Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:5589

2026-05-11 Bestuursrecht; Belastingrecht HAA 26/299
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-05-11
Publicatiedatum
2026-05-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
HAA 26/299
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026092105; NLF 2026/1941; V-N Vandaag 2026/1966; Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/1008; NDFR Nieuws 2026/1458; FutD 2026-1683

Inhoudsindicatie

Belanghebbende voldeed bij het aangaan van de dienstbetrekking aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling. Dat belanghebbende in Nederland stage liep in het kader van zijn opleiding staat de kwalificatie als ingekomen werknemer niet in de weg. Belanghebbende voldeed ook aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid, gelet op het door hem genoten fiscaal loon. Dat de arbeidsovereenkomst (per abuis) een lager loon vermeldde, doet daar niet aan af.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (29.676 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem



Bestuursrecht



zaaknummer: HAA 26/299


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen


[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,


en


de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.





Procesverloop


Bij beschikking van 16 september 2025 heeft verweerder het gezamenlijke verzoek van belanghebbende en [bedrijf 1] B.V. (hierna: de inhoudingsplichtige) om toepassing van de zogenoemde 30%-regeling als opgenomen in artikel 10ea, eerste lid, onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB), afgewezen.



Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.



Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.



Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .





Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende heeft de [land 1] nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

2. Op 5 september 2023 is belanghebbende als niet-ingezetene ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Daarbij is een adres in [land 1] vermeld als adres in het buitenland. Belanghebbende verbleef in Nederland bij een vriend.

3. Belanghebbende en [bedrijf 2] B.V. (onderdeel van het concern van de inhoudingsplichtige) zijn een stageovereenkomst (‘internship agreement’) aangegaan voor de periode 1 oktober 2023 tot 1 april 2024. Partijen zijn een bruto-vergoeding van € 500 per maand overeengekomen en een reiskostenvergoeding. De overeenkomst is niet gedateerd en luidt – voor zover hier van belang – als volgt:



“Internship Agreement

[…]

Article 1 General

1. The Internship Internship Provider shall give the Intern the opportunity to gain
practical experience in connection with his training at the following school: [naam 3]
[land 1] , in the company of the Internship Internship Provider.
2. The traineeship is for a fixed term. It starts on 1 October 2023 and ends in six months after the startdate
3. This agreement may be terminated at any time, by either party.




Article 2 Internship assignment
Trainee has asked the Internship Internship Provider whether he can gain work experience with the Internship Internship Provider.



Article 3 Compensation

1. Trainee will receive an internship allowance of € 500,00 gross per month, based on 40 hour per week.
2. The trainee will not receive any remuneration during the time that he follows the training course referred to in Article 1 and does not perform any work with the Internship Provider




Article 4 Other agreements

1. Working hours per week are 40 hours. Working hours will be arranged in consultation with the manager of the department.
2. If no student public transport card is available, the Internship Internship Provider will provide a travel allowance of €0.21 per kilometre whereby the first 10 km will be at the expense of the Trainee and the allowance will be capped at €300 per month.
3. Trainee will respect the regulations as applicable to the staff in the company of
Internship Provider.
4. Neither the Internship Provider nor the staff of the Internship Provider will be liable for any damage suffered by Trainee in connection with the internship.
5. Trainee will ensure that the training institute mentioned in article 1 takes out adequate insurance, at the discretion of the Internship Provider, for any damage as mentioned in paragraph 3 of this article.
6. This internship agreement is not an employment contract in the sense of Article 7:610 of the Civil Code and is not intended as such.
7. The trainee will maintain complete confidentiality of all information that comes into his/her possession.
8. In case of absenteeism or threatened absenteeism, Trainee will inform the Internship Provider and his/her school institution in a timely manner.



