Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:5480
2026-05-21
Civiel recht; Arbeidsrecht
K/4104/11985287
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een werkgever maakt aanspraak op contractuele boetes, omdat een werknemer volgens haar afspraken uit de overeenkomst heeft geschonden door het tonen van privé(naakt)beelden van de vrouw van de bestuurder van de werkgever. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werkgever af. De vorderingen van de werknemer tot uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren en salaris over de wel genoten vakantie- en verlofuren worden toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7753 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.978 tekens)
RECHTBANK
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11985287 \ CV EXPL 25-3517 (PA)
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP RUSH SAFETY SERVICES B.V.,
te Purmerend,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rush,
gemachtigde: mr. M. Sliphorst-Dekker,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. Wieringa
De zaak in het kort
Een werkgever maakt aanspraak op contractuele boetes, omdat een werknemer volgens haar afspraken uit de overeenkomst heeft geschonden door het tonen van privé(naakt)beelden van de vrouw van de bestuurder van de werkgever. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werkgever af. De vorderingen van de werknemer tot uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren en salaris over de wel genoten vakantie- en verlofuren worden toegewezen.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 21 oktober 2025 van de rechtbank Amsterdam
- het herstelexploot van 19 november 2025
- het tussenvonnis van 11 december 2025
- de akte wijziging eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 13 april 2026 met productie 4 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met ingang van 1 april 2022 een overeenkomst met elkaar aangegaan. Daarbij heeft [gedaagde] als “opdrachtnemer” beveiligingswerkzaamheden verricht voor Rush als beveiligingsbedrijf. Deze werkzaamheden werden gewoonlijk op vaste dagen verricht bij een vaste klant van Rush (een coffeeshop in [plaats 2] ) en daarnaast soms op locaties in [plaats 3] .
2.2.
Op 6 februari 2025 heeft Rush de samenwerking met [gedaagde] per direct beëindigd.
2.3.
[gedaagde] heeft bij verzoekschrift vorderingen tegen Rush ingesteld. Op 9 juli 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:7753) heeft de kantonrechter een beschikking gewezen. De kantonrechter heeft in deze beschikking geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, en niet van een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter heeft het verzoek van [gedaagde] om Rush te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding toegewezen evenals de gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] recht heeft op 138 uren vakantie per kalenderjaar. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
3Het geschil
in conventie
3.1.
Rush vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] de afspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst van 1 april 2022 heeft geschonden, dan wel dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Rush heeft gehandeld en daarom gehouden is de door Rush geleden schade te vergoeden. Rush vordert verder veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 24.500,00 aan contractuele boetes en rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rush, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rush, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Rush in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert na akte wijziging eis - samengevat – betaling van het netto-equivalent van € 10.524,50 bruto ter zake van niet-genoten vakantie-uren, betaling van € 1.674,00 bruto ter zake van salaris over de wel genoten vakantie-uren, de wettelijke verhoging, en een deugdelijke bruto-netto specificatie.
3.5.
Rush voert verweer. Rush concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat aan het oordeel in de beschikking van 9 juli 2025 dat de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst kwalificeert gezag van gewijsde toekomt, zodat daarvan in deze zaak wordt uitgegaan. In deze zaak moet onder andere worden beoordeeld of [gedaagde] contractuele boetes op grond van de arbeidsovereenkomst aan Rush moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en motiveert dat als volgt.
Rush onderbouwt haar stellingen niet
4.2.
Rush betoogt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dan wel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rush en dat hij als gevolg daarvan gehouden is de door Rush geleden schade te vergoeden. Rush vordert op grond daarvan ook veroordeling van [gedaagde] tot betaling van contractuele boetes.
4.3.
Rush heeft daartoe bij dagvaarding gesteld dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] , de vrouw van de middellijk bestuurder van Rush, (hierna: [naam 1] ) met klanten van Rush en/of derden heeft gedeeld. Op de zitting heeft Rush desgevraagd toegelicht dat het zou gaan om privé(naakt)beelden die [naam 1] per Whatsapp aan een vriendin zou hebben gestuurd. Deze vriendin zou de beelden vervolgens hebben doorgestuurd aan [gedaagde] en [gedaagde] zou deze privébeelden daarna hebben getoond en/of verspreid binnen (betrokkenen bij de coffeeshop in) [plaats 2] , waar [gedaagde] voor Rush beveiligingswerk verrichtte. [gedaagde] betwist dat hij privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft verspreid en aan derden heeft laten zien. Verder voert [gedaagde] aan dat de gestelde gedragingen niet onder het bereik van het geheimhoudings- en boetebedingen in de arbeidsovereenkomst vallen en dat wat hem verweten wordt niet kan kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens Rush. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens en licht dat als volgt toe.
