de aangiften ten onrechte melding is gemaakt van de oorsprong Bosnië en Herzegovina, terwijl de biodiesel van Amerikaanse oorsprong is. De aangiften zijn daarom onjuist zodat de termijn voor het doen van de mededeling van de douaneschuld wordt verlengd van drie naar vijf jaren.

Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij zich mag beroepen op het onderzoek van OLAF. Uit dat onderzoek en uit het onderzoek van de Bosnische autoriteiten blijkt dat in Bosnië en Herzegovina geen productiehandelingen hebben plaatsgevonden aan Amerikaanse olie.
Bij de ISCC certificaten zit een rapport waarin als risico-indicatoren staan vermeld de oorsprong van UCO en de productie van biodiesel, dus daaruit blijken ook sterke twijfels aan de productie van biodiesel. Uit de onderzoeken van de Universiteiten van Belgrado en Gent blijkt niet dat er tijdens de onderzoeksperiode van OLAF feitelijk productie heeft plaatsgevonden bij [leverancier] . Uit de administratie van [leverancier] blijkt de relatie tussen de uit de Verenigde Staten ingevoerde goederen en de verkoop van biodiesel door [leverancier] aan [bedrijf 1] . Deze goederen hebben hun oorsprong Verenigde Staten behouden. Eiseres heeft de bevindingen van OLAF volgens verweerder onvoldoende weerlegd.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.





Beoordeling van het geschil

21. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de gegevens uit de aangiften van eiseres, rust op hem de last aannemelijk te maken dat de door eiseres voor het vrije verkeer aangegeven biodiesel niet van oorsprong is uit Bosnië en Herzegovina, maar uit de Verenigde Staten. Volgens verweerder volgt uit het OLAF-onderzoek dat geen sprake is van vervaardiging in Bosnië en Herzegovina van goederen uit andere goederen dan die van GN-post 3826.

22. De rechtbank stelt voorop dat het OLAF-onderzoek breder is dan alleen onderhavige aangiften van eiseres, reeds omdat het OLAF-onderzoek betrekking heeft op de periode van 2015 tot en met 2019. Dat betekent dat de conclusies uit het OLAF-rapport zonder nadere onderbouwing niet een op een geacht kunnen worden van toepassing te zijn op onderhavige aangiften. Daarvan uitgaande oordeelt de rechtbank als volgt over de verschillende onderdelen van het OLAF-onderzoek.



Monsteronderzoek Kroatische douane


23. De rechtbank acht op zichzelf aannemelijk dat de door de Kroatische autoriteiten onderzochte goederen inderdaad biodiesel waren in plaats van UCOME. Uit het Final Report blijkt echter dat deze monsterneming pas heeft plaatsgevonden in juli 2019 (zie onder 7). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt en die verweerder desgevraagd op zitting ook niet heeft kunnen geven, acht de rechtbank deze constatering in de tijd te ver verwijderd om daaraan betekenis te kunnen toekennen voor de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer.



Uitvoer uit de Verenigde Staten


24. Uit onderzoek door de Amerikaanse douane is weliswaar gebleken dat in de periode van 2016 tot en met 2019 in totaal 15 (van de 234 onderzochte) Amerikaanse uitvoeraangiften zijn gedaan van biodiesel van GS-post 3826 in plaats van UCOME van GS-post 1518, maar OLAF noch verweerder heeft geconcretiseerd of en in hoeverre de goederen van deze zendingen zijn opgenomen in de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer.



Energieverbruik


25. In het rapport van de Universiteit van Gent staat dat de dieselgeneratoren die [leverancier] gebruikte, werden aangedreven met de biodiesel die zij zelf produceerde (zie onder 15). Weliswaar ziet dat rapport op een latere periode (zie ook hierna onder 32), maar aangezien de reactie van [leverancier] op het OLAF-onderzoek, opgenomen in Annex 11 bij het Final Report (“ [leverancier] D.O.O. comments”), niet is overgelegd, kan niet worden uitgesloten dat [leverancier] dit daar ook heeft aangevoerd. Uit het OLAF-rapport blijkt niet of OLAF heeft onderzocht welke brandstof [leverancier] gebruikte voor het gestelde gebruik van de generatoren. Dit betekent dat niet reeds vanwege het vastgestelde beperkte elektriciteitsverbruik aannemelijk is dat [leverancier] niet de onderhavige biodiesel heeft geproduceerd.