This agreement is governed by Dutch law. […]”


4. Op 30 januari 2024 zijn belanghebbende en de inhoudingsplichtige een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de functie van junior data engineer voor de periode 1 februari 2024 tot 1 september 2024. Partijen zijn een (bruto)vergoeding van € 3.240,74 per maand overeengekomen. Tevens had belanghebbende recht op vakantiegeld ter hoogte van 8% van het brutoloon, een pensioenvergoeding ter hoogte van 8% van het brutoloon inclusief vakantiegeld, een lunchvergoeding en een reiskostenvergoeding van € 0,23 per kilometer (waarbij de kosten voor de eerste tien kilometer voor rekening van de werknemer komen). In de arbeidsovereenkomst is ten aanzien van de lunchvergoeding het volgende opgenomen:
“5.6 The Employer provides lunch for Employee. For this, the fiscal method is applied to the salary (gross allowance 2020 €3.35 per meal).”

5. Belanghebbende heeft vervolgens zijn verblijf bij de vriend gestaakt en heeft zijn intrek genomen in een huurappartement. Vanaf 7 maart 2024 staat belanghebbende ingeschreven als ingezetene van de gemeente [woonplaats] in de BRP.

6. Op 19 juni 2024 heeft belanghebbende een masterdiploma in data science behaald aan de [naam 3] .

7. Op 2 augustus 2024 zijn belanghebbende en de inhoudingsplichtige met ingangsdatum 1 september 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan voor de functie van junior data engineer onder nagenoeg dezelfde voorwaarden als die in het contract van 30 januari 2024, met dien verstande dat als lunchvergoeding een bedrag van € 3,90 per maaltijd is vermeld. Ten aanzien van de lunchvergoeding is in de overeenkomst het volgende opgenomen:
“5.6 The Employer provides lunch for Employee. For this, the fiscal method is applied to the salary (gross allowance 2024 €3.90 per meal).”

8. Op 6 mei 2025 zijn belanghebbende en de inhoudingsplichtige een addendum overeengekomen in aanvulling op de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 1 september 2024. Partijen zijn per 1 juni 2025 een (bruto)vergoeding van € 5.250 per maand overeengekomen. Tevens heeft belanghebbende recht op een dertiende maand.

9. Bij het verzoek van 8 augustus 2025 om toepassing van de 30%-regeling hebben belanghebbende en de inhoudingsplichtige de volgende data opgegeven:

“Desired commencement date for the Expat Scheme 01-06-2025
Date on which the employment contract for which you are
making the request was signed or concluded 02-08-2024
Date on which the employee joined your company 01-10-2023
Date of the employee’s arrival in the Netherlands 04-09-2023”


10. Tot de gedingstukken behoort een schriftelijke verklaring van de CFO van [bedrijf 1] B.V. gedagtekend op 11 november 2025 en gericht aan verweerder, die – voor zover hier van belang – als volgt luidt:
“Employer Statement of Fixed Lunch Allowance […]



[bedrijf 1] B.V., hereby represented by the undersigned, declares the following with regard to the employment of [belanghebbende] […].




[belanghebbende] entered into his first employment contract with [bedrijf 1] B.V. commencing on 1 February 2024. Prior to the signing of this contract, the employer and the employee agreed that a fixed monthly lunch allowance in the amount of €69.55 would form part of the agreed terms and conditions of employment. This allowance was determined in accordance with the applicable fiscal method and it was expressly agreed between the parties that the amount would remain constant for each month during the full term of the employment contract.



In line with the company’s consistent practice during 2024, it was further agreed that the lunch allowance would be paid as a fixed monthly amount, irrespective of attendance, sickness, vacation, or any other form of absence, and regardless of whether the employee actually consumed lunch on any given working day. The allowance was therefore treated as a stable component of the employee’s monthly remuneration and was not subject to variation or adjustment.




[bedrijf 1] B.V. confirms that the aforementioned agreement was duly implemented from the commencement date of 1 February 2024 and that the fixed lunch allowance of €69.55 per month has been consistently provided for every month during the duration of [belanghebbende] ’s first employment contract.



This statement is issued by [bedrijf 1] B.V. for submission to the Belastingdienst as part of the 30% ruling application, and may be relied upon as an accurate record of the agreed employment terms and payment practices.”