4.4.
Op Rush rust de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft getoond en/of verspreid aan derden. Rush is namelijk degene die zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept. Dat betekent dat het aan Rush is om in de eerste plaats voldoende concrete feiten naar voren te brengen om het gestelde tonen en/of verspreiden van privé(naakt)beelden te kunnen dragen en deze feiten ook zoveel mogelijk te onderbouwen. Dat heeft Rush nagelaten en daarmee heeft Rush niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. De kantonrechter heeft in de beschikking van 9 juli 2025 al geoordeeld dat hetgeen Rush in dit kader stelde niet genoeg was voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter vond de door Rush gebruikte formulering te vaag en ondoorzichtig en overwoog dat niet was geconcretiseerd om welke beelden en/of informatie het gaat en of deze beelden openbaar of op een andere manier verkrijgbaar zijn. Ook was volgens de kantonrechter in die zaak niet duidelijk waar, wanneer en met wie [gedaagde] deze beelden en/of informatie zou hebben gedeeld. Dat is in deze procedure niet anders geworden. Ook in deze procedure heeft Rush niet concreet gemaakt waar, welke, wanneer, hoe en met wie [gedaagde] de privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben gedeeld. In deze procedure heeft Rush ter onderbouwing volstaan met de overlegging van een USB-stick met een transcriptie van een gesprek tussen Rush en Coffeeshop [naam 2] . Dat is niet genoeg. Uit dat gesprek blijkt weliswaar dat iemand van Coffeeshop [naam 2] één of meer foto’s heeft gezien of ervan heeft gehoord, maar uit het gesprek blijkt niet wanneer dat is geweest, welke foto’s het betrof, hoe dat is gebeurd en met name blijkt daaruit niet dat [gedaagde] degene is geweest die foto’s zou hebben gedeeld. Integendeel, in het gesprek gaat het over “rotte appels” die bezig zijn om het (de bestuurder van) Rush lastig te maken (“Anders krijg ik die foto niet toegestuurd”), maar daarover wordt tegelijkertijd gezegd “Ik weet niet waarom en ik weet ok niet wie het zijn”. [gedaagde] wordt in dit kader dus niet aangewezen of genoemd. Daarom is ook in deze procedure niet komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft getoond en/of verspreid aan derden binnen [plaats 2] .
4.5.
In de dagvaarding wordt ook een “tweede locatie” genoemd door Rush waar [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben getoond en/of verspreid, maar Rush onderbouwt dat verder niet in de dagvaarding. Op de zitting heeft Rush alsnog toegelicht dat het om de locatie [naam 3] in [plaats 3] gaat, maar ook dit heeft Rush verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. De stelling van Rush dat [gedaagde] op deze locatie ook privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben verspreid en/of getoond is daarmee niet komen vast te staan. Omdat Rush niet heeft voldaan aan haar stelplicht, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zal de kantonrechter voorbijgaan aan het bewijsaanbod dat Rush in dit kader ter zitting heeft gedaan.
4.6.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben verspreid en/of getoond aan derden. Reeds daarom moet de vordering worden afgewezen.
Rush kan geen beroep doen op de artikelen 6.1. en 6.2. van de arbeidsovereenkomst
4.7.
Daar komt bij dat zelfs al zou sprake zijn geweest van het delen van privé(naakt)beelden van [naam 1] door [gedaagde] , dan geldt dat Rush geen geslaagd beroep kan doen op artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding, is de tekst van het geheimhoudingsbeding zelf bepalend, alsmede het doel en de strekking van het geheimhoudingsbeding. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het geheimhoudingsbeding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst gaat over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en privacy van klanten van Rush. Op de zitting heeft Rush toegelicht dat de vordering is gebaseerd op de laatste zin van artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst, te weten: “Dit geldt inclusief voor de privacy van Opdrachtgever ten alle tijden (geen enkele communicatie, of informatie hoe Opdrachtgever zijn werkzaamheden uitvoert)”. Desgevraagd ter zitting heeft Rush echter erkend dat hetgeen zij [gedaagde] verwijt niet onder artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst valt. Het gaat hier immers niet om communicatie of informatie over hoe Rush de werkzaamheden uitvoert.
4.9.
