Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:6296
2026-04-16
Bestuursrecht; Belastingrecht
HAA - 25 _ 3800
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Gedifferentieerde premie werkhervattingskas. Aanvang toerekeningstermijn uitkeringslasten.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2009:BI5110 Hoge Raad 29-05-2009
- ECLI:NL:HR:1994:AA2942 Hoge Raad 05-10-1994
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.148 tekens)
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3800
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.E. Roberts-Hafkamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage werkhervattingskas voor het jaar 2025 afgegeven (hierna: de beschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Aan belanghebbende zijn WGA-uitkeringslasten toegerekend die voortvloeien uit het dienstverband van een persoon die in het verleden in dienst is geweest bij de rechtsvoorganger van belanghebbende (hierna: de werknemer).
2. De werknemer is op 5 oktober 2010 voor het eerst ziekgemeld.
3. Aan de werknemer is per 2 oktober 2012 geen WIA-uitkering toegekend omdat
hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was bevonden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV).
4. De werknemer heeft zich op 6 mei 2013 opnieuw ziekgemeld en op 23 juli 2013 een WIA-uitkering aangevraagd. Na een arbeidsdeskundigonderzoek bij het UWV is betrokkene voor 42% arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV heeft per 6 mei 2013 een WGA-uitkering aan de werknemer toegekend, omdat de werknemer binnen vijf jaar opnieuw ziek is geworden vanwege dezelfde oorzaak.
Geschil 5. In geschil is of de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor het jaar 2025 op het juiste percentage is vastgesteld. Daarbij is in geschil of de arbeidsongeschiktheidslasten van de werknemer voor het jaar 2023 terecht aan belanghebbende zijn toegerekend. Meer in het bijzonder is in geschil wanneer de zogenoemde toerekeningstermijn van tien jaar aanvangt en of sprake is van schending van het rechtszekerheids- of het gelijkheidsbeginsel.
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toerekeningstermijn aanvangt op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd (2 oktober 2012). Volgens belanghebbende ontstaat rechtsonzekerheid indien een werkgever niet ervan kan uitgaan dat een werknemer na twee jaar loondoorbetaling voor tien jaar onder zijn risico en schade valt. Zij beroept zich daarom op het rechtszekerheidsbeginsel. Verder betoogt belanghebbende dat een werkgever wordt gestraft voor een succesvolle re-integratie indien de tienjaarstermijn niet ingaat op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd, hetgeen zij onwenselijk acht. Tot slot beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijst zij naar twee door haar overgelegde uitspraken op bezwaar ter zake van andere premieplichtigen. Volgens belanghebbende is verweerder hierin voor de aanvang van de toerekeningstermijn uitgegaan van de datum waarop de wachttijd is geëindigd.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de toerekeningstermijn aanvangt op de ingangsdatum van de WGA-uitkering (6 mei 2013). In reactie op belanghebbendes beroep op het rechtszekerheidsbeginsel voert verweerder aan dat de wetgever met de invoering van artikel 55 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) heeft bedoeld het financiële risico van werkgevers te beperken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel dient volgens verweerder te worden verworpen.
Beoordeling van het geschil
8. Vaststaat dat de werknemer met ingang van 6 mei 2013 recht heeft op een
WGA-uitkering. Vanaf deze datum dient de WGA-uitkering van de werknemer, voor een periode van tien jaar, aan belanghebbende te worden toegerekend. De tienjaarstermijn vangt namelijk aan op de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. Het voorgaande volgt uit artikel 117b, eerste lid, onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in samenhang met artikel 83, eerste lid, van de WIA en artikel 1 van de Regeling vaststelling periode eigenrisicodragen WGA-uitkeringen. De aan de werknemer in 2023 uitbetaalde WGA-uitkering is dan ook terecht aan belanghebbende toegerekend bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor het jaar 2025 (zie artikel 2.11, tweede en zesde lid, onder b van het Besluit Wfsv in samenhang met artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder h van het Besluit Wfsv).
9. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van door de wetgever niet of niet ten volle verdisconteerde bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, mogelijk maken. Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen.
10. Voor zover belanghebbende klaagt over de billijkheid van de wet kan haar betoog evenmin slagen. De rechter moet immers rechtspreken volgens de wet. Het is de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen.
11. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Voor de toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel kunnen enkel in de vergelijking worden betrokken de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn. Slechts ten aanzien van die premieplichtigen kan dat bestuursorgaan fouten maken, waarop de meerderheidsregel naar haar strekking ziet (vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5110 en HR 5 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2942). De door belanghebbende aangedragen gevallen ressorteren onder de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen. Belanghebbende valt daarentegen onder de bevoegdheid van de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf. De door belanghebbende aangedragen gevallen kunnen reeds hierom niet in de vergelijking worden betrokken. Ook overigens heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van de gevallen die gelijk zijn aan het geval van belanghebbende de wet onjuist is toegepast. Verweerder heeft immers onweersproken gesteld dat één van de door belanghebbende aangedragen gegrondverklaringen berust op een geheel andere grondslag. Verder heeft verweerder verwezen naar meerdere gevallen waarin hij is uitgegaan van de ingangsdatum van de uitkering als aanvang voor de toerekeningstermijn.
12. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3800
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.E. Roberts-Hafkamp),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende een beschikking loonheffingen gedifferentieerd premiepercentage werkhervattingskas voor het jaar 2025 afgegeven (hierna: de beschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] .
Overwegingen
Feiten
1. Aan belanghebbende zijn WGA-uitkeringslasten toegerekend die voortvloeien uit het dienstverband van een persoon die in het verleden in dienst is geweest bij de rechtsvoorganger van belanghebbende (hierna: de werknemer).
2. De werknemer is op 5 oktober 2010 voor het eerst ziekgemeld.
3. Aan de werknemer is per 2 oktober 2012 geen WIA-uitkering toegekend omdat
hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was bevonden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV).
4. De werknemer heeft zich op 6 mei 2013 opnieuw ziekgemeld en op 23 juli 2013 een WIA-uitkering aangevraagd. Na een arbeidsdeskundigonderzoek bij het UWV is betrokkene voor 42% arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV heeft per 6 mei 2013 een WGA-uitkering aan de werknemer toegekend, omdat de werknemer binnen vijf jaar opnieuw ziek is geworden vanwege dezelfde oorzaak.
Geschil 5. In geschil is of de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor het jaar 2025 op het juiste percentage is vastgesteld. Daarbij is in geschil of de arbeidsongeschiktheidslasten van de werknemer voor het jaar 2023 terecht aan belanghebbende zijn toegerekend. Meer in het bijzonder is in geschil wanneer de zogenoemde toerekeningstermijn van tien jaar aanvangt en of sprake is van schending van het rechtszekerheids- of het gelijkheidsbeginsel.
6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toerekeningstermijn aanvangt op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd (2 oktober 2012). Volgens belanghebbende ontstaat rechtsonzekerheid indien een werkgever niet ervan kan uitgaan dat een werknemer na twee jaar loondoorbetaling voor tien jaar onder zijn risico en schade valt. Zij beroept zich daarom op het rechtszekerheidsbeginsel. Verder betoogt belanghebbende dat een werkgever wordt gestraft voor een succesvolle re-integratie indien de tienjaarstermijn niet ingaat op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd, hetgeen zij onwenselijk acht. Tot slot beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijst zij naar twee door haar overgelegde uitspraken op bezwaar ter zake van andere premieplichtigen. Volgens belanghebbende is verweerder hierin voor de aanvang van de toerekeningstermijn uitgegaan van de datum waarop de wachttijd is geëindigd.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de toerekeningstermijn aanvangt op de ingangsdatum van de WGA-uitkering (6 mei 2013). In reactie op belanghebbendes beroep op het rechtszekerheidsbeginsel voert verweerder aan dat de wetgever met de invoering van artikel 55 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) heeft bedoeld het financiële risico van werkgevers te beperken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel dient volgens verweerder te worden verworpen.
Beoordeling van het geschil
8. Vaststaat dat de werknemer met ingang van 6 mei 2013 recht heeft op een
WGA-uitkering. Vanaf deze datum dient de WGA-uitkering van de werknemer, voor een periode van tien jaar, aan belanghebbende te worden toegerekend. De tienjaarstermijn vangt namelijk aan op de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. Het voorgaande volgt uit artikel 117b, eerste lid, onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in samenhang met artikel 83, eerste lid, van de WIA en artikel 1 van de Regeling vaststelling periode eigenrisicodragen WGA-uitkeringen. De aan de werknemer in 2023 uitbetaalde WGA-uitkering is dan ook terecht aan belanghebbende toegerekend bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor het jaar 2025 (zie artikel 2.11, tweede en zesde lid, onder b van het Besluit Wfsv in samenhang met artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder h van het Besluit Wfsv).
9. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van door de wetgever niet of niet ten volle verdisconteerde bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, mogelijk maken. Het beroep van belanghebbende op het rechtszekerheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen.
10. Voor zover belanghebbende klaagt over de billijkheid van de wet kan haar betoog evenmin slagen. De rechter moet immers rechtspreken volgens de wet. Het is de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet toegestaan om de innerlijke waarde of billijkheid van een wet te beoordelen.
11. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Voor de toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel kunnen enkel in de vergelijking worden betrokken de met het geval van belanghebbende vergelijkbare gevallen die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn. Slechts ten aanzien van die premieplichtigen kan dat bestuursorgaan fouten maken, waarop de meerderheidsregel naar haar strekking ziet (vgl. HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5110 en HR 5 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2942). De door belanghebbende aangedragen gevallen ressorteren onder de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen. Belanghebbende valt daarentegen onder de bevoegdheid van de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf. De door belanghebbende aangedragen gevallen kunnen reeds hierom niet in de vergelijking worden betrokken. Ook overigens heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van de gevallen die gelijk zijn aan het geval van belanghebbende de wet onjuist is toegepast. Verweerder heeft immers onweersproken gesteld dat één van de door belanghebbende aangedragen gegrondverklaringen berust op een geheel andere grondslag. Verder heeft verweerder verwezen naar meerdere gevallen waarin hij is uitgegaan van de ingangsdatum van de uitkering als aanvang voor de toerekeningstermijn.
12. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).