11. In de beroepsfase heeft belanghebbende loonstroken overgelegd van de maanden februari 2024 tot en met augustus 2024, waaruit volgt dat aan belanghebbende in die maanden telkens een bedrag aan ‘bijtelling lunch’ in aanmerking is genomen van € 69,55.



Geschil


12. In geschil is of verweerder de toepassing van de 30%-regeling terecht heeft
geweigerd. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende is aan te merken als ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het UBLB en of hij voldoet aan de overige voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling, in het bijzonder de specifieke deskundigheid (loonnorm).

13. Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op toepassing van de 30%-regeling en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toekenning van zijn verzoek.

14. Verweerder betoogt dat hij het verzoek van belanghebbende terecht heeft afgewezen en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.



Beoordeling van het geschil


Aanwerving uit het buitenland


15. Op grond van artikel 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) zijn, onder bepaalde voorwaarden, vergoedingen die een inhoudingsplichtige aan een werknemer verstrekt ter zake van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot ten hoogste 30% van het loon, en de vergoeding voor extraterritoriale kosten als vrije vergoeding aan te merken. In artikel 10ea van het UBLB is de zogenoemde bewijsregel opgenomen, die – ten aanzien van ingekomen werknemers – vereenvoudigd weergegeven, inhoudt dat vergoedingen tot 30% van het loon en de vergoeding van extraterritoriale kosten gedurende een bepaalde periode worden geacht vergoedingen van extraterritoriale kosten te zijn.

16. In artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het UBLB, wordt – voor zover hier van belang – onder een ingekomen werknemer verstaan: een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven werknemer in de zin van artikel 2 van de Wet LB, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.

17. De rechtbank overweegt dat de 30%-regeling een begunstigende regeling is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat belanghebbende de feiten en omstandigheden stelt waaruit volgt dat is voldaan aan de voorwaarden van de regeling en dat hij die feiten en omstandigheden – bij gemotiveerde betwisting door verweerder –aannemelijk maakt.

18. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de tewerkstelling van belanghebbende in Nederland reeds op 1 oktober 2023 is aangevangen en dat belanghebbende op dat moment niet kwalificeerde als ingekomen werknemer in de zin van artikel 10e, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het UBLB, omdat belanghebbende niet beschikte over specifieke deskundigheid in de zin van artikel 10eb van het UBLB. Verder stelt verweerder dat belanghebbende op het moment van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige op 30 januari 2024 evenmin kwalificeert als ingekomen werknemer, omdat belanghebbende toen reeds woonachtig en – anders dan in het kader van een stage of opleiding – werkzaam was in Nederland, en dus niet uit het buitenland is aangeworven.

19. Belanghebbende stelt zich daarentegen op het standpunt hij op 30 januari 2024 door de inhoudingsplichtige is aangeworven terwijl hij in het kader van zijn studie stage liep bij [bedrijf 2] B.V. Belanghebbende stelt dat de stagewerkzaamheden verband hielden met zijn studie, namelijk het schrijven van zijn scriptie, en dat hij op dat moment zijn masteropleiding in [land 1] nog niet had afgerond. Daarmee is volgens belanghebbende voldaan aan de uitzondering die de Hoge Raad heeft geformuleerd voor situaties van opleiding of stage. In tegenstelling tot verweerder meent belanghebbende dat voor de toepassing van die uitzondering niet is vereist dat de stage onderdeel uitmaakt van het curriculum van de studie of opleiding.

20. De rechtbank overweegt dat de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige op 30 januari 2024 is gesloten, zodat dat het moment is waarop moet worden beoordeeld of belanghebbende aan de voorwaarden voor toepassing van de 30%-regeling voldoet.

21. Uit de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW4064) en 24 oktober 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD3167) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven, moet worden beoordeeld of de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst is aangegaan op een moment waarop de werknemer zijn woonplaats buiten Nederland had en niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was (vgl. Hof Amsterdam 6 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:407).



Was belanghebbende op 30 januari 2024 werkzaam in Nederland?