De kantonrechter oordeelt dat wat Rush [gedaagde] verwijt evenmin onder artikel 6.2. van de arbeidsovereenkomst valt. Dat artikel ziet op het geheimhouden van bedrijfsgegevens. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het delen van privé(naakt)beelden van de vrouw van de middellijk bestuurder van Rush, die geen formele rol binnen het bedrijf heeft, hetgeen ook niet is komen vast te staan, valt onder het delen van bedrijfsgegevens.
Het protocol is niet van toepassing
4.10.
Voor zover Rush nog heeft gesteld dat [gedaagde] het “Protocol Roddel & Achterklap Rush Safety Services B.V.” (hierna: het protocol) zou hebben geschonden, overweegt de kantonrechter dat Rush geen daarop gerichte vordering heeft geformuleerd of gebaseerd. Die gestelde schending hoeft daarom niet te worden besproken. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat niet is komen vast te staan dat het protocol van toepassing was op de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] . [gedaagde] betwist namelijk dat het protocol van toepassing is verklaard. Rush heeft daar tegenover niets meer gesteld. Bovendien wordt het protocol niet genoemd in de arbeidsovereenkomst en blijkt nergens uit dat [gedaagde] getekend heeft voor een dergelijk protocol.
Geen boetes verschuldigd
4.11.
Het bovenstaande betekent dat [gedaagde] niet heeft gehandeld in strijd met de arbeidsovereenkomst en dus ook geen boetes is verschuldigd. De kantonrechter zal de vorderingen van Rush ter zake de gevorderde boetes daarom afwijzen.
4.12.
Overigens heeft Rush het verbeuren van de boetes door [gedaagde] ook onvoldoende onderbouwd. De vordering van Rush tot betaling van € 24.500,00 is kennelijk gebaseerd op een eenmalige overtreding op 6 februari 2025 (€ 5.000,00) en een schending van 18 dagen (van 6 tot en met 25 februari 2025 à € 1.250,00 per dag). Vast staat dat [gedaagde] met ingang van 6 februari 2025 niet meer voor Rush heeft gewerkt. Op de zitting heeft Rush op de vraag waaruit blijkt dat de gestelde overtreding 18 dagen zou hebben geduurd, gesteld dat dit uit eventuele getuigenverklaringen kan blijken. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Rush echter niet aan haar stelplicht voldaan, zodat aan enige bewijslevering niet wordt toegekomen.
Geen onrechtmatig handelen jegens Rush
4.13.
Hiervoor is overwogen dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] aan derden heeft verspreid en/of getoond. Het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] is daarmee ook niet komen vast te staan. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
4.14.
Bovendien is niet voldoende toegelicht waarom het delen van privé(naakt)beelden van [naam 1] zou leiden tot onrechtmatig handelen jegens Rush. Rush heeft niet duidelijk gemaakt welke schade zij als gevolg van één en ander zou (kunnen) hebben geleden. De stelling dat sprake is van een omzetverlies en dat het “in de regio bekend is”, is te algemeen en niet nader onderbouwd. Dat Rush een vaste klant door toedoen van [gedaagde] is kwijtgeraakt, heeft [gedaagde] gemotiveerd. Rush heeft daar niets meer tegenin gebracht.
Conclusie
4.15.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Rush af.
De proceskosten
4.16.
Rush is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00
in reconventie
4.17.
In de beschikking van 9 juli 2025 heeft de kantonrechter, zoals hierboven al overwogen, een beslissing genomen over de rechtsverhouding tussen partijen, inhoudende dat de overeenkomst tussen [gedaagde] en Rush gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft eveneens vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op 138 vakantie-uren per jaar. Partijen zijn het er verder over eens dat het bruto uurloon € 31,00 bedroeg. Tegen deze beslissingen in de beschikking van 9 juli 2025 heeft Rush geen hoger beroep ingesteld, terwijl de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. De beslissing is dus in kracht van gewijsde gegaan en staat onherroepelijk tussen partijen vast. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank over hetgeen hiervoor is genoemd in de onderhavige procedure bindend is. Met andere woorden, geoordeeld is dat tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst, dat [gedaagde] recht heeft op 138 vakantie-uren per jaar, dat het bruto uurloon van [gedaagde] € 31,00 bedroeg en aan die beslissingen kan in deze procedure niet meer getornd worden. Over de uit de vakantie-uren voortvloeiende vordering van [gedaagde] heeft de kantonrechter echter geen beslissing genomen. Daarover heeft de kantonrechter juist overwogen dat deze kwestie in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure (dat is deze procedure) zal worden beoordeeld. Het beroep van [gedaagde] op het gezag van de gewijsde van de beschikking van de kantonrechter op dit punt wordt dan ook gepasseerd.
