Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:4909

2026-03-03 Bestuursrecht; Belastingrecht AWB - 19 _ 429
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-03-03
Publicatiedatum
2026-05-06
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
AWB - 19 _ 429
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; Viditax (FutD) 2026061706; NLF 2026/1199; FutD 2026-1098; Douanerechtspraak 2026/81

Inhoudsindicatie

Douanerecht. Naheffingsaanslag accijns ivm het gehalte aan Solvent Yellow in de bunkertans van een schip. Beroep is gegrond.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.618 tekens)
Rechtbank noord-holland


Zittingsplaats Haarlem


Bestuursrecht


zaaknummer: HAA 19/429



uitspraak van de meervoudige douanekamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen





[eiseres]
, gevestigd te [vestigingsplaats] ( [land] ), eiseres


en



de inspecteur van de Douane. verweerder.



Inleiding



In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de naheffingsaanslag die aan haar is opgelegd op basis van het aangetroffen gehalte aan Solvent Yellow in de bunkertanks van een van haar schepen.


Verweerder heeft op 29 maart 2018 aan eiseres een naheffingsaanslag accijns van minerale oliën opgelegd van € 11.231. Daarbij is tevens € 1.037 aan belastingrente in rekening gebracht en een verzuimboete van € 1.141 opgelegd. Ook heeft verweerder een bedrag van € 186 aan voorraadheffing nageheven.


Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 november 2018 het bezwaar afgewezen en de naheffingsaanslag gehandhaafd.


Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 10 mei 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden omdat de Hoge Raad op 10 februari 2023 prejudiciële vragen had gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof van Justitie). Het Hof van Justitie heeft deze vragen beantwoord in het Alsen-arrest van 13 maart 2025.


Bij brief van 10 september 2025 heeft de rechtbank partijen verzocht te reageren op het Alsen-arrest. Verweerder heeft bij brief van 7 oktober 2025 gereageerd (het aanvullend stuk).


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , [naam 2] , en [naam 3] LL.M.
Namens eiseres is niemand verschenen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting onderzocht of eiseres behoorlijk is uitgenodigd voor de zitting. Het beroepschrift is ingediend door mr. [naam 4] (de advocaat). De advocaat heeft op 26 september 2025 medegedeeld niet langer op te treden als gemachtigde van eiseres en heeft daarbij de te gebruiken contactgegevens van eiseres doorgegeven. De griffier heeft eiseres, bij aangetekende brieven, verzonden op 24 november 2025 aan het voormalige in het [land] handelsregister vermelde adres en op 15 december 2025 aan het door de advocaat opgegeven adres [adres] [vestigingsplaats] , [land] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Raadpleging van de Track & Trace-informatie van PostNL heeft uitgewezen dat de tweede brief op 18 december 2025 is bezorgd. Eiseres is dus tijdig en op de door de wet voorgeschreven wijze uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, zodat de zitting heeft kunnen plaatsvinden. Uit telefonisch contact op 15 december 2025 tussen de griffier en [naam 5] , de door de advocaat doorgegeven contactpersoon van eiseres, is bovendien gebleken dat eiseres op de hoogte was van datum en tijdstip van de zitting.



Overwegingen




Feiten


1. Op 22 januari 2015 heeft verweerder een controle uitgevoerd op de tanklichter [naam 6] die op dat moment in de Houthaven te Amsterdam lag. De [naam 6] is eigendom van eiseres en was voorheen eigendom van [bedrijf] B.V.
2. In het controleverslag van 22 januari 2015 staat het volgende vermeld:

“(…)
Om 10.20 uur zijn wij, [naam 7] en [naam 8] , aan boord gestapt van de lichter [naam 6] voor een controle op de aanwezigheid van restlading.


Aan de schipper is gevraagd of hij gebruik maakte van een ladingboek, de schipper antwoorde deze te hebben in de vorm van een computerbestand en een restlading te hebben. Van het computerbestand hebben wij een uitdraai gekregen. Hierop staat bij restcode het cijfer 8, hetgeen betekend dat de lichter eventuele restlading heeft afgegeven bij het lossen van de lading. Uitleg van deze cijfers konden niet worden uitgeprint, maar hebben wij gezien op de computer van de lichter. Tevens maakt de lichter gebruik van losverklaringen.
(…)
Wij hebben de schipper gevraagd wanneer hij voor het laatst gebunkerd heeft. Dit bleek op 17 januari 2015 te zijn. Volgens de bunkerverklaring bleek dit een hoeveelheid van 12.001 Liter 15 graden gasolie te zijn.
In totaal heeft de lichter 4 bunkertanks met een totale hoeveelheid van 23.300 liter actueel. De bunkertanks voor zijn met elkaar verbonden, net als de bunkertanks achter.