Methanol en glycerine


26. Tussen partijen is niet in geschil dat voor de productie van biodiesel in de onderhavige periode methanol benodigd was, en dat glycerine een bijproduct is van die productie.

27. Volgens de administratie van [leverancier] kocht zij de methanol van [bedrijf 3] D.o.o. ( [bedrijf 3] ) en verkocht zij de glycerine aan [bedrijf 3] . Uit het onder 7 aangehaalde verslag van het onderzoek door de Bosnische autoriteiten volgt echter dat in de periode van oktober 2017 tot en met oktober 2019 dergelijke transacties niet hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het gezien die vaststelling aannemelijk dat [leverancier] in de periode van oktober 2017 tot en met oktober 2019 geen biodiesel heeft geproduceerd. De onderhavige aangiften voor het vrije verkeer zijn evenwel gedaan in de periode van 1 mei 2016 tot en met 28 februari 2018. De rechtbank ziet in de stukken van het geding geen aanleiding om aan de resultaten van het onderzoek door de Bosnische autoriteiten gevolgen te verbinden voor de onderhavige aangiften. Voor de aangiften voorafgaand aan oktober 2017 reeds omdat zij zijn ingediend voorafgaand aan de onderzoeksperiode. Voor de aangiften van oktober 2017 tot en met februari 2018 heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt en blijkt ook overigens niet uit de stukken van het geding welke relatie in de tijd bestaat tussen de (gestelde) niet-productie door [leverancier] en de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer. Het kan immers, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden uitgesloten dat de biodiesel die bij de onderhavige aangiften in het vrije verkeer is gebracht, reeds vóór oktober 2017 is geproduceerd.

28. Over het onderzoek bij [leverancier] naar het gebruik van methanol en de productie van glycerine is in het Final Report opgenomen dat de in de administratie van [leverancier] opgenomen hoeveelheden afwijken van de hoeveelheden die zij heeft opgegeven in verband met haar vergunning actieve veredeling. Deze gegevens zien echter op de periode vanaf augustus 2017. Ook voor deze gegevens geldt dat zonder nadere onderbouwing uit de stukken van het geding niet blijkt welke relatie in de tijd bestaat tussen de administratieve gegevens van [leverancier] en de aangiften voor het vrije verkeer van eiseres.



Flexitanks


29. Volgens het Final Report kan het tussendoor niet reinigen van de flexitanks ongewenste kruisbesmetting veroorzaken, waardoor het waarschijnlijker is dat al bij de invoer in Bosnië en Herzegovina biodiesel in die flexitanks zat. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, over de gevolgen van een dergelijke kruisbesmetting, volgt de rechtbank deze conclusie niet. Het enkele risico op kruisbesmetting biedt geen steun aan de stelling dat in Bosnië en Herzegovina geen productie heeft plaatsgevonden.





Onderzoek door [leverancier] van binnengekomen goederen


30. In het Final Report baseert OLAF zijn stelling dat in Bosnië en Herzegovina geen productie heeft plaatsgevonden mede op de constatering dat [leverancier] geen laboratoriumonderzoek uitvoerde op de binnengekomen goederen om het gehalte aan vrije vetzuren te meten. [leverancier] heeft echter verklaard dat zij monsters van ongeveer 20 liter uit binnengekomen zendingen haalde en verwerkte om te kijken wat er gebeurt (“to check how it will go”). Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan niet worden aangenomen dat het op deze wijze verwerken van een monster onvoldoende informatie verschaft om tot verwerking van de hele zending over te kunnen gaan.