4.18.
Artikel 7:641 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie(uren), recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Partijen zijn het niet eens over het aantal uren dat bij het einde van de arbeidsovereenkomst moest worden uitgekeerd.
4.19.
De kantonrechter stelt voorop dat ten aanzien van bewijs van een tegoed aan vakantiedagen de bewijslast (in beginsel) bij de werknemer ligt, maar dat bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed de werkgever in beginsel zijn betwisting mede zal moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding dienen te worden gebracht. Verder neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat aan het door de werknemer te leveren bewijs niet al te hoge eisen moeten worden gesteld, nu het voeren van een deugdelijke verlofregistratiesysteem primair de taak van de werkgever is. Indien de door de werkgever bijgehouden verlofadministratie niet deugdelijk blijkt te zijn, is dat een omstandigheid die in beginsel voor risico van de werkgever komt.
4.20.
[gedaagde] stelt dat hij recht heeft op uitbetaling van 339,50 vakantie-uren, volgens Rush gaat het om 315,50 vakantie-uren. [gedaagde] heeft naar aanleiding van het verweer van Rush een factuur van 21 december 2024 overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] op 16 december 2024 geen 3,5 uren verlof heeft opgenomen. Rush is hier niet meer op ingegaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [gedaagde] . Dit betekent dat [gedaagde] in ieder geval recht heeft op vergoeding van 319 vakantie-uren. Dat komt neer op € 9.889,00 bruto. De kantonrechter wijst dit bedrag daarom toe.
4.21.
Het bovenstaande betekent dat er nog een verschil is van 20,5 uur. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat het voor de vordering uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen niet beslissend is of [gedaagde] wel of niet heeft gewerkt gedurende de door Rush gestelde dagen/dagdelen. Als [gedaagde] niet heeft gewerkt gedurende de door Rush gestelde dagen/dagdelen, dan heeft hij in ieder recht op doorbetaling van het bruto salaris gedurende dit uren. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat hij dan recht heeft op (20,5 x € 31,00 is) € 635,50 bruto. Dit bedrag wijst de kantonrechter eveneens toe.
4.22.
Bij akte wijziging eis heeft [gedaagde] aanvullend uitbetaling van 54 uren gevorderd. Dat zijn de uren die De Goot in de periode van 18 maart 2024 tot en met 6 januari 2025 als vakantie heeft opgenomen, die hij aanvankelijk niet bij Rush in rekening had gebracht, terwijl hij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst recht had op doorbetaling van zijn vakantie. Rush heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst daarom het onbetwiste bedrag van € 1.674,00 bruto toe.
4.23.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke verhoging over de onder 4.19 tot en met 4.22 genoemde bedragen kan op grond van de wet worden toegewezen, omdat die bedragen te laat zijn betaald. Voor een matiging (tot nihil), zoals door Rush is verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat het aan Rush te wijten is dat zij te laat heeft betaald. Daarbij is van belang dat weliswaar tussen partijen een discussie bestond over de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar die discussie is door de kantonrechter al op 9 juli 2025 beslecht. Voor Rush was het in ieder geval toen duidelijk dat er de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moest worden gekwalificeerd. Die beschikking is, zoals hiervoor is overwogen, onherroepelijk geworden. Rush had daarom als werkgever kunnen en moeten weten dat zij de vakantie-uren had moeten door- en uitbetalen. Dat heeft zij nagelaten, en de gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van Rush.
4.24.
Het verzoek om (een) deugdelijke bruto/netto-specificatie(s) over voornoemde betalingen is toewijsbaar.
4.25.
Rush is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
Totaal
€
432,00
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van Rush af,
5.2.
veroordeelt Rush in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rush niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt Rush om aan [gedaagde] te betalen het netto-equivalent van € 10.524,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over het toegewezen bedrag, onder gelijktijdige verzending van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.5.
veroordeelt Rush om aan [gedaagde] te betalen het netto-equivalent van € 1.674,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over het toegewezen bedrag, onder gelijktijdige verzending van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.6.
veroordeelt Rush in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rush niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11985287 \ CV EXPL 25-3517 (PA)
Vonnis van 21 mei 2026
in de zaak van
DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP RUSH SAFETY SERVICES B.V.,
te Purmerend,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rush,
gemachtigde: mr. M. Sliphorst-Dekker,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. Wieringa
De zaak in het kort
Een werkgever maakt aanspraak op contractuele boetes, omdat een werknemer volgens haar afspraken uit de overeenkomst heeft geschonden door het tonen van privé(naakt)beelden van de vrouw van de bestuurder van de werkgever. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werkgever af. De vorderingen van de werknemer tot uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren en salaris over de wel genoten vakantie- en verlofuren worden toegewezen.