Wij hebben monsters genomen uit de bunkertanks SB achter, BB achter en vanaf het Racorfilter voor. Het was niet mogelijk een monster direct uit de bunkertanks voor te halen. Het filter is geplaatst tussen beide bunkertanks voor en de scheepsmotor voor de boegschroef en is bedoeld om water te scheiden van de olie. Schipper heeft getekend voor de monstername en verklaart dat het genomen monster van het Racorfilter representatief is voor beide bunkertanks voor. Tevens hebben wij van de van de bunkertanks SB achter, BB achter en vanaf het Racorfilter voor contramonsters genomen en deze verzegeld met 1x PP A1015 achtergelaten aan boord van de lichter.


De genomen monsters zijn op 23-01-2015 met aanvraagformulieren [# 1] -07 t/m -09 op het douanelaboratorium afgegeven.
De hoeveelheid van de bunkers was enkel vast te stellen door het aflezen van peilglazen. In totaal hebben wij 23.300 liter actueel afgelezen op de peilglazen.”

3. In de brief van verweerder van 19 september 2017 aan [bedrijf] B.V. over de controle op 22 januari 2015 staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“De analyse van de monsters door het douanelaboratorium resulteerde in de volgende uitslagen:



Onderzocht product: TL [naam 6] bunkertank bakboord achterschip




Bij onderzoek bevonden:




Analyse Methode Bevinding



Kleur KLEUR Rood
Solvent Yellow 124 SY24HPLC 5,2 g/1000 l
Destillatietraject SIMDISASTM minder dan 65 %vol bij 250 ºC en tenminste 85 %
vol bij 350 ºC.
Zwavel ZWAVEL-UVF 326 mg/kg.
Dichtheid 15 ºC DICHTPAAR 828,0 kg/m3.
Biodiesel GC niet aangetoond


(…)



Onderzocht product: TL [naam 6] bunkertank stuurboord achterschip




Bij onderzoek bevonden:




Analyse Methode Bevinding



Kleur KLEUR Rood
Solvent Yellow 124 SY24HPLC 3,9 g/1000 l
Destillatietraject SIMDISASTM minder dan 65 %vol bij
250 ºC en tenminste 85
%vol bij 350 ºC.
Zwavel ZWAVEL-UVF 428 mg/kg
Dichtheid 15 ºC DICHTPAAR 827,4 kg/m3.
Biodiesel GC niet aangetoond


(…)



Onderzocht product: TL [naam 6] racorfilter voor


Bij onderzoek bevonden:




Analyse Methode Bevinding



Kleur KLEUR Rood
Solvent Yellow 124 SY24HPLC 2,6 g/1000 l
Destillatietraject SIMDISASTM minder dan 65 %vol bij
250 ºC en tenminste 85
%vol bij 350 ºC.
Zwavel ZWAVEL-UVF 806 mg/kg
Dichtheid 15 ºC DICHTPAAR 809,5 kg/m3.
Biodiesel GC niet aangetoond”

4. Eiseres heeft een bunkerverklaring met nummer [# 2] overgelegd van [bedrijf 2] te [plaats] van 17 januari 2015 (de bunkerverklaring). Daarin staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“A. Afnemer / Vrijstellingsgenietende

(…)
Naam: [eiseres] (…)



Aan boord van het hierna omschreven schip de onder B vermelde hoeveelheden minerale oliën van vrijstelling van accijns te hebben betrokken en deze te gebruiken voor de voortdrijving van het schip of als scheepsbehoefte aan boord van dit schip



Schip: [naam 6] ENI/IMO nummer (…)




B. omschrijving van de minerale oliën


Gasolie (voorzien van herkenningsmiddelen): 12.001 liter gasolie




C. Leverancier


Ondergetekende:
[plaats] – [naam 9] Verklaart de onder B vermelde hoeveelheid
minerale oliën met vrijstelling van accijns te hebben geleverd aan het onder A. omschreven
schip.
ENI-nummer (…) [bedrijf 2] : AGP nr. NL (…)



Datum: 17-1-2015 (…) Handtekening leverancier
(…)”




Geschil5.In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Meer in het bijzonder is in geschil of is voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling van heffing van accijns.