22. De rechtbank zal eerst beoordelen of belanghebbende ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige (op 30 januari 2024) reeds in Nederland werkte. Vaststaat dat belanghebbende op dat moment nog werkzaam was bij [bedrijf 2] B.V. op basis van de ‘internship agreement’ (zie onder 3). De vraag die allereerst voorligt, is of de werkzaamheden van belanghebbende tijdens zijn ‘internship’ bij [bedrijf 2] B.V. in de weg staan aan toepassing van de 30%-regeling.

23. De staatssecretaris van Financiën heeft in het besluit van 23 augustus 2013 (nr. DGB 2013/70M, Stcrt. 2013, 25663) het volgende bepaald met betrekking tot situaties als opleiding of stage:

“Vraag 10
Een ingekomen werknemer is een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven, of naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer in de zin van artikel 2 van de Wet LB, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is (artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het UBLB). Is voor een naar een inhoudingsplichtige gezonden werknemer vereist dat deze uit een ander land is gezonden?




Antwoord
Ja, de regeling geldt niet voor werknemers die op het moment van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst al in Nederland wonen of, anders dan in het kader van een stage of opleiding, in Nederland werkzaam zijn. In dit verband wordt als stage aangemerkt een periode van activiteiten en werkzaamheden in het kader van een studie of opleiding. Als na de stage of de opleiding een aansluitend dienstverband ontstaat, staat de stage of opleiding een kwalificatie als ingekomen werknemer niet in de weg.”

24. Vaststaat dat de internship bij [bedrijf 2] B.V. geen verplicht onderdeel was van de studie en dat de Universiteit in [land 1] geen partij was bij de internship agreement. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij in het kader van zijn masteropleiding stage is gaan lopen om meer kennis en praktijkervaring op te doen over het onderwerp ‘data science’, zodat hij zijn scriptie over datzelfde onderwerp met goed gevolg zou kunnen afronden. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven dat hij heeft gekozen voor een stage bij [bedrijf 2] B.V. omdat hij een vacature tegenkwam op LinkedIn en omdat Nederlandse bedrijven geavanceerder te werk gaan met betrekking tot dit onderwerp dan bedrijven in [land 1] . De stage is volgens belanghebbende aangegaan voor trainingsdoeleinden en was daarnaast bedoeld om te ervaren hoe de werkzaamheden van een data scientist eruitzien. Tijdens de stage heeft belanghebbende vooral aan zijn scriptie gewerkt. Het onderwerp van de scriptie had niets te maken met de werkzaamheden van de inhoudingsplichtige. Er is tussen partijen bewust geen arbeidsovereenkomst overeengekomen en belanghebbende heeft ook geen (voor de inhoudingsplichtige productief) werk verricht. De rechtbank acht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig en vindt voor dat oordeel ook steun in de artikelen 1 tot en met 4 van de ‘internship agreement’. De rechtbank acht daarbij van belang dat belanghebbende voor de werkzaamheden die hij gedurende 40 uur per week verrichtte (slechts) een bedrag van € 500 bruto per maand ontving en een reiskostenvergoeding van maximaal € 300, hetgeen minder is dan het wettelijk minimumloon. De feiten in deze zaak zijn dus wezenlijk anders dan in de door verweerder aangehaalde zaak waarin deze rechtbank op 11 september 2019 uitspraak deed (ECLI:NL:RBNHO:2019:7844). De omstandigheden in de onderhavige zaak maken naar het oordeel van de rechtbank dat de situatie van belanghebbende kwalificeert als een stage in het kader van de opleiding, nu de stage(overeenkomst) naar haar aard en invulling primair is gericht op het vergaren van kennis door belanghebbende en op zijn persoonlijke ontwikkeling, en niet zozeer op het verrichten van arbeid in ruil voor loon. Daar komt bij dat hetgeen belanghebbende beoogde te leren tijdens de stage ook in lijn ligt met de studie (data science) die hij volgde aan de universiteit in [land 1] . Dat de stage geen onderdeel uitmaakte van het curriculum van de studie, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, omdat een dergelijk vereiste niet volgt uit de wettelijke bepalingen. Overigens volgt dat evenmin, zoals verweerder meent, uit het hiervoor vermelde besluit van de Staatssecretaris van Financiën (zie onder 23).

25. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat belanghebbende niet in Nederland werkte toen de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige werd gesloten en dat de stage van belanghebbende niet aan toepassing van de 30%-regeling in de weg staat.



Woonde belanghebbende op 30 januari 2024 in Nederland?


26. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of belanghebbende ten tijde van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst op 30 januari 2024 zijn woonplaats in Nederland had.

27. Waar iemand woont, wordt ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en het desbetreffende land. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land, zodat voor een woonplaats in enig land niet noodzakelijk is dat het middelpunt van het maatschappelijke leven van betrokkene zich in dat land bevindt. Verder dient geen bijzondere betekenis te worden toegekend aan bepaalde (categorieën van) omstandigheden, zoals iemands sociale of economische binding met een land.

28. Belanghebbende stelt dat hij bij het aangaan van de dienstbetrekking op 30 januari 2024 niet in Nederland woonde. De rechtbank acht belanghebbende in zijn bewijslast geslaagd. De feiten wijzen er naar het oordeel van de rechtbank op dat belanghebbende op het moment van het aangaan van de arbeidsovereenkomst (nog) geen duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Belanghebbende kwam in september 2023 in Nederland aan en is vervolgens als logé verbleven bij een vriend in [woonplaats] . Op 30 januari 2024 verbleef belanghebbende daar nog steeds en beschikte hij nog niet over eigen woonruimte. Belanghebbende stond als niet-ingezetene ingeschreven in de BRP en zijn woonadres was in [land 1] . Belanghebbende heeft verklaard dat eerst op het moment van de indiensttreding bij de inhoudingsplichtige bij hem de intentie is ontstaan om langdurig in Nederland te blijven. Die verklaring wordt ondersteund door het feit dat belanghebbende pas na het aangaan van de arbeidsovereenkomst een eigen woonruimte (eveneens in [woonplaats] ) heeft gehuurd en betrokken. Belanghebbende heeft zich per 7 maart 2024 ingeschreven als ingezetene van de gemeente [woonplaats] in de BRP. Belanghebbende had een tijdelijk stagecontract voor zes maanden en kon met de stagevergoeding die hij ontving niet voorzien in zijn levensonderhoud, zodat hij in de maanden tot en met 30 januari 2024 heeft geleefd van zijn spaargeld. Daarnaast was belanghebbende in [land 1] sociaal verzekerd en was het niet mogelijk om een ziektekostenverzekering af te sluiten in Nederland. Ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst woonden de familie en vrienden van belanghebbende in [land 1] en was hij daar nog student aan de [naam 3] . Dat belanghebbende een vriend in Nederland had, zoals verweerder heeft opgemerkt, maakt gelet op alle overige omstandigheden nog niet dat hij reeds (daarom) een duurzame band van persoonlijke aard had met Nederland ten tijde van het aangaan van de dienstbetrekking.

29. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende geen fiscaal inwoner was van Nederland toen de arbeidsovereenkomst met de inhoudingsplichtige werd gesloten.

30. Nu belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank op 30 januari 2024 niet woonde in Nederland en hij slechts in het kader van een stage of opleiding werkzaamheden verrichtte in Nederland, is hij aan te merken als ingekomen werknemer die uit het buitenland is aangeworven door de inhoudingsplichtige.



Specifieke deskundigheid


31. Bij deze stand van zaken is tussen partijen in geschil of belanghebbende met betrekking tot zijn dienstbetrekking bij de inhoudingsplichtige vanaf 1 februari 2024 beschikte over specifieke deskundigheid.

32. Van specifieke deskundigheid in de zin van artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, ten eerste, van het UBLB is in 2024 sprake indien het loon van de werknemer op jaarbasis meer bedraagt dan € 46.107, gelet op artikel 10eb, eerste lid, van het UBLB.

33. Verweerder stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet voldoet aan de salarisnorm van € 46.107, omdat belanghebbende op basis van de arbeidsovereenkomst recht heeft op een bruto jaarloon van € 46.076,90. Verweerder is bij de berekening van dat bedrag uitgegaan van een lunchvergoeding van € 3,35 per maaltijd maal 214 werkdagen, wat neerkomt op € 716,90 per jaar (of € 59,74 per maand).

34. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in de arbeidsovereenkomst van 30 januari 2024 weliswaar is opgenomen dat hij recht heeft op een vergoeding van € 3,35 per maaltijd, maar dat dit is gebaseerd op het normbedrag voor het jaar 2020 volgens artikel 3.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Belanghebbende voert aan dat het steeds de bedoeling van partijen (belanghebbende en de inhoudingsplichtige) is geweest om voor de vergoeding per maaltijd aan te sluiten bij het normbedrag voor het jaar 2024, namelijk € 3,90 per maaltijd.

35. De rechtbank acht die verklaring van belanghebbende geloofwaardig en acht aannemelijk dat belanghebbende en de inhoudingsplichtige inderdaad de bedoeling hebben gehad om een maaltijdvergoeding van € 3,90 per maaltijd overeen te komen. Dat komt neer op een vergoeding van € 69,55 per maand of € 834,60 per jaar. De rechtbank leidt uit de tekst van de overeenkomst af dat de bedoeling is geweest om bij de normbedragen die volgen uit artikel 3.8 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 aan te sluiten. Daarvan uitgaande is het aannemelijk dat het een vergissing is geweest om bij de arbeidsovereenkomst die in 2024 is gesloten het normbedrag dat voor het jaar 2020 gold, te vermelden. Deze vergissing is vervolgens hersteld bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op 2 augustus 2024 (zie onder 7), waarin naast de looptijd slechts het bedrag van de lunchvergoeding is gewijzigd en het contract voor het overige gelijk is gebleven. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat ook de inhoudingsplichtige een schriftelijke verklaring van dezelfde strekking heeft gegeven (zie onder 10). Van doorslaggevend belang acht de rechtbank dat uit de door belanghebbende overgelegde loonstroken van februari 2024 tot en met augustus 2024 volgt dat van meet af aan en in alle betreffende maanden een bedrag van € 69,55 als ‘bijtelling lunch’ in het loon van belanghebbende is meegenomen.

36. Het voorgaande houdt in dat belanghebbende in 2024 totaal een fiscaal loon van € 46.194,60 heeft genoten. Dit is hoger dan de in 2024 geldende loonnorm van € 46.107, zodat belanghebbende voldoet aan de voorwaarde van specifieke deskundigheid.

37. De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat belanghebbende bij het aangaan van de dienstbetrekking met de inhoudingsplichtige voldeed aan alle vereisten voor toepassing van de 30%-bewijsregel op zijn loon.



Ingangsdatum en looptijd


38. Tussen partijen is in dat geval niet meer in geschil dat de 30%-regeling een ingangsdatum heeft van 1 september 2025, omdat het verzoek is gedaan in augustus 2025.

39. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 10ec, eerste lid, van het UBLB de looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers maximaal vijf jaar bedraagt en wordt verminderd met de perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf. Verweerder heeft onbetwist gesteld dat de periode van verblijf van belanghebbende in Nederland vanaf oktober 2023 tot en met augustus 2025 in mindering moet komen op de looptijd van de 30%-regeling. Gelet op artikel 10ef, eerste lid, van het UBLB kan de rechtbank verweerder hierin volgen. dit betekent dat rekening moet worden gehouden met een korting van in totaal 23 maanden, waardoor belanghebbende op 1 september 2025 nog 37 maanden aanspraak kan maken op de 30%-regeling.



Conclusie


40. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.



Proceskosten en griffierecht


41. Ondanks de gegrondverklaring van het beroep bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding, omdat belanghebbende niet heeft gesteld dat hij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel zal de rechtbank verweerder opdragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 54 aan hem te vergoeden.



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek tot toepassing van de 30%-regeling toe en draagt verweerder op een beschikking bewijsregel vast te stellen met een ingangsdatum van 1 september 2025 en voor de duur van 37 maanden;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan belanghebbende te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.









griffier rechter





Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:






Rechtsmiddel


Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).



U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).