1De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 21 oktober 2025 van de rechtbank Amsterdam
- het herstelexploot van 19 november 2025
- het tussenvonnis van 11 december 2025
- de akte wijziging eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie- het bericht van 13 april 2026 met productie 4 van [gedaagde]- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen zijn met ingang van 1 april 2022 een overeenkomst met elkaar aangegaan. Daarbij heeft [gedaagde] als “opdrachtnemer” beveiligingswerkzaamheden verricht voor Rush als beveiligingsbedrijf. Deze werkzaamheden werden gewoonlijk op vaste dagen verricht bij een vaste klant van Rush (een coffeeshop in [plaats 2] ) en daarnaast soms op locaties in [plaats 3] .
2.2.
Op 6 februari 2025 heeft Rush de samenwerking met [gedaagde] per direct beëindigd.
2.3.
[gedaagde] heeft bij verzoekschrift vorderingen tegen Rush ingesteld. Op 9 juli 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:7753) heeft de kantonrechter een beschikking gewezen. De kantonrechter heeft in deze beschikking geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, en niet van een overeenkomst van opdracht. De kantonrechter heeft het verzoek van [gedaagde] om Rush te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding toegewezen evenals de gevraagde verklaring voor recht dat [gedaagde] recht heeft op 138 uren vakantie per kalenderjaar. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking.
3Het geschil
in conventie
3.1.
Rush vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat [gedaagde] de afspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst van 1 april 2022 heeft geschonden, dan wel dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Rush heeft gehandeld en daarom gehouden is de door Rush geleden schade te vergoeden. Rush vordert verder veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 24.500,00 aan contractuele boetes en rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rush, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rush, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Rush in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert na akte wijziging eis - samengevat – betaling van het netto-equivalent van € 10.524,50 bruto ter zake van niet-genoten vakantie-uren, betaling van € 1.674,00 bruto ter zake van salaris over de wel genoten vakantie-uren, de wettelijke verhoging, en een deugdelijke bruto-netto specificatie.
3.5.
Rush voert verweer. Rush concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat aan het oordeel in de beschikking van 9 juli 2025 dat de overeenkomst tussen partijen als een arbeidsovereenkomst kwalificeert gezag van gewijsde toekomt, zodat daarvan in deze zaak wordt uitgegaan. In deze zaak moet onder andere worden beoordeeld of [gedaagde] contractuele boetes op grond van de arbeidsovereenkomst aan Rush moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is en motiveert dat als volgt.
Rush onderbouwt haar stellingen niet
4.2.
Rush betoogt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dan wel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens Rush en dat hij als gevolg daarvan gehouden is de door Rush geleden schade te vergoeden. Rush vordert op grond daarvan ook veroordeling van [gedaagde] tot betaling van contractuele boetes.
4.3.
Rush heeft daartoe bij dagvaarding gesteld dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] , de vrouw van de middellijk bestuurder van Rush, (hierna: [naam 1] ) met klanten van Rush en/of derden heeft gedeeld. Op de zitting heeft Rush desgevraagd toegelicht dat het zou gaan om privé(naakt)beelden die [naam 1] per Whatsapp aan een vriendin zou hebben gestuurd. Deze vriendin zou de beelden vervolgens hebben doorgestuurd aan [gedaagde] en [gedaagde] zou deze privébeelden daarna hebben getoond en/of verspreid binnen (betrokkenen bij de coffeeshop in) [plaats 2] , waar [gedaagde] voor Rush beveiligingswerk verrichtte. [gedaagde] betwist dat hij privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft verspreid en aan derden heeft laten zien. Verder voert [gedaagde] aan dat de gestelde gedragingen niet onder het bereik van het geheimhoudings- en boetebedingen in de arbeidsovereenkomst vallen en dat wat hem verweten wordt niet kan kwalificeren als een onrechtmatige daad jegens Rush. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens en licht dat als volgt toe.
4.4.