6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Eiseres voert onder meer aan dat de herkomst van de bevonden gasolie is aangetoond door middel van de bunkerverklaring, waaruit volgt dat voorafgaand aan de controle op 22 januari 2015 de [naam 6] op 17 januari 2015 heeft gebunkerd bij [bedrijf 2] B.V, een erkend bunkerstation. Eiseres treft geen enkel verwijt in deze zaak en mocht vertrouwen op de kwaliteit van de gasolie die door erkende bunkerstations wordt geleverd. Verder voert eiseres aan dat geen sprake is van een belastbaar feit en er dus geen accijns verschuldigd is, dat de naheffingsaanslag ten onrechte (alleen) aan haar is opgelegd en dat de naheffingsaanslag ten onrechte niet aangeeft op hoeveel liter gasolie deze is gebaseerd.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van het primaire besluit, dan wel de inspecteur op te dragen om met inachtneming van de uitspraak opnieuw te beslissen op de bezwaren van eiseres.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Eiseres komt niet in aanmerking voor de vrijstelling gelet op de bevindingen van het laboratorium dat de voor- en achtertanks van de [naam 6] niet de minimaal vereiste hoeveelheid van Solvent Yellow (SY) en teveel zwavel bevatten. Omdat niet met één levering gasolie kan worden getankt met drie verschillende SY-gehaltes of zwavelgehaltes, heeft eiseres met de bunkerverklaring niet de herkomst van de gasolie aangetoond. Er is sprake van het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling terwijl over dat goed geen accijns is geheven, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel b van de Wet op de accijns. Op grond van artikel 1 van de Wet op de accijns is dit een belastbaar feit. Het Alsen-arrest is niet van toepassing omdat daarin, anders dan in deze zaak, er geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude of misbruik doet rijzen.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.



Beoordeling van het geschil


8. De rechtbank stelt voorop dat eiseres accijnsvrij gasolie kan bunkeren voor de aandrijving van het tankschip [naam 6] , nu artikel 66 van de Wet op de accijns voorziet in een vrijstelling voor gasolie die wordt aangewend voor de aandrijving van schepen. Voorwaarde voor deze vrijstelling is dat aan de gasolie per 1000 liter ten minste 6 g en niet meer dan 9 g SY is toegevoegd en aan lichte gasolie mede een voldoende hoeveelheid kleursel is toegevoegd om aan de gasolie een goed zichtbare en blijvende rode kleur te geven (de voorwaarden voor de vrijstelling).

9. Tussen partijen is niet in geschil dat uit de bevindingen van het laboratorium blijkt dat de gasolie in de bunkertanks en het racorfilter niet voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling.

10. In het Alsen-arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat het uit Richtlijn 95/60 voortvloeiende vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden er niet toe kan leiden dat de lidstaten in het kader van de beoordelingsmarge waarover zij krachtens artikel 15, eerste lid, onder f, van Richtlijn 2003/96 beschikken, de naleving van dit vereiste als voorwaarde mogen stellen voor de vrijstelling voor met name energieproducten die als brandstof voor de vaart op de binnenwateren van de Unie voor commerciële doeleinden worden gebruikt. Dit is anders indien de betrokken marktdeelnemer opzettelijk heeft deelgenomen aan belastingfraude en zo de goede werking van de regeling voor de heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit in gevaar heeft gebracht, of indien niet-naleving van het vereiste inzake het merken voor fiscale doeleinden tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan.