Facturen van [leverancier] aan [bedrijf 1]


31. Verweerder verwijst naar vijf facturen van [leverancier] aan [bedrijf 1] van 16 februari 2016, waaruit in combinatie met gegevens uit de administratie van [leverancier] zou blijken dat de daarin opgenomen biodiesel twee dagen eerder, op 14 februari 2016, als Amerikaanse UCOME in Bosnië zou zijn ingevoerd. Verweerder ziet hierin een bevestiging dat bij [leverancier] geen productie heeft plaatsgevonden. Uit de gegevens uit de administratie van [leverancier] die verweerder hiertoe heeft overgelegd is dit verband evenwel niet af te leiden en dit wordt ook niet ondersteund door de verklaring van [leverancier] dat binnenkomende en uitgaande goederen niet op partijniveau aan elkaar kunnen worden gekoppeld.



Verklaringen [bedrijf 7]


32. Eiseres heeft gesteld dat uit de onderzoeken van de Universiteiten van Belgrado en Gent volgt dat er sterke twijfels zijn over de expertise van [bedrijf 7] en diens vertegenwoordiger [naam 10] . Verweerder heeft geen informatie verstrekt over deze organisatie of diens accreditaties. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding zonder meer uit te gaan van de juistheid van de verklaringen van [bedrijf 7] . De rechtbank stelt overigens vast dat de onderzoeken door de universiteiten van Belgrado en Gent zijn uitgevoerd in opdracht van [leverancier] , betrekking hebben op tijdstippen en tijdvakken (augustus 2020 en augustus 2021) die meerdere jaren liggen na de periode waarin de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer zijn gedaan en dat de beschrijvingen en foto’s in die onderzoeken niet overeenstemmen met de situatie die OLAF tijdens het bezoek op 4 december 2019 heeft aangetroffen. De bevindingen uit deze onderzoeken acht de rechtbank daarom verder niet van belang voor onderhavige aangiften ten invoer.




Conclusie en gevolgen

33. Verweerder heeft zijn stelling dat de door eiseres voor het vrije verkeer aangegeven biodiesel niet in Bosnië en Herzegovina is vervaardigd, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres, niet aannemelijk gemaakt. Dit geldt ook wanneer de verschillende door OLAF vastgestelde feiten in onderlinge samenhang worden bezien. Hieruit volgt dat verweerder ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de biodiesel van oorsprong is uit de Verenigde Staten, waardoor de utb niet in stand kan blijven. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven geen behandeling. Gelet op al het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.



Verzoek om vergoeding van immateriële schade


34. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 3 juni 2021, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 18 maart 2022 en de uitspraak van de rechtbank is van 7 mei 2026. Omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn zou moeten worden verlengd, zijn niet gebleken. Dat betekent dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak (van twee jaren) is overschreden met (afgerond) 36 maanden. Aan eiseres komt daarom een vergoeding voor immateriële schade toe van € 3.000.

Van de termijnoverschrijding zijn 4 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase.
Dit betekent dat verweerder een bedrag van € 333 (4/36 van € 3.000) aan eiseres moet voldoen en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) een bedrag van € 2.667 (32/36 van € 3.000).




Proceskosten


35. De rechtbank ziet aanleiding verweerder overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) te veroordelen in de proceskosten van eiseres in bezwaar en in beroep. Eiseres heeft wegens “de handelwijze van verweerder en de ernst van de schendingen” verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Zij heeft evenwel niet aannemelijk gemaakt dat verweerder kan worden verweten tegen beter weten in te procederen dan wel in vergaande mate onzorgvuldig te hebben gehandeld. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit is ook overigens niet gebleken. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 3.866. Dit betreft 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor elk van de twee hoorgesprekken in bezwaar (€ 666 per punt), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting (€ 934 per punt) en een wegingsfactor 1.



Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en vernietigt de utb;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toe te rekenen immateriële schade van € 333;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de beroepsfase toe te rekenen immateriële schade van € 2.667;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van € 3.866;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.





Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en
mr. S.J. Richters, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.














griffier


voorzitter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.


Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Artikel 20 van de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst tussen de EU en Bosnië en Herzegovina en artikelen 2 en 6 van en bijlage II bij het daarbij horende Protocol 2.


Op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1518 gold in deze periode een definitief antidumpingrecht van 172,2% en op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1519 een definitief compenserend recht van 237%.



Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, PB EU 2009 L 140.


Vgl. Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.