Op Rush rust de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft getoond en/of verspreid aan derden. Rush is namelijk degene die zich op de rechtsgevolgen van haar stelling beroept. Dat betekent dat het aan Rush is om in de eerste plaats voldoende concrete feiten naar voren te brengen om het gestelde tonen en/of verspreiden van privé(naakt)beelden te kunnen dragen en deze feiten ook zoveel mogelijk te onderbouwen. Dat heeft Rush nagelaten en daarmee heeft Rush niet aan de op haar rustende stelplicht voldaan. De kantonrechter heeft in de beschikking van 9 juli 2025 al geoordeeld dat hetgeen Rush in dit kader stelde niet genoeg was voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter vond de door Rush gebruikte formulering te vaag en ondoorzichtig en overwoog dat niet was geconcretiseerd om welke beelden en/of informatie het gaat en of deze beelden openbaar of op een andere manier verkrijgbaar zijn. Ook was volgens de kantonrechter in die zaak niet duidelijk waar, wanneer en met wie [gedaagde] deze beelden en/of informatie zou hebben gedeeld. Dat is in deze procedure niet anders geworden. Ook in deze procedure heeft Rush niet concreet gemaakt waar, welke, wanneer, hoe en met wie [gedaagde] de privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben gedeeld. In deze procedure heeft Rush ter onderbouwing volstaan met de overlegging van een USB-stick met een transcriptie van een gesprek tussen Rush en Coffeeshop [naam 2] . Dat is niet genoeg. Uit dat gesprek blijkt weliswaar dat iemand van Coffeeshop [naam 2] één of meer foto’s heeft gezien of ervan heeft gehoord, maar uit het gesprek blijkt niet wanneer dat is geweest, welke foto’s het betrof, hoe dat is gebeurd en met name blijkt daaruit niet dat [gedaagde] degene is geweest die foto’s zou hebben gedeeld. Integendeel, in het gesprek gaat het over “rotte appels” die bezig zijn om het (de bestuurder van) Rush lastig te maken (“Anders krijg ik die foto niet toegestuurd”), maar daarover wordt tegelijkertijd gezegd “Ik weet niet waarom en ik weet ok niet wie het zijn”. [gedaagde] wordt in dit kader dus niet aangewezen of genoemd. Daarom is ook in deze procedure niet komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] heeft getoond en/of verspreid aan derden binnen [plaats 2] .
4.5.
In de dagvaarding wordt ook een “tweede locatie” genoemd door Rush waar [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben getoond en/of verspreid, maar Rush onderbouwt dat verder niet in de dagvaarding. Op de zitting heeft Rush alsnog toegelicht dat het om de locatie [naam 3] in [plaats 3] gaat, maar ook dit heeft Rush verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. De stelling van Rush dat [gedaagde] op deze locatie ook privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben verspreid en/of getoond is daarmee niet komen vast te staan. Omdat Rush niet heeft voldaan aan haar stelplicht, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zal de kantonrechter voorbijgaan aan het bewijsaanbod dat Rush in dit kader ter zitting heeft gedaan.
4.6.
De conclusie is dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] zou hebben verspreid en/of getoond aan derden. Reeds daarom moet de vordering worden afgewezen.
Rush kan geen beroep doen op de artikelen 6.1. en 6.2. van de arbeidsovereenkomst
4.7.
Daar komt bij dat zelfs al zou sprake zijn geweest van het delen van privé(naakt)beelden van [naam 1] door [gedaagde] , dan geldt dat Rush geen geslaagd beroep kan doen op artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van overtreding van het geheimhoudingsbeding, is de tekst van het geheimhoudingsbeding zelf bepalend, alsmede het doel en de strekking van het geheimhoudingsbeding. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het geheimhoudingsbeding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst gaat over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en privacy van klanten van Rush. Op de zitting heeft Rush toegelicht dat de vordering is gebaseerd op de laatste zin van artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst, te weten: “Dit geldt inclusief voor de privacy van Opdrachtgever ten alle tijden (geen enkele communicatie, of informatie hoe Opdrachtgever zijn werkzaamheden uitvoert)”. Desgevraagd ter zitting heeft Rush echter erkend dat hetgeen zij [gedaagde] verwijt niet onder artikel 6.1. van de arbeidsovereenkomst valt. Het gaat hier immers niet om communicatie of informatie over hoe Rush de werkzaamheden uitvoert.
4.9.
De kantonrechter oordeelt dat wat Rush [gedaagde] verwijt evenmin onder artikel 6.2. van de arbeidsovereenkomst valt. Dat artikel ziet op het geheimhouden van bedrijfsgegevens. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het delen van privé(naakt)beelden van de vrouw van de middellijk bestuurder van Rush, die geen formele rol binnen het bedrijf heeft, hetgeen ook niet is komen vast te staan, valt onder het delen van bedrijfsgegevens.