11. Uit het Alsen-arrest volgt dat het feit dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling niet zonder meer tot de gevolgtrekking leidt dat eiseres niet voor vrijstelling in aanmerking komt. Eiseres komt in deze situatie voor vrijstelling in aanmerking in het geval vaststaat dat de aangetroffen gasolie uitsluitend wordt gebruikt voor de aandrijving van het schip en er geen enkele aanwijzing is die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doet rijzen.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangetroffen gasolie uitsluitend wordt gebruikt voor de aandrijving van het schip. De vraag waarvoor de rechtbank zich dus gesteld ziet, is of er aanwijzingen zijn die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doen rijzen. Het ligt op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat daarvan sprake is.

13. Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen enkele aanwijzing heeft dat het bunkerstation [bedrijf 2] B.V. gasolie verkoopt die niet tenminste de minimaal vereiste hoeveelheid SY bevat, dan wel meer dan 10 mg/kg zwavel bevat. Hij wijst daartoe op het lidmaatschap van [bedrijf 2] B.V. van de [stichting] ( [stichting] ), een samenwerkingsverband van bonafide scheepsbunkeraars dat heeft vastgelegd aan welke specificaties de te leveren gasolie dient te voldoen. Omdat sprake is van drie verschillende SY-gehaltes en verschillen in zwavelgehaltes, concludeert verweerder dat de gasolie niet in één levering gasolie kan zijn getankt bij [bedrijf 2] B.V. De geconstateerde verschillen kunnen daarom uitsluitend worden verklaard door handelingen die aan boord van het schip (eerder) zijn verricht. Ter zitting heeft verweerder in dat kader uiteengezet dat dit soort schepen over het algemeen gasolie heeft als lading en dat het daarom waarschijnlijk is dat het restant van de af te leveren gasolie niet aan de kade is vernietigd, maar is afgeroomd door het in de brandstoftanks van het schip over te tanken (afroomhandelingen / ladingfraude). Er is daarom een vermoeden van fraude, belastingontwijking of misbruik.

14. De rechtbank overweegt dat verweerder noch in het verweerschrift of het aanvullend stuk, noch ter zitting heeft geconcretiseerd voor welke van de drie vermoedens (fraude, misbruik of belastingontwijking) er volgens hem aanwijzingen zijn. De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder aldus dat volgens hem sprake is van aanwijzingen voor een vermoeden van fraude. Verweerder heeft dat evenwel niet aannemelijk gemaakt.

Dat het bunkerstation [bedrijf 2] B.V. uitsluitend gasolie levert die tenminste de minimaal vereiste hoeveelheid SY en niet meer dan de maximaal toegestane hoeveelheid zwavel bevat, omdat [bedrijf 2] een betrouwbare leverancier is, heeft verweerder niet met stukken onderbouwd. Het algemene betoog over de betrouwbaarheid van [bedrijf 2] B.V. verschaft, net als het algemene betoog over ladingfraude, geen informatie voor een vermoeden van fraude, misbruik of belastingontwijking door eiseres ten aanzien van de aangetroffen gasolie. Ook de blote stelling dat met het schip uitsluitend gasolie wordt vervoerd, is hiervoor onvoldoende. Andere feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is van aanwijzingen voor fraude, heeft verweerder niet gesteld en zijn ook overigens niet gebleken. Daarnaast heeft verweerder evenmin aannemelijk gemaakt dat er aanwijzingen zijn voor het vermoeden van belastingontwijking of misbruik.

Slotsom


15. Eiseres komt in aanmerking voor de vrijstelling van accijns, wegens het ontbreken van aanwijzingen die vermoedens van fraude, misbruik of belastingontwijking doen rijzen. De naheffingsaanslag accijns is daarom ten onrechte opgelegd. Gezien artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012, is ook de naheffingsaanslag voorraadheffing ten onrechte opgelegd. Hierdoor is ook de boete ten onrechte opgelegd. De overige gronden hoeven daarom geen bespreking meer. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking zal vernietigen.



Proceskosten en griffierecht


16. Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.600 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder ook aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 345 te vergoeden.





Beslissing




De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing;
- vernietigt de boetebeschikking;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 1.600;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Richters, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.









griffier voorzitter






Een afschrift van deze uitspraak is per post verzonden op:







Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



ECLI:NL:HR:2023:187.


ECLI:EU:C:2025:179.


Artikel 19 en artikel 20, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns in samenhang met artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling accijns.


Richtlijn 95/60/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende het merken van gasolie en kerosine voor fiscale doeleinden.


Richtlijn 2003/96 van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit.