Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:4131

2026-03-18 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11658764 \ CV EXPL 25-2480
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-04-16
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Verstek
Zaaknummer
11658764 \ CV EXPL 25-2480
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing. Verstek. Niet voldaan aan precontractuele informatieplicht over betaalwijze. Sanctie. Toepasselijke bedingen uit de algemene en aanvullende voorwaarden getoetst en niet oneerlijk bevonden.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.518 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem


Zaaknr./rolnr.: 11658764 \ CV EXPL 25-2480
Uitspraakdatum: 18 maart 2026




Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:






[eiser] B.V.

te [plaats 1]
de eisende partij
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen



tegen





[gedaagde]

te [plaats 2]
de gedaagde partij
niet verschenen





1De procedure


1.1.
De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.





2De beoordeling


2.1.
De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 1.441,94, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te verminderen met deelbetalingen.



Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten





2.2.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.



2.3.
Uit de toelichting van de eisende partij blijkt niet (voldoende) dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230l BW onder d BW heeft voldaan. De eisende partij stelt namelijk dat de informatie over de wijze van betaling blijkt uit de overgelegde huurovereenkomst, onder het kopje ‘algemene voorwaarden’. Daarin ontbreekt echter enige informatie over de betaalwijze. De eisende partij heeft niet gesteld dat zij deze informatie op een andere manier aan de gedaagde partij heeft verstrekt, zodat het ervoor gehouden moet worden dat deze informatie niet voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst aan de gedaagde partij is verstrekt. Voor deze schending(en) zal een sanctie worden toegepast.



2.4.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.



2.5.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en de jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de overeenkomst gedeeltelijk worden vernietigd, te weten voor 20% van de door de gedaagde partij oorspronkelijk verschuldigde hoofdsom, voor zover deze ziet op verbintenissen uit de overeenkomst (en dus niet op de doorbelaste boete).



Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden





2.6.
De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).



2.7.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden verhuur- en deelautobedrijven BOVAG’ van 1 februari 2021 (hierna: de BOVAG-voorwaarden) en de aanvullende voorwaarden van de eisende partij (hierna: de aanvullende voorwaarden).



2.8.
De bedingen uit de BOVAG-voorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 6 lid 5, 8 lid 7 en 14 lid 1, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.



2.9.
Het beding uit de aanvullende voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten het boete- en administratiekostenbeding, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.





Wat is toewijsbaar?





2.10.
De sanctie voor het schenden van de precontractuele informatieplicht wordt alleen opgelegd over het gedeelte van de hoofdsom voor zover deze ziet op verbintenissen uit de overeenkomst (en dus niet op de doorbelaste boete). Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 1.162,40 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.397,68 x 0.8 + € 44,26).



2.11.
De gedaagde partij heeft vóór het verstrijken van de veertiendagentermijn een bedrag van € 950,00 voldaan. Omdat de gedaagde partij op het moment van deze betaling de buitengerechtelijke incassokosten nog niet verschuldigd was, strekt deze betaling in mindering op de resterende hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 212,40 aan hoofdsom toewijsbaar zou zijn.



2.12.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 40,00.



2.13.
De gedaagde partij heeft na het verstrijken van de veertiendagentermijn een bedrag van € 100,00 voldaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00. Dit maakt dat een bedrag van € 112,40 (€ 212,40 - € 60,00) aan hoofdsom zal worden toegewezen



2.14.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.



2.15.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 112,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 april 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;


3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 340,00;
salaris gemachtigde € 43,00;




3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;




3.4.
wijst de vordering voor het overige af.


Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.



De griffier De kantonrechter





Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.


HvJ EU 23 januari 2019, zaak C-430/17, ECLI:EU:C:2019:47 (Walbusch Walter Busch), punt 41; HvJ EU 10 juli 2019, zaak C-649/17, ECLI:EU:C:2019:576 (Amazon EU), punt 44.


Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.


HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).