Het protocol is niet van toepassing
4.10.
Voor zover Rush nog heeft gesteld dat [gedaagde] het “Protocol Roddel & Achterklap Rush Safety Services B.V.” (hierna: het protocol) zou hebben geschonden, overweegt de kantonrechter dat Rush geen daarop gerichte vordering heeft geformuleerd of gebaseerd. Die gestelde schending hoeft daarom niet te worden besproken. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat niet is komen vast te staan dat het protocol van toepassing was op de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] . [gedaagde] betwist namelijk dat het protocol van toepassing is verklaard. Rush heeft daar tegenover niets meer gesteld. Bovendien wordt het protocol niet genoemd in de arbeidsovereenkomst en blijkt nergens uit dat [gedaagde] getekend heeft voor een dergelijk protocol.
Geen boetes verschuldigd
4.11.
Het bovenstaande betekent dat [gedaagde] niet heeft gehandeld in strijd met de arbeidsovereenkomst en dus ook geen boetes is verschuldigd. De kantonrechter zal de vorderingen van Rush ter zake de gevorderde boetes daarom afwijzen.
4.12.
Overigens heeft Rush het verbeuren van de boetes door [gedaagde] ook onvoldoende onderbouwd. De vordering van Rush tot betaling van € 24.500,00 is kennelijk gebaseerd op een eenmalige overtreding op 6 februari 2025 (€ 5.000,00) en een schending van 18 dagen (van 6 tot en met 25 februari 2025 à € 1.250,00 per dag). Vast staat dat [gedaagde] met ingang van 6 februari 2025 niet meer voor Rush heeft gewerkt. Op de zitting heeft Rush op de vraag waaruit blijkt dat de gestelde overtreding 18 dagen zou hebben geduurd, gesteld dat dit uit eventuele getuigenverklaringen kan blijken. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Rush echter niet aan haar stelplicht voldaan, zodat aan enige bewijslevering niet wordt toegekomen.
Geen onrechtmatig handelen jegens Rush
4.13.
Hiervoor is overwogen dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] privé(naakt)beelden van [naam 1] aan derden heeft verspreid en/of getoond. Het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] is daarmee ook niet komen vast te staan. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
4.14.
Bovendien is niet voldoende toegelicht waarom het delen van privé(naakt)beelden van [naam 1] zou leiden tot onrechtmatig handelen jegens Rush. Rush heeft niet duidelijk gemaakt welke schade zij als gevolg van één en ander zou (kunnen) hebben geleden. De stelling dat sprake is van een omzetverlies en dat het “in de regio bekend is”, is te algemeen en niet nader onderbouwd. Dat Rush een vaste klant door toedoen van [gedaagde] is kwijtgeraakt, heeft [gedaagde] gemotiveerd. Rush heeft daar niets meer tegenin gebracht.
Conclusie
4.15.
De kantonrechter wijst de vorderingen van Rush af.
De proceskosten
4.16.
Rush is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298,00
in reconventie
4.17.
In de beschikking van 9 juli 2025 heeft de kantonrechter, zoals hierboven al overwogen, een beslissing genomen over de rechtsverhouding tussen partijen, inhoudende dat de overeenkomst tussen [gedaagde] en Rush gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft eveneens vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op 138 vakantie-uren per jaar. Partijen zijn het er verder over eens dat het bruto uurloon € 31,00 bedroeg. Tegen deze beslissingen in de beschikking van 9 juli 2025 heeft Rush geen hoger beroep ingesteld, terwijl de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. De beslissing is dus in kracht van gewijsde gegaan en staat onherroepelijk tussen partijen vast. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank over hetgeen hiervoor is genoemd in de onderhavige procedure bindend is. Met andere woorden, geoordeeld is dat tussen partijen sprake was van een arbeidsovereenkomst, dat [gedaagde] recht heeft op 138 vakantie-uren per jaar, dat het bruto uurloon van [gedaagde] € 31,00 bedroeg en aan die beslissingen kan in deze procedure niet meer getornd worden. Over de uit de vakantie-uren voortvloeiende vordering van [gedaagde] heeft de kantonrechter echter geen beslissing genomen. Daarover heeft de kantonrechter juist overwogen dat deze kwestie in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure (dat is deze procedure) zal worden beoordeeld. Het beroep van [gedaagde] op het gezag van de gewijsde van de beschikking van de kantonrechter op dit punt wordt dan ook gepasseerd.
4.18.
Artikel 7:641 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie(uren), recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak. Partijen zijn het niet eens over het aantal uren dat bij het einde van de arbeidsovereenkomst moest worden uitgekeerd.
4.19.
De kantonrechter stelt voorop dat ten aanzien van bewijs van een tegoed aan vakantiedagen de bewijslast (in beginsel) bij de werknemer ligt, maar dat bij betwisting van het door de werknemer gestelde tegoed de werkgever in beginsel zijn betwisting mede zal moeten motiveren aan de hand van uit de administratie blijkende gegevens die dan ook door de werkgever in het geding dienen te worden gebracht. Verder neemt de kantonrechter als uitgangspunt dat aan het door de werknemer te leveren bewijs niet al te hoge eisen moeten worden gesteld, nu het voeren van een deugdelijke verlofregistratiesysteem primair de taak van de werkgever is. Indien de door de werkgever bijgehouden verlofadministratie niet deugdelijk blijkt te zijn, is dat een omstandigheid die in beginsel voor risico van de werkgever komt.
4.20.
[gedaagde] stelt dat hij recht heeft op uitbetaling van 339,50 vakantie-uren, volgens Rush gaat het om 315,50 vakantie-uren. [gedaagde] heeft naar aanleiding van het verweer van Rush een factuur van 21 december 2024 overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] op 16 december 2024 geen 3,5 uren verlof heeft opgenomen. Rush is hier niet meer op ingegaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [gedaagde] . Dit betekent dat [gedaagde] in ieder geval recht heeft op vergoeding van 319 vakantie-uren. Dat komt neer op € 9.889,00 bruto. De kantonrechter wijst dit bedrag daarom toe.
4.21.
Het bovenstaande betekent dat er nog een verschil is van 20,5 uur. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat het voor de vordering uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen niet beslissend is of [gedaagde] wel of niet heeft gewerkt gedurende de door Rush gestelde dagen/dagdelen. Als [gedaagde] niet heeft gewerkt gedurende de door Rush gestelde dagen/dagdelen, dan heeft hij in ieder recht op doorbetaling van het bruto salaris gedurende dit uren. [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat hij dan recht heeft op (20,5 x € 31,00 is) € 635,50 bruto. Dit bedrag wijst de kantonrechter eveneens toe.
4.22.
Bij akte wijziging eis heeft [gedaagde] aanvullend uitbetaling van 54 uren gevorderd. Dat zijn de uren die De Goot in de periode van 18 maart 2024 tot en met 6 januari 2025 als vakantie heeft opgenomen, die hij aanvankelijk niet bij Rush in rekening had gebracht, terwijl hij uit hoofde van de arbeidsovereenkomst recht had op doorbetaling van zijn vakantie. Rush heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst daarom het onbetwiste bedrag van € 1.674,00 bruto toe.
4.23.
De door [gedaagde] gevorderde wettelijke verhoging over de onder 4.19 tot en met 4.22 genoemde bedragen kan op grond van de wet worden toegewezen, omdat die bedragen te laat zijn betaald. Voor een matiging (tot nihil), zoals door Rush is verzocht, ziet de kantonrechter geen aanleiding, omdat het aan Rush te wijten is dat zij te laat heeft betaald. Daarbij is van belang dat weliswaar tussen partijen een discussie bestond over de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst, maar die discussie is door de kantonrechter al op 9 juli 2025 beslecht. Voor Rush was het in ieder geval toen duidelijk dat er de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moest worden gekwalificeerd. Die beschikking is, zoals hiervoor is overwogen, onherroepelijk geworden. Rush had daarom als werkgever kunnen en moeten weten dat zij de vakantie-uren had moeten door- en uitbetalen. Dat heeft zij nagelaten, en de gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van Rush.
4.24.
Het verzoek om (een) deugdelijke bruto/netto-specificatie(s) over voornoemde betalingen is toewijsbaar.
4.25.
Rush is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
432,00
(1 punt × € 432,00)
Totaal
€
432,00
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van Rush af,
5.2.
veroordeelt Rush in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rush niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt Rush om aan [gedaagde] te betalen het netto-equivalent van € 10.524,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over het toegewezen bedrag, onder gelijktijdige verzending van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.5.
veroordeelt Rush om aan [gedaagde] te betalen het netto-equivalent van € 1.674,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over het toegewezen bedrag, onder gelijktijdige verzending van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
5.6.
veroordeelt Rush in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Rush niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.
